Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp 2022
Tekst van het document
Of iemand in staat is tot regievoering hangt af van de aard en mate van de beperking. Het is aan de professional om deze beoordeling te doen. De GGD of het sociaal wijk- of regieteam zal in haar
onderzoek moeten beoordelen of het verantwoord is om een pgb te verstrekken. Dit hangt af van de
mogelijkheden van de cliënt om (zelf of met behulp van anderen) de daaraan verbonden taken goed uit te voeren. Oftewel, als een cliënt aangeeft dat hij zorg wil inkopen via een pgb dan vindt er een toets plaats op de regie van cliënt en of er het vertrouwen is dat de door cliënt voorgestelde invulling van voldoende kwaliteit is en tot de beoogde resultaten leidt.
Dit kan ertoe leiden dat in sommige situaties toch geen ondersteuning in de vorm een pgb wordt
verstrekt. De uitkomst van de weging kan van persoon tot persoon verschillen, het is altijd een individuele weging. Waarbij het in essentie draait om de vraag of geborgd is dat het budget ten goede komt aan de gewenste ondersteuning en aan de kwetsbare persoon die ondersteuning nodig heeft.
Informatieplicht aanvragers Het is van belang dat burgers vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben. Naast dat burgers worden ingelicht over de mogelijkheid van een pgb, wordt de burger vooraf volledig ingelicht over de gevolgen van de keuze voor een pgb en de voorwaarden die hieraan verbonden zijn.
5.2 Voorwaarden Het kiezen voor een pgb dient altijd een bewuste en vrijwillige keuze van de aanvrager te zijn. Uitgangspunt is dat een pgb alleen wordt verstrekt, indien de cliënt voldoet aan de volgende voorwaarden: 1)
cliënt kan zelf of met hulp van zijn netwerk/vertegenwoordiger (niet zijnde zorgverlener) zijn
2)
cliënt kan zelf of met hulp van zijn netwerk/vertegenwoordiger (niet zijnde zorgverlener) zijn
3) 4) 5)
pgb beheren;
belangen behartigen;
cliënt kan zelf of met hulp van zijn netwerk/vertegenwoordiger (niet zijnde zorgverlener) passende zorg inkopen;
cliënt kan zelf of met hulp van zijn netwerk/vertegenwoordiger (niet zijnde zorgverlener) een zorg- en budgetplan opstellen ter ondersteuning van de aanvraag voor een pgb;
de zorg die wordt ingekocht met het pgb voldoet aan de kwaliteitseisen zoals die ook voor de gecontracteerde aanbieders geldt.
Voor de beoordeling van deze voorwaarden hanteert het college de volgende richtlijnen, die worden getoetst in het gesprek. De GGD (beschermd wonen Wmo) of het sociaal wijk- of regieteam (overige Wmo-maatwerkvoorzieningen en jeugdhulp) voert de beoordeling uit op basis van het pgb-plan.
Ad 1: Bekwaamheid van de aanvrager
Om na te gaan of cliënt, op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, op een verantwoorde wijze kan omgaan met een pgb wordt de bekwaamheid vooraf beoordeeld door de GGD of het sociaal wijk- of regieteam. De beoordelingscriteria zijn: a)
b) c)
aanvrager is voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ten aanzien van de ondersteuningsvraag: een persoon moet duidelijk kunnen maken welke problemen hij heeft, hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning hij gebaat zou zijn;
aanvrager moet goed op de hoogte zijn van de rechten en plichten die horen bij het beheer; aanvrager moet in staat zijn om de opdrachtgevers-/werkgeverstaak op zich te nemen:
bijvoorbeeld het kiezen van de juiste zorgverlener, het aangaan van een zorgovereenkomst, het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een correcte administratie.
De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, maar
het oordeel van de GGD of het sociaal wijk-/regieteam is leidend. Mocht de professional van oordeel zijn dat de aanvrager niet (voldoende) bekwaam is voor het houden van een pgb, dan wordt het pgb
geweigerd. Bij twijfel rondom de bekwaamheid van de pgb-houder om zelf zorg in te kopen of indien er
sprake is van een niet-stabiel ziektebeeld, kan door het gebruik van een korte looptijd van de indicatie op korte termijn worden bekeken of de pgb-houder over de vaardigheden beschikt om een pgb te beheren en of dat het pgb nog voldoende voorziet in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.
Ad 2 Vaardigheden en kwaliteiten van de aanvrager
De pgb-houder is zowel opdrachtgever, werkgever als ontvanger van zorg. Het beheren van een pgb doet een groter beroep op de zelfredzaamheid en eigen kracht (regie) van de cliënt. De cliënt of zijn/haar vertegenwoordiger moet op verschillende terreinen over een aantal vaardigheden en kwaliteiten beschikken wil er sprake zijn van adequate zelfregie: 1)
Een bewuste keuze: a)
voldoende ziekte-inzicht;
c)
weet wat hij/zij nodig heeft;
b) 2)
kan hulpvraag goed verwoorden;
overeenkomsten af kunnen sluiten met zorgverleners op basis van een pgb-plan;
a) 3) 4) 5) 6)
b)
kan hulpverleners aansturen;
kan hulpverleners aanspreken op hun functioneren;
zelf zorgverleners kunnen selecteren; administratie bij kunnen houden; een begroting op kunnen stellen; een budgetplan kunnen maken.
Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de vragenlijst ‘bekwaamheid pgb’ (bijlage 5). Daarnaast heeft Per Saldo een pgb-test voor cliënten ontwikkeld. Cliënten kunnen de zelftest op internet invullen en krijgen aan de hand van een aantal vragen inzicht in de vaardigheden die nodig zijn voor het beheren van een pgb en de mate waarin zij zelf reeds over deze vaardigheden beschikkingen. Aanvullend op de eigen
informatievoorziening van de gemeente, worden mensen op deze zelftest gewezen. Zie ook de website van Per Saldo, www.pgb-test.nl.
Ad 3 Gemotiveerde keuze pgb Wmo De keuze voor pgb kan blijken uit de wijze waarop aanvrager zijn verzoek om pgb motiveert. Het gaat om de keuze van aanvrager en niet van de in te huren ondersteuner of aanbieder. Wel kan iemand uit het
eigen sociale netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner ondersteunen bij het motiveren van de aanvraag. Jeugdwet Volgens de Jeugdwet dient de aanvrager te motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is en hij daarom een pgb wenst. Hierbij gaat het om de argumenten van een persoon (de
jeugdige of zijn (wettelijk) vertegenwoordiger) om aan te geven dat de voorziening in natura die door de gemeente is voorgesteld niet passend is, waardoor de aanvrager gebruik wenst te maken van een pgb.
Met deze argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de
voorziening in natura. Wanneer de aanvrager de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. Er zijn enkele concrete voorbeelden te noemen die de aanvrager redelijkerwijs kan aanvoeren om te motiveren dat pgb passend is: 1)
de benodigde ondersteuning is niet goed vooraf in te plannen;
3)
de benodigde ondersteuning moet op veel korte momenten per dag geboden worden;
2) 4) 5) 6)
de benodigde ondersteuning moet op ongebruikelijke tijd geleverd worden;
de benodigde ondersteuning moet op verschillende locaties geleverd worden; als het noodzakelijk is om 24 uur ondersteuning op afroep te organiseren;
als de ondersteuning door de aard van de beperking (bijvoorbeeld autisme) door een vaste hulpverlener moet worden geboden.
Pgb-plan De maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt indien de cliënt dit motiveert, aan de hand van een onderbouwd pgb-plan. Het SWT/de GGD beoordeelt of dit plan voldoet. Door het
opstellen van een gemotiveerd pgb-plan wordt de cliënt gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren, en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. Uit het plan moet ten minste blijken: a)
wat de motivatie is om een aanvraag voor een pgb in te dienen;
c)
wat het beoogde resultaat van de ondersteuning is;
b) d)
waarom de zorg van deze specifieke aanbieder de meest geschikte vorm van zorg is; hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd (o.a. kwalificatie van de zorgverlener(s));
e) f)
g) h) i)
hoe de veiligheid is gewaarborgd;
wat de verwachte duur en omvang van de ondersteuning is; hoe hij/zij de achtervang bij vakantie en ziekte regelt (bij inzet sociaal netwerk)
hoe de ondersteuning is afgestemd op de cliënt; hoe en wanneer wordt geëvalueerd;
Een begroting (o.a. wat de zorg kost en hoe deze kosten zijn berekend)
Wanneer de aanvrager bij het opstellen van een plan, hulp ontvangt van een curator of mentor dient deze
persoon het pgb-plan mede te ondertekenen. Bij zowel Wmo-maatwerkvoorzieningen als Jeugdhulp dient een pgb-plan opgesteld te worden. Echter, enkel de motivatie voor een pgb vormt bij de Wmo geen afwijzingsgrond, bij Jeugdhulp kan dat wel het geval zijn.
Ad 4 Kwaliteitseisen De kwaliteit van de zorg die ingezet wordt met een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening in zorg in natura. In het pgb-plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze kwaliteit geborgd is.
Een pgb-houder is in eerste instantie zelf, of samen met diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg die hij inkoopt. Immers, niet de gemeente, maar de pgb-houder zelf kiest de
aanbieder en maakt de afspraken. De pgb-houder zelf is hiermee opdrachtgever of werkgever voor de
door hem ingehuurde ondersteuning. Het buurtteam/GGD moet formeel toetsen of de kwaliteit voldoende geborgd is en beoordelen of de ingekochte hulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Hierbij weegt mee of de diensten, hulpmiddelen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Deze eisen worden vooraf aan de cliënt kenbaar gemaakt. Wanneer de
ingekochte hulp niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen kan het buurtteam/GGD het college
adviseren geen pgb te verstrekken of het pgb te beëindigen en eventueel terug te vorderen. De kwaliteit
en effectiviteit van de ondersteuning zal gemonitord worden. Denk hierbij aan periodieke gesprekken met cliënten, steekproefsgewijze controles en het reageren op signalen van de SVB of anderen binnen of
buiten de gemeente. De controle op de kwaliteit van de hulp en ondersteuning blijft primair liggen bij de pgb-houder.
5.3 Pgb beheer door vertegenwoordiger Ten aanzien van begeleiding, dagbesteding, Beschermd Thuis en Beschermd Wonen Wmo geldt dat uitgangspunt van een pgb is dat de cliënt zelf in staat is om regie te voeren op de ingekochte
ondersteuning. De pgb beheerder kan de cliënt ondersteunen in het pgb-beheer, maar kan niet volledig in de plaats treden van de cliënt tenzij de pgb-beheerder ouder van de cliënt is of familie in de eerste
graad of tweede graad. Als de cliënt onvoldoende in staat is tot regievoering, zal het college niet overgaan tot het toekennen van een pgb, tenzij de pgb-beheerder ouder van de cliënt is of familie in de eerste graad of tweede graad.
Ondersteuning van de cliënt bij onderdelen van pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een professional. Een professional levert zijn diensten tegen
marktconform tarief. Het college of de andere organisatie kan vragen om een bewijs van betaling. De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënten en
stelt het belang van de cliënt centraal. Er mag daarom geen sprake zijn van belangenverstrengeling, de
pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling
onwenselijk en niet toegestaan), met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen.
5.4 Criteria pgb en sociaal netwerk Wettelijk bestaat de mogelijkheid om een pgb ook te besteden binnen het eigen netwerk. Er zijn
voorwaarden voor het inzetten van een pgb voor hulp door een persoon uit het sociale netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. Uit het onderzoek
moet blijken wat het sociale netwerk kan en wil doen (inclusief toepassing van het protocol gebruikelijke
hulp bij hulp in het huishouden) en voor welk onderdeel een maatwerkvoorziening nodig is. Aan de hand van een aantal aspecten (zie Artikel 13 lid 4 van de Verordening WMO en Jeugd) wordt beoordeeld of
sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden.
Voorafgaand aan de vraag of er een maatwerkvoorziening nodig is, is al besproken wat het netwerk zelf kan en wil doen. Ook bij bestaande klanten is het de bedoeling om in principe eerst (opnieuw) te
bespreken wat mensen uit het netwerk kunnen en willen oppakken en hoe het zit met de belastbaarheid
van het netwerk. Als er sprake is van overbelasting van het eigen netwerk is het van belang om de opties
voor respijtzorg te bezien ter ontlasting van de mantelzorger(s) (bijv. m.b.v. een iemand uit de buurt, een vrijwilliger van de Hulpdienst of welzijnswerk, dagbesteding of kortdurend verblijf).
Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a)
b) c)
op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;
er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.
In de Verordening Wmo en Jeugd van de gemeente Nijmegen staan nog drie aanvullende punten waarmee rekening gehouden moet worden bij het aanvragen of toewijzen/afwijzen van een pgb voor hulp uit het sociale netwerk (Artikel 13 lid 5).
5.5 Redenen om geen pgb toe te kennen In de volgende gevallen wordt geen pgb toegekend : 1)
Indien blijkt dat de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van
2)
Indien de cliënt niet (meer) voldoet aan de aan het toekennen van een pgb verbonden voorwaarden.
3) 4) 5)
6) 7)
juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.
Als de maatwerkvoorziening in zorg in natura of het pgb niet meer toereikend is te achten. Als de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zolang het onderzoek voor een
maatwerkvoorziening nog niet is afgerond en er op basis hiervan nog geen besluit is genomen over de noodzaak, aard en omvang van de maatwerkvoorziening.
Als de kosten van het pgb hoger zijn dan ondersteuning in natura, tenzij cliënt het mogelijke surplus zelf bijbetaalt.
Als een cliënt in de schuldsanering zit en/of onder bewindvoering is gesteld. Van bewindvoering is
vaak sprake, evenals van mentorschap, juist om de cliënt te behoeden voor (financiële) problemen. In
sommige gevallen is dat een al jaren bestaande situatie. Voor deze groep geldt dit 8)
9)
uitsluitingscriterium niet.
Indien er sprake is van spoedeisende zorg is het niet mogelijk om een pgb te ontvangen, aangezien er geen tijd is om een plan op te stellen en een (arbeids)overeenkomst te sluiten met een
hulpverlener/zorgaanbieder. Bovendien moet de ondersteuning voldoen aan kwaliteitseisen.
Als op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige
vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb. De situaties waarbij het risico groot is dat het pgb niet besteedt wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn onder andere: a)
b) c)
d) e) f)
De belanghebbende is handelingsonbekwaam.
De belanghebbende heeft als gevolg van een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie. Er is sprake van verslavingsproblematiek. Er is sprake van schuldenproblematiek.
Er is eerder misbruik gemaakt van een pgb. Er is eerder sprake geweest van fraude.
Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen anders situaties denkbaar zijn waarin het
verstrekken van een pgb niet gewenst is. Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een pgb worden geweigerd.
5.6 Duur pgb-indicatie Een pgb wordt voor maximaal 2 jaar afgegeven. De gemeente kan een pgb met een kortere looptijd afgeven: a)
b) c) d)
als de beoogde resultaten eerder kunnen worden behaald;
bij twijfel rondom bekwaamheid van de pgb-houder om zelf zorg in te kopen, maar Waarbij die twijfel onvoldoende is om het pgb gelijk af te wijzen;
indien er sprake is van een niet-stabiel ziektebeeld of een verwachte wisselende ondersteuningsbehoefte;
in andere gevallen die aanleiding geven tot het afgeven van een pgb voor een kortere periode.
5.7 Besteding pgb Pgb budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven wel doen: a)
b)
alle bijkomende kosten voor de zorgverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskosten, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen;
vervoerskosten, maar alleen als er een beschikking is voor begeleiding in dagdelen (dagopvang), samen met een indicatie voor vervoer van en naar de plek waar die begeleiding geboden wordt.
In de Verordening WMO en Jeugd is een lijst te vinden van uitgaven die pgb budgethouders vanuit het budget in ieder geval niet mogen doen (Artikel 11 lid 4).
5.8 Betaling – trekkingsrecht In de Wmo 2015 en Jeugdwet is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de pgb-houder
stort, maar op rekening van het servicecentrum pgb van de SVB. De SVB verricht de betalingen namens de
pgb-houder aan de zorgverleners. De pgb-houder moet de SVB opdracht geven voor betaling van hun zorgverleners. De pgb-houder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens, na controle van de factuur of declaratie, voor uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede pgb bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.
Rol van de SVB
Om pgb via trekkingsrecht te kunnen uitvoeren, moet de pgb-houder een zorgovereenkomst hebben met de zorgverlener. Deze moet hij indienen bij de SVB, waarna de SVB deze overeenkomst arbeidsrechtelijk
toetst en de gemeente deze zorginhoudelijk moet goedkeuren. Als de SVB geen zorgovereenkomst heeft, kan de zorgverlener niet worden betaald. Bij elke betaalopdracht controleert de SVB of de betaling klopt met deze zorgovereenkomst. De pgb-houder is verantwoordelijk voor het in de gaten houden van de
betalingen uit het pgb. De pgb-houder ontvangt elke maand een budgetoverzicht van de SVB, welke ook digitaal te raadplegen is.
De aanvrager is verplicht zich te houden aan de door de SVB gestelde bepalingen rondom het
trekkingsrecht. Niet voldoen aan de bepalingen van de SVB t.a.v. het trekkingsrecht kan tot gevolg hebben dat het pgb wordt ingetrokken.
Verantwoording en controle pgb
Ter aanvulling op het trekkingsrecht zal de gemeente gedurende het jaar via steekproeven bij de pgb-
beheerder door een huisbezoek en/of een administratieve controle nagaan of het pgb besteed is aan het
doel waarvoor het verstrekt is (rechtmatigheid) en de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de pgb-beheerder bespreken (doelmatigheid).
Als tijdens de huisbezoeken onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd kan het college besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het pgb of het verstrekken van de pgb te heroverwegen en eventueel te beëindigen.
In een steekproef kunnen daarnaast jaarlijks een aantal dossiers worden onderworpen aan een intensieve
controle. De budgethouder moet hieraan meewerken en alle gevraagde stukken indienen bij de gemeente. Het niet of niet volledig indienen van gevraagde stukken kan leiden tot geheel of gedeeltelijke terugvordering.
5.9 Periodieke evaluatie Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 moet periodiek worden onderzocht of er aanleiding is de
beslissing tot een maatwerkvoorziening, waaronder pgb’s, te heroverwegen. Deze evaluatiemomenten worden in het pgb-plan vastgelegd (ten minste een keer per jaar bij beschermd wonen Wmo). Samen
kijken de GGD of het wijk- of regieteam en de pgb-houder aan de hand van het pgb-plan of de pgb-
houder tevreden is over de geleverde ondersteuning en of de ondersteuning bijdraagt aan de beoogde
doelen (zelfredzaamheid en participatie). Bij de heroverweging wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen twee aspecten: a)
passendheid: de beschikking wordt inhoudelijk opnieuw bekeken om te bepalen of de gegeven
ondersteuning (nog steeds) goed aansluit bij de behoefte van de cliënt, en of deze ondersteuning efficiënt is. De GGD doet dit voor beschermd wonen Wmo door geen langlopende indicaties af te geven maar voor een periode van maximaal 2 jaar. Hiermee wordt periodiek bezien of de indicatie die iemand heeft – en daarmee zijn pgb- nog past bij zijn individuele situatie.
b)
handhaving: het periodiek heroverwegen van de beschikking is ook een middel om fraude en
oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Zo kan het zijn dat een cliënt bewust of onbewust het budget heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het pgb is afgegeven.
Waar noodzakelijk wordt het plan bijgesteld aan de nieuwe situatie en/of opnieuw vastgesteld welke
zorg/ondersteuning nodig is om de actuele zorgbehoefte te beantwoorden. Bij signalen van oneigenlijk gebruik heeft de gemeente de mogelijk om een pgb terug te vorderen.
5.10 Verantwoording pgb De pgb-houder dient het college te allen tijde op de hoogte te stellen van gewijzigde feiten en
omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op maatschappelijke ondersteuning. Het kan
bijvoorbeeld gaan om een verbetering of verslechtering van de gezondheidssituatie, gezinsuitbreiding of bijvoorbeeld een verhuizing.
Artikel 2.3.10 lid 1 van de Wmo en artikel 19 van de Verordening WMO en Jeugd van de gemeente
Nijmegen bepalen wanneer een reeds toegekende voorziening kan worden herzien of ingetrokken. Het
college heeft als gevolg hiervan ook bevoegdheden tot terugvordering, zie artikel 2.4.1 van de Wmo en artikel 19 van de Verordening WMO en Jeugd van de gemeente Nijmegen.
Hoofdstuk 6 Citeertitel en Inwerkingtreding 1. Deze beleidsregels worden aangehaald als: “beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2022”
2. De beleidsregels treden in werking op 1 januari 2022 onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2020 Gemeente Nijmegen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 14 december 2021.
De Gemeentesecretaris, mr. drs. A.H. van Hout
De Burgemeester, drs. H.M.F. Bruls
BIJLAGE 1: Protocol gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Inleiding
Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening wanneer de cliënt naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen in staat is tot zelfredzaamheid
en participatie of wordt voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015).
Het college kan weigeren om een maatwerkvoorziening te verstrekken vanwege de aanwezigheid van
gebruikelijke hulp wanneer degene die geacht wordt de gebruikelijke hulp te verlenen een huisgenoot is op wie een onderhoudsplicht (de partners, ouders, inwonende kinderen, etc.) rust.
De aanwezigheid van gebruikelijke hulp en de omvang daarvan, moet op basis van objectieve criteria worden gemotiveerd en geconcretiseerd. Deze criteria worden in dit protocol uitgewerkt.
1. Verhouding gebruikelijk hulp en ondersteuning t.o.v. de Verordening en de Beleidsregels
In artikel 5 lid 2 van de Verordening staat dat het college onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van de hulpvraag; c. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
e. de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
f. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met
zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het
gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen;
g. de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden.
Gebruikelijke hulp is hulp waarvan we minimaal verwachten dat mensen die “normaal” aan elkaar geven. Gebruikelijke hulp wordt daarom niet gecompenseerd vanuit de Wmo 2015 of Jeugdwet. Mantelzorg of ondersteuning door het sociaal netwerk kunnen we niet eisen en bieden mensen vrijwillig.
Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander: het is maatwerk in hoeverre mantelzorg en steun vanuit het eigen netwerk, bovenop gebruikelijke hulp,
meeweegt in het besluit om al dan niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Na de beoordeling van gebruikelijke hulp, wordt met de cliënt en het netwerk besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld om de mantelzorger te ontlasten. Dit protocol betekent dus niet dat alle bovengebruikelijke hulp wordt gehonoreerd met een
maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb als iemand hierom vraagt (zoals onder de AWBZ het geval was).
Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp dan wordt niet gelijk een maatwerkvoorziening toegekend,
maar wordt eerst gekeken naar eigen kracht, algemene voorzieningen, het sociale netwerk, mantelzorg, etc. Maatwerk staat dus voorop.
Het hangt af van de sociale relatie welke hulp en ondersteuning mensen elkaar moeten bieden of van
elkaar mogen verwachten. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp en ondersteuning mensen elkaar
horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp en ondersteuning
bieden, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot het mogelijke beroep op een maatwerkvoorziening op basis van Wmo 2015 en Jeugdwet.
De criteria voor pgb genoemd in artikel 11 t/m 14 van de Verordening en hoofdstuk 5 van de Beleidsregels zijn (dan ook) voorliggend op dit protocol.
Dit protocol heeft naast de inleiding vier onderdelen, namelijk: 1.
Hulp bij het Huishouden
2.
Begeleiding en verzorging (Wmo 2015 en Jeugdwet)
3.
Bijlage
2. Hulp bij het huishouden Het principe van 'gebruikelijke hulp' heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving.
1.
Gebruikelijke hulp door (jonge) huisgenoten
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge
huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt: 1)
Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden
2)
Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte
huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien) 3)
Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv.
opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen) 4)
Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen;
schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere
gezinsleden tot hun taken behoren. In het protocol 'Gebruikelijke hulp' (CIZ, 2005) wordt dit benoemd als: 2 uur uitstelbare taken en 3 uur niet uitstelbare taken per week. Onder uitstelbare taken wordt verstaan;
boodschappen doen, zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging. Onder niet-uitstelbare taken wordt verstaan: maaltijden verzorgen, licht huishoudelijk werk, gezonde kinderen opvangen/verzorgen en dagelijkse organisatie van het huishouden voeren.
In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt echter niet gesproken over uren maar over het kunnen voeren van een eenpersoonshuishouden. 5)
Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de cliënt
uitvalt.
Niet gewend zijn of de vaardigheid missen Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet
tot een aanspraak. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.
2. Uitzonderingen bij bijzondere typen leefsituaties Bij een aantal typen leefsituaties wordt anders omgegaan met het begrip 'duurzaam huishouden' waardoor er mogelijk geen/beperkt sprake zal zijn van 'gebruikelijke hulp'.
•
Kamer huren bij cliënt
Als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te
leveren aan gezamenlijke ruimten. In de berekening van de omvang van de hulp wordt het schoonmaken van gehuurde ruimte(n) dus niet meegerekend.
•
Geclusterd wonen
Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in een huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden; de cliënt vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. In
dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten
worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. In de berekening van de omvang van hulp wordt het schoonmaken van de eigen woonruimte(n) en slecht een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend.
•
Leef- en woongemeenschappen
Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt hiermee wel een leefeenheid. Met andere woorden; cliënt vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle
leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hier van zijn kloostergemeenschappen waarbij er sprake is van een
leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. In die situaties kan een cliënt hulp
krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten die vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. Bibliotheken,
gebedsruimten etc. vallen buiten het niveau van de sociale woningbouw en behoren daardoor tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.
3. Uitzonderingen voor gebruikelijke hulp In een aantal situaties waarbij er sprake is van een 'duurzaam huishouden' mag er worden afgeweken van het principe van 'gebruikelijke hulp':
•
Medisch geobjectiveerde aandoening
Als uit objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, is 'gebruikelijke hulp' niet van toepassing.
•
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Overbelasting kan worden veroorzaakt door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Met andere woorden; in exact
dezelfde situatie zaI de ene huisgenoot wel overbelast kunnen raken, terwijl een andere huisgenoot hier geen of minder last van heeft. Het is daarom van belang zorgvuldig onderzoek te plegen naar de
verhouding tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) en symptomen die kunnen wijzen op overbelasting. In veel gevallen wordt een medisch adviseur daarbij Ingeschakeld ter beoordeling. In principe zaI overname van huishoudelijke taken voor een korte duur zijn, te denken valt aan 3-6
maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: 1)
lichamelijke conditie
2)
geestelijke conditie
3)
wijze van omgaan met problemen (coping)
4)
motivatie voor de zorgtaak
5)
sociaal netwerk
Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: 1)
omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken
2)
ziektebeeld en prognose
3)
inzicht van huisgenoot in ziektebeeld van cliënt
4)
woonsituatie
5)
bijkomende sociale problemen
6)
bijkomende emotionele problemen
7)
bijkomende relationele problemen
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn: 1)
gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug
2)
hoge bloeddruk
3)
gewrichtspijn
4)
gevoelens van slapte
5)
slapeloosheid
6)
migraine, duizeligheid
7)
spierkrampen
8)
verminderde weerstand, ziektegevoeligheid
9)
opvliegingen
10)
ademnood en gevoelens van beklemming op de borst
11)
plotseling hevig zweten
12)
gevoelens van beklemming in de hals
13)
spiertrekkingen in het gezicht
14)
verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen
15)
ongeduld
16)
vaak huilen
17)
neerslachtigheid
18)
isolering
19)
verbittering
20)
concentratieproblemen
21)
dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen
22)
rusteloosheid
23)
perfectionisme
24)
geen beslissingen kunnen nemen
25)
denkblokkades
•
Dreigende overbelasting
Uit jurisprudentie blijkt dat in die situaties de aanvraag voor huishoudelijke hulp niet per definitie
afgewezen kan worden. Binnen de Wmo 2015 moet de situatie van een mantelzorger nadrukkelijk
meegewogen worden. (Dreigende) overbelasting van een mantelzorger, dat wil zeggen iemand die zorgt voor een zieke huisgenoot, kan een reden zijn om de Hulp bij het Huishouden toch toe te kennen. Elementen die daarbij een rol spelen zijn: 1)
Hoe zwaar is de medische problematiek van de cliënt?
2)
Is er sprake van onplanbare zorg?
3)
Hoeveel uren (intensiteit) mantelzorg biedt de huisgenoot en hoe verhoudt de draaglast zich tot de draagkracht?
4)
heeft huisgenoot mogelijk een (deel van) betaalbare baan opgezegd om AWBZ zorg te verlenen?
•
(Dreigende) overbelasting bij korte levensverwachting cliënt
In terminale situaties is overleg met de huisgenoten over wat draagbaar is zeer belangrijk. In deze situaties mag er soepeler worden omgegaan met het principe 'gebruikelijke hulp'.
(Dreigende) overbelasting na overlijden
•
Indien een cliënt aangeeft overbelast te zijn door de combinatie van werk en de verzorging van de
inwonende kinderen, vanwege het plotseling overlijden van de andere (inwonende) ouder, kan kortdurend huishoudelijke taken worden overgenomen. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de leefeenheid de gelegenheid gegeven de taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Doorzetten van begeleiding na overlijden kan ook mogelijk zijn (via ZIN of pgb) in gevallen dat er nazorg nodig is, zoals regelen vd uitvaart, leeghalen vh huis, etc als er niemand anders is die dit kan doen.
Voorkomen van crisis en ontwrichting bij verzorging en opvang van gezonde kinderen
•
Indien opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is heeft de inzet van algemene voorzieningen en/of
mantelzorg een verplichtend karakter. Gebruik van algemene voorzieningen zoals kinderopvang en crèche is gangbaar tot en met 5 dagen per week.
Als deze niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput zijn, is inzet van hulp voor oppas en opvang van
kinderen voor een korte periode mogelijk. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de ouder(s) de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te vinden.
Ouderen met een hoge leeftijd
•
Als een huisgenoot een dusdanig hoge leeftijd heeft bereikt (75 jaar en ouder) kan dit leiden tot overname van de zware huishoudelijke taken die anders tot de 'gebruikelijke hulp' zouden worden gerekend. Het aanleren van nieuwe taken kan redelijkerwijs niet meer worden verwacht.
Fysieke afwezigheid in verband met werk
•
Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden
langdurig van huis zijn. Dit is bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de off-shore of mariniers. Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter wel te voldoen aan de volgende kenmerken: 1)
het is inherent aan het werk;
2)
heeft een verplichtend karakter;
3)
en is voor een aaneengesloten periode van tenminste 7 etmalen.
Let op: Jurisprudentie is genuanceerder en gaat niet per definitie uit van de zeven etmalen. De CRvB noemt dat hierdoor ten onrechte wordt voorbij gegaan aan de vraag of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van deze zorg. Hierbij dient altijd de individuele situatie nauwkeurig onderzocht te worden. In de periode van afwezigheid is de huisgenoot niet in staat 'gebruikelijke hulp' te leveren. In de berekening van de omvang van de hulp dient deze huisgenoot niet te worden meegerekend.
3. Begeleiding en verzorging
3.1 Algemene uitgangspunten • •
De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid.
Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een cliënt en zijn huisgenoten. Iedere situatie is anders: maatwerk (zie ook paragraaf 1a). Kan de last (naar algemeen aanvaarde opvattingen) in redelijkheid gedragen worden door de huisgenoot?
•
Bovengebruikelijke hulp wordt alleen vergoed als iemand hierom vraagt. Let op! Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp dan wordt niet gelijk een maatwerkvoorziening toegekend, maar
wordt eerst gekeken naar eigen kracht, algemene voorzieningen, het sociale netwerk, mantelzorg, etc.
Afwegingselementen zijn: • •
persoonskenmerken van de ondersteuningsbehoevende;
de benodigde ondersteuningsintensiteit (aard en frequentie zorghandelingen, planbaarheid, uitstelbaarheid, toezicht, tijd);
• •
woonsituatie / samenstelling gezin;
(verplichte) activiteiten van huisgenoot (werk, school, hoeveel uur). Hierbij geldt overigens als
uitgangspunt dat het hebben van een baan, het volgen van een opleiding of vrijwilligerswerk het leveren van gebruikelijke hulp niet per definitie in de weg staat; •
kennis en vaardigheden (waaronder begrepen de leerbaarheid) van huisgenoot om de benodigde ondersteuning te leveren;
• • • •
gezondheidssituatie van huisgenoot waaronder zijn draagkracht/belastbaarheid; leeftijd van huisgenoot;
sociaal netwerk (inzet/ondersteuning van anderen uit netwerk).
een beroep op gezindheid/levensovertuiging en/of culturele achtergrond betekent niet dat iedere specifieke zienswijze van een aanvrager moet worden gehonoreerd. Het argument dat het in een cultuur niet gebruikelijk is dat de man bepaalde taken overneemt, leidt niet tot het afwijken van dit protocol.
Opmerking 1: Bovengebruikelijke hulp betekent niet dat een vergelijk wordt gemaakt tussen de
zorgbehoevende persoon en een vergelijkbaar persoon zonder zorgbehoefte. Er moet worden gekeken naar wat voor een bepaalde persoon, gezien alle omstandigheden, boven de voor hem gebruikelijk te achten zorg uit gaat. Concretisering en motivering zijn dan ook noodzakelijk.
Opmerking 2: In het kader van het onderzoek inzake de inzet van gebruikelijke hulp door huisgenoten is meestal het horen/spreken van de betreffende huisgenoten aan de orde. Huisgenoten horen hiertoe hun medewerking te verlenen, omdat een gezamenlijk plan nodig is.
3.2 Beoordelingskader bij partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Het algemeen beoordelingskader onder A tot en met C is slechts richtinggevend. In alle gevallen zal een individuele afweging moeten plaatsvinden of en in hoeverre het protocol van toepassing is.
A. Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling, kortdurende situaties
Alle begeleiding van de cliënt door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen
huisgenoot is gebruikelijke hulp en ondersteuning als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (denk hierbij aan ongeveer drie maanden), met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem
en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer is aangewezen.
Bij een aantal typen leefsituaties kan er geen sprake zijn van gebruikelijke hulp en ondersteuning: •
Kamer huren bij cliënt
Als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde •
Geclusterd wonen
Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in een huis en vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. •
Leef- en woongemeenschappen
Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt met deze huisgenoten een duurzaam huishouden. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud.
B. Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling, langdurende situaties
Als het gaat om een langdurige situatie is de begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp en ondersteuning wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder,
inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt: •
Het geven van begeleiding aan een cliënt op het terrein van de maatschappelijke participatie, bijvoorbeeld deelnemen aan activiteiten, samen naar de film gaan.
•
Het begeleiden van de cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, bijvoorbeeld het bezoeken van familie/vrienden of huisarts.
•
Het bieden van hulp en ondersteuning bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk
huishouden horen, zoals het doen van de administratie, regie voeren over het huishouden of het uitvoeren van schoonmaaktaken.
C. Aanleren Het door een gezinslid of huisgenoot aan derden (familie/vrienden) aanleren om te gaan met de cliënt is gebruikelijke hulp en ondersteuning.
D. Uitzonderingen (geen gebruikelijke hulp en ondersteuning aan de orde) 1.
Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenot(en)
geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp en
ondersteuning ten behoeve van cliënt uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht. Hiervoor schakelt de beoordelende professional die niet SKJ/BIG geregistreerd is altijd een professional die wel SKJ/BIG geregistreerd is, of een arts in.
2.
Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Dit kan bijvoorbeeld doordat een andere huisgenoot gebruikelijke begeleiding verleent. Hiervoor schakelt de beoordelende professional die niet
SKJ/BIG geregistreerd is altijd een professional die wel SKJ/BIG geregistreerd is, of een arts in. In geval van overbelasting dienen zorgtaken juist weggenomen worden en dient de zorg door (andere) zorgverlener(s) uitgevoerd te worden. 3.
Voor zover de cliënt zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot.
3.3 Beoordelingskader bij ouders en jeugdige(n) Als eerste wordt de benodigde hulp en ondersteuning bepaald, vervolgens wordt beoordeeld: •
Welk deel van deze hulp en ondersteuning onder de gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen valt.
-
Ouders aan kinderen, in kortdurende situaties
Alle begeleiding door de ouder aan het kind is gebruikelijke hulp en ondersteuning als er sprake is van
een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de
daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer is aangewezen.
-
Ouders aan kinderen, in langdurige situaties
Een kind is aangewezen op een maatwerkvoorziening als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie volgens de in de bijlage aangegeven richtlijnen per levensfase wordt overschreden en daarmee bovengebruikelijk wordt.
•
Welk deel van de benodigde hulp en ondersteuning als aanvullend kan worden gezien.
•
In hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.
Om vast te stellen op welke hulp en ondersteuning het kind redelijkerwijs is aangewezen, wordt, gelet op de omstandigheden van het betrokken kind, beoordeeld welke hulp en ondersteuning op het gebied van persoonlijke verzorging en hulpverlening uitgaat boven de hulp en ondersteuning die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft.
3.3.1 Leeftijd
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde
leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de hulp en ondersteuning die het ene kind nodig heeft namelijk meer of minder zijn dan de hulp en ondersteuning die een ander kind nodig heeft.
3.3.2 Aard van de (zorg)handelingen
Gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdigen kunnen ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten, of het geven van
medicijnen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. 3.3.3 Frequentie en patroon van de (zorg)handelingen (samenloop)
Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp en ondersteuning aan een
kind, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp en ondersteuning worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.
Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp en
ondersteuning van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van hulp van ouders aan een ouder kind.
3.3.4 Omvang van de met de (zorg)handelingen gemoeide tijd
De tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan (bijvoorbeeld wassen en kleden bij spasticiteit) meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp en ondersteuning sprake is.
3.3.5 Beschermende woonomgeving en jeugdigen
Het door de ouders aan het kind bieden van een beschermende woonomgeving moet afhankelijk van de
levensfase van het kind als gebruikelijke hulp en ondersteuning worden aangemerkt, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. In de bijlage zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en ondersteuning van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen.
3.3.6. Aandachtspunten Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp en ondersteuning. Kinderen (met of zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder
wordt en zich ontwikkelt. In de bijlage zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en ondersteuning van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen. Dit zijn uitgangspunten bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp en ondersteuning, maar per casus moet worden gemotiveerd waarom dit protocol van toepassing is. 4.
Bijlage
Wat is gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel (ter vergelijking bij aanvragen van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet)? Deze bijlage geeft slechts een richtlijn/indicatie. Maatwerk staat voorop, dus in elk geval moet een zorgvuldige
individuele afweging maken over de vraag of en in hoeverre deze tabel van toepassing is in een specifieke situatie.
1. Jeugdigen van 0 tot 3 jaar • •
hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
• • •
zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
2. Jeugdigen van 3 tot 5 jaar •
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
• •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
• • •
kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;
hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
• • •
hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
3. Jeugdigen van 5 tot 12 jaar •
jeugdigen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;
•
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
•
hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;
• •
hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
• •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•
hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;
•
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
4. Jeugdigen van 12 tot 18 jaar • • • • •
hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
• • •
hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•
hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
BIJLAGE 2: Hulp bij het Huishouden
NORMERING HULP BIJ HET HUISHOUDEN
1. Normering huishoudelijke taken
Voor de hulp bij het huishouden zijn normtijden ontwikkeld waarin voor elke huishoudelijke taak een bepaald aantal minuten staat per week. Van deze normtijden mag afgeweken worden, mits dit wordt gemotiveerd.
1.1 Jurisprudentie en normtijden Veel gemeenten hanteren in hun gemeentelijke beleid standaard normtijden waarbij rekening gehouden wordt met verschillende types huishoudens: bijvoorbeeld eenpersoonshuishoudens in een
seniorenwoning of flat, eenpersoonshuishoudens in een eengezinswoning en meerpersoonshuishouden. Uit jurisprudentie blijkt dat het gebruik van standaard normtijden niet zondermeer gehanteerd kan
worden omdat altijd een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden waarbij persoonlijke kenmerken worden meegenomen.
1.2 Algemene uitgangspunten De volgende uitgangspunten gelden bij normtijden: • •
Alleen de kamers die in gebruik zijn, worden schoongehouden
Met ‘kamers’ wordt de hoeveelheid ruimtes in een woning bedoeld exclusief de keuken,
badkamer en toilet. Bijvoorbeeld: 2 kamerwoning = woonkamer en 1 slaapkamer, 4 kamerwoning = woonkamer en 3 slaapkamers. •
Het verzorgen van huisdieren en planten valt binnen de marges van de normtijden.
1.3 Normtijden Per huishoudelijke taak geldt onderstaande normtijd (per week).
Boodschappen voor het dagelijkse leven doen
Omschrijving •
Boodschappenlijst samenstellen
• •
Boodschappen inkopen Boodschappen opslaan
Normtijd: 60 minuten per week
Factoren meer hulp • • •
Leefeenheid > 4 personen: 60 minuten Kind(eren) < 12 jaar: 60 minuten
Afstand tot dichtstbijzijnde winkel is > 2 kilometer: 30 minuten
Bijzonderheden •
Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen.
•
Alleen wanneer bovenstaande medisch noodzakelijk is, kan men extra tijd krijgen.
Broodmaaltijd
Omschrijving • • • •
Broodmaaltijd klaarzetten; tafel dekken Broodmaaltijd bereiden (smeren) Koffie/thee zetten
Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine
Normtijd: 15 minuten per keer, maximaal 2x per dag
Factoren meer hulp •
Kind(eren) < 12 jaar: 20 minuten
Warme maaltijd
Omschrijving • • • •
Warme maaltijd klaar zetten, tafel dekken Warme maaltijd opwarmen Koffie/thee zetten
Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine
Normtijd voor opwarmen: 15 minuten per dag Normtijd voor koken: 30 minuten per dag
Factoren meer hulp •
Kind(eren) < 12 jaar: 20 minuten per maaltijd
Bijzonderheden
•
Het bereiden van warme maaltijden (koken) is in principe geen taak voor de thuiszorg als gebruik van de maaltijdservice en/of kant en klaar maaltijden mogelijk is (voorliggende voorzieningen).
•
In uitzonderingssituaties blijft het bereiden van warme maaltijden via de Hh mogelijk. Verwacht
wordt dat er per keer voor 2 dagen wordt gekookt en dat de Hh (indien mogelijk) een aanvulling is op het gebruik van de maaltijdservice, kant en klaarmaaltijden, eten bij derden, etc.
Voorbeelden uitzonderingssituaties: •
Jonggehandicapten (vaak cliënten van Fokus) die levenslang afhankelijk zijn van bereiding van warme maaltijden door derden. Richtlijn omvang hulp: maximaal 90 min. per week HH voor bereiding warme maaltijden (bijv. 3 x 30 min. of 2 x 45 min).
•
Gezinnen met jonge kinderen in een crisissituatie waarbij kortdurend HH voor de bereiding van warme maaltijden wordt ingezet. Omvang hulp is maatwerk.
•
Cliënten met speciaal dieet, wat niet geleverd kan worden via maaltijdservice of supermarkt. Een dieetvoorschrift (medisch noodzakelijk) moet overlegd worden. Omvang hulp is maatwerk.
Licht huishoudelijk werk
Omschrijving • • •
Stof afnemen/raggen Opruimen
Afwassen (indien er géén maaltijdbereiding is geadviseerd) Bed opmaken
Normtijd voor eenpersoonshuishouden: 60 minuten Normtijd voor meerpersoonshuishouden: 90 minuten
Factoren meer hulp • • •
Kind(eren) < 12 jaar: 30 minuten
Psychogeriatrische problematiek/Gedragsproblematiek: 30 minuten
Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning (mits medisch geobjectiveerd): 30 minuten
Bijzonderheden •
Indien licht huishoudelijke werk én maaltijdvoorziening wordt geïndiceerd. Dan tijd in mindering
brengen (bij licht huishoudelijk werk), omdat afwassen (handmatig of afwasmachine in/uitruimen) ook opgenomen is bij maaltijdverzorging. •
Indien cliënt wel in staat is licht huishoudelijk werk te verrichten, maar niet de
maaltijdverzorging, dan wordt verwacht dat cliënt zelf de afwas kan voorspoelen.
Zwaar huishoudelijk werk
Omschrijving • • • •
Stofzuigen
Schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken Bedden verschonen Ramen lappen
Normtijd voor eenpersoonshuishouden, maximaal 2 kamers: 90 minuten Normtijd voor eenpersoonshuishouden, 3 of meer kamers:180 minuten Normtijd voor meerpersoonshuishouden: 180 minuten
Factoren meer hulp • • • • •
Kind(eren) < 12 jaar: 30 minuten extra (maximaal 90 min)
Psychogeriatrische problematiek /Gedragsproblematiek: 30 minuten
Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning: 60 minuten Grote woning met een hoge bezettingsgraad: 60 minuten
Hoge vervuilingsgraad, als gevolg van beperkingen, niet door de bestaande leefwijze: 60 minuten
Bijzonderheden •
Voor de verzorging van dieren wordt geen extra tijd berekend. Dit is al verdisconteerd in de marge van de normtijden.
Wasverzorging
Omschrijving • • • • •
Wasgoed sorteren en wassen in de wasmachine Wasgoed ophangen en afhalen Wasgoed drogen in de droger
Wasgoed vouwen en opbergen
Wasgoed strijken (alleen zichtbare bovenkleding)
Normtijd voor eenpersoonshuishouden: 60 minuten Normtijd voor meerpersoonshuishouden: 90 minuten
Factoren meer hulp • • •
Kind(eren) < 16 jaar: 30 minuten per kind Bedlegerige cliënten: 30 minuten
Extra bewassing indien medisch geobjectiveerd i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc.: 30 minuten
Bijzonderheden •
Strijken van de bovenkleding is opgenomen in de normtijd. Extra tijd voor strijken van onderkleding en/of beddengoed is alleen mogelijk indien dit medisch noodzakelijk is.
Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen
Omschrijving
Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging en/of opvang van gezonde kinderen uit te voeren. Denk daarbij aan de persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten.
Normtijd naar bed brengen / uit bed halen: 10 minuten per keer per kind Normtijd wassen en kleden: 30 minuten per dag per kind Normtijd eten en/of drinken geven: 20 minuten per broodmaaltijd / 25 minuten per warme maaltijd Normtijd babyvoeding flesje / borstvoeding: 20 minuten per keer Normtijd luier verschonen: 10 minuten per keer Normtijd naar school / crèche brengen / halen: 15 minuten per keer per gezin
Factoren meer hulp •
Indien opvang noodzakelijk is tot 40 uur per week
Bijzonderheden • •
Maximale duur voor opvang is 3 maanden
Specifieke voorliggende voorzieningen voor opvang; zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussenschoolse opvang, gastouder, etc
Dagelijkse organisatie van het huishouden
Omschrijving • •
Organisatie van huishoudelijke activiteiten
Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden
Normtijd:30 minuten
Factoren meer hulp • • •
Kind(eren) < 16 jaar: 30 minuten
Psychogeriatrische problematiek / gedragsproblematiek: 30 minuten
Communicatieproblemen als gevolg van beperkingen, niet door een taalbarrière: 30 minuten
Advies, instructie en voorlichting (gericht op het huishouden)
Omschrijving • •
Instructie omgaan met (technische) hulpmiddelen
Instructie huishoudelijke taken; boodschappen doen, maaltijd bereiden, het licht huishoudelijk werk, het zwaar huishoudelijk werk, de wasverzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden