CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Besluit Preview definitief wijzigingsbesluit 'Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02' INGETROKKEN

Besluitronde (raadsvergadering) 11 maart 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Definitief wijzigingsbesluit 'Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02' (herstelbesluit) (12-2026)45.608 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

GEMEENTEBLAD

Officiële uitgave van de gemeente Nijmegen

Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02 De gemeenteraad van Gemeente Nijmegen, bijeen in zijn vergadering van 11 maart 2026 Besluit vast te stellen;

Concept

Artikel I Het "Omgevingsplan gemeente Nijmegen" conform de wijzigingen in Bijlage A Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02

Artikel II Dit besluit treedt in werking per 12 april 2026 Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 maart 2026 De raadsgriffier, Drs. S.J. Ruta De voorzitter, Drs. H.M.F. Bruls

Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.

1

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Bijlage A Bijlage bij artikel I A

Concept

Hoofdstuk 3 wordt geplaatst na hoofdstuk 1. Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 3.1 2.1 [GERESERVEERD] FUNCTIES [Gereserveerd]

Paragraaf 2.1.1 Wonen Artikel 2.1 [gereserveerd] [gereserveerd]

Artikel 2.2 Regels voor wonen Bij activiteiten met betrekking tot wonen wordt in ieder geval voldaan aan: a. Paragraaf 6.13.2: wonen; b. Paragraaf 6.13.3: woonruimte voor logies gebruiken; en c. Paragraaf 6.13.4: woning verkameren.

Afdeling 3.2 2.2 GEBIEDEN Paragraaf 3.2.1 2.2.1 [gereserveerd] [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.2 2.2.2 [gereserveerd] [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.3 2.2.3 Waardengebieden Subparagraaf 3.2.3.1 2.2.3.1 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde [Gereserveerd]

Artikel 2.3 Aanwijzing Er is een Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde.

Artikel 2.4 Regels voor activiteiten in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde wordt voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.2 2.2.3.2 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde [Gereserveerd]

Artikel 2.5 Aanwijzing Er is een Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde.

2

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Artikel 2.6 Regels voor activiteiten in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde

Concept

Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde wordt voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.3 2.2.3.3 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde [Gereserveerd]

Artikel 2.7 Aanwijzing Er is een Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde.

Artikel 2.8 Regels voor activiteiten in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde wordt voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.4 2.2.3.4 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde [Gereserveerd]

Artikel 2.9 Aanwijzing Er is een Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde.

Artikel 2.10 Regels voor activiteiten in een gebied met een (zeer) grote archeologische waarde Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde wordt voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.5 2.2.3.5 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde [Gereserveerd]

Artikel 2.11 Aanwijzing Er is een Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde.

Artikel 2.12 Regels voor activiteiten in een gebied met een uitzonderlijk universele of vastgestelde archeologische waarde Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde wordt voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 2.2.3.6 Waardengebied archeologie - maatwerk Artikel 2.13 Aanwijzing Er is een Waardengebied archeologie - maatwerk.

Artikel 2.14 Regels voor activiteiten in een gebied met maatwerk Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - maatwerk wordt voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

3

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Subparagraaf 3.2.3.6 [gereserveerd] [Gereserveerd]

Subparagraaf 3.2.3.7 2.2.3.7 Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop

Concept

Artikel 3.1 2.15 Aanwijzing Er is een Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop.

Artikel 3.2 2.16 Regels voor activiteiten in een molenbiotoop Bij activiteiten in een Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop wordt voldaan aan: a. Paragraaf 5.3.1: ActiviteitenActiviteit in een molenbiotoop.

Paragraaf 3.2.4 2.2.4 [gereserveerd] [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.5 2.2.5 Beperkingengebieden Subparagraaf 3.2.5.1 2.2.5.1 Beperkingengebied energie - interferentiegebied Artikel 3.3 2.17 Aanwijzing Er is een Beperkingengebied energie - interferentiegebied.

Artikel 3.4 2.18 Doelen Voor het Beperkingengebied energie - interferentiegebied geldt het volgende doel: a. het op efficiënte wijze benutten van de bodem voor bodemenergiesystemen;

Artikel 3.5 2.19 Regels voor interferentiegebieden Met het oog op efficiënt benutten van de bodem voor bodemenergiesystemen wordt voldaan aan de regels in: a. Paragraaf 8.3.1: Gesloten bodemenergiesysteem installeren.

Paragraaf 3.2.6 2.2.6 [gereserveerd] [Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.7 2.2.7 Overige gebieden Subparagraaf 3.2.7.1 2.2.7.1 Bebouwingscontour houtkap Artikel 3.6 2.20 Aanwijzing Er is een Bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn.

Afdeling 3.3 2.3 THEMA'S Paragraaf 3.3.1 2.3.1 Bodem Subparagraaf 3.3.1.1 2.3.1.1 Bodembeheergebied Artikel 3.7 2.21 Aanwijzing Er is een Bodembeheergebied, waarin afgeweken mag worden van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

4

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Artikel 3.8 2.22 Doelen

Concept

Voor het Bodembeheergebied gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; en c. het beheer van de bodem en watersystemen.

Artikel 3.9 2.23 Bodemfunctieklasse Het hele Bodembeheergebied, als bedoeld in artikel 3.72.21, is ingedeeld in de bodemfunctieklasse ‘wonen’.

Artikel 3.10 2.24 Regels voor het beschermen van de fysieke leefomgeving Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de mens wordt voldaan aan de regels in: a.

Paragraaf 4.2.1: Bodemgevoelig gebouw bouwen of uitbreiden of een bodemgevoelige locatie toevoegen.

Artikel 3.11 2.25 Regels voor het beschermen van het milieu Met het oog op het beschermen van het milieu en het beheer van de bodem en watersystemen, wordt bij activiteiten in de bodem voldaan aan de regels in: a. Paragraaf 8.2.2: Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit; b. Paragraaf 8.2.3: Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; c. Paragraaf 8.2.4: Saneren van de bodem; d. Paragraaf 8.2.5: Nazorg na saneren van de bodem; e. Paragraaf 8.2.6: Toepassen van bouwstoffen; f. Paragraaf 8.2.7: Toepassen van grond of baggerspecie; g. Paragraaf 8.2.8: Opslaan van grond of baggerspecie; en h. Paragraaf 8.2.9: Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.

Artikel 3.12 2.26 Register van verdachte bodemlocaties 1.

Er is een register van verdachte bodemlocaties.

2.

Het register wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders.

3.

Het register is voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk.

4.

Het register wordt voortdurend geactualiseerd.

Subparagraaf 3.3.1.2 2.3.1.2 Bodemkwaliteit - bestaande stad tot 1945 Artikel 3.13 2.27 Aanwijzing Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad tot 1945.

Subparagraaf 3.3.1.3 2.3.1.3 Bodemkwaliteit - bestaande stad 1945 tot 1965 Artikel 3.14 2.28 Aanwijzing Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1945 tot 1965.

Subparagraaf 3.3.1.4 2.3.1.4 Bodemkwaliteit - bestaande stad vanaf 1965 Artikel 3.15 2.29 Aanwijzing Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965.

Subparagraaf 3.3.1.5 2.3.1.5 Bodemkwaliteit - Waalsprong

5

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Artikel 3.16 2.30 Aanwijzing Er is een Bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong.

Subparagraaf 3.3.1.6 2.3.1.6 Bodemkwaliteit - Veur Lent

Concept

Artikel 3.17 2.31 Aanwijzing Er is een Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent.

Paragraaf 2.3.2 Monumenten Subparagraaf 2.3.2.1 Archeologisch Rijksmonument Artikel 2.32 Aanwijzing archeologisch Rijksmonument Er is een Archeologisch Rijksmonument.

Artikel 2.33 Schakelbepaling voor archeologische Rijksmonumenten Bij activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch Rijksmonument is afdeling 5.1 van de Omgevingswet van toepassing. B Hoofdstuk 2 wordt geplaatst na hoofdstuk 3. Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 3 [GERESERVEERD] BESCHERMEN VAN VITALE FUNCTIES [Gereserveerd] C Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.7 Inperking van uitzondering: verdachte bodemlocaties Artikel 4.6 eerste lid is niet van toepassing op locaties die in het Register met verdachte bodemlocaties, bedoeld in artikel 3.122.26, zijn aangewezen als verdachte bodemlocatie. D Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan) 1.

In aanvulling op artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 alleen verleend als: a. de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 4.4; b. als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen; óf c. de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde doel door het stellen van voorwaarden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing in het Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965, tenzij de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft in het Register met verdachte bodemlocaties, bedoeld in artikel 3.122.26, is aangewezen als verdachte bodemlocatie.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het uitbreiden van een bestaand bodemgevoelig gebouw, met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 50 m2.

E

6

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Het opschrift van artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Concept

Artikel 4.12 Voorschriften bij omgevingsvergunning: bodemgevoelig gebouw bouwen, bodemgevoelige locatie toevoegen of bouwactiviteit (omgevingsplan)

7

F Afdeling 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2 [GERESERVEERD] ARCHEOLOGIE [Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.1 Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden Artikel 5.2 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden als het gaat om: a. het graven in de land- of waterbodem b. het indrijven van voorwerpen in de land- of waterbodem; c. het ophogen van de land- of waterbodem; d. het toevoegen van oppervlakteverharding; e. het verlagen van de grondwaterstand; f. het rooien van een diepwortelende plant of boom; en g. het bewerken van de landbodem.

2.

De regels van deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing op de locatie Gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Artikel 5.3 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en (in situ) behouden van archeologische waarden; b. het behouden en beschermen van de uitzonderlijk universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en c. het benutten van cultureel erfgoed en het beleefbaar maken van de rijke geschiedenis.

Artikel 5.4 Binnenplanse omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 5.2 eerste lid te verrichten.

Artikel 5.5 Meldplicht: activiteit in een gebied met een vrijgestelde verticale bouwdiepte 1.

In afwijking van artikel 5.4 is het verboden een activiteit, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, uit te voeren in een Waardengebied archeologie - maatwerk zonder dit ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit te melden, tenzij: a. de activiteit dieper reikt dan de hoogte in meters ten opzichte van NAP, zoals weergegeven met de omgevingsnorm Vrijgestelde verticale bouwdiepte in meters ten opzichte van NAP.

2.

De meldplicht als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing als: a. de activiteit niet dieper reikt dan 0,3 meter onder het maaiveld of de waterbodem; b. de activiteit wordt verricht: 1. in het kader van normaal onderhoud en beheer, waaronder begrepen: I. werkzaamheden die worden uitgevoerd ten behoeve van onderhoud aan, alsmede vervanging van, ondergrondse infrastructuur waarbij gewerkt wordt in reeds bestaande tracés en waarbij derhalve niet in nog ongeroerde grond wordt gegraven; en II. het baggeren van bestaande watergangen, waarbij geen werkzaamheden buiten de bestaande leggerprofielen van de watergangen worden uitgevoerd;

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Concept

2. 3.

8

krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; of in het kader van archeologisch onderzoek.

3.

In afwijking van artikel 5.4 is het verboden funderingspalen in de landbodem te drijven op de locatie Waardengebied archeologie - maatwerk 2 zonder dit ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit te melden, tenzij ten minste één van de volgende omstandigheden zich voordoet: a. de verstoring van de bodem meer bedraagt dan 2,5% van het te bebouwen plangebied; b. de funderingspalen niet in evenwijdige rijen worden gesitueerd; of c. de onderlinge afstand tussen (evenwijdige) rijen funderingspalen kleiner is dan 5 meter.

4.

Een melding als bedoeld in het eerste lid bevat: a. een omschrijving van de uit te voeren activiteit(en), inclusief: 1. de omvang van de bodemverstorende activiteit(en) in vierkante meters (m²); 2. de graafdiepte in meters ten opzichte van NAP; 3. de geplande start- en einddatum van de werkzaamheden en een globale fasering; 4. de methode van uitvoering van de werkzaamheden (handmatig of machinaal), inclusief het in te zetten materieel; en b. een situatietekening van de locatie waarop de activiteit(en) betrekking heeft, voorzien van: 1. een noordpijl; 2. ten minste twee coördinatenparen (RD- of GPS-coördinaten); en 3. de exacte locatie en omvang van de voorgenomen activiteit(en); c. doorsnedetekeningen van de voorgenomen activiteit(en), met daarop per afzonderlijke ingreep aangegeven: 1. de locatie; 2. de omvang; en 3. de diepte ten opzichte van NAP.

5.

Een melding als bedoeld in het derde lid bevat: a. een omschrijving van de uit te voeren activiteit, inclusief: 1. de omvang van de bodemverstorende activiteit (paaloppervlakte) in vierkante meters (m²); 2. het type paal en het aantal palen; 3. de geplande start- en einddatum van de werkzaamheden en een globale fasering; 4. de methode van uitvoering van de werkzaamheden (handmatig of machinaal), inclusief het in te zetten materieel; en b. een situatietekening van de locatie waarop de activiteit betrekking heeft, voorzien van: 1. een noordpijl; 2. ten minste twee coördinatenparen (RD- of GPS-coördinaten); en 3. de exacte locatie van de (rijen) funderingspalen; c. doorsnedetekeningen van de voorgenomen activiteit, met daarop aangegeven: 1. de locatie; 2. de diepte van de funderingspalen ten opzichte van NAP.

Artikel 5.6 Uitzondering op vergunningplicht: algemene vrijstellingen 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de activiteit niet dieper reikt dan 0,3 meter onder het maaiveld of de waterbodem.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.4 geldt niet als de activiteit betrekking heeft op het ophogen van de landbodem met een hoogte gelijk aan of kleiner dan 1,0 meter.

3.

Voor zover de uitzondering, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet van toepassing is, geldt het vierde lid.

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de gezamenlijke oppervlakte van de aangevraagde activiteit(en) gelijk aan of kleiner is dan: a. in een Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde: 2.500 m2; b. in een Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde: 500 m2; c. in een Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde: 100 m2; d. in een Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde: 50 m2; en met dien verstande dat bij het bepalen van de gezamenlijke oppervlakte bestaande bouwwerken worden meegerekend, met uitzondering van het oorspronkelijk hoofdgebouw.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Concept 9

5.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de activiteit wordt verricht in het kader van het bouwen van een bouwwerk, uitsluitend indien het bouwwerk niet meer dan 3 meter uit de fundering van een bestaand gebouw wordt gebouwd.

6.

Het verbod, als bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de activiteit wordt verricht: a. in het kader van normaal onderhoud en beheer, waaronder begrepen: 1. werkzaamheden die worden uitgevoerd ten behoeve van onderhoud aan, alsmede vervanging van, ondergrondse infrastructuur waarbij gewerkt wordt in reeds bestaande tracés en waarbij derhalve niet in nog ongeroerde grond wordt gegraven; en 2. het baggeren van bestaande watergangen, waarbij geen werkzaamheden buiten de bestaande leggerprofielen van de watergangen worden uitgevoerd; b. krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; of c. in het kader van archeologisch onderzoek.

7.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als: a. de activiteit plaatsvindt op de locatie Waardengebied archeologie - maatwerk 2; en b. de gezamenlijke oppervlakte van de aangevraagde activiteit(en) gelijk aan of kleiner is dan 4 m2.

Artikel 5.7 Inperking uitzondering in gebieden met uitzonderlijke universele of vastgestelde archeologische waarde De uitzonderingen genoemd in artikel 5.6, eerste tot en met het vijfde lid, zijn niet van toepassing in een Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde.

Artikel 5.8 Inperking uitzondering in Middeleeuwse kern De uitzondering genoemd in artikel 5.6 vijfde lid is niet van toepassing op de locatie Waardengebied archeologie - middeleeuwse kern.

Artikel 5.9 Inperking uitzondering in verband met start archeologisch onderzoek De uitzonderingen genoemd in artikel 5.6 gelden niet indien er een archeologische monumentenzorgcyclus (AMZ-cyclus) als opgenomen in onderstaande afbeelding is opgestart middels archeologisch vooronderzoek, bestaande uit bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek, conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Concept

De KNA processen in relatie tot de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Gemeente Nijmegen

Artikel 5.10 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een archeologisch rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; of b. andere bewijsstukken waaruit volgt dat er geen archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn.

Artikel 5.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 wordt alleen verleend als met een archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de aanwezige archeologische waarden niet (kunnen) worden geschaad als gevolg van de activiteit.

Artikel 5.12 Adviesprocedure Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 betrekking heeft op gronden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen de locatie Neder-Germaanse Limes: bufferzone aquaduct, stelt het bevoegd gezag Gedeputeerde Staten in de gelegenheid binnen vier weken advies uit te brengen over de aanvraag.

Artikel 5.13 Vergunningvoorschrift Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4, kunnen met het oog op het beschermen van de archeologische waarden in de bodem in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

10

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

c. d. e.

het begeleiden van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige; het doen van nader archeologisch onderzoek; en het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

Concept

G Het opschrift van paragraaf 5.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.3.1 Activiteiten Activiteit in een molenbiotoop H Het opschrift van artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 5.14 Toepassingsbereik I Het opschrift van artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 5.15 Oogmerken J Het opschrift van artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.4 5.16 Binnenplanse omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop K Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 5.17 Uitzondering op vergunningplicht: activiteit in een molenbiotoop Het verbod, bedoeld in artikel 5.45.16, geldt niet voor: a. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan; b. het bouwen van een dakkapel; en c. het herbouwen van een bestaand gebouw als wordt voldaan aan de volgende regels: 1. het bebouwde oppervlak en de situering wijzigt niet; 2. de goot- en bouwhoogte zijn kleiner of gelijk aan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw; en 3. de nokrichting en kapvorm wijzigt niet. L Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 5.18 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.45.16 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een inventariserend onderzoek naar de windvang van de molen in de bestaande en toekomstige situatie.

11

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

M Artikel 5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Concept

Artikel 5.7 5.19 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.45.16 wordt alleen verleend als: a. uit een inventariserend onderzoek naar de windvang van de molen blijkt dat de te verwachten directe of indirecte gevolgen door windbelemmering het huidige en het toekomstige functioneren van de molen als werktuig niet beperkt; en b. de waarde van de molen als landschapselement en de cultuurhistorische waarde, niet onevenredig in gevaar worden gebracht. N Na afdeling 6.3 worden tien afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 6.4 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.5 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.6 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.7 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.8 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.9 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.10 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.11 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

Afdeling 6.12 [GERESERVEERD] [Gereserveerd]

12

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Afdeling 6.13 WONEN Paragraaf 6.13.1 Algemene bepalingen

Concept

Artikel 6.4 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning: omgevingsplanactiviteit wonen Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot wonen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een akoestische onderbouwing; b. een plattegrond (schaal 1:100) van de woning in de bestaande en nieuwe situatie; en c. een parkeerbalans.

Paragraaf 6.13.2 Wonen in een woning Artikel 6.5 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het wonen in een woning.

Artikel 6.6 Algemene regels: wonen in een woning 1.

Een woning is uitsluitend bedoeld voor wonen.

2.

In afwijking van het eerste lid is het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met dien verstande dat de regels voor een beroep of bedrijf aan huis in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing zijn.

Paragraaf 6.13.3 Woonruimte voor logies gebruiken Artikel 6.7 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van een zelfstandige woonruimte voor logies.

Artikel 6.8 Algemene regels: zelfstandige woonruimte voor logies gebruiken toegestaan In afwijking van artikel 6.6, eerste lid, is het gebruiken van zelfstandige woonruimte voor logies toegestaan op de locatie Woonruimte voor logies gebruiken toegestaan.

Artikel 6.9 Eerbiedigende werking: zelfstandige woonruimte voor logies gebruiken In afwijking van artikel 6.6, eerste lid, is het gebruiken van zelfstandige woonruimte voor logies toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het gebruiken van zelfstandige woonruimte voor logies: 1. vond al plaats vóór 9 september 2025; en 2. was op dat moment niet reeds in strijd met de regels in dit omgevingsplan.

Artikel 6.10 Uitsterfregeling: zelfstandige woonruimte voor logies gebruiken Het gebruik van zelfstandige woonruimte voor logies dat is toegestaan op grond van artikel 6.9, moet worden gestaakt en dient gestaakt te blijven, indien de zelfstandige woonruimte gedurende een onafgebroken periode van ten minste 1 jaar niet is gebruikt voor logies.

Paragraaf 6.13.4 Woning verkameren Artikel 6.11 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verkameren van een woning.

Artikel 6.12 Overgangsrecht: woning verkameren 1.

13

Kamergewijze bewoning die bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de regels in deze paragraaf en met deze regels in strijd is, mag worden voortgezet.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op kamergewijze bewoning die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regels in deze paragraaf reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over kamergewijze bewoning in het omgevingsplan of in de huisvestingsverordening, met inbegrip van het daarin opgenomen overgangsrecht.

Concept

Artikel 6.13 Algemene regels: woning verkameren Bij het verkameren van een woning wordt voldaan aan de volgende regels: a. niet in een woonwagen of woonboot; b. de oppervlakte van een onzelfstandige woonruimte bedraagt niet minder dan 6 m2; c. met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners bedraagt de gebruiksoppervlakte van het totaal aan verblijfsruimten niet minder dan 12 m2 per bewoner; d. een onzelfstandige woonruimte wordt door maximaal één persoon bewoond; en e. op eigen terrein is een af te sluiten voorziening voor het deponeren van huishoudelijk afval aanwezig.

Artikel 6.14 Maatwerkregel: geluidsoverdracht bij het verkameren van een woning Bij het verkameren van een woning naar vier of meer onzelfstandige woonruimten wordt voldaan aan de volgende regels: a. het karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van de verblijfsruimte van het te verkameren (deel van een) gebouw naar een aangrenzende gebruiksfunctie is niet kleiner dan 52 dB; en b. het gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van de verblijfsruimte van het te verkameren (deel van een) gebouw naar een aangrenzende gebruiksfunctie is niet groter dan 54 dB.

Artikel 6.15 Informatieplicht: woning verkameren naar drie onzelfstandige woonruimten Voor het verkameren van een woning naar drie onzelfstandige woonruimten, worden binnen vier weken na aanvang van de activiteit de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond (schaal 1:100) van de woning in de bestaande en nieuwe situatie.

Artikel 6.16 Informatieplicht: beëindigen woning verkameren Ten hoogste vier weken na het beëindigen van het verkameren van een woning wordt het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de beëindiging.

Artikel 6.17 Binnenplanse omgevingsvergunning: woning verkameren naar vier of meer onzelfstandige woonruimten Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te verkameren naar vier of meer onzelfstandige woonruimten.

Artikel 6.18 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: woning verkameren naar vier of meer onzelfstandige woonruimten Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.17, wordt alleen verleend als: a. het verkameren niet leidt tot het insluiten van een naast-, onder- of bovengelegen zelfstandig bewoonde woning, door kamergewijs bewoonde woningen die op basis van artikel 6.17 vergunningplichtig zijn; b. het verkameren niet leidt tot meer dan twee direct naast-, onder- of bovengelegen kamergewijs bewoonde woningen die op basis van artikel 6.17 vergunningplichtig zijn; c. er sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor zowel het fiets- als autoparkeren, bepaald aan de hand van de meest recente versie van de Beleidsregels Parkeren; en d. uit een akoestische onderbouwing blijkt dat voldaan wordt aan de waarden in artikel 6.14. O Artikel 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

14

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Artikel 7.1 Algemeen toepassingsbereik Deze afdeling gaat overis van toepassing op het bevorderen van duurzaamheid bij bouw-, aanlegen sloopactiviteiten.

Concept

P Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan) 2 1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld format in bijlage B van de Toolbox Natuurinclusief Bouwen; en b. voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van: 1. alle gevels van het bouwwerk in de bestaande toestand; 2. alle gevels van het bouwwerk in de nieuwe toestand; 3. een dakaanzicht in de bestaande toestand; en 4. een dakaanzicht in de nieuwe toestand. 1 2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld format in bijlage B van de Toolbox Natuurinclusief Bouwen; en b. voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van: 1. alle gevels van het bouwwerk; en 2. een dakaanzicht. 3.

Het tweede lid geldt vanaf 1 januari 2026.

Q Artikel 7.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan) 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen van een hoofdgebouw wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen, waarbij getoetst wordt aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen, als vastgesteld op 28 november 2023, met dien verstande dat wanneer de voornoemde toolbox wordt gewijzigd, aan de hand van de meest recente versie van de toolbox wordt bepaald of er sprake is van voldoende natuurinclusieve maatregelen.

2.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw, bedoeld in artikel 7.2 aanhef onder b, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen, waarbij getoetst wordt aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen, als vastgesteld op 28 november 2023, met dien verstande dat wanneer de voornoemde toolbox wordt gewijzigd, aan de hand van de meest recente versie van de toolbox wordt bepaald of er sprake is van voldoende natuurinclusieve maatregelen.

3.

Het tweede lid geldt vanaf 1 januari 2026.

R Artikel 8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

15

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Artikel 8.3 Algemeen toepassingsbereik Deze afdeling gaat overis van toepassing op bodembeheeractiviteiten.

Concept

S

16

Na afdeling 8.3 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 8.4 GELUID Paragraaf 8.4.1 Algemene bepalingen Artikel 8.32 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op geluid door activiteiten op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

2.

Deze paragraaf gaat niet over geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.

3.

Deze paragraaf gaat niet over geluid door: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf gaat alleen over geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 8.33 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 1.

In afwijking van artikel 8.32, tweede lid, aanhef en onder b is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 8.32 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

3.

In afwijking van artikel 8.32 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van tenminste 110 kV.

Concept

Artikel 8.34 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

17

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van afdeling 8.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 8.35 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 8.36 Functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 8.37 Voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 8.38 Geluidonderzoek 1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 1.

in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: I. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Concept

2.

18

in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

2.

Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

3.

Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 8.4.2 en paragraaf 8.4.3; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 8.39 Informatieplicht: rapport geluidonderzoek 1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 8.38, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.40 Informatieplicht: activiteit op een gezoneerd industrieterrein 1.

Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein of industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. per etmaal niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 1. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 2. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h.

geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.

3.

Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

4.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

5.

Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Concept

Artikel 8.41 Informatieplicht: gegevens en bescheiden op verzoek van burgemeester en wethouders Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn: a. om te bezien in hoeverre de activiteit leidt tot (onaanvaardbare) geluidhinder; en b. ten behoeve van het opstellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 8.42 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over afdeling 8.4.

Paragraaf 8.4.2 Geluid veroorzaakt door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken Artikel 8.43 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in paragraaf 8.4.3.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 8.44 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen en omgeving 1.

Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw

2.

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A

Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een bedrijventerrein zonder gpp, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel. Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een bedrijventerrein zonder gpp

3.

19

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A

Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

75 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Concept

Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

55 dB(A)

45 dB(A)

45 dB(A)

4.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, anders dan binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, waarbij middels maatwerkvoorschriften een hogere geluidbelasting mogelijk is dan aangegeven in het eerste lid, niet hoger dan de waarde, bedoeld in de tabel in het derde lid.

5.

Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing wanneer de eigenaar en de bewoner van het in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw geen medewerking verlenen aan het uitvoeren van een akoestisch onderzoek, of het laten aanbrengen van maatregelen.

6.

De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

7.

Als binnen 50 meter van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht zich geen geluidgevoelig gebouw bevindt, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in het eerste lid, op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 8.45 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation 1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 8.44, eerste, derde en zesde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel. Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

2.

07.00 – 21.00 uur

21.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

50 dB(A)

40 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

70 dB(A)

60 dB(A)

De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 8.46 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit 1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 8.44, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel. Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit

2.

20

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A

Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 8.44, derde lid het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vor-

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

men, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

Concept

Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit

3.

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur.

Artikel 8.47 Waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012 Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een drijvende woonfunctie, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en: 1. voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten. Waarde voor geluid op een drijvende woonfunctie Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Artikel 8.48 Eerbiedigende werking 1.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

2.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 8.49 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen 1.

21

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 8.44 tot en met 8.48 en 8.50, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en/of onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; en e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

Concept

2.

Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax) tussen en 07:00 uur en 19:00 uur, bedoeld in de artikelen 8.44 tot en met 8.46 en 8.48, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen; b. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; c. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan; of d. het geluid van niet via elektronische weg versterkt geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.

3.

De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 8.44 tot en met 8.48, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 8.50 Waar waarden gelden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 8.44, eerste lid, en 8.45, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 8.51 Festiviteiten 1.

De waarden, bedoeld in de in artikelen 8.44 tot en met 8.50, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

2.

Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Paragraaf 8.4.3 Geluid veroorzaakt door windturbines en windparken Artikel 8.52 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 8.53 Waarden windturbines Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 8.54 Registratie gegevens windturbines 1.

22

De volgende gegevens worden geregistreerd:

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

a. b.

Concept

2.

de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Afdeling 8.5 TRILLINGEN Paragraaf 8.5.1 Trillingen door een activiteit Artikel 8.55 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan vijf jaar.

Artikel 8.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking In afwijking van artikel 8.55, tweede lid aanhef en onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 8.57 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 8.58 Functionele binding De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 8.59 Voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 8.60 Waarden voor continue trillingen 1.

23

Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in de tabel in het tweede lid.

Concept

(van 5-1-2026 9:42)

2.

Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in onderstaande tabel.

Concept

Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort

waarden 07.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

A1 trillingssterkte Vmax

0,1

0,1

A2 trillingssterkte Vmax

0,4

0,2

A3 trillingssterkte Vper

0,05

0,05

Artikel 8.61 Informatieplicht: gegevens en bescheiden op verzoek van burgemeester en wethouders Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn: a. om te bezien in hoeverre de activiteit leidt tot (onaanvaardbare) trillinghinder; en b. ten behoeve van het opstellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 8.62 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over afdeling 8.5. T Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 20 [GERESERVEERD] TIJDELIJKE REGELS [Gereserveerd]

Afdeling 20.1 REPARATIE WINKELSTEEG Paragraaf 20.1.1 Kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw bouwen, toevoegen of gebruiken Artikel 20.1 Buiten toepassing verklaring 1.

De volgende artikelen uit het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing op het bouwen, toevoegen of gebruiken van een kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw: a. artikel 18.11 van het 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Noord'; b. artikel 20.8 van het 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Zuid'; en c. artikel 17.9 van het bestemmingsplan 'Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert'

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=0d19c61b-938c-49d8-a0a6-0a5d59ddbb9c