B3 d.d. 31 maart 2025 van M. Hilhorst over Kernenergie
Tekst van het document
Relativering klassieke argumenten vóór kernenergie Hoewel kernenergie in sommige landen wordt overwogen als onderdeel van de energiemix, worden de klassieke argumenten door de huidige technologische mogelijkheden in Nederland geheel overbodig gemaakt. 1. Kernenergie levert stabiele baseload voor het energiesysteem. ➤ In Nederland is baseload overbodig. Dankzij bewezen technologieën voor opslag (batterijen, waterstof) en vraagsturing kan een volledig hernieuwbare energiemix de leveringszekerheid garanderen zonder kernenergie. 2. Kernenergie zorgt voor extra diversificatie van de energiemix. ➤ Nederland heeft al een diverse energiemix via sterke interconnecties met buurlanden en een groeiende inzet van opslag- en flexibiliteitsopties. Extra diversificatie via kernenergie voegt weinig toe. 3. Kernenergie is noodzakelijk voor CO₂-reductie en klimaatdoelen. ➤ Nederland kan haar elektriciteitssector volledig CO₂-neutraal maken met hernieuwbare energie en flexibele opslagoplossingen. Kernenergie is hiervoor niet vereist. 4. Kernenergie bevordert geopolitieke onafhankelijkheid. ➤ Voor Nederland geldt het omgekeerde: kernenergie vergroot de afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers van splijtstof en technologie. Hernieuwbare energie benut lokale bronnen en versterkt de energie-autonomie. 5. Kernenergie ondersteunt de nationale kenniseconomie en industrie.
➤ Nederland heeft geen strategisch belang in een kernenergie-industrie. De Nederlandse kracht ligt juist in hernieuwbare energie, offshore wind, waterstoftechnologie en netinnovaties. 6. Kernenergie biedt stabiliteit door een lange levensduur (60-80 jaar). ➤ Juist die lange levensduur beperkt de flexibiliteit. Hernieuwbare energie en opslag kennen kortere investeringscycli, waardoor Nederland sneller kan profiteren van nieuwe technologieën. Concluderend kunnen we zeggen dat de klassieke kernenergie-argumenten door de huidige stand van techniek in de Nederlandse context volledig kunnen worden weerlegd. Hernieuwbare energie in combinatie met opslag en flexibiliteit is voldoende om zowel de klimaatdoelen te halen als de leveringszekerheid te waarborgen. Conclusie Een toekomstbestendig energiebeleid vereist een zorgvuldig evenwicht tussen kosten, leveringszekerheid en geopolitieke stabiliteit. Kernenergie kan een stabiele basislast leveren, maar blijft duur en afhankelijk van staatssteun. Daarentegen worden hernieuwbare energiebronnen en opslagtechnologieën steeds kostenefficiënter en bieden ze op termijn meer flexibiliteit. Wind- en zonne-energie op zee zijn efficiënter en minder belastend voor het landschap dan vergelijkbare installaties op land.
Een hybride strategie, waarbij kernenergie als back-up dient en hernieuwbare energie wordt geoptimaliseerd met opslag en slimme netwerken, biedt een robuuste oplossing. Toch kunnen opslagtechnologieën, mits voldoende gefinancierd, veel sneller beschikbaar komen dan nieuwe kerncentrales. Hierdoor vermindert de afhankelijkheid van fossiele of nucleaire baseload. Gezien de huidige technologische ontwikkelingen en geopolitieke onzekerheden lijkt een energiesysteem dat volledig gebaseerd is op hernieuwbare bronnen, ondersteund door robuuste opslag- en netwerktechnologieën, de meest haalbare en duurzame oplossing voor de lange termijn. Referenties 1. Ministerie van Financiën. (2018). Speelbal of spelverdeler? Concurrentiekracht en nationale veiligheid in een open economie
19
2.
Europese Commissie. (2022). Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022. 3. International Energy Agency. (2023). World Energy Investment 2023. https://www.iea.org/reports/world-energyinvestment-2023 4. Clingendael Instituut. (2024). Energiebeleid en geopolitieke afhankelijkheden. 5. TNO. (2024). Opslagtechnologieën en netstabiliteit. 6. BloombergNEF. (2024). De marktontwikkeling van grootschalige energieopslag. 7. Peil.nl. (2024). Publieke opinie over kernenergie in Nederland. 8. Rabobank. (2024). Waarom kernenergie geen korte termijnoplossing is. 9. Rijksoverheid. (2024). Investeringen in kernenergie en hernieuwbare energie. 10. Euratom. (2023). Uraniumvoorziening in Europa. 11. WindEurope. (2024). Offshore wind energy efficiency compared to onshore. 12. International Renewable Energy Agency. (2023). Floating wind and solar: expanding renewable energy offshore. 13. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. (2024). Hybride energieopwekking met drijvende wind- en zonneparken.
20
7. De Small Modulaire Reactor (SMR) Kleine Modulaire Reactor (SMR) technologie wordt wereldwijd gezien als een veelbelovende aanvulling op bestaande energiebronnen [1]. In Nederland groeit de interesse in SMR’s, zowel op provinciaal als gemeentelijk niveau [2, 3]. Ondanks deze belangstelling bevinden SMR’s zich nog in een experimenteel stadium en is de implementatie in Nederland een langdurig proces. Dit document beschrijft de huidige status van SMR-plannen in Nederland en de geschatte tijdlijn voor de eerste operationele eenheid. 7.1. Status SMR’s in Nederlandse Provincies en Gemeenten Het kabinet heeft in 2024 aangegeven het aantal geplande nieuwe kerncentrales uit te breiden van twee naar vier, met als doel bij te dragen aan de CO₂-reductiedoelstellingen, de energietransitie en de leveringszekerheid van energie [31]. Deze ambitie sluit aan bij de bredere Europese klimaatdoelen die streven naar een CO₂-neutrale energievoorziening in 2050 en het versterken van de energiezekerheid binnen de EU. In het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV was eerder al besloten om de bestaande kerncentrale in Borssele langer open te houden en de bouw van twee nieuwe kerncentrales voor te bereiden [4]. Met het aantreden van het kabinet-Schoof is dit verhoogd naar vier nieuwe kerncentrales [5].
Voor de financiering van deze plannen heeft de overheid €5 miljard gereserveerd uit het Klimaatfonds [30]. Uit een rapport van BNP Paribas blijkt echter dat een aanzienlijk deel van de investering waarschijnlijk door de overheid moet worden gedragen, omdat private partijen terughoudend zijn vanwege het hoge risicoprofiel [6]. Aanvullend wordt gezocht naar samenwerkingen met private investeerders en alternatieve financieringsopties, waaronder publieke-private samenwerking [31]. Naast de bouw van grootschalige kerncentrales stimuleert het kabinet ook de ontwikkeling van Small Modular Reactors (SMR’s) [7]. Samen met provincies en gemeenten worden momenteel mogelijke locaties verkend voor zowel grote kerncentrales als SMR's. Zo is Borssele door het Rijk aangewezen als voorkeurslocatie voor de eerste twee nieuwe kerncentrales [8], waarbij provincies een belangrijke uitvoerende rol spelen. Provinciale en gemeentelijke initiatieven: • Gelderland: Vier zoekgebieden zijn aangewezen voor de mogelijke plaatsing van SMR's: Arnhem-Nijmegen, Rivierenland (inclusief West-Betuwe), IJssel-Zuid (Rheden, Brummen, Bronckhorst) en Randmeren (Harderwijk). Sommige gemeenten, zoals Renkum en Arnhem, hebben aangegeven geen kerncentrale binnen hun grenzen te willen [9, 15, 28].
• Noord-Brabant: De provincie investeert vier miljoen euro in de ontwikkeling van een gesmoltenzoutreactor door Thorizon, een Nederlandse onderneming [10, 28]. • Zeeland: De provincie heeft een consultatietraject uitgevoerd en een pakket voorwaarden opgesteld voor kernenergieprojecten. Dit is in april 2024 aan het Rijk overhandigd [11, 29]. Terneuzen wordt door de overheid genoemd als mogelijke locatie voor een nieuwe kerncentrale vanwege de aanwezigheid van energie-intensieve industrie zoals Dow. Dow zelf heeft echter geen plannen voor kernenergie en focust op verduurzaming via waterstof en elektrificatie. In de regio zijn gemengde reacties: sommige agrariërs maken zich zorgen over de impact op hun bedrijfsvoering, terwijl de industrie kernenergie als een mogelijke oplossing ziet voor stabiele en betaalbare energievoorziening. De gemeente Borsele staat onder voorwaarden open voor de bouw van nieuwe kerncentrales, waarbij lokale participatie en een pakket aan eisen op het gebied van veiligheid, leefomgeving en duurzaamheid leidend zijn. • Overijssel: De Provinciale Staten hebben een motie aangenomen om de inzet van SMR’s als onderdeel van de energiemix te onderzoeken, met aandacht voor bestuurlijke, politieke en maatschappelijke aspecten [12].
21
• • • •
• • •
Utrecht: De gemeente Woerden erkent kernenergie als een stabiele, regelbare en uitstootvrije energiebron. De VVD pleit voor draagvlak en een open dialoog over voor- en nadelen [13]. Noord-Holland: In Den Helder loopt een haalbaarheidsonderzoek naar de bouw van een SMR en Opmeer heeft een intentieverklaring ondertekend voor een soortgelijk project [28]. Drenthe: De gemeente Hoogeveen onderzoekt de mogelijkheden van een SMR en organiseert informatiesessies om de bevolking te informeren [28]. Friesland en Groningen: In Friesland en Groningen zijn er momenteel geen concrete plannen voor de bouw van kerncentrales. Toch tonen sommige politieke partijen interesse in verdere verkenning van kernenergie. Zo staat Volt Fryslân open voor onderzoek naar de mogelijkheden voor kernenergie en wil hierbij samenwerken met de provincies Drenthe, Friesland, Groningen en de Duitse deelstaat Nedersaksen [32]. Daarnaast heeft de JOVD Friesland aangegeven positief te staan tegenover de bouw van een kerncentrale in Fryslân en ziet de provincie graag als koploper in de energietransitie [25]. In Groningen is er binnen de provinciale politiek echter weinig steun voor de komst van een kerncentrale. Zo blijkt uit een inventarisatie door Greenpeace dat er nauwelijks politieke steun is voor een kerncentrale in Groningen [26].
Limburg: De provincie verkent de haalbaarheid en potentie van SMR-projecten, zonder concrete locaties te hebben vastgesteld [28]. Flevoland: De provincie richt zich momenteel op andere duurzame energiebronnen en heeft geen kernenergieplannen [18]. Zuid-Holland: De Tweede Maasvlakte wordt onderzocht als mogelijke locatie voor één of twee nieuwe kerncentrales. Lokale partijen uiten zorgen over de impact op ruimte en havenactiviteiten [19, 20, 21, 28].
7.2. Internationale Ontwikkelingen en Beschikbaarheid Op basis van de huidige internationale en nationale ontwikkelingen is de verwachting dat de eerste operationele SMR in Nederland, waarschijnlijk een gesmoltenzoutreactor ontwikkeld door het consortium van Thorizon, DEMCON en VDL Groep, pas na 2053 in bedrijf zal gaan. De inschatting is bijgesteld naar aanleiding van recente ervaringen met internationale SMR-projecten [1, 6, 22, 23]. In Figuur 3 is de volledige tijdlijn opgenomen die de stappen visualiseert vanaf de internationale ontwikkeling van SMR-technologie tot en met de ingebruikname van de eerste reactor in Nederland. Hieruit blijkt dat de levering van elektriciteit aan het net naar verwachting pas rond 2053 zal starten, na een langdurige vergunning-, bouw- en testfase. De auteur verwacht dat de meest optimistische fasering richting ingebruikname in Nederland als volgt is: • Ingebruikname eerste prototype SMR wereldwijd (~2028-2030) • Internationale testfase en validatie (~2030-2033) • Herontwerp en optimalisatie wereldwijd (~2033-2035) • Start commerciële serieproductie SMR’s (~2035+) • Vergunningentraject Nederland (~2035-2042) • Bouw en installatie eerste SMR in Nederland (~2042-2050) • Proefbedrijf en tests in Nederland (~2050-2053) • Ingebruikname en eerste levering aan het Nederlandse net (~2053)
Figuur 3: Tijdlijn tot ingebruikname van de eerste SMR in Nederland. Overzicht van de verwachte fasen tot aan de ingebruikname van de eerste Small Modular Reactor (SMR) in Nederland. Het schema toont de stappen vanaf de internationale validatie van de eerste SMR-prototypes tot en met de test- en inbedrijfstellingsfase in Nederland. De rode ster geeft het moment aan waarop de eerste reactor vanaf circa 2053 naar verwachting elektriciteit zal leveren aan het Nederlandse energienet. Sommigen spreken over 2030 tot 2040, deze exercitie relativeert deze al te optimistische schatting.
22
In Nederland ligt de focus momenteel op verschillende typen SMR-technologieën, waarvan gesmoltenzoutreactoren het verst gevorderd zijn in termen van nationale betrokkenheid. Het consortium van DEMCON, Thorizon en VDL Groep werkt aan de ontwikkeling van een gesmoltenzoutreactor, waarvoor de hier gepresenteerde tijdlijn met ingebruikname rond 2053 realistisch is [27]. Deze technologie bevindt zich nog in een vroege ontwikkelingsfase, maar wordt door betrokken partijen gezien als een kansrijke optie voor veilige, schaalbare kernenergie in de tweede helft van de eeuw. Voor andere typen SMR’s die in Nederland in beeld zijn, zoals drukwaterreactoren (PWR’s) van buitenlandse ontwikkelaars zoals Rolls-Royce SMR en GE Hitachi’s BWRX-300, ligt de situatie anders. Hoewel deze reactorontwerpen internationaal verder zijn gevorderd en op korte termijn mogelijk elders in gebruik worden genomen, geldt dat Nederland vooralsnog niet direct betrokken is bij de realisatie van deze projecten. Voor deze buitenlandse reactoren is de verwachting dat Nederland eerst de internationale validatie zal afwachten en pas later vergunningen zal verlenen. Dit betekent dat de ingebruikname van dergelijke reactoren in Nederland waarschijnlijk na 2055 zal plaatsvinden.
De verschillen in technologische rijpheid en de Nederlandse besluitvormingstrajecten zorgen er dus voor dat gesmoltenzoutreactoren voorlopig de meest realistische optie vormen binnen de huidige nationale context [27]. 7.3. Financiering en Marktuitdagingen De financiering van SMR-projecten is een cruciale factor voor de realisatie ervan [6, 8]. Omdat SMR’s nog in ontwikkeling zijn en de kosten per megawatt hoger liggen dan die van traditionele kerncentrales, zijn aanzienlijke investeringen nodig vanuit zowel de overheid als de particuliere sector. De hoge opstartkosten en lange terugverdientijd maken het lastig om private investeerders aan te trekken zonder garanties of subsidies. Veel SMRontwikkelaars, zoals Rolls-Royce en NuScale, zijn afhankelijk van overheidssteun om hun reactoren commercieel levensvatbaar te maken [1]. Daarnaast hebben enkele bedrijven die zich richtten op de verkoop van elektriciteit uit SMR’s, zoals NuScale in de VS, recent te maken gekregen met ernstige financiële problemen. Hun projecten zijn geannuleerd vanwege de onrendabele kostenstructuur en het ontbreken van grootschalige investeerders. Conclusie Hoewel de belangstelling voor SMR-technologie in Nederland toeneemt, is de praktische uitvoering nog ver weg.
De combinatie van langdurige vergunningstrajecten, complexe bouwprocessen en onzekere financieringsmodellen zorgt ervoor dat de eerste Nederlandse SMR waarschijnlijk pas tussen 2045 en 2055 operationeel zal zijn. Bovendien vormt de afhankelijkheid van publieke middelen en geopolitieke factoren een rem op de grootschalige toepassing. Hierdoor zullen SMR’s naar verwachting geen significante bijdrage leveren aan de Nederlandse klimaatdoelstellingen voor 2030 of zelfs 2050. Voor een versnelde CO₂-reductie blijft Nederland voorlopig aangewezen op alternatieve oplossingen zoals wind- en zonne-energie, energieopslag en de optimalisatie van bestaande kernenergieinfrastructuur. Referenties 1. Internationale Atoomenergieagentschap (IAEA). (2023). Small Modular Reactors: Advances in SMR Developments 2024. 2. Provincie Gelderland. (2024). Onderzoek naar SMR-locaties in Gelderland. 3. Rijksoverheid. (2024). Nationaal Programma Kernenergie en SMR-beleid. 4. Rijksoverheid. (2022). Kernenergie: Waarom Nederland inzet op nieuwe kerncentrales. 5. Overkernenergie.nl. (2024). Kabinet-Schoof: vier nieuwe kerncentrales in Nederland. 6. Tweede Kamer. (2024). Financieringsopties voor nieuwe kerncentrales – Rapport BNP Paribas. 7. Overkernenergie.nl. (2024). SMR's in Nederland: de visie van het kabinet. 8. Rijksoverheid. (2024). Nieuwe kerncentrales in Borssele – Rijk-Regiopakket. 9.
Provincie Gelderland. (2025). Onderzoek zoekgebieden SMR's. 10. Binnenlands Bestuur. (2024). Noord-Brabant investeert in gesmoltenzoutreactor. 11. Provincie Zeeland. (2024). Rijk-Regiopakket kernenergie Borssele. 12. Nieuwe Energie Overijssel. (2024). SMR’s als mogelijke aanvulling op energievoorziening. 13. VVD Woerden. (2024). Standpunt kernenergie binnen gemeente Woerden. 14. NOS. (2024). Provincies en gemeenten tonen interesse in kleine kerncentrales. 15. De Gelderlander. (2024). Arnhem en Renkum tegen kernenergieplannen provincie. 16. Binnenlands Bestuur. (2024). Kernreactors: de ene gemeente schrikt, de andere niet. 17. Provincie Limburg. (2024). Afwegingsnotitie Chemelot-locatie voor SMR’s. 18. Provincie Flevoland. (2024). Energiebeleid Flevoland. 19. Ministerie van Klimaat en Groene Groei. (2024, november 15). Minister Hermans informeert Kamer over stand van zaken nieuwbouw kerncentrales. 20. Algemeen Dagblad. (2024, april 5). Weinig positieve reacties op plan voor kerncentrale op Maasvlakte. 21. Nieuwsblad Transport. (2024, april 5). Havenbedrijf: grote kerncentrale op Maasvlakte onlogisch vanwege schaarse ruimte.
23
22. International Atomic Energy Agency. (2023). Commissioning and Start-up Testing of Nuclear Power Plants: Safety Reports Series No. 98. 23. Nuclear Energy Agency (NEA). (2023). Advanced Nuclear Fuel Cycles and Radioactive Waste Management. OECD-NEA. Hoofdstuk 6: Lessons learned from FOAK reactors and design iteration cycles. 24. Volt Nederland. (2024). Standpunten Volt Fryslân – Kernenergie en duurzame energie. 25. JOVD Friesland. (2024). JOVD Friesland positief over kerncentrale in Fryslân. 26. Greenpeace Nederland. (2024). Greenpeace: Geen politieke steun voor kerncentrale in Groningen. 27. Nucleair Nederland. (2024). Samenwerking DEMCON, Thorizon en VDL Groep bij ontwikkeling van gesmoltenzoutreactor. 28. NOS. (2024, maart 13). Provincies en gemeenten hebben oren naar de bouw van kleine kerncentrales. Geraadpleegd op 20 maart 2025, van https://nos.nl/artikel/2558255-provincies-en-gemeenten-hebben-oren-naarde-bouw-van-kleine-kerncentrales 29. Rijksoverheid. (2024, september 11). Volgende stap voorbereiding nieuwe kerncentrales: intentieverklaring voor Rijk-Regiopakket en onderzoek nieuwe gebieden. Geraadpleegd op 20 maart 2025, van https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/09/11/volgende-stap-voorbereiding-nieuwe-kerncentralesintentieverklaring-voor-rijk-regiopakket-en-onderzoek-nieuwe-gebieden 30. ABN AMRO. (2024, januari 22).
Hoe haalbaar zijn de Nederlandse plannen voor kernenergie? Geraadpleegd op 20 maart 2025, van https://www.abnamro.com/research/nl/onze-research/esg-en-economie-hoe-haalbaar-zijn-denederlandse-plannen-voor-kernenergie 31. Overkernenergie.nl. (2024). Kabinet-Schoof: vier nieuwe kerncentrales in Nederland. Geraadpleegd op 20 maart 2025, van https://www.overkernenergie.nl/plannen-van-het-kabinet/vier-nieuwe-kerncentrales 32. Volt Nederland. (2024). Standpunten Volt Fryslân – Kernenergie en duurzame energie. Geraadpleegd op 20 maart 2025, van https://voltnederland.org/standpunten/mens-natuur/europese-inzet-op-kernenergie
24
8. Knelpunten van Kernenergie en Hernieuwbare Energie
25
Conclusie Kernenergie blijft een strategisch en politiek beladen technologie binnen de energietransitie. De economische haalbaarheid ervan wordt ondermijnd door hoge investeringskosten, langdurige ontwikkeltrajecten en een structurele afhankelijkheid van staatssteun. Geopolitiek creëert kernenergie nieuwe afhankelijkheden, met name door de concentratie van uraniumproductie en nucleaire technologie in een klein aantal landen zoals Rusland, China en Kazachstan, wat de energieautonomie van afnemerslanden onder druk zet. Daartegenover staan hernieuwbare energiebronnen zoals wind en zon, die door kostendalingen en innovaties in opslag en netbeheer steeds aantrekkelijker worden. Opslagtechnologieën – waaronder batterijen, waterstof en pompaccumulatie – verbeteren niet alleen de flexibiliteit van hernieuwbare energie, maar verzwakken ook de traditionele noodzaak voor kernenergie als stabiele baseload. De vraag voor beleidsmakers is of de voordelen van kernenergie, zoals leveringszekerheid en lage CO₂-uitstoot, opwegen tegen de geopolitieke kwetsbaarheden, de economische lasten en het risico op marktverstoring. Alternatieve strategieën, die gericht zijn op de versnelde uitrol van hernieuwbare energie in combinatie met grootschalige investeringen in opslag en infrastructuur, bieden mogelijk een kostenefficiënter en geopolitiek robuuster pad naar energiezekerheid en onafhankelijkheid.
Een vergelijk tussen twee scenario’s “wind-zon-opslag” en “wind-zon-opslag-kernenergie” laat zien dat het op dit moment niet de kosten zijn waarom je voor of tegen kernenergie zou moeten zijn. Een toekomstbestendig beleid vereist een kritische afweging waarin geopolitieke autonomie, kostenbeheersing en snelheid van implementatie centraal staan. Investeringen in opslagtechnologieën en slimme netwerken kunnen de sleutel vormen tot een flexibeler en duurzamer energiesysteem dat minder afhankelijk is van nucleaire baseloadcapaciteit.
Vraag voor de politiek: weegt het aandeel (10 -15%), de stabiliteit en lage CO₂uitstoot van kernenergie op tegen de noodzakelijke staatssteun, geopolitieke afhankelijkheden en veiligheidsrisico’s, terwijl hernieuwbare alternatieven steeds rendabeler worden?
26
Aanbevelingen voor verdieping Aanbevelingen voor verdieping Naast de lijst met referenties raad ik de volgende literatuur aan voor een diepgaander inzicht in de economische en geopolitieke aspecten van kernenergie binnen het veranderende energielandschap. Deze bronnen behandelen financieringsmodellen, beleidskeuzes, strategische afhankelijkheden en de rol van opslagtechnologie in een toekomstbestendig energiesysteem. Economische en financiële aspecten van kernenergie • Onderzoek financieringsconstructies kernenergie – Rijksoverheid: analyse van financieringsmodellen voor kerncentrales in Nederland, met aandacht voor staatssteun en economische risico’s. • Scenariostudie kernenergie – Witteveen+Bos: onderzoek naar verschillende toekomstscenario’s voor kernenergie in Nederland met economische en strategische impact. • Kernenergie – standpunt PME: beschouwing van de voorwaarden waaronder het Pensioenfonds Metaal en Techniek investeert in kernenergie, met nadruk op risicobeheersing. Geopolitieke invloed en strategische afhankelijkheden • Heropleving kernenergie – Internationaal Energieagentschap (IEA): analyse van mondiale trends in kernenergie en geopolitieke gevolgen. • De rol van energie in de Russisch-Chinese relaties: academisch onderzoek naar de geopolitieke inzet van energie (waaronder kernenergie) door Rusland en China.
• Kernreactor mag opnieuw geld putten uit een lege staatskas: kritische analyse van overheidsinvesteringen in nucleaire onderzoeksreactoren en hun economische haalbaarheid. Aanvullend • Opslagtechnologie en energietransitie – TNO: overzicht van de rol van batterijopslag en waterstofopslag binnen de energietransitie en hun impact op geopolitieke afhankelijkheden en systeemflexibiliteit.
27
Maatschappelijke kostenvergelijking van energiemixen: met of zonder kernenergie
Dr. Max A. Hilhorst, 29-03-2025, 0651173225, m.a.hilhorst@gmail.com
1
Summary Dit rapport presenteert een maatschappelijke kostenvergelijking van verschillende energiemixen voor de Nederlandse elektriciteitsvoorziening, met als centrale vraag: wel of geen kernenergie? Gekeken is naar drie scenario’s: (1) 100% hernieuwbaar (zon en wind in een 50/50-mix), (2) 85% hernieuwbaar + 15% kernenergie (SMR), en (3) 100% wind op zee als zelfstandige hernieuwbare optie. De analyse is uitgevoerd per terawattuur (TWh) en omvat opwekkosten, systeemkosten (zoals netaanpassing, opslag en balancering), technologische trends en maatschappelijke factoren zoals ruimtebeslag, realisatiesnelheid en geopolitieke afhankelijkheid. De resultaten tonen dat de totale maatschappelijke kosten per MWh vergelijkbaar zijn voor alle drie scenario’s, variërend van 0,09 tot 0,13 €/kWh. Wind op zee blijkt structureel goedkoper dan zonne-energie en kernenergie, en iets duurder dan wind op land, maar kent een lagere opslagbehoefte en stabielere productie. De keuze tussen de opties wordt daardoor niet primair bepaald door kosten, maar door beleidsmatige randvoorwaarden zoals snelheid van realisatie, ruimtelijke inpasbaarheid, systeemflexibiliteit en geopolitieke afhankelijkheid.
Een mix van hernieuwbare energie, zonder kernenergie, scoort daarbij gunstig — vooral op het gebied van schaalbaarheid, investeringsstructuur en energie-autonomie, met minder politieke afhankelijkheid van grootmachten bij de aanvoer van brandstoffen of strategische materialen. Het rapport concludeert dat een energiemix zonder kernenergie economisch haalbaar blijft, mits voldoende wordt geïnvesteerd in systeemflexibiliteit. Wind op zee speelt daarin een steeds belangrijkere rol. De rol van kernenergie kan aanvullend zijn, maar vereist langdurige besluitvorming, hoge publieke investeringen, stabiel beleid over meerdere kabinetsperiodes én een oplossing voor het kernafval en zou bij voorkeur via marktmechanismen moeten plaatsvinden, zonder directe staatsdeelname.
Aanvullend advies: De overheid kan zich beperken tot het ontwikkelen van een geschikte infrastructuur, waar alle aanbieders gebruik van maken en waarin kernenergie geen voorkeurspositie krijgt maar wel kan toetreden zodra dit economisch haalbaar blijkt. Onderzoeksreactoren of demonstratieprojecten kunnen apart, met publieke middelen, worden ondersteund vanuit het belang van kennisontwikkeling.
2
Inleiding In deze analyse is een kostenvergelijking gemaakt van drie strategieën: (1) 100% hernieuwbare energie (zon en wind in een 50/50-mix), (2) 85% hernieuwbaar plus 15% kernenergie (SMR), en (3) 100% wind op zee als zelfstandige hernieuwbare optie met hoge vollasturen en beperkte opslagbehoefte [9].De analyse is uitgevoerd per TWh, inclusief investeringen, systeemkosten, opslag, publieke bijdragen en technologische trends. Doel is om inzicht te geven in de maatschappelijke kostprijs van elektriciteit en de beleidsimplicaties daarvan [1][2][3].
Totale kosten zonder systeemkosten Onderstaande tabel toont de totale kosten per technologie in euro per TWh, uitgesplitst naar opbouwkosten, overige kosten en het totaal zonder systeemkosten. De opbouwkosten omvatten de investeringskosten in de energie-infrastructuur, zoals turbines, zonnepanelen of kernreactoren, inclusief installatie en aansluiting op het net. De overige kosten (ook wel "rest" genoemd) bestaan uit exploitatie- en onderhoudskosten, brandstofkosten (voor kernenergie), en afschrijving. Voor de hernieuwbare opties is in de opbouwkosten tevens de benodigde energieopslag inbegrepen om het wisselende aanbod van wind en zon te kunnen balanceren. De optie "Hernieuwbaar 50/50" betreft een combinatie van 50% wind en 50% zon, inclusief opslag. De optie "85% hernieuwbaar + 15% kern" combineert hernieuwbare opwekking met een beperkt aandeel kernenergie voor basislastvoorziening. Aanvullend is wind op zee als aparte optie opgenomen, gezien de stijgende bijdrage in de Nederlandse energiemix en het onderscheidende kostenprofiel ten opzichte van wind op land. Tabel 1. Totale opwek- en restkosten per technologie (exclusief systeemkosten)
(De kosten zijn omgerekend van miljoen euro per terawattuur (M€/TWh) naar euro per kilowattuur (€/kWh). Daarbij staat M voor miljoen (10⁶), T voor tera (10⁹), en k voor kilo (10³).)
3
Systeemkosten Systeemkosten zijn de extra kosten die nodig zijn om het energiesysteem betrouwbaar, stabiel en efficiënt te laten functioneren bij de integratie van verschillende opwekopties. Deze kosten komen bovenop de directe opwek- en overige kosten per technologie en hangen sterk af van de mate waarin een technologie flexibel kan worden ingezet of juist afhankelijk is van weersomstandigheden. Totale kosten omgerekend naar M€/kWh geven inzicht in wat de verschillende energieopties uiteindelijk kosten per eenheid geleverde elektriciteit. Hierbij zijn de totale kosten (inclusief opbouw-, overige en systeemkosten) omgerekend van euro per terawattuur (M€/TWh) naar eurocent per kilowattuur (M€/kWh), wat een gebruikelijkere eenheid is voor consumenten en beleidsmakers. De omgerekende kosten maken de technologieën beter onderling vergelijkbaar en geven een indicatie van de potentiële stroomprijs bij kostendekkende exploitatie, exclusief belastingen en winstmarges. Door deze conversie wordt duidelijk welke technologie het goedkoopst is per geproduceerde eenheid stroom wanneer alle kostencomponenten worden meegenomen. Zo kan blijken dat hernieuwbare energie, ondanks hogere systeemkosten, nog steeds concurrerend is vanwege de lage opwek- en overige kosten, terwijl kernenergie mogelijk duurder uitvalt door hoge investerings- en exploitatiekosten.
Wind op zee vereist substantiële netinvesteringen (zoals zeekabels en offshore platforms), maar heeft daarentegen een gunstiger opslagprofiel dankzij de relatief stabiele productie, vooral in de wintermaanden. Tabel 2. Systeemkosten per technologie
Eenheid: M€/TWh = miljoen euro per terawattuur geleverde elektriciteit.
Beschouwing bij de kostenprognoses tot 2050 De geprojecteerde kostencurven voor hernieuwbare energie en kernenergie tot 2050 zijn gebaseerd op een reeks aannames en gevoeligheden die in belangrijke mate de uitkomsten beïnvloeden. Hoewel de modellen robuust zijn opgezet, blijft de uitkomst sterk afhankelijk van externe factoren en beleidskeuzes. In deze beschouwing worden
4
enkele van de belangrijkste factoren toegelicht die van invloed zijn op de betrouwbaarheid en interpretatie van de prognoses.
Gevoeligheid voor rente, bouwtijd en technologische ontwikkeling De kostprijs van energieprojecten is bijzonder gevoelig voor het rentepeil, aangezien zowel kerncentrales als grootschalige hernieuwbare energieprojecten kapitaalintensief zijn. Hoge rentestanden vergroten de kapitaalslast, vooral bij langlopende projecten zoals kernenergie. Ook de bouwtijd is van grote invloed: bij kerncentrales loopt deze op tot 15 à 20 jaar, waardoor kosten langdurig op de balans drukken en blootstaan aan onzekerheden. Hernieuwbare technologieën daarentegen kunnen doorgaans binnen 2 tot 5 jaar worden gerealiseerd, wat sneller rendement mogelijk maakt en flexibeler inspeelt op veranderende omstandigheden. De technologische ontwikkeling speelt eveneens een sleutelrol. Terwijl zon en wind de voorbije jaren al een sterke leercurve vertoonden met significante kostendalingen, wordt verwacht dat deze trend – zij het in afvlakkende mate – doorzet. Voor kernenergie zijn de verwachtingen minder eenduidig: SMR-technologie (Small Modular Reactors) kan op termijn schaalvoordelen bieden, maar bevindt zich in veel gevallen nog in het prototypeof demonstratiestadium. Dit betekent dat het moment van grootschalige inzet van SMR’s onzeker blijft zonder aanzienlijke publieke investering en versnelde vergunningstrajecten.
Realisatiesnelheid en schaalbaarheid De relatief korte realisatietijd van hernieuwbare projecten maakt ze aantrekkelijk in het licht van klimaatdoelstellingen op middellange termijn. Bovendien kunnen zonne- en windprojecten modulair worden opgeschaald, waardoor aanbod sneller aangepast kan worden aan de vraag of beleidsveranderingen. Kernenergie daarentegen vereist langdurige vergunningsprocedures, uitgebreide veiligheidsanalyses en grootschalige investeringen vooraf. Dat maakt het minder geschikt om snel in te spelen op veranderingen in de energievraag.
Ruimtebeslag en ruimtelijke impact Een vaak over het hoofd geziene factor is het fysieke ruimtebeslag. Hoewel kerncentrales per opgewekte eenheid energie relatief weinig ruimte nodig hebben, vereist de veiligheidszone rondom een centrale een buffergebied van circa 10 km², waarin geen grootschalige woningbouw of economische activiteit plaatsvindt. Ter vergelijking: dat staat gelijk aan de ruimte voor ongeveer 40.000 woningen. Hernieuwbare bronnen nemen meer verspreide ruimte in beslag, maar kunnen vaak gecombineerd worden met landbouw, infrastructuur (bijv. zonneparken langs snelwegen) of worden geïntegreerd op daken.
Geopolitieke afhankelijkheden De afhankelijkheid van grondstoffen verschilt wezenlijk tussen beide opties. Kernenergie is afhankelijk van uranium, dat grotendeels uit een beperkt aantal landen wordt geïmporteerd, waaronder Kazachstan, Canada en Rusland. Dit brengt geopolitieke risico’s met zich mee, zeker bij toenemende spanningen of exportbeperkingen. Hernieuwbare technologieën maken gebruik van kritieke metalen zoals lithium, kobalt en 5
neodymium, die eveneens geopolitiek gevoelig zijn, maar in meer uiteenlopende vormen voorkomen en waarvoor alternatieve technologieën en recycling mogelijk zijn.
Investeringsstructuur en financierbaarheid Tot slot verschilt de aard van de benodigde investeringen fundamenteel. Hernieuwbare energie trekt steeds vaker private investeerders aan, mede dankzij de voorspelbaarheid van opbrengsten, lagere risico’s en kortere terugverdientijden. Kernenergie daarentegen vereist doorgaans publieke garanties of staatsdeelname, vanwege de hoge initiële investeringskosten, lange bouwtijd en maatschappelijke risico’s. Dit maakt kernenergie politiek gevoeliger en afhankelijker van stabiel overheidsbeleid over meerdere kabinetsperiodes heen. Kernenergie vereist doorgaans publieke garanties of staatsdeelname, vanwege de hoge initiële investeringskosten, lange bouwtijd en maatschappelijke risico’s. Een alternatief is echter mogelijk: de overheid kan zich richten op het faciliteren van een open infrastructuur die alle opwekopties, inclusief kernenergie, gelijk behandelt. Private investeerders kunnen dan – zonder voorkeurspositie – toetreden tot de markt wanneer kernenergie zich economisch bewijst. Zo blijft het energiesysteem marktgestuurd en wordt publieke financiering gericht op collectieve infrastructuur, in plaats van specifieke technologieën.
Samenvattende, hoewel de kostenprojecties tot 2050 een duidelijke trend laten zien waarin hernieuwbare energie economisch aantrekkelijker wordt dan kernenergie, blijven de uitkomsten afhankelijk van meerdere factoren. In het bijzonder de bouwtijd, technologische onzekerheden, geopolitieke afhankelijkheden en investeringsstructuur kunnen in de praktijk sterk doorwerken op zowel de kosten als de maatschappelijkpolitieke haalbaarheid van de verschillende energieopties. De weergegeven onzekerheidsmarges in de prognosegrafiek weerspiegelen deze dynamiek en onderstrepen de noodzaak tot regelmatige herijking van de scenario’s.
Totale maatschappelijke kosten per kWh De totale kosten per energieoptie zijn omgerekend van euro per terawattuur (M€/TWh) naar euro per kilowattuur (€/kWh), een gebruikelijke rekeneenheid voor beleidsmakers, investeerders en consumenten. Deze conversie geeft inzicht in de maatschappelijke kostprijs per geleverde kilowattuur en maakt het mogelijk om verschillende technologieën beter met elkaar te vergelijken. Let op: deze kostenrepresentatie betreft niet de marktprijs die de consument betaalt, maar de totale maatschappelijke kostprijs per kilowattuur – inclusief investerings- en systeemkosten die uiteindelijk deels via belastingen of subsidies op de eindgebruiker verhaald zullen worden. De omgerekende eenheidskosten vormen een belangrijke basis voor beleidsafwegingen, investeringsbeslissingen en systeemoptimalisatie, maar mogen niet worden verward met de marktprijs die consumenten op hun energierekening zien. Door alle kostencomponenten – opwek, opslag, infrastructuur en balans – mee te nemen, wordt zichtbaar welke technologie per geproduceerde kilowattuur het voordeligst is bij kostendekkende exploitatie, exclusief belastingen en winstmarges. Zo blijkt dat 6
hernieuwbare energie, ondanks hogere systeemkosten, vaak concurrerend blijft door de lage opwek- en exploitatiekosten, terwijl kernenergie duurder kan uitvallen door hoge investerings- en onderhoudslasten. De toevoeging van wind op zee als zelfstandige optie laat zien dat deze qua maatschappelijke kostprijs tussen wind op land en de 50/50 zon-windmix in ligt, en structureel goedkoper blijft dan kernenergie en zonne-energie.
Leveringszekerheid, geopolitiek en netstabiliteit. Leveringszekerheid, geopolitieke onafhankelijkheid en netstabiliteit zijn essentiële aanvullende criteria bij de beoordeling van energieopties, naast puur economische overwegingen. Leveringszekerheid heeft betrekking op de mate waarin een energiesysteem continu in staat is om te voldoen aan de elektriciteitsvraag. Kernenergie levert een stabiele baseload, onafhankelijk van het weer, en kan daarmee een stabiliserende rol vervullen in een energiesysteem dat sterk leunt op variabele bronnen zoals zon en wind. Hernieuwbare energie vereist daarentegen voldoende opslagcapaciteit, slimme vraagsturing en flexibele back-upvoorzieningen om ook tijdens perioden met weinig zon en wind de leveringszekerheid te waarborgen. Geopolitieke onafhankelijkheid betreft de afhankelijkheid van geïmporteerde energiebronnen of grondstoffen. Kernenergie is afhankelijk van uraniumimport, vaak uit landen met instabiele geopolitieke verhoudingen of autoritaire regimes. Hernieuwbare technologieën maken gebruik van kritieke metalen zoals lithium, kobalt en zeldzame aardmetalen, die eveneens geopolitiek gevoelig zijn, maar waarvan de bronnen geografisch meer gespreid zijn en waarvoor meer alternatieven en recyclingopties beschikbaar zijn.
Bovendien biedt hernieuwbare opwekking, eenmaal gerealiseerd, een grotere mate van energieautonomie op nationaal of lokaal niveau. Netstabiliteit verwijst naar de technische betrouwbaarheid van het elektriciteitsnet. Kerncentrales leveren constante vermogensstromen, maar zijn weinig flexibel in het snel op- of afregelen van productie. In een energiesysteem met veel variabele hernieuwbare bronnen kan dit leiden tot spanningen in het net. Hernieuwbare bronnen zijn juist flexibel inzetbaar qua schaal en locatie, maar stellen hogere eisen aan netsturing, opslag en infrastructuur om fluctuaties effectief op te vangen. Wind op zee levert doorgaans meer constante vermogens dan wind op land en zon, wat bijdraagt aan de voorspelbaarheid van aanbod, al vereist het net wel robuuste infrastructuur op zee. Zie Tabel 3 voor een overzicht van de totale kosten per technologie omgerekend naar €/kWh. De omgerekende kosten per kilowattuur maken niet alleen de economische haalbaarheid inzichtelijk, maar nodigen ook uit tot een bredere beoordeling van de maatschappelijke wenselijkheid van verschillende energiemixen. Daarbij moeten kostenefficiëntie, duurzaamheid en systeemfunctie steeds in samenhang worden bekeken.
7
Tabel 3 Totale maatschappelijke kosten per technologie omgerekend naar €/kWh.
Prognose kostenontwikkeling tot 2050 De kostencurven voor hernieuwbare energie en kernenergie zijn opgesteld op basis van een combinatie van historische kostenreeksen, technologische trends, schaalvoordelen, beleidsontwikkelingen en internationale projecties. Voor hernieuwbare bronnen is rekening gehouden met verdere kostendalingen als gevolg van massaproductie, technologische innovatie en dalende financieringskosten. Bij kernenergie zijn factoren zoals langere bouwtijden, hogere kapitaalslasten, strengere veiligheidsnormen en maatschappelijke acceptatie meegewogen, inclusief de mogelijke impact van Small Modular Reactors (SMR’s). Rond het jaar 2025 wordt een omslagpunt verwacht waarbij hernieuwbare elektriciteit (zon en wind, inclusief opslag) goedkoper wordt dan nieuwe kernenergie. Deze kruising van de kostencurven is gebaseerd op projecties waarin de LCOE (Levelized Cost of Energy) van hernieuwbare bronnen sneller daalt, terwijl die van kernenergie relatief constant blijft of zelfs stijgt vanwege de complexiteit en lange realisatietijd van nieuwe installaties. De onzekerheidsmarges in deze prognoses nemen toe naarmate de tijd vordert. Voor 2025 is de onzekerheid nog beperkt (circa ±5%) dankzij recente marktdata en concrete projecten.
Richting 2050 lopen de onzekerheidsbanden op tot ongeveer ±20%, onder invloed van factoren zoals schommelende grondstofprijzen, technologische doorbraken, beleidswijzigingen, geopolitieke ontwikkelingen en veranderende maatschappelijke voorkeuren. Deze onzekerheid is in de prognosegrafiek weergegeven met grijze banden rond de centrale kostencurves. Hoewel deze prognoses geen exacte voorspellingen zijn, geven ze wel een onderbouwde inschatting van de verwachte kostenontwikkeling op basis van plausibele aannames. Het blijft essentieel om dergelijke projecties regelmatig te actualiseren aan de hand van de nieuwste markt- en technologiegegevens. De grafiek toont het kantelpunt rond 2025 waarbij hernieuwbare elektriciteit (zon en wind, inclusief opslag) goedkoper wordt dan nieuwe kernenergie. De grijze banden representeren de toenemende onzekerheid in de kostenprojecties richting 2050. 8
Figuur 1. Geprojecteerde ontwikkeling van de opwekkosten (LCOE) voor verschillende energiemixen tot 2050, inclusief onzekerheidsmarges. Wind op zee is toegevoegd als afzonderlijke curve en toont een gunstig kostenverloop door schaalvoordelen en stabiele productie.
Conclusie De totale maatschappelijke kosten per MWh blijken vergelijkbaar voor meerdere scenario’s: 100% hernieuwbaar (zon en wind in een 50/50-mix), 85% hernieuwbaar + 15% kernenergie, en – op termijn – ook 100% wind op zee. Wind op zee laat een gunstig kostenverloop zien dankzij hoge vollasturen, afnemende investeringskosten en beperkte opslagbehoefte, al blijven de systeemkosten door netinfrastructuur relatief hoog [4][5][6]. De keuze tussen deze opties wordt daarmee in toenemende mate bepaald door niet-koste gerelateerde factoren, zoals: • snelheid van realisatie (voordeel voor zon en wind), • ruimtebeslag (voordeel voor wind op zee en kernenergie), • leveringszekerheid en flexibiliteit (voordeel voor combinaties), • en geopolitieke afhankelijkheid (waarbij hernieuwbaar gunstiger scoort) [7][8]. De analyse onderstreept het belang van een diverse mix, waarin wind op zee een steeds centralere rol kan spelen in het toekomstige Nederlandse energiesysteem, naast zon, wind en kernenergie.
9
Aanvullend advies: een marktconforme benadering van kernenergie In de huidige beleidsdiscussie wordt kernenergie vaak benaderd als een strategische technologie waarvoor directe overheidsdeelname of een staatsbedrijf noodzakelijk zou zijn. Vanuit een conservatieve invalshoek wordt dit gelegitimeerd door leveringszekerheid, nationale controle en lange terugverdientijden. Toch kleven aan een staatsbedrijf of directe overheidsdeelname belangrijke nadelen, zoals marktverstoring, financiële risico’s voor de belastingbetaler en verminderde prikkels tot efficiëntie. Een alternatief is een marktconforme benadering, waarin de overheid zich richt op de ontwikkeling van een open, toekomstbestendige energie-infrastructuur, die geschikt is voor alle typen opwekking – inclusief kernenergie. Denk hierbij aan het realiseren van robuuste netaansluitingen, flexibele opslag en balanceringscapaciteit, waar zowel hernieuwbare als conventionele bronnen op kunnen aansluiten. Deze infrastructuur wordt beheerd door de netbeheerder, die de kosten factureert aan alle gebruikers op basis van transparante tarieven. Binnen dat systeem kan kernenergie worden toegelaten als optie voor private investeerders, zonder voorkeurspositie of directe staatsfinanciering. Wanneer kernenergie zich economisch kan bewijzen, zal deze vanzelf toetreden tot de markt.
Zo blijft het energiebeleid in lijn met het vrije marktmechanisme en wordt vermeden dat de overheid onnodige financiële risico’s neemt of concurrentie vervalst. Een uitzondering blijft mogelijk voor onderzoek en innovatie. De staat kan en moet investeren in fundamenteel onderzoek, bijvoorbeeld via een kleinschalige onderzoeksreactor of testfaciliteiten, zoals gebruikelijk is in andere technologische domeinen. Dat is geen marktverstoring, maar een publiek belang in kennisontwikkeling. Kortom, geef de markt de ruimte om te kiezen wat rendabel is, en zorg als overheid voor een infrastructuur waarin die keuze eerlijk kan plaatsvinden.
Referenties 1. Ministerie van EZK. (2024). Kamerbrief Kernenergie & SMR's. Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32645 nr. 130. 2. Stichting Laka. (2023). Nieuwe, kleinere kerncentrales (SMR) in Nederland. 3. CE Delft. (2023). Kosten hernieuwbare opwek en opslagtechnologieën in Nederland. 4. IRENA. (2022). Renewable Power Generation Costs. 5. BloombergNEF. (2023). New Energy Outlook. 6. NVDE / Ecofys. (2023). Kostendalingen zon en wind in Nederland. 7. OECD/NEA. (2020). The Costs of Decarbonisation: System Costs with High Shares of Nuclear and Renewables. 8. TNO. (2022). Energie in Nederland: markt en beleid in transitie. 9. TNO. (2023). Kosten en systeemeffecten van offshore wind in Nederland. 10