Algemene plaatselijke verordening Nijmegen
Tekst van het document
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Nijmegen
De raad van de gemeente Nijmegen, bijeen in zijn vergadering van <Datum raadsvergadering>; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 april 2022; Gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet,
artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en
g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; Besluit vast te stellen de volgende verordening: Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening: bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
-
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
1/72
-
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissingen op aanvragen voor
4.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
vergunningen als bedoeld in artikel 3:3.
toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11.
Artikel 1:3 (Vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin
nagekomen;
gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
2/72
e.
de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde
anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
2.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend of afwijkt van de in of
krachtens deze verordening gestelde indieningstermijnen en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te
2.
Degene die op een openbare plaats:
dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, dan wel te vechten.
a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3/72
3.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:2 (Vervallen)
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder
begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt en het e-mailadres en telefoonnummer van
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te
de contactpersoon;
bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag,
kennisgeving is vermeld.
een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 (Vervallen)
Artikel 2:5 (Vervallen)
4/72
Artikel 2:6 Vervallen)
Artikel 2:7 (Vervallen)
Artikel 2:8 (Vervallen)
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2.
De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1.
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats of een
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:
gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
a.
als het beoogde gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de
bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;
3.
b.
als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
c.
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de
redelijke eisen van welstand; of
nabijheid gelegen onroerende zaak.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
bouwobjecten, voor zover deze niet zodanig zijn opgesteld dat zij hinder voor het verkeer
kunnen opleveren mits wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen van deze voorwerpen of stoffen;
5/72
b.
objecten bij evenementen als bedoeld in artikel 2:24a lid 5, mits deze objecten gezamenlijk een maximale oppervlakte van 50 m2 hebben. Deze uitzondering geldt niet voor podia, tribunes en/of tenten waar meer dan 50 personen aanwezig kunnen zijn.
c.
de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in
verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor
zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; d.
voertuigen;
e.
voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
f.
terrassen als bedoeld in artikel 2:30;
g.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 en uitstallingen als bedoeld hierna onder h;
h.
uitstallingen, mits gelegen in door het college aangewezen gebieden en indien voldaan is aan
i.
spandoeken mits aangebracht op de door het college aangewezen locaties en voldaan is aan
j.
informatiekramen voor zover er niet commerciële informatie wordt verschaft aan het publiek
k.
voorwerpen of stoffen van beperkte omvang die tijdelijk boven de weg aangebracht worden als
l.
Voorwerpen of stoffen die een commercieel en/of informatief doel dienen indien voldaan is
de door het college gestelde regels ten aanzien van uitstallingen; de door het college vastgestelde regels omtrent spandoeken;
mits wordt voldaan aan de door het college gestelde regels omtrent informatiekramen; seizoensdecoratie;
aan de door het college gestelde nadere regels.
m. het aanbrengen van green of reversed graffiti tijdens een evenement of ten behoeve van een maatschappelijk niet-commercieel doel, mits de uiting een niet-commercieel karakter heeft (bv als bewegwijzering) en binnen twee werkdagen na afloop van de activiteit verwijderd is. n.
4.
situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland.
Het is verboden op, aan, over of boven de openbare plaats een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: a.
deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt
b.
gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig
c.
een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.
aan de openbare plaats,
gebruik van de openbare plaats, of
5.
Het is verboden objecten te plaatsen die louter bedoeld zijn om reclame te maken en bestaan uit
6.
De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin
7.
De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.
8.
De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de
sandwichborden en driehoeksborden.
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
6/72
9.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een
weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Het verbod geldt ook voor alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 2.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de
activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van
lichaam werkzaamheden worden verricht.
Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de
Omgevingsverordening Gelderland de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur. 5.
Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a.
een uitweg te maken naar de weg;
b.
van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c.
verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a.
de bruikbaarheid van de weg;
b.
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d.
de bescherming van de groenvoorziening;
e.
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
4.
Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de
rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Gelderland.
Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
7/72
Artikel 2:13 (Vervallen)
Artikel 2:14 (Vervallen)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:15a Gevaarlijke voorwerpen 1.
Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen gebruikt kunnen worden, openlijk bij zich te dragen.
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een
andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1.
Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en
bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
2.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
8/72
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Verbod vuur te stoken 1.
Het is verboden in door de burgemeester aangewezen gebieden en gedurende de door de
2.
Een aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste lid kan enkel voorschriften bevatten ter
3.
burgemeester aangewezen tijden in de open lucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. bescherming van: a.
de flora en fauna;
b.
de openbare orde;
c.
de openbare veiligheid.
Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Artikel 2:20 (Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk
voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding
bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of
andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de
3.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1.
Het is verboden: a.
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
9/72
b.
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.
Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen indien dit
artikel 5:22;
onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering van de inrichting, gedurende minimaal 40 weken per jaar plaatsvindt en wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels;
2.
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;
g.
voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:25a tot en met 2:25f van deze verordening.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht op een openbare plaats, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats, behoudens
e.
een straatfeest of buurtbarbecue;
straatmuziek;
Artikel 2:24a Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te
2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het
organiseren.
Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor
het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.
Een aanvraag om een vergunning voor een evenement als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend niet eerder dan 16 weken en uiterlijk 8 weken vóór de datum van het evenement. De
10/72
burgemeester kan voor bijzondere en/of periodiek terugkerende evenementen van de hiervoor vermelde termijn afwijken. 4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a.
verkeersveiligheid;
b.
woon- en leefklimaat;
c.
ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit naar het oordeel van de burgemeester een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.
5.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement dat voldoet aan de door het college te stellen
6.
De burgemeester kan besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te
nadere regels.
vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de verkeersveiligheid, het woon- en leefklimaat of het milieu in gevaar komt.
7.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties
8.
Vergunningen voor vergunningplichtige evenementen die gelijktijdig plaatsvinden met de
waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Vierdaagsefeesten worden, gelet op de belangen genoemd in het derde lid, geweigerd met
uitzondering van de vergunningen voor de Vierdaagsefeesten en de Vierdaagsemarsen en voor evenementen die:
9.
a.
een historische relatie hebben met de Vierdaagsefeesten en/of -marsen;
b.
op eigen terrein plaatsvinden, dan wel reeds vergund terras, maar niet in de openbare ruimte;
c.
langs de route van de marsen ligt of in de onmiddellijke nabijheid daarvan, zodat er een relatie
d.
plaatsvinden op dezelfde tijdstippen als de Vierdaagsemarsen;
e.
geen zelfstandige bezoekersstroom genereert;
f.
een klein evenement zijn;
g.
hun aanvraag jaarlijks vóór 1 maart hebben ingediend, en
h.
niet conflicteren met de belangen van de Vierdaagsefeesten en/of -marsen.
bestaat tussen de activiteiten en de Vierdaagsemarsen;
Op de aanvraag om een vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:24b Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsefeesten en/of -marsen 1.
Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de Vierdaagsefeesten wordt
ingediend uiterlijk op 1 februari van het jaar waarin de Vierdaagsefeesten plaatsvinden waarop de aanvraag betrekking heeft.
2.
Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de Vierdaagsemarsen wordt
ingediend uiterlijk op 1 maart van het jaar waarin de Vierdaagsemarsen plaatsvinden waarop de aanvraag betrekking heeft.
3.
Het bevoegd orgaan kan, in geval van een bijzondere omstandigheid, afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde data.
11/72
Artikel 2:24c Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:24d Beëindiging evenement 1.
De burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of
gezondheid, dan wel het woon- en leefklimaat dit vordert, het bevel geven een evenement te beëindigen. 2.
3.
Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement feitelijk de leiding heeft, is verplicht: a.
dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester hiertoe een bevel geeft;
b.
ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de burgemeester is gegeven, geen
c.
ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde toegang hebben tot het evenement.
publiek meer tot het evenement toegelaten wordt;
Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een ernstige verstoring van de openbare orde is degene die dat evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding heeft,
verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het evenement onverwijld te beëindigen en geen publiek meer tot het evenement toe te laten. 4.
Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid of in het derde lid, gegeven is.
Artikel 2:24e Verwijderplicht Indien een evenement is verboden of een bevel tot beëindiging als bedoeld in artikel 2:24d is gegeven, is eenieder die zich op de plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting.
Artikel 2:25 Betaald voetbalwedstrijden 1.
Voor de toepassing van de artikelen 2:25tot en met 2:25e wordt onder organisator verstaan: a.
de betaaldvoetbalorganisatie NEC, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste
elftal van de betaaldvoetbalorganisatie NEC als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;
b.
de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen
voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Nijmegen, waarbij ten minste één betaalvoetbalorganisatie is betrokken;
c. 2.
degene die buiten de gevallen, genoemd onder a. en b. een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken.
Voor de toepassing van de artikelen 2:25tot en met 2:25e wordt onder voetbalwedstrijd verstaan een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige lid.
12/72
Artikel 2:25a Voetbalvergunning 1.
Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te
2.
Een aanvraag om een vergunning moet worden ingediend uiterlijk vier weken voor de datum van
houden of te doen houden. Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.
de voetbalwedstrijd. De burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.
3.
4.
De burgemeester kan de vergunning weigeren dan wel aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu;
e.
de verkeersveiligheid.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
2:25b Verbod voetbalwedstrijd 1.
2.
De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd verbieden: a.
uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;
b.
indien de krachtens artikel 2:25a derde lid, opgelegde voorschriften niet worden nageleefd;
c.
indien geen of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.
Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.
2:25c Orde in verband met voetbalwedstrijden 1.
Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd tot 4 uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het niet toegestaan voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te verstoren.
2.
Het is verboden in een voetbalstadion de orde te verstoren.
2:25d Verwijderingsplicht voetbalsupporters Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het
vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe
strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.
2:25e Stadionomgevingsverbod
13/72
1.
De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het bevel te geven zich niet te bevinden in de omgeving van het Goffertstadion vanaf 4 uur voor
het vastgestelde aanvangstijdstip van een voetbalwedstrijd in het stadion tot 4 uur na afloop van de voetbalwedstrijd. 2.
Het bevel bedoeld in het eerste lid geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan 24 maanden.
Artikel 2:26 Verbod samplen, flyeren, collecteren en venten tijdens evenementen 1.
Het is verboden tijdens door de burgemeester aangewezen evenementen op de daarbij aangewezen tijden en openbare plaatsen: a.
gedrukte of geschreven stukken alsmede samples, monsters en anderen goederen die vallen onder het begrip commerciële handelsreclame onder het publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken;
b.
een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het
aanbieden van goederen, waartoe ook wordt gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan
wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk voor een ideëel of liefdadig doel is bestemd; c.
het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis, met uitzondering van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.
2.
Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing indien de genoemde activiteit plaatsvindt door, namens of met toestemming van de organisator van het evenement.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1.
In deze afdeling en de daaruit volgende bepalingen wordt verstaan onder: a.
inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte: 1.
waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt uitgeoefend;
2.
waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, al dan niet door middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;
3.
waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald;
14/72
b.
exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
inrichting exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;
c.
beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent
d.
terras: een buitenruimte (lokaliteit) deel uitmakend van een horecabedrijf, inrichting of
of uitoefenen in een inrichting;
instelling waar zit- en/of sta-gelegenheid wordt geboden, voorzien van terrasmeubilair en
waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt; e.
2.
pand: het pand ten behoeve waarvan de terrasvergunning wordt aangevraagd.
In deze afdeling wordt onder bezoekers niet verstaan: a.
de gezinsleden van de exploitant en beheerder, alsmede diens elders wonende bloed- en
b.
de personen die voorkomen in het register, bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
c.
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; Strafrecht;
Artikel 2:28 Sluitingstijd 1.
Het is verboden een inrichting, welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sport- of
jeugdorganisatie of instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of wijkhuis, van 02.00 tot 05.00 uur voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
2.
De burgemeester is bevoegd in zeer bijzondere gevallen van tijdelijke aard ontheffing te verlenen
van dit verbod.
3.
De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet tijdelijk, tussen 00.00 uur en 06.00
uur voor publiek gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu.
4.
Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte gesloten
dient te zijn, zich daarin te bevinden.
5.
Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer
gebaseerde vergunningsvoorschriften van toepassing zijn.
Artikel 2:28a Venstertijd 1.
Het is een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, onverminderd de bevoegdheid om
voor reeds aanwezige bezoekers geopend te blijven, verboden tussen 04.00 uur en 08.00 uur bezoekers toe te laten.
2.
Het verbod als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing in de nacht van 31 december op 1
januari.
Artikel 2:29 Toegang ambtenaren van politie
15/72
De exploitant en beheerder van een inrichting zijn verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot die inrichting: a.
gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel
b.
gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2:29a Ordeverstoring 1.
Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren.
2.
Het is verboden in een inrichting deel te nemen aan enig spel of een spel te beoefenen waarbij met
of om geld, voor geld inwisselbare voorwerpen of goederen wordt gespeeld, dan wel daartoe al dan niet bedrijfsmatig gelegenheid te geven.
3.
Het tweede lid geldt niet voor zover de Wet op de Kansspelen van toepassing is.
Artikel 2:30 Terrasvergunningen 1.
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een terras te hebben, voor zover deze
2.
In afwijking van artikel 2:10 beslist de burgemeester op een vergunningaanvraag voor een terras.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:5 is een vergunning zoals genoemd in het eerste lid
zich op de weg bevindt.
gebonden aan het pand waarin een horecabedrijf, kiosk of maatschappelijke en recreatieve instelling wordt uitgeoefend
4.
Indien deze vergunning geen voorschriften omtrent de sluitingstijden bevat, is het verboden het
5.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning;
terras te hebben tussen 01.00 en 09.00 uur.
a.
Indien de vergunningaanvraag geen betrekking heeft op een terras, te gebruiken door een
b.
indien de weg, waarop de aanvraag ziet, niet in de directe nabijheid van het pand is gelegen;
c.
indien een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in
horecabedrijf, kiosk of maatschappelijke of recreatieve instelling;
de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. Het college kan hiervoor nadere regels vaststellen waarbij het college mag afwijken van het bepaalde in hoofdstuk 1.
6.
7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning zoals bedoeld in het eerste lid weigeren: a.
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de
b.
indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van
c.
ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving van het terras;
bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; de weg;
Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
16/72
Artikel 2:31 Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van de burgemeester een inrichting als
bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 2 of sub 3 van deze verordening te exploiteren (exploitatievergunning).
2.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten
inrichtingen.
3.
Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend
aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.
4.
Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste: a.
opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de exploitant en de beheerder;
b.
opgaaf gedaan van het adres en de aard en bedrijfsactiviteit van de inrichting;
c.
overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- en beheerder afgegeven verklaring omtrent het gedrag;
d.
overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting.
5.
Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.
6.
De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de exploitant en beheerder
van de inrichting. De vergunning is niet overdraagbaar. In geval van beëindiging of overdracht van de inrichting aan een rechtsopvolger is de exploitant verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling te doen aan de burgemeester.
7.
De burgemeester kan een maximum stellen aan het aantal te verlenen vergunningen per categorie
van inrichtingen, te onderscheiden naar aard en bedrijfsactiviteit.
8.
Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:32 Aanwezigheid van exploitant en beheerder Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 2:31, zesde lid op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is.
Artikel 2:33 Weigeringsgronden exploitatievergunning 1.
De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, indien: a.
de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan
b.
de inrichting niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde inrichtingseisen;
c.
de inrichting gelegen is buiten een door de burgemeester aangewezen gebied;
of een in procedure zijnd plan;
17/72
d.
een op de aanvraag vermelde exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of beheerder jonger is dan 21 jaar;
e.
het maximum zoals bedoeld in artikel 2:31 lid 7 is bereikt.
f.
een op aanvraag vermelde exploitant-indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, als bedoeld in artikel 8 Alcoholwet.
2.
De burgemeester kan de vergunning, bedoeld in artikel 2:31, geheel of gedeeltelijk weigeren,
indien naar diens oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting of de bedrijfsactiviteiten.
3.
Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester
rekening met:
4.
a.
het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;
b.
de aard van de inrichting;
c.
de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan
d.
de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;
e.
de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of andere
f.
de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voor zover de exploitant en
door de exploitatie van de inrichting;
inrichtingen;
beheerder onveranderd is gebleven.
De vergunning kan worden geweigerd indien de exploitant of de beheerder in de periode van 3 jaar
voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van de openbare orde gesloten is geweest.
Artikel 2:33a Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken: a.
indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
b.
indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat dan wel gedoogt dat in zijn
c.
indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees
inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
d.
indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering daarvan of tot het oordeel dat er in enig opzicht sprake is van slecht levensgedrag.
18/72
Artikel 2:33b Vervallen vergunning 1.
2.
De vergunning vervalt, indien: a.
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met
b.
er sprake is van een gewijzigde exploitant, die geen nieuwe vergunning heeft aangevraagd;
c.
de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft verloren;
d.
een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend.
gebruikmaking van de vergunning;
Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft verloren
een ontvankelijke aanvraag voor de exploitatie van dezelfde inrichting wordt ingediend, blijft het bepaalde in het eerste lid, onder c buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist.
Artikel 2:34 Overgangsbepalingen 1.
Artikel 2:31, eerste lid, is gedurende 52 weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet
van toepassing op die inrichtingen, die voorheen op grond van de meldingsplicht voor alcoholvrije
inrichtingen een melding hebben gedaan en over een ontvangst van kennisgeving beschikken, voor zover er geen wijzigingen optreden of zijn opgetreden in de gemelde gegevens.
2.
Artikel 2:31, eerste lid, is tevens gedurende 52 weken na inwerkingtreding van de wijziging
daarvan niet van toepassing op de ten tijde van de inwerkingtreding bestaande inrichtingen, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald.
3.
Artikel 2:31, eerste lid, is tevens niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid genoemde
inrichtingen na afloop van de in de vorige leden genoemde termijn, indien de exploitant binnen die genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is beslist.
4.
Artikel 2:31, eerste lid, is gedurende vier weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet
van toepassing op die inrichtingen, die tot het moment van inwerkingtreding van de wijziging van artikel 2:27 op grond van het vervallen artikel 2:27 eerste lid onder b niet beschouwd werden als
een inrichting, maar wel beschikken over een zogenaamd meldingsdocument van de burgemeester of daarover beschikt hebben en voor dezelfde inrichting een nieuwe aanvraag hebben gedaan.
5.
Artikel 2:31, eerste lid, is tevens niet van toepassing op de in het vorige lid genoemde inrichtingen
na afloop van de in het vorige lid genoemde termijn, indien de exploitant binnen genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is beslist.
6.
Op vergunningaanvragen voor de in het vierde lid bedoelde inrichtingen zijn de artikelen 2:31,
zevende lid, 2:33, eerste lid onder c, tweede lid en derde lid niet van toepassing, voor zover er
geen wijziging ten aanzien van de exploitant en inrichting is opgetreden. Artikel 2:33, vierde lid is
niet van toepassing voor zover het sluitingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2:31 betreft.
7.
Voor zover de voorgaande leden niet voorzien in een regeling, beschikt de burgemeester.
19/72
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: -
alcoholhoudende drank; horecabedrijf;
horecalokaliteit; inrichting;
paracommerciële rechtspersoon; sterke drank;
slijtersbedrijf;
zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.
Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken dagelijks
van 12.00 uur tot 00.00 uur, met de volgende uitzonderingen: a.
een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren en/of het
ondersteunen van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank verstrekken van 12.00 uur tot 01.00 uur;
b.
een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren en/of het ondersteunen van sociale interactie tussen studenten kan van 12.00 uur tot 08.00 uur
alcoholhoudende drank verstrekken, mits wordt voldaan aan de venstertijden zoals bedoeld in artikel 2:34a van deze verordening.
2.
Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten
van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
3.
Onder bijeenkomst van persoonlijke aard wordt verstaan: een bijeenkomst, waarbij
alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houdt met de statutaire activiteiten van de paracommerciële instelling.
Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de
zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet
voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Artikel 2:34d (Vervallen)
20/72
Artikel 2:34e (Vervallen)
Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet
alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 (Vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
Wet: de Wet op de kansspelen;
b.
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;
21/72
c.
speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel
door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet;
d.
exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;
e.
beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de
f.
kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
g.
hoogdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
h.
laagdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
speelautomatenhal is belast;
Artikel 2:39 Exploitatie speelautomatenhal 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te
exploiteren.
2.
De burgemeester kan voor maximaal 3 speelautomatenhallen een vergunning verlenen, te weten: 2
speelautomatenhallen voor het deel van de gemeente dat wordt begrensd door de rivier de Waal en de singels en 1 speelautomatenhal in het grootwinkelcentrum Dukenburg (Zwanenveld).
3.
Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:39a Bescheiden vergunningaanvraag De exploitant dient bij de vergunningaanvraag de volgende gegevens en bescheiden over te leggen: a.
een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld;
b.
een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
c.
een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken;
d.
een verklaring omtrent het gedrag:
e.
van de exploitant dan wel, indien de exploitant een rechtspersoon is, van de tot
f.
van de beheerder;
g.
een verklaring dat hij beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h,
vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en);
eerste lid van de Wet.
Artikel 2:39b Persoonlijk karakter vergunning; voorschriften en beperkingen 1.
De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de exploitant.
2.
In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld.
3.
Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval
betrekking op:
22/72
a.
de sluitingstijden van de speelautomatenhal;
b.
het toezicht in de speelautomatenhal;
c.
het aantal speelautomaten dat mag worden opgesteld.
Artikel 2:39c Weigering vergunning 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 30e, eerste en tweede lid van de Wet, wordt de vergunning
geweigerd, indien: a.
het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;
b.
de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf een openbare plaats voor het publiek
c.
de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;
d.
de exploitant of de beheerder(s) onder curatele staat (staan) of bewind is ingesteld over één of
toegankelijk is;
meer aan hen toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van het Burgerlijk Wetboek;
e.
door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de
leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
f.
2.
de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vorige lid, onder b en onder c.
Een ontheffing van het bepaalde onder b geldt voor een periode van ten hoogste zes maanden.
Artikel 2:39d Beëindiging vergunning 1.
Indien een overeenkomstig artikel 2:39b, tweede lid, in de vergunning vermelde beheerder de
hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de exploitant onder overlegging van de in artikel 2:39a, onder d, genoemde bescheiden, binnen drie maanden een nieuwe vergunning aan te vragen.
2.
De vergunning vervalt zodra de beslissing op een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor het
vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is
geworden dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen drie maanden na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:39e Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 30f, eerste en tweede lid van de Wet en artikel 1.11, eerste lid van deze verordening, kan de burgemeester de vergunning intrekken: a.
indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig
b.
indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden
zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:39c, onder e; wordt onderbroken.
23/72
Artikel 2:39f Voortzetting exploitatie na overlijden exploitant 1.
Indien een exploitant komt te overlijden dient, indien voortzetting van de exploitatie wordt
beoogd, binnen drie maanden een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.
2.
In alle andere gevallen van wisseling van exploitant dient binnen één maand na overname van de
speelautomatenhal een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.
3.
Zolang op een tijdig ingediende aanvraag niet is beslist, is voortzetting van de exploitatie
toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.
2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het
publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen
b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of
aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen te doen aanbrengen.
3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt
4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op
5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en
krachtens wettelijk voorschrift.
diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. bekendmakingen.
24/72
6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43 (Vervallen)
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden: a.
op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben;
b.
op een openbare plaats vermommingsmiddelen te vervoeren, bij zich te hebben of te dragen;
c.
op een openbare plaats in de nabijheid van winkels een voorwerp dat er kennelijk toe is
uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken, te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn
bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak of anderszins te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Bescherming groenvoorziening Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde
groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen en/of paddenstoelen te plukken.
Artikel 2:46 (Vervallen)
Artikel 2:46a Overlast skateboarden 1.
Onder skateboarden wordt in dit artikel verstaan: het zich voortbewegen op skateboarden en
2.
Het is verboden te skateboarden op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.
3.
De in het vorige lid bedoelde plaatsen kunnen worden aangewezen in het belang van:
vergelijkbare voorwerpen.
a.
het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de bescherming
b.
de voorkoming of opheffing van hinder of overlast;
c.
de voorkoming van schade.
van verkeersdeelnemers en de verdeling van de gebruiksmogelijkheden van de weg;
25/72
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. 2.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47a Lachgas Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen
gebied, lachgas te koop aan te bieden, te verkopen, te verstrekken of af te leveren, indien dit kennelijk bedoeld is om als genotsmiddel gebruikt te worden.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:48a Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen 1.
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door de burgemeester
aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.