CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

B2 d.d. 22 juni 2023 van de Regioagendacommissie MGR inzake Advies Regionale Adviescommissie

Besluitronde (raadsvergadering) 27 september 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Brieven ter kennisgeving aan te nemen6.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeenteraden Rijk van Nijmegen

Contactpersoon N. Collombon, secretaris AC MGR agendacommissieMGR@nijmegen.nl Bijlagen: 1

Datum: 22 juni 2023 Onderwerp: Advies Regionale Adviescommissie

Geachte leden van de gemeenteraden regio Rijk van Nijmegen, Bij de Modulaire Gemeenschappelijke Regeling (MGR) is een agendacommissie (AC) ingesteld. De taken zijn o.a. de logistieke voorbereiding en planning van de politieke besluitvorming voor de raden Rijk van Nijmegen aan de MGR Rijk van Nijmegen en hun kaderstellende en controlerende rol, het gevraagd en ongevraagd adviseren van het Dagelijks Bestuur (DB) MGR over de kwaliteit van de informatievoorziening van en door de MGR, en het meedenken over de inrichting van de regeling MGR. In 2022 heeft de AC een zelfreflectie uitgevoerd en geconcludeerd dat het bestaansrecht en de taakstelling van de AC onverkort geld. Binnen de taakstelling behoeft de werkwijze, eigen rol en dialoog met het DB verbetering. Er zijn 2 spanningsvelden daarbij. Eén spanningsveld over wat verwacht mag worden van een delegatielid en de verbinding met de gevoelen vanuit de raad. Een ander spanningsveld is de dialoog tussen AC en DB over de interpretatie van kaderstellende en controlerende rol en de grens tussen inhoud versus proces, en het mandaat dat delegatieleden wel of niet menen te hebben van hun eigen raden. Aan de raden is gevraagd om op de zelfreflectie te reageren. Op 1 juli 2022 is de nieuwe Wet gemeenschappelijke regelingen in werking getreden, met als doel de versterking van de positie van gemeenteraden.

Een van de instrumenten is het instellen van een regionale adviescommissie of agendacommissie. Het DB stelt een dergelijke commissie in, op verzoek van de raden. Alle raden moeten instemmen met het instellen van de commissie en als de raden instemmen, dan is dit een verplichting voor het Algemeen Bestuur (AB). De raden kiezen de leden en een raad kan ervoor kiezen geen raadslid aan te wijzen. Alleen raadsleden kunnen lid zijn. De doelstelling van een regionale adviescommissie is om raden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over gezamenlijke zienswijzen, zelf aandacht te vragen voor een onderwerp, gezamenlijke standpunten voor te bereiden en daarover te adviseren aan de raden en AB. Een dergelijke commissie is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de raden over te nemen of tot besluitvorming te komen. Besluitvorming en sturing blijft bij de individuele raden. Ook kan deze commissie een voorbereidende rol hebben in de beleidscyclus bij een samenwerkingsverband als de MGR. Zij bereiden immers 1

verschillende beleidsafwegingen voor die inzichtelijk te maken zijn voor college én raad, die leiden tot een formeel raadsbesluit (bijv. kaderbrief, begroting, verordening) waar het van belang is raden vroegtijdig te betrekken vanuit hun kaderstellende rol. Een regionale adviescommissie kan daarom naar onze mening een belangrijke schakel vormen in de vroegtijdige betrokkenheid van de raden bij de beleidscyclus. Ook biedt dit instrument de mogelijkheid aan de raden om hun kaderstellende rol beter op te pakken. Wij adviseren daarom – zoals verwoord in de toegevoegde uitgangspuntennotitie opgesteld naar aanleiding van de werkbijeenkomst van de raden op 27 maart jl. - de volgende punten in de komende ontwerpregeling voor de MGR op te nemen: 1. Het instellen van een regionale adviescommissie. Wij adviseren nadrukkelijk een regionale adviescommissie voor de MGR in te stellen, waarbij de rol van de adviescommissie is het bewaken van de kwaliteit van de informatievoorziening. Wij kiezen niet voor een regionale agendacommissie MGR vanwege de ervaren werking van de rol en werkwijze van onze huidige agendacommissie. Dit vanwege de discussie over wat wel en wat niet door de agendacommissie te bespreken is en de discussie over de interpretatie van de begrippen inhoud en proces. 2. Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur.

Een zienswijze verzekert dat de raad vooraf kan aangeven hoe de raad betrokken wil zijn bij de samenwerking. Naast het voorleggen voor zienswijzen van de begroting, de kaderbrief en voorlopige jaarrekening MGR, adviseren wij stukken met een aanzienlijk politiek gevoelig en bestuurlijk belang én stukken met een aanzienlijk financieel belang voor te leggen voor een zienswijze. Juist de besluiten die na het treffen van een regeling genomen worden, kunnen (budgettaire) gevolgen hebben voor de deelnemende gemeenten. Het past bij de kaderstellende en controlerende rol van de raad om een uitspraak te kunnen doen over dergelijke besluiten voordat deze genomen worden. Wat een aanzienlijk politiek gevoelig en bestuurlijk belang of een aanzienlijk financieel belang is, is nader te specificeren. Bijvoorbeeld door een concreet bedrag te noemen of een lijst op te stellen van de trajecten waarbij aanzienlijke beleidsmatige keuzes (grote, majeure besluiten) aan de orde zijn. Een andere mogelijkheid is om de invulling wat een politiek/bestuurlijk belang is voor te bespreken in de nog te vormen regionale raadsadviescommissie. 3. Evaluatie. Op verzoek van de meerderheid van de raden kan een evaluatie gestart kan worden of dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht.

Wij vinden het niet wenselijk dat het AB beslist over of een evaluatie wel of niet wordt uitgevoerd. Het initiatief tot het starten van de evaluatie kan naar onze mening zowel uitgaan van één van de deelnemende gemeenten als van het AB. Het initiatief tot een evaluatie is bij de MGR ook recent genomen door de MGR, zowel voor de WBRN als voor de IRvN-evaluatie. Dat initiatief is door ons als positief beoordeeld. Een vaste cyclus van bijvoorbeeld eenmaal in de 4 jaar vinden wij minder wenselijk. Ook omdat dit tot gevolg kan hebben dat te veel evaluaties in dezelfde periode aan de raden gezonden worden, die ook allemaal in ongeveer dezelfde periode beoordeeld en besproken moeten worden. 4. Participatie: Onder de voorwaarde dat een regionale adviescommissie ingesteld wordt voor de MGR, kan het AB besluiten (al dan niet na een zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. 5. Wat betreft de Informatieplicht AB / DB en de uittreding merken wij op dat de werkwijze zoals geregeld in ons huidige informatieprotocol goed werkt. Wij zouden deze graag zoveel mogelijk in het nieuwe protocol willen continueren en de bestaande uittredingsregeling qua uitgangspunten en inhoud laten bestaan.

Om een regionale adviescommissie MGR in te stellen, moeten u als raden unaniem instemmen. De ontwerpregelingen worden momenteel voorbereid. Aan u het verzoek om ons advies vóor oktober 2023 in uw raden voor bespreking te agenderen.

Met vriendelijke groeten, Ayse Terzi

Voorzitter Agendacommissie MGR

Uitgangspuntennotitie na de regionale raadsbijeenkomst over de Wijzigingswet Wet gemeenschappelijke regelingen Wijchen, 27 maart 2023

1. Inleiding Op 27 maart 2023 heeft in de regio Rijk van Nijmegen een werkbijeenkomst voor raadsleden plaats gevonden in het kader van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr), hierna de Wijzigingswet. De focus van deze werkbijeenkomst lag op de vijf beleidsrijkere samenwerkingen die elk jaar centraal staan tijdens regionale raadsbijeenkomsten in het kader van de kaderbrief, de begroting en de jaarrekening. Dit betreft de volgende gemeenschappelijke regelingen: -

Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (GMR) Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) Gemeenschappelijke Gemeentelijke Gezondheidsdienst Gelderland-Zuid (GGD) Modulaire Gemeenschappelijke Regeling Rijk van Nijmegen (MGR) Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN)

In werkgroepen van raads- en collegeleden zijn er per regeling gesprekken gevoerd over mogelijke varianten van de in te zetten instrumenten die de Wijzigingswet biedt. Zie voor de samenstelling per groep bijlage 1 en de achterliggende informatie over de Wijzigingswet de gespreksnotitie in bijlage 2.

2. Uitgangspuntennotitie en vervolg Deze uitgangspuntennotitie is de opbrengst van de werkbijeenkomst van 27 maart. Het doel van de werkbijeenkomst was om een basis te leggen voor gelijkluidende raadsvoorstellen over de gevolgen van de Wijzigingswet voor de betreffende regeling. Het betrof een procesmatige, dus geen politieke bijeenkomst. Deze uitgangspuntennotitie wordt op 17 april aan de raden teruggekoppeld. Vervolgens zullen de colleges worden voorgesteld om deze uitgangspuntennotitie naar de besturen van de vijf gemeenschappelijke regelingen te zenden met het verzoek om deze uitgangspunten mee te nemen bij het ontwerpen van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling. De reden waarom deze uitgangspunten tevens naar de besturen van de gemeenschappelijke regelingen worden verzonden is dat vanuit die regelingen het proces om te komen tot een wijziging van de regeling wordt gecoördineerd. Het resultaat moet namelijk één tekstvoorstel worden dat door alle deelnemende colleges en raden wordt vastgesteld. Vervolgens start dan in het vierde kwartaal van 2023 het formele besluitvormingsproces ten aanzien van de ontwerpregelingen. In het geval de voorkeursvariant niet wordt gevolgd, wordt dit bij de aanbieding van de ontwerpregeling gemotiveerd. Door het geven van een zienswijze (eind 2023/begin 2024) kan een raad hierop nog reageren.

1

3. De keuze voor instrumenten per gemeenschappelijke regeling Tijdens de raadswerkbijeenkomst zijn de verschillende instrumenten waarbij een keuze gemaakt kan worden voorgelegd. Per instrument zijn varianten benoemd ten aanzien van de intensiteit of de vorm waarin het instrument ingezet gaat worden. In deze paragraaf treft u per instrument én per gemeenschappelijke regeling, het advies van de diverse (raads)werkgroepen aan. Van elk instrument zijn drie varianten voorgelegd om het gesprek te voeren en een keuze te maken. Variant 1 betreft een specifieke keuze, variant 2 de dynamische keuze en variant 3 is de minimale variant. Deze worden in de tabel steeds beschreven. Vervolgens staat de keuze van de werkgroep, bestaande uit raadsleden en collegeleden, vermeld, gevolgd door een motivering of argumentatie.

2

3.1 Groene Metropoolregio Instrument Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd.

Keuzevariant Geen expliciete voorkeur. Variant 3 niet.

Motivering/toelichting Variant 1: Het expliciet vastleggen geeft duidelijkheid, maar kan ook een beperking geven als het strikt wordt nageleefd. De doorlooptijd kan worden ingeschat. De ambtelijke inzet kan worden ingeschat. Variant 2: Goed om van tevoren aan te geven wat wordt verstaan onder ‘aanzienlijk politiek of financieel belang’. Hierover zou de Agendacommissie kunnen worden geraadpleegd door het bestuur en een advies kunnen geven. Een Langetermijnagenda zou hierin behulpzaam kunnen zijn.

Actieve informatieplicht Variant 2 Variant 1: In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) opnemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid.

Deze variant sluit aan bij de praktijk van de huidige regeling.

Evaluatie Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de be-

- Van tevoren vastleggen dat er sowieso geëvalueerd gaat worden, omdat er anders het risico is dat er geëvalueerd wordt, wanneer er “gedoe” is.

Variant 1

3

treffende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt. Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijf jaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evaluatie.

- Niet in het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen evalueren. Voorkeur voor afronding evaluatie (vlak) na het zomerreces van het jaar voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen. - Afstemmen met andere GR-en, zodat niet alle evaluaties in hetzelfde jaar plaatsvinden.

Wijze van uittreden Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorgelegd.

Variant 1 en 2 (geen duidelijke keuze)

Variant 1 is goed als principe uitgangspunt, maar variant 2 heeft als pluspunt dat met deze variant er wat meer flexibiliteit is omdat in de loop der jaren uitgangspunten kunnen wijzigen, zonder dat daar oog voor is geweest of voor de consequenties van de gewijzigde uitgangspunten. Bovendien werd in variant 2 aantrekkelijk gevonden dat in het algemeen bestuur bij unanimiteit, dus ook nog met de uittredende partij in het AB, bepaald kan worden dat afgeweken kan worden.

Participatie Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke besluiten participatie van belanghebbenden

Variant 3 met toevoeging

Het goede van de huidige praktijk moet bewaard blijven, zoals de regiotafels die vanuit de GMR georganiseerd worden.

4

en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR. Gemeenschappelijke Adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Variant 3

Niet wenselijk om nog meer commissies op te tuigen.

5

3.2

Veiligheidsregio Gelderland-Zuid

Instrument

Keuzevariant Variant 2

Motivering/toelichting

Variant 3

Hierbij wordt benadrukt dat onder deze variant ook de stukken vallen die een aanzienlijk politiek of financieel belang hebben. Heeft een relatie met de keuzevariant over Zienswijze (bij besluiten met aanzienlijk politiek of financieel belang).

Evaluatie Variant 2 Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de betreffende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt.

- Geen termijn noemen in de regeling. - Verzoek om na te gaan wat wijsheid is m.b.t. het wel of niet voorleggen van de onderzoeksopdracht voor zienswijze aan de raden.

Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd. Actieve informatieplicht Variant 1. In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) opnemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid.

Deze variant geeft enige mate van flexibiliteit als dat nodig is. Variant 1 is te star en variant 3 is te beperkt.

6

Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijf jaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evaluatie. Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorgelegd.

Geen keuze

Participatie Variant 2 Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke besluiten participatie van belanghebbenden en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden.

Betreft hier een verplichte samenwerking. Nader moet worden onderzocht wat hier hierover zou moeten worden opgenomen.

Het regionaal belang komt hiermee het beste tot zijn recht, op lokaal niveau zijn er genoeg instrumenten.

7

Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR. Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Variant 3

Deze regeling is (ook op wat meer afstand) heel goed te volgen. Er is geen behoefte aan het instellen van een Adviescommissie.

8

3.3

GGD Gelderland-Zuid

Instrument Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd.

Keuzevariant Variant 2

Motivering/toelichting De term ‘aanzienlijk’ dient nader te worden uitgewerkt.

Actieve informatieplicht Variant 1. In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) opnemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid.

Geen expliciete keuze.

Formulering waarbij er een informatieplicht is voor die stukken van de GGD die voor de raden nodig zijn om hun controlerende en kaderstellende rol uit te kunnen voeren.

Evaluatie Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de betreffende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt. Variant 2:

Geen keuze benoemd.

Er is gekozen voor een evaluatie op het meerjarenplan/strategie op onderdelen en verder kunnen de raden er om vragen als het nodig is.

9

Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijf jaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evaluatie. Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorgelegd.

Gecombineerde variant 2 en 3

Basisafspraken met maatwerk.

Participatie Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke besluiten participatie van belanghebbenden en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via

Variant 2 met toevoeging

Het AB of de raad laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer, op welk onderwerp en op welke schaal een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden.

10

de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR. Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Variant 3

Er is op dit moment geen behoefte om een adviescommissie in te richten.

11

3.4

Modulaire gemeenschappelijke regeling (MGR)

Instrument

Keuzevariant Variant 1

Motivering/toelichting

Actieve informatieplicht Variant 1. In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) opnemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid.

Variant 2

Het huidige informatieprotocol in de situatie van de MGR werkt goed, daarom deze werkwijze dan ook zo veel mogelijk continueren.

Evaluatie Variant 1:

Variant 2 met aanpassing

Variant 2 met de aanpassing “als de meerderheid van de raden daarom verzoekt”.

Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd.

Verstandig om in ieder geval stukken als de kadernota en de voorlopige jaarrekening ter zienswijze voor te leggen vanwege het grote financiële en inhoudelijk belang van beide stukken. Daarnaast zou het mogelijk moeten zijn om een extra categorie daaraan toe te voegen: de stukken met een aanzienlijk politiek en bestuurlijk belang en de stukken met een aanzienlijk financieel belang. Waarbij het van belang is om deze 2 categorieën nader te specificeren. Bij die laatste door een concreet bedrag te noemen. Ook wordt de mogelijkheid geopperd om de invulling wat is nu een politiek/bestuurlijk belang voor te bespreken in de agendacommissie of de nog te vormen regionale raadsadviescommissie.

12

In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de betreffende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt. Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijf jaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evaluatie. Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden.

Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorgelegd.

Het woord “en” aan het einde van de eerste zin wordt vervangen door “of”. Hierdoor is het mogelijk dat het initiatief tot het starten van de evaluatie zowel uit kan gaan van één van de deelnemende gemeenten als van het AB. Het initiatief tot een evaluatie is bij de MGR ook recent genomen door de MGR, zowel voor de WBRN als voor de IRvN evaluatie. Dat initiatief werd door de werkgroep als positief beoordeeld. Een vaste cyclus van bijvoorbeeld eenmaal in de 4 jaar werd als minder wenselijk gezien. Ook omdat dit tot gevolg kan hebben dat te veel evaluaties in dezelfde periode aan de raden gezonden worden die ook allemaal in ongeveer dezelfde periode beoordeeld en besproken moeten worden. (aangegeven is dat het niet wenselijk is dat het AB beslist over of een evaluatie wel of niet wordt uitgevoerd.).

Geen variant genoemd

Aansluiten bij de bestaande situatie (bestaande uittreedregeling).

13

Participatie Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke besluiten participatie van belanghebbenden en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR.

Variant 2 met voorwaarde

De voorwaarde is dat er, gelet op de samenhang, dan ook een gemeenschappelijke Adviescommissie komt.

Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Variant 1

Het is van belang om nader te formuleren dat het bij de rol van de adviescommissie met name gaat over de kwaliteit van de informatievoorziening. Nadrukkelijk wordt niet gekozen voor optie 2 vanwege de veelheid aan GR-en die onderling qua inhoud onvergelijkbaar zijn. Per GR moet je kijken wat het doel is en op welke manier dit wordt georganiseerd. En optie 3 valt ook af vanwege de ervaren werking van de bestaande agendacommissie. Daarbij werd opgemerkt dat hier steeds een discussie plaatsvond over wat wel en wat niet door de agendacommissie besproken zou kunnen worden. Het onderscheid tussen inhoud en proces. Proces valt wel onder de competentie van de agendacommissie, inhoud niet. Over de interpretatie van beide begrippen is in het verleden vaak discussie geweest, aldus de werkgroep-leden.

14

3.5

Omgevingsdienst Rijk van Nijmegen (ODRN)

Instrument Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd.

Actieve informatieplicht Variant 1. In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) opnemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het

Keuzevariant Combinatie van variant 1 en 2

Motivering/toelichting In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd, waarbij het tenminste gaat om de kadernota, de concept-begroting, de jaarrekening, het informatieprotocol (zie onder 2), een afwijkende uittreedregeling (zie onder 4) en de periodieke evaluatie (zie onder 3). Verder stelt de werkgroep voor dat de definitie van ‘besluiten met een aanzienlijk politiek of financieel belang’ nog verder wordt uitgewerkt. Argumentatie: - Raden hebben de behoefte om bij de ODRN meer aan het stuur te willen zitten gezien de vele budgetuitbreidingen bij de ODRN van de afgelopen jaren waar raden een oplossing voor hebben moeten vinden; - De komende tijd zijn er de nodige wijzigingen rondom de ODRN te verwachten ivm de uitwerking van het rapport van de commissie Aartsen en de mogelijke wijzigingen in het Gelders Stelsel, maar ook ivm de gevolgen van de wet Kwaliteitsborging en de Omgevingswet. Het tijdig kunnen meegeven van zienswijzen bevordert de gewenste sturing door raden.

Licht aangepaste variant 2

In de GR vastleggen dat het Algemeen Bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld, met een zienswijze door de raden voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol. Voorkeur voor een protocol met een bepaalde looptijd, zodat het protocol kan worden geëvalueerd en zo nodig kan worden aangepast. Zie ook bij instrument Evaluatie. Argumentatie: - Een informatieprotocol geeft duidelijkheid én kun je af en toe evalueren en dan weer 15

vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid.

tegen het licht houden: is de geleverde informatie voldoende dekkend? - Raden moeten een stempel kunnen drukken op het informatieprotocol. Vandaar de wens om daar ook weer een zienswijze op in te dienen. - Variant 2 geeft ruimte en vrijheid, als je het in de regeling vastlegt is het wijzigen ervan ingewikkeld en duurt dat 9 maanden. Een evaluatie- of herzieningsbepaling in het informatieprotocol is wél gewenst.

Evaluatie Variant 1 Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de betreffende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt. Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijf jaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evaluatie.

Belangrijk is een goede informatiecyclus met onderstaande opbouw: 1. Jaarlijks een management review gekoppeld aan het jaarplan, dus als jaarverslag. Hebben we de doelstellingen gehaald die we wilden behalen? Dit weergegeven in een zeer kort rapport met o.a. de volgende punten: - score op dienstverlening - cijfers tav doelstelling: hebben we dat gehaald? - analyse in vergelijking met de cijfers van vorig jaar - goed kijken naar leesbaarheid: jaarlijks een vergelijkbare lay-out 2. Vervolgens eens per twee jaar of vier jaar een wat grotere en diepgaandere evaluatie. 3. Het jaarlijks rapport kan onderwerp van gesprek zijn met de raadsadviescommissie (zie bij instrument Gemeenschappelijke Adviescommissie)

Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als

In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betref-

Variant 2 met kleine aanpassing.

Argumentatie: - Niet evalueren om te evalueren. - Jaarlijks een korte review gekoppeld aan de vaste P&C momenten zorgt ervoor dat raadsleden jaarlijks een vergelijkbaar rapport ontvangen (zorgt voor vertrouwdheid met de informatie) én dat er geen willekeur optreedt; er wordt immers steeds op hetzelfde moment gerapporteerd. - Voor de ODRN is het op dit moment noodzakelijk om vinger aan de pols te houden.

16

de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorgelegd. Participatie Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke besluiten participatie van belanghebbenden en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR.

fende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het AB ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Argumentatie: - Variant 2 geeft flexibiliteit, je kunt van te voren niet alle situaties bedenken; - Omdat er een unaniem besluit wordt gevraagd van het AB, blijft een eerlijk speelveld gewaarborgd; - Door zienswijzen aan de raad te vragen, heeft de raad ook invloed.

Variant 3 met toevoeging

In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng/inspraak kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid via de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR. Daarnaast opnemen dat: Het AB kan besluiten om voor bepaalde onderwerpen een bijeenkomst te houden of een langduriger panel in te zetten voor ingezetenen en belanghebbenden. Argumentatie: - De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten en de provincie, de ODRN voert alleen maar uit. - Mensen weten AB-vergaderingen van de ODRN ook minder te vinden. AB vergaderingen hebben vaak onderwerpen die niet interessant zijn voor ingezetenen. - Participatie wordt al in veel processen meegenomen. - Voor de toevoeging uit variant 2 is gekozen omdat de werkgroep meerwaarde ziet in het organiseren van participatie op de meer lange termijn door de ODRN zelf, bijvoorbeeld een vast burgerpanel, of klanttevredenheidonderzoek.

17

Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Variant 1

Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is. Men wil voor de ODRN een gemeenschappelijke Adviescommissie instellen en dit vastleggen in de GR. Argumentatie: - Alleen een agendacommissie is beperkend. Het gevaar van meer inhoud is dat dingen al politiek worden af gekaart en dat heeft voordelen en nadelen. - Afstemming met andere raden is wenselijk. - Het vastleggen van het bestaan van de commissie in de regeling is belangrijk; precieze taakomschrijving van de commissie kan in het instellingsbesluit en in het reglement van orde.

Bijlagen: 1. Deelnemerslijst 2. Gespreksnotitie raadsavond Rijk van Nijmegen. PROOF dd 20 maart 2023 3. PowerPoint van plenaire deel van de bijeenkomst van 27 maart 2023. 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=03b65cd0-c06b-46fe-af24-f6fbc15e520b