CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

B15 d.d. 6 juni 2023 van Commissie voor de milieueffectrapportage inzake Toetsingsadvies Herontwikkeling Centrale Gelderland (ENGIE)

Besluitronde (raadsvergadering) 12 juli 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Brieven ter kennisgeving aan te nemen4.941 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Herontwikkeling Centrale Gelderland (ENGIE) te Nijmegen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop 6 juni 2023 / projectnummer: 3418

1

Advies in het kort Energiebedrijf ENGIE wil, in samenspraak met de gemeente Nijmegen, de provincie Gelderland en de gemeente Beuningen, het bedrijventerrein rondom de voormalige kolencentrale Centrale Gelderland herinrichten. Het voornaamste doel is ruimte te bieden voor energieopwekking en (watergebonden) bedrijven. In de Gebiedsvisie Waal Energie (2019) hebben ENGIE en de gemeente gezamenlijk ambities vastgelegd voor onder andere energietransitie, duurzaamheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Voor het besluit over de gebiedsontwikkeling is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. In een eerder advies1 gaf de Commissie aan dat in het MER nog informatie ontbrak die zij essentieel acht voor het meewegen van het milieubelang bij het besluit over het bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan is het MER aangevuld. De gemeente Nijmegen heeft de Commissie gevraagd om opnieuw te adviseren over het aangevulde MER. 2 Wat blijkt uit het aangevulde MER? Het aangevulde MER vergelijkt – net als het oorspronkelijke MER – twee varianten voor de ontwikkeling van het plangebied (zie figuur 1). In beide varianten wordt een nieuwe energiecentrale in het gebied gerealiseerd.

Het aangevulde MER laat zien dat er in het plangebied weinig mogelijkheden zijn om een invulling met ‘lagere milieu-impact’ te realiseren, omdat het landelijke beleid op deze locatie grootschalige energieproductie voorschrijft. Het aangevulde MER laat zien dat de beoogde ontwikkeling, onafhankelijk van de gekozen variant, ten opzichte van de referentiesituatie (bestaande uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling) leidt tot negatieve effecten op landschap, archeologie en externe veiligheid en sterk negatieve effecten op natuur. De effecten op natuur (in Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden vooral veroorzaakt door de uitstoot van stikstof door de nieuwe energiecentrale. De ontwikkeling heeft positieve effecten op recreatief medegebruik, groen, leefbaarheid, circulariteit en toegang tot hernieuwbare energie. Wat is het advies van de Commissie? Het aangevulde MER is logisch opgebouwd en goed leesbaar. De samenvatting geeft een duidelijk overzicht van de effecten, ten opzichte van de referentiesituatie én ten opzichte van de situatie in 2015 (de situatie met een werkende kolencentrale). Doordat gekozen is voor een integrale herziening van het MER in plaats van een losse aanvulling geeft het MER een sterk verbeterd beeld van de onderzochte varianten en de effecten daarvan.

De Commissie is van oordeel dat in het aangevulde MER op één onderdeel na de essentiële informatie bevat om een besluit te kunnen nemen over het bestemmingsplan, waarin het milieubelang volwaardig wordt meegewogen. De effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuurwaarden zijn in het aangevulde MER niet eenduidig beschreven en maatregelen om

1

Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport, 1 december 2022.

2

De initiatiefnemers hebben er voor gekozen om een nieuwe versie van het MER op te stellen, in plaats van een aanvulling op het oorspronkelijke MER. Daarnaast is een aantal andere (deel)rapporten opnieuw opgesteld en aangevuld. In een bijlage bij het MER (bijlage 2.2.) is samengevat welke wijzigingen in het MER zijn aangebracht naar aanleiding van het voorlopige toetsingsadvies van de Commissie.

-1-

deze effecten te verminderen ontbreken. De Commissie adviseert om deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. De Commissie constateert dat een groot deel van de positieve en negatieve effecten van de ontwikkeling van het plangebied nog onzeker is. Dat komt vooral door het uitgangspunt dat deze locatie gereserveerd moet blijven voor grootschalige energieproductie. Omdat de realisatie van deze energiecentrale niet voor 2030 wordt verwacht, kunnen technologische en andere ontwikkelingen ertoe leiden dat de effecten in de praktijk anders zullen uitpakken. Met het oog hierop beveelt de Commissie aan om: •

technologische ontwikkelingen, andere nieuwe inzichten en doorwerking van landelijk beleid nadrukkelijk te volgen, zodat hier bij nadere besluitvorming over de energiecentrale rekening mee kan worden gehouden;

•

een concreet monitoringsprogramma op te stellen, om leemten in kennis op te lossen en de daadwerkelijke milieueffecten en het ‘doelbereik’ (de mate waarin ambities gerealiseerd worden) te toetsen. Op basis hiervan kan de nadere invulling van het plangebied worden (bij)gestuurd.

In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.

Figuur 1: Situatie voor locatievarianten A en B (bron: MER). Aanleiding MER De gemeente Nijmegen stelt een nieuw ‘flexibel’ bestemmingsplan vast voor het terrein van de voormalige Centrale Gelderland. De gemeente anticipeert hiermee op de Omgevingswet. Omdat de Omgevingswet nog niet van toepassing is, is planologisch-juridisch sprake van een ‘bestemmingsplan verbrede reikwijdte’, op grond van de Crisis- en Herstelwet. Het plan kan kaderstellend zijn voor verschillende activiteiten, waaronder grootschalige energieopwekking en wijziging van een

-2-

industrieterrein. Daarom wordt op grond van het Besluit m.e.r. (categorie D22 en D11.3) een planm.e.r.-procedure doorlopen. Deze procedure is ook nodig omdat, vanwege mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, een Passende beoordeling moet worden opgesteld. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Nijmegen - besluit over het bestemmingsplan. Eerder heeft de Commissie advies uitgebracht over de reikwijdte en detailniveau van het op te stellen MER en een voorlopig toetsingsadvies over het MER Waal Energie (d.d. 3 juni 2022). In dit toetsingsadvies over het aangevulde MER (d.d. 3 april 2023) verwijst zij waar relevant naar het ‘RD-advies’ en het voorlopige toetsingsadvies.3 De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3418 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

2

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeente Nijmegen. Aanbevelingen die niet in een kader staan zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming - nu en in de toekomst - te verbeteren.

2.1

Alternatieven en varianten In haar voorlopige toetsingsadvies constateerde de Commissie dat onvoldoende aandacht was besteed aan de mogelijkheden om ambities uit de Gebiedsvisie Waal Energie (2019) te realiseren. Zij adviseerde om in de aanvulling de uitgangspunten voor de onderzochte alternatieven te verduidelijken en een beschouwing te geven van de mogelijkheden om ambities te realiseren. In het advies zijn hiervoor verschillende opties benoemd. Uitgangspunten energiecentrale In het aangevulde MER is duidelijker uitgelegd dat de mogelijkheden voor een variant met ‘lage milieu-impact’ zeer beperkt zijn. Dat komt omdat het Barro4 bepaalt dat op deze locatie elektriciteitsproductie met een (gezamenlijk) vermogen van minimaal 500 MW zal worden

3

Het toetsingsadvies over het MER is verplicht op grond van de Wet milieubeheer. Een advies over reikwijdte en detailniveau en een advies over een aanvulling op het MER zijn vrijwillig. Dat wil zeggen dat de gemeente Nijmegen in die gevallen zelf kan besluiten de Commissie om advies te vragen.

4

Barro = Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.

-3-

gerealiseerd. In een recente brief aan de gemeente bevestigt het Rijk, dat dit uitgangspunt in het landelijke Programma Energiehoofdstructuur (PEH) niet zal worden gewijzigd.5 Het aangevulde MER geeft een uitgebreide toelichting op de uitgangspunten voor de energiecentrale. Daaruit blijkt dat voor de energiecentrale uitgegaan wordt van de best beschikbare technieken, waardoor veel maatregelen voor een zo laag mogelijke milieuimpact al als uitgangspunt zijn meegenomen. Doordat de energiecentrale een groot deel van de ‘milieugebruiksruimte’ inneemt, zijn de mogelijkheden voor andere bedrijvigheid en activiteiten in het gebied beperkt. Op dit moment is de invulling hiervan nog onbekend. In het bestemmingsplan worden spelregels opgenomen voor deze nadere invulling. Ruimtelijke kwaliteit en groen In haar voorlopige advies gaf de Commissie aan dat kansen voor ruimtelijke kwaliteit en groene uitstraling in het MER niet waren uitgewerkt. In het aangevulde MER is gerefereerd aan het rapport Stedenbouwkundig raamwerk en beeldkwaliteit. Het MER biedt samen met dit rapport voldoende inzicht in de uitgangspunten voor de groene hoofdstructuur en beeldkwaliteit, en de ideeën en kansen voor de inrichting daarvan (met onder andere fietsroutes, wandelroutes en uitkijkpunten/belevingsplekken).

Kanttekeningen lage-impact variant en aanbevelingen De Commissie is van mening dat het aangevulde MER voldoende inzicht geeft in de bandbreedte aan mogelijke invullingen van het gebied, uitgaande van vigerend beleid en actuele technische inzichten. Zij plaatst enkele kanttekeningen bij de beschrijving en beoordeling van de mogelijkheden voor een lage-impact variant: •

Voor de energiecentrale is een aantal brandstofvarianten beschreven en vergeleken. Gesteld wordt dat alleen gasvormige brandstoffen in aanmerking komen, én dat waterstof op dit moment nog niet ingezet kan worden. Ook wordt gesteld dat verbranding van waterstof naar verwachting leidt tot een toename van stikstofemissies ten opzichte van aardgas, maar dit is niet onderbouwd.

•

Voor de centrale zijn twee typevarianten beschreven, met en zonder DeNOx installatie.6 Gesteld wordt dat de variant met DeNOx-installatie – tevens de voorkeursvariant – leidt tot verlaging van NOx-emissies en tot verhoging van NH3-emissies (ammoniak). De Commissie merkt op dat depositie van ammoniak schadelijker is voor natuur dan de depositie van stikstofoxiden, door de hogere directe toxiciteit.

•

In een bijlage bij het MER is de haalbaarheid van CO2-afvang en -valorisatie beschreven. Aangegeven wordt dat CO2-valorisatie op dit moment niet haalbaar is. Onduidelijk is of dit op langere termijn, als de centrale daadwerkelijk gerealiseerd wordt, wel een optie kan zijn.

•

Ook voor andere aspecten geldt dat (technische) ontwikkelingen en nieuwe inzichten – bijvoorbeeld op het gebied van waterstof - ertoe kunnen leiden dat de centrale uiteindelijk met een lagere milieu-impact gerealiseerd kan worden. Daarmee kan alsnog ruimte ontstaan voor andere ontwikkelingen en/of tot het inperken van de milieugebruiksruimte. Het is nog niet duidelijk hoe zal worden omgegaan met dergelijke voortschrijdende inzichten.

5

Brief Ministerie van Economische Zaken en Klimaat d.d. 11 april 2023, betreffende ‘verwerken rijksdoelstellingen PEH in planologische procedure Engie-terrein Nijmegen’. Hierin geeft het Rijk aan dat zij het van groot belang vindt dat de ruimte op het Engie-terrein zoveel mogelijk blijvend beschikbaar blijft voor grootschalig regelbaar vermogen.

6

Een DeNOx-installatie is onderdeel van de rookgasreiniging en zorgt voor lagere emissies van stikstofoxiden omdat deze worden afgevangen en omgezet.

-4-

De Commissie beveelt aan om ontwikkelingen in de best beschikbare technieken en alternatieve brandstoffen nadrukkelijk te volgen, zodat hier bij nadere besluitvorming over de energiecentrale rekening mee kan worden gehouden. Daarop aansluitend beveelt zij aan om bij besluitvorming over het bestemmingsplan aan te geven wat nieuwe inzichten daarin kunnen betekenen voor de te maken afwegingen over de vestiging van andere bedrijven en voorzieningen in het gebied. Daarmee wordt duidelijk hoe wordt omgegaan met de ‘milieuruimte’ die hierdoor vrijkomt. Zie ook paragraaf 2.8 van dit advies.

2.2

Beoordeling doelbereik en effecten In haar voorlopige toetsingsadvies constateerde de Commissie dat de weergave van effecten en ‘doelbereik’ niet consistent was, wat tot misverstanden kan leiden. Ze adviseerde om in de aanvulling aangepaste scoretabellen op te nemen. De samenvatting van het aangevulde MER bevat een verbeterde scoretabel, waarin effecten eenduidig en consequent zijn vergeleken met de referentiesituatie én met de situatie 2015, waarin nog een werkende kolencentrale aanwezig was. De referentiesituatie scoort in alle gevallen ‘neutraal’, zodat duidelijk is welke effecten te verwachten zijn ten opzichte van de huidige situatie. De voorkeursvariant en de ‘laagimpact variant’ zijn beiden toegevoegd aan deze tabel, waarmee zichtbaar wordt dat de verschillen tussen de varianten erg klein zijn. In het aangevulde MER is expliciete toetsing aan het ‘doelbereik’ achterwege gelaten. Daardoor geeft het MER niet expliciet aan in hoeverre de ontwikkeling tegemoet komt aan de ambities uit de gebiedsvisie. Zie verder paragraaf 2.8 van dit advies.

2.3

Bereikbaarheid en mobiliteit In haar voorlopige toetsingsadvies constateerde de Commissie dat in de beschrijving en beoordeling van de effecten op bereikbaarheid en mobiliteit op meerdere onderdelen informatie ontbrak. Zij adviseerde om in de aanvulling een navolgbare onderbouwing van de kwaliteit van de verkeersafwikkeling op het wegennet binnen het plangebied en de aansluitingen op de omgeving te geven en te beschrijven op welke mogelijkheden er zijn om ‘duurzame mobiliteit’ in het plan voor de herontwikkeling vorm te geven. In het aangevulde MER is veel nieuwe informatie over (de effecten op) bereikbaarheid en mobiliteit opgenomen. Daarmee wordt duidelijker hoe de gemeente de ambities voor duurzame mobiliteit in het plan verwerkt. Parkeren wordt in de vorm van een parkeerhub gecentraliseerd en er is aandacht voor fietsvoorzieningen en openbaar vervoer, waarmee een forse verschuiving van autoverkeer naar andere modaliteiten bereikt moet worden. Over de afwikkeling van het verkeer geeft het aangevulde MER ook de nodige verduidelijking. De huidige situatie, referentie en het voornemen zijn duidelijk beschreven en gekwantificeerd. Door de aanleg van een rotonde en extra fietsvoorzieningen zullen zowel de afwikkeling van het verkeer als de verkeersveiligheid verbeteren. Ook is voldoende aandacht besteed aan de noodzaak voor een calamiteitenroute.

Deze route wordt in het vervolgproces nader uitgewerkt.

-5-

2.4

Geluid In haar voorlopige toetsingsadvies constateerde de Commissie dat verschillende uitgangspunten voor de geluidberekeningen onduidelijk waren. Daardoor gaf het MER geen goed inzicht in de te verwachten geluidsituatie en mogelijkheden om hierop te sturen. Het aangevulde MER bevat slechts in beperkte mate een nadere uitleg van de uitgangspunten voor de geluidberekeningen. Er wordt verwezen naar niet openbare rapporten, waardoor nog onduidelijk en oncontroleerbaar blijft welke geluidruimte al wordt ingenomen door de energiecentrale, de windturbines, het verkeer en de scheepvaart en welke ruimte overblijft voor nieuwe ontwikkelingen. Hierdoor is ook nog niet goed navolgbaar welke mogelijkheden er zijn om de geluidruimte in het gebied (in de toekomst) te verkleinen. Gesteld wordt dat een verkenning naar deze mogelijkheden niet zinvol is, omdat het plangebied valt onder de geluidzone van het industrieterrein ‘TPN West’. Ook wordt verwezen naar paragraaf 2.9 van de gebiedsvisie, waarin is aangegeven dat het de ambitie is om de nieuwe ontwikkelingen binnen de vigerende geluidzone in te passen. Eventuele geluidruimte die ontstaat binnen het plangebied kan, als daar geen nadere afspraken over worden gemaakt, daarom in beginsel door andere bedrijven buiten het plangebied worden ingenomen.

In het Deel 2 van het MER7 is een motivering opgenomen waarom de geluidruimte voor toekomstige ontwikkelingen gebaseerd wordt op de geluidruimte die beschikbaar was op basis van de ‘oude’ vergunning. Vermindering van deze geluidruimte wordt niet realistisch geacht. De Commissie kan deze motivering volgen, maar gelet op de onzekerheden in deze fase beveelt zij aan voor de verdere uitwerking een monitoringsplan op te stellen, gekoppeld aan de planregels. In de planregels en het monitoringsplan kunnen voorwaarden worden opgenomen,8 met als doel de (toename van) de geluidbelasting bij woningen niet te laten toenemen, en zo mogelijk verder te beperken. Zie ook paragraaf 2.8. van dit advies.

2.5

Natuur In haar voorlopige toetsingsadvies constateerde de Commissie dat de effecten van stikstofdepositie op natuur als gevolg van het voornemen niet duidelijk waren beschreven. Dit kwam vooral omdat deze niet eenduidig en consequent werden vergeleken met de huidige situatie, waarin in het gebied nauwelijks activiteiten plaatsvinden. Ook waren de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) niet beoordeeld. Bovendien waren verschillende uitgangspunten voor de stikstofberekeningen onduidelijk en werden effecten in de realisatiefase niet beschreven. Effecten op natuur ten opzichte van de referentiesituatie Het aangevulde MER geeft – onder andere in de samenvatting – een meer eenduidige beoordeling van de effecten op natuur. Ten opzichte van de referentiesituatie, waarin geen energiecentrale aanwezig is, hebben alle varianten zeer negatieve effecten op Natura 2000gebieden en op het Natuurnetwerk Nederland (NNN), door verstoring van broedvogels en niet-broedvogels en door stikstofdepositie in daarvoor gevoelige natuurgebieden. Dit geldt ook voor de voorkeursvariant. Door het nemen van mitigerende maatregelen zijn de effecten

7

Milieuonderzoeken, wetgeving en beleid, paragraaf 5.4.4.

8

Bijvoorbeeld dat nieuwe bedrijven elk afzonderlijk BBT-maatregelen moeten treffen.

-6-

op broedvogels volgens het MER te voorkomen. Voor andere (kwalificerende) soorten is aangegeven dat het plangebied niet van grote betekenis is. Stikstofdepositie Het aangevulde MER stelt (op p.17 en 57) dat er sprake is van “een beperkte toename van de stikstofdepositie op enkele leefgebieden binnen Natura 2000 en enkele natuurbeheertypen van de NNN ten opzichte van de referentiesituatie.” Deze toelichting is niet consistent met de beoordelingstabellen9 en met hoofdstuk 7 van het MER deel 2. Daaruit blijkt dat het voornemen leidt tot een aanzienlijke toename van stikstofdepositie op natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 en het NNN: •

De AERIUS-berekeningen in bijlage 6.2 berekenen een toename van stikstofdepositie op meerdere Natura 2000-gebieden, ook gebieden waarin de kritische depositiewaarde wordt overschreden.10

•

Tabel 7.17 in het MER deel 2 laat zien dat het voornemen een toename van stikstofdepositie veroorzaakt van maximaal 21,71 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuurbeheertypen die onderdeel zijn van het NNN. 11 Voor een groot aantal beheertypen wordt de kritische depositiewaarde al overschreden of bijna overschreden.

Behalve een analyse van de emissies van brandstof- en typevarianten voor de energiecentrale (zie paragraaf 2.1 van dit advies) is in het MER niet goed navolgbaar welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om deze toenames te voorkomen of beperken. Hier komt bij dat in het MER alleen de effecten van de exploitatiefase zijn beschreven. Gesteld wordt dat stikstofemissies in de aanlegfase te verwaarlozen zijn, en veel minder dan in de exploitatiefase. Hiervoor wordt verwezen naar de Passende beoordeling, waarin wordt gesteld dat het voornemen vergunbaar is (zie volgende subparagraaf). Dat de emissies vergunbaar zijn wil echter niet zeggen dat er geen effecten zijn. Op grond hiervan is de Commissie van mening dat de effecten van het voornemen als gevolg van stikstofdepositie onvoldoende duidelijk en navolgbaar zijn beschreven en dat er onvoldoende aandacht is besteed aan maatregelen om deze effecten te verzachten. De Commissie adviseert om, voordat wordt besloten over het bestemmingsplan, in een aanvulling op het MER: •

een eenduidige beoordeling van en toelichting op de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland te geven;12

•

inzicht te geven in mogelijke mitigerende maatregelen om de gevolgen van stikstofdepositie voor kwetsbare natuur te beperken. Dit geldt zowel voor de realisatiefase als voor de exploitatiefase.

9

In de samenvatting en hoofdstuk 5 van het MER deel 1.

10

In tabel 7.8 van het MER deel 2 zijn alleen de resultaten opgenomen voor twee habitattypen in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Voor deze habitattypen wordt de kritische depositiewaarde (KDW) niet overschreden. Vervolgens wordt onder deze tabel wel aangegeven dat de depositie zich ook over andere Natura 2000-gebieden verspreid.

11

Zie tabel 7.17 van het MER deel B. Dit betreft in totaal 11 natuurbeheertypen. De maximale depositie is berekend op het beheertype rivier- en moeraslandschap (N01.03) voor de variant met DeNOx-installatie (tevens voorkeursvariant). De KDW wordt voor dit type al ruimschoots overschreden.

12

Neem hierbij alle relevante Natura 2000-gebieden in beschouwing, dus niet alleen de dichtst bijgelegen Natura 2000gebieden.

-7-

Passende beoordeling In de Passende beoordeling zijn de emissies van stikstof ‘gesaldeerd’ met de vergunde emissies van de voormalige kolencentrale. De Commissie constateert dat de aannames voor de berekeningen niet goed controleerbaar zijn. Dit is een aandachtspunt voor monitoring en voor de uitwerking in het kader van de vergunningverlening voor de energiecentrale. Toekomstige technologische ontwikkelingen kunnen mogelijk leiden tot lagere emissies dan waar nu van is uitgegaan (zie paragraaf 2.8 van dit advies). Zoals in het voorlopige toetsingsadvies aangegeven is voor het onderbouwen van de vergunbaarheid onder andere verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overweegt daarin dat de bedoelde saldering alleen aanvaardbaar is als onomstotelijk vaststaat dat de betreffende activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. De Commissie kan niet beoordelen of aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. Als deze redenering geen standhoudt zullen de effecten van de nieuwe ontwikkelingen alsnog vergeleken moeten worden met de huidige feitelijke situatie.

2.6

Water In haar voorlopige toetsingsadvies constateerde de Commissie dat de effecten van de inname en lozing van koelwater op de waterkwaliteit niet waren beoordeeld. De effecten van de lozing van koelwater zijn beschreven in het hoofdstuk natuur. Gesteld wordt dat de koelwaterlozing van de oorspronkelijke kolencentrale in 2005 getoetst is op mogelijke significante effecten voor kwalificerende soorten. Vervolgens is – op grond van ervaringen met de Maxima-centrale in Lelystad - aangegeven dat de ‘koelwaterpluim’ van de nieuwe centrale kleiner zal zijn dan van de voormalige centrale. Op grond daarvan worden effecten op natuurwaarden uitgesloten. Ten aanzien van de inname van koelwater wordt aangegeven dat ter hoogte van het innamepunt voorkomen moet worden dat waterfauna (mossels, vissen, waaronder zaadjes) worden aan- en opgezogen. Dit kan door het toepassen van filters en een lage innamesnelheid. De Commissie wijst erop dat de effecten van koelwaterlozingen en eventuele andere lozingen nog niet zijn getoetst aan de Kaderrichtlijn Water. Dit is een aandachtspunt voor de nadere uitwerking en vergunningverlening. De Kaderrichtlijn Water schrijft voor dat een project niet mag leiden tot achteruitgang van de waterkwaliteit, ook niet als deze tijdelijk is, en het bereiken van een goede toestand van het oppervlaktewater (in 2027) niet in gevaar mag brengen.

Ook is nog geen aandacht besteed aan de gevolgen van klimaatverandering. Langere periodes van droogte kunnen (vaker) leiden tot beperkingen voor de inname en de lozing van koelwater.

2.7

Duurzaamheid en circulariteit In haar voorlopige toetsingsadvies constateerde de Commissie dat het MER onvoldoende inzicht gaf in de ambities voor duurzaamheid en circulariteit en de mogelijkheden die er zijn om daaraan bij te dragen.

-8-

Het aangevulde MER geeft een uitgebreidere toelichting op de mogelijkheden voor duurzaamheid en circulariteit voor de beoogde invulling van het terrein. De gewenste flexibiliteit voor de invulling van het terrein wordt aangegeven als reden dat geen concretere ambities of beoordelingscriteria zijn geformuleerd. Wel is in het MER een advies opgenomen om de ambities voor circulaire bedrijvigheid in het bestemmingsplan te borgen. De werkelijke effecten op de aspecten duurzaamheid en circulariteit zullen hierdoor sterk afhankelijk zijn van de uiteindelijke invulling van het terrein. Het MER benoemt wel verschillende mogelijkheden, zoals aquathermie, elektrificatie/waterstof voor scheepvaart en wegtransport en het plaatsen van batterijen voor energieopslag. Deze ontwikkelingen zijn echter nog onzeker, en de (positieve en negatieve) effecten ervan zijn nog niet in het MER beschreven. De zeer positieve beoordeling van de varianten op de criteria ‘bijdrage aan de energietransitie’ en ‘bijdrage aan circulaire stad’ is op dit moment nog niet geborgd. Op meerdere plekken wordt gerefereerd aan de ambitie om uiteindelijk volledig CO2-vrij te zijn. Het valt op dat, ondanks deze doelstelling, CO2-uitstoot niet is meegenomen als beoordelingscriterium. De CO2-uitstoot gerelateerd aan de energiecentrale binnen het plangebied is wel in kaart gebracht.

Hierbij is ook gekeken naar afvang en valorisatie, wat op dit moment als niet haalbaar is beoordeeld. De Commissie adviseert om deze haalbaarheid periodiek te toetsen, op basis van technologische ontwikkelingen.

2.8

Monitoring In het MER is al een aanzet voor de aanpak van een monitoringsprogramma beschreven. Een dergelijk programma houdt onder andere de milieueffecten van het beleid bij. Op basis hiervan kan beleid worden bijgestuurd. Gezien de verschillende onzekerheden van het plan Waal Energie en het doorschuiven van keuzes naar de verdere planuitwerking is dit des te meer van belang. Samengevat dient het monitoringsprogramma om: •

de leemten in kennis op te lossen; het MER geeft al een aanzet om welke leemten het gaat;

•

de daadwerkelijke milieueffecten van het beleid en de effecten op doelbereik (de mate waarin ambities gerealiseerd worden) te onderzoeken en stelselmatig te toetsen;

•

de effecten van bijgestelde ambities, onder invloed van bijvoorbeeld nieuwe inzichten en de doorwerking van de landelijke opgaven, te onderzoeken;

•

de integraliteit van en samenhang in het plan te borgen; hiervoor moet het monitoringsprogramma ook duidelijk beschrijven wat hierin de precieze stappen zijn en welke maatregelen worden genomen als doelen niet gehaald worden.

De Commissie adviseert om het monitoringsprogramma concreter uit te werken en daarbij aan te geven welke indicatoren op welke wijze zullen worden gebruikt. Geef in elk geval de volgende onderwerpen een plek: •

invulling van de (milieu)ruimte in het plangebied (zie paragraaf 2.1).

•

mobiliteit. Verkeersintensiteiten (vracht)auto's en fietsers, de verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en de parkeerdruk in het gebied.

•

geluidruimte en geluidbelasting omgeving (zie paragraaf 2.4) Monitoring hiervan geeft initiatiefnemers, bevoegd gezag voor vergunningverlening en andere stakeholders actueel zicht in de totale geluidruimte voor het plangebied en de reeds uitgegeven geluidruimte.

-9-

•

natuur, biodiversiteit. Toekomstige technologische mogelijkheden en andere maatregelen om negatieve effecten te voorkomen.

•

waterkwantiteit en -kwaliteit. Toetsing van nieuwe initiatieven aan de Kaderrichtlijn Water en de gevolgen van klimaatverandering.

•

circulariteit en duurzaamheid. Analyseren van de mogelijkheden die technologische ontwikkelingen bieden om de ambities te realiseren (zie paragraaf 2.7).

Beschrijf in het monitoringsprogramma welke onderdelen door welke partij (bevoegd gezag, terreinbeheerder, overig) worden gemonitord en hoe dat bij elkaar wordt gebracht. Een deel van de onderwerpen (zoals milieuruimte en geluid) heeft specifiek betrekking op de ontwikkeling van Waal Energie en de directe omgeving, waardoor het voor de hand ligt dat de beheerorganisatie de monitoringsgegevens verzamelt. Andere onderwerpen (zoals mobiliteit, natuur en duurzaamheid) zijn relevant voor een groter gebied. Voor deze onderwerpen is een bredere opzet van de monitoring nodig, in combinatie met andere ontwikkelingen in de gemeente.

-10-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep in een eerdere fase het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: Irma Dekker MSc drs. Pieter Jongejans (secretaris) ing. Gerard Krone ing. Ben Peters drs. Marieke van Rhijn (voorzitter) ir. Suzanne van der Velde ir. Marlies Verspui Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat.

Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit D22.1, “oprichting van een energiecentrale”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Nijmegen. Initiatiefnemer besluit Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, in samenwerking met Energiebedrijf ENGIE, de provincie Gelderland en de gemeente Beuningen. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3418 in te vullen in het zoekvak.

6 juni 2023 Persbericht

Monitoring cruciaal voor Waal Energie Nijmegen

gebiedsontwikkeling

De milieueffecten van de gebiedsontwikkeling Waal Energie in Nijmegen worden vooral bepaald door de te bouwen energiecentrale. Dat blijkt uit het aangevulde milieueffectrapport. Monitoring van technologische en andere ontwikkelingen is cruciaal om de werkelijke milieueffecten te bepalen. Dat zegt de Commissie voor de milieueffectrapportage in haar advies over dit rapport. De gemeente Nijmegen had de Commissie gevraagd het rapport te beoordelen. De gemeente Nijmegen wil het bedrijventerrein rond de voormalige Centrale Gelderland herinrichten. Het terrein biedt ruimte voor een nieuwe energiecentrale en bedrijven op het gebied van duurzame energie, circulariteit en logistiek. Voordat de gemeenteraad van Nijmegen besluit over het bestemmingsplan zijn de milieugevolgen onderzocht in een milieueffectrapport. Eerder gaf de Commissie aan dat in het milieueffectrapport nog belangrijke informatie ontbrak over de effecten op verkeer, geluid, natuur en water en duurzaamheid. Het aangevulde rapport laat voldoende zien dat de beslissing van het Rijk om deze locatie te gebruiken voor grootschalige energieopwekking sterk bepalend is voor de milieueffecten van de gebiedsontwikkeling. Omdat de bouw daarvan niet voor 2030 wordt verwacht, kunnen technologische en andere ontwikkelingen ertoe leiden dat de effecten anders zullen uitpakken. Daarom is monitoring van deze ontwikkelingen cruciaal.

De effecten op verkeer, geluid en water en de kansen voor duurzaamheid, circulariteit en ruimtelijke kwaliteit zijn nu ook duidelijker beschreven, zegt de Commissie. De beschrijving van de gevolgen van extra stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden en mogelijkheden om deze te beperken verdient nog verduidelijking. De Commissie adviseert om het rapport op dit punt aan te vullen voordat het besluit over het bestemmingsplan wordt genomen.

----------------------------------------------------------De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van milieueffectrapporten. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag - in dit geval de gemeenteraad van Nijmegen - besluit over het plan. Zie ook www.commissiemer.nl.

Noot voor de redactie Op de website vindt u het volledige advies. Voor meer informatie kunt u bellen met Tom Ludwig, 030 – 234 76 10.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=5e410d5c-de45-4361-8ff7-7ed7e3a8b4f0