CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvraagformulier Uitgebreid VU 2025

Besluitronde (raadsvergadering) 8 juli 2026, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring aanvraag vangnetuitkering Participatiewet 2025 (47/2026)8.668 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvraag Vangnetuitkering Participatiewet over 2025 Versie: uitgebreid verzoek

Wat is een vangnetuitkering? Gemeenten ontvangen op grond van de Participatiewet budget voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Dit budget wordt ook wel het BUIG-budget genoemd. Gemeenten die een tekort hebben kunnen in aanmerking komen voor een vangnetuitkering. De voorwaarden op hoofdlijnen zijn: -

het tekort is groter dan een bepaalde toegangsdrempel; het college verklaart maatregelen te hebben getroffen om te komen tot tekortreductie; het college geeft een toelichting op deze verklaring; de gemeenteraad stemt in met de verklaring van het college.

Hoe verloopt de aanvraagprocedure? Het college dient het aanvraagformulier in bij de onafhankelijke Toetsingscommissie vangnet Participatiewet. De commissie moet de aanvraag uiterlijk op 15 augustus 2026 hebben ontvangen. Het ingevulde aanvraagformulier dient voor instemming aan de raad te worden voorgelegd en wordt na ondertekening aangeboden aan de commissie via de website.

Uitgebreid formulier Dit betreft het uitgebreide formulier. Gemeenten die over 2023 en/of 2024 ook een vangnetuitkering hebben ontvangen, dienen gebruik te maken van dit formulier. Uitzondering hierop betreft gemeenten tot 5.000 inwoners. Deze mogen te allen tijde gebruik maken van het basisformulier, ook als in de voorafgaande jaren een vangnetuitkering is toegekend.

Aanpassingen in het format van de pagina’s met vragen en ondertekening niet toegestaan Voor de juistheid en de beoordeling van de aanvraag is het niet toegestaan dat u het format van de pagina’s met de vragen en ondertekening aanpast.

Meer informatie Op de website van de Toetsingscommissie staat een verdere toelichting op dit formulier: https://www.toetsingscommissievp.nl/vangnetuitkering-2025 De toetsingscommissie heeft een checklist gemaakt voor gemeenteraadsleden. Het is een handzaam lijstje vragen en aandachtspunten. Raadsleden kunnen dit lijstje gebruiken bij het beoordelen van de vangnetaanvraag van het college. Deze checklist is opgesteld in samenwerking met raadsleden uit verschillende gemeenten en de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. De checklist staat samen met andere informatie op de website van de VNG: https://vng.nl/artikelen/vangnetuitkering-participatiewet-informatie-voor-raadsleden 1

1. Verklaring college bij een uitgebreid verzoek Dit gedeelte bestaat de volgende onderdelen: -

Samenvatting van de verklaring De beschrijving van de wijze waarop de gemeenteraad is geïnformeerd door het college A. Analyse van de oorzaken van het tekort B. Getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren C. Beoogde effect van de genoemde maatregelen D. Ondertekening door het college

2

Samenvatting van de verklaring van het college De verklaring van het college bestaat uit vier subonderdelen: A) analyse van de oorzaken van het tekort, B) getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren, C) beoogd effect van de genoemde maatregelen & D) ondertekening door het college. Het college geeft hieronder een samenvatting van onderdeel A, B en C. Die geeft de gemeenteraad een kernachtig overzicht, op basis waarvan het raadslid kan vaststellen waarmee hij of zij instemt. Voor het gemeenteraadslid dat zich wil verdiepen in de verklaring van het college, wordt verwezen naar onderdelen A, B, C en D van het aanvraagformulier. Richtlijn voor de omvang van de samenvatting van de drie onderdelen is in totaal maximaal 300 à 400 woorden.

A. Samenvatting onderdeel analyse van de oorzaken van het tekort Nijmegen heeft sinds de invoering van het objectief verdeelmodel in 2015 vrijwel ieder jaar een tekort op het BUIG-budget, met uitzondering van 2021. In 2025 bedraagt het tekort circa 12,1 miljoen euro (9,6%), waardoor Nijmegen in aanmerking komt voor de uitgebreide vangnetuitkering. Het aantal bijstandsgerechtigden ligt sinds 2022 ongeveer 1,5% hoger, terwijl andere kennissteden juist een daling laten zien. Vooral in 2024 liep Nijmegen achter op de landelijke trend, mede door de inhaalslag in de huisvesting van statushouders, die vrijwel altijd een uitkering ontvangen. In 2025 daalde de instroom zichtbaar, maar bleef de uitstroom vrijwel gelijk aan 2024, waardoor het totale bestand nauwelijks afnam. Het tekort wordt verklaard door drie factoren: het verdeelmodel, de samenstelling van het bijstandsbestand en de eigen uitvoeringspraktijk. Het verdeelmodel pakt structureel ongunstig uit voor Nijmegen, vooral omdat kenmerken van studentensteden onvoldoende worden meegenomen. Daarnaast bestaat de bijstandspopulatie grotendeels uit laagopgeleiden, ouderen en langdurige uitkeringsontvangers, terwijl de arbeidsmarkt weinig passende banen biedt.

Tot slot zijn er binnen de gemeente ontwikkelingen aan te wijzen die mogelijk invloed hebben gehad op het tekort, zoals het grotendeels signaalgestuurd werken sinds 2013.Deze combinatie van modelmatige, demografische en interne factoren leidt tot het aanhoudende BUIG-tekort. B. Samenvatting onderdeel getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren. Standaardmaatregelen De gemeente zet doorlopend een breed pakket in om werk, participatie en rechtmatigheid te bevorderen: 3

• • • • • • • • •

Intensieve samenwerking met het regionale WerkBedrijf voor re-integratie, met aandacht voor kandidaatsbenadering, focusgroepen en werkgeversdienstverlening. Inzet van diverse re-integratie-instrumenten zoals loonkostensubsidies, IPS-trajecten, begeleiding naar ondernemerschap, scholing, sollicitatietrainingen, proefplaatsingen, ontwikkelbanen, jobcarving, beschut werk, arbeidsmatige dagbesteding en jobcoaching. Volledige benutting van het Participatie-/Werkbudget en extra regionale middelen voor projecten gericht op scholing, werk en werkgevers. Sterke poortwachtersfunctie bij Inkomen, Zorg en Leerrecht, gericht op naleving en stimulering van parttime werk. Ondersteuning via het Ondernemerspunt Geldzorgen met preventieve werking en warme overdrachten. Maandelijkse statusformulieren om rechtmatigheid te borgen en vorderingen te voorkomen. Structurele deskundigheidsbevordering via trainingen, themasessies en actualiteitencolleges. Kwaliteitssteekproeven om processen te bewaken en verbeteren. Laagdrempelige ondersteuning via Stichting BWN, sociaal raadslieden en Steunpunt Toeslagen om schulden, instroom en vorderingen te voorkomen.

Extra maatregelen in 2025–2026 • Participatiecoaches • Projectgroepen Participatiewet in Balans • Werkgroep BUIG • Verbeterde opvolging van IB-signalen • Herintroductie label intensief controletraject • Versterking deskundigheid • Verbeterde opvolging van terugmeldingen WerkBedrijf • Voorkomen van vermijdbare vorderingen • Regionaal beleidskader re-integratie Externe maatregelen • Analyse Stimulansz • Bestandsscreening door SozaXpert (start 2026) C. Samenvatting onderdeel beoogd effect van de genoemde maatregelen Het vaststellen van het effect van maatregelen binnen het BUIG-domein is complex, omdat ontwikkelingen in het bijstandsbestand zowel door beleid als door externe factoren worden beïnvloed, zoals de arbeidsmarkt, demografie, schooluitval of landelijke regelgeving. Wel kunnen we per maatregel iets zeggen over de realisatie en daarmee richting geven aan vervolgstappen voor 2026. De bestandsscreening op voorliggende voorzieningen levert naar verwachting de grootste bijdrage aan tekortreductie: tussen 1,2% en 3,9% van de klanten kan (deels) uitstromen dankzij aanspraak op een andere regeling, met een structurele besparing van ruim € 1,8 miljoen per jaar. De effecten hiervan monitoren we door systematisch te volgen welke uitstroom direct samenhangt met gevonden voorliggende voorzieningen.

Ook de betere opvolging van signalen van het Inlichtingenbureau draagt bij aan rechtmatigheid en mogelijk aan tekortreductie, doordat meer signalen worden opgepakt en geregistreerd. Voor het label ‘intensief controletraject’ geldt dat dit helpt bij risicogerichte controle aan de poort; de inzet en 4

resultaten worden periodiek geanalyseerd. De deskundigheidsbevordering van medewerkers versterkt de signaalwerking en rechtmatige uitvoering, al is het effect hiervan vooral kwalitatief te bepalen. De verbeterde opvolging van terugmeldingen van het WerkBedrijf moet leiden tot snellere en effectievere ondersteuning richting werk, doordat knelpunten eerder zichtbaar worden en passende interventies kunnen worden ingezet. Dit levert niet altijd directe uitstroom op, maar kan ook zorgkosten voorkomen en op langere termijn bijdragen aan een stabieler bestand. Daarnaast werken we met een gefaseerde verschuiving van de betaaldatum van uitkeringen aan het voorkomen van vorderingen; financiële effecten hiervan zijn nog niet te kwantificeren. De analyse van Stimulansz bevestigt dat Nijmegen vergelijkbare patronen kent als andere studentensteden en benadrukt de noodzaak om jongeren als prioritaire doelgroep te blijven volgen. De effecten monitoren we via indicatoren zoals instroom, doorstroom en resultaten binnen specifieke doelgroepen. Het gebruik van de rijks-impulsbudgetten via het WerkBedrijf moet op langere termijn bijdragen aan meer begeleiding en passende werkplekken voor kwetsbare groepen, maar concrete effecten zijn nu nog lastig te voorspellen.

Tot slot draagt de inzet van participatiecoaches bij aan het wegnemen van belemmeringen op meerdere leefdomeinen, waardoor inwoners sneller kunnen doorstromen naar werk of participatie en wijzigingen in hun situatie eerder worden gesignaleerd. Dit helpt om rechtmatig te verstrekken en structureel uitstroom te bevorderen. De impact hiervan wordt gemonitord via ontsluiting van data en koppeling aan instroom, uitstroom en mutaties. De verbeteringen uit de projectgroepen Participatiewet in Balans dragen daarnaast bij aan een efficiëntere en rechtmatigere uitvoering. Monitoring hiervan vindt plaats via reguliere P&C-producten en de Jaarbrief Werk en Inkomen, waarmee zichtbaar wordt of deze maatregelen leiden tot een betere uitvoering en lagere uitkeringslasten.

5

Op welke wijze heeft het college de gemeenteraad geïnformeerd? In dit onderdeel beschrijft het college op hoofdlijnen hoe het de raad betrokken heeft bij het proces vanaf de signalering van het tekort. Daarbij gaat het om het proces van het bepalen en treffen van maatregelen tot aan het moment van het voorleggen van de verklaring van het college aan de raad. Het college geeft aan op welke momenten het de gemeenteraad heeft geïnformeerd. Het college dient hiervoor een X te plaatsen bij de betreffende onderdelen. In de onderste regels is ruimte voor aanvullingen. Op welke momenten werd de raad geïnformeerd over beleid, uitvoering en sturing van de Participatiewet en meer specifiek over het tekort op de BUIG, de maatregelen en de beoogde effecten daarvan? X

Moment in het proces

X

De kadernota, de begroting.

X

Voorjaars- en najaarsbericht en jaarrekening.

X

Maand-, kwartaal- of halfjaarrapportage. (ook wel genoemd Turap, Marap etc)

X

Beleidsplannen, strategie- of koersdocumenten, plannen van aanpak of evaluaties. Informatie over bestandsontwikkelingen of over de voortgang van maatregelen. Nieuwsbrieven, bijeenkomsten en/of presentaties.

6

Samenvatting van de opvattingen van de gemeenteraad In de samenvatting van de opvattingen van de gemeenteraad staat op hoofdlijnen op welke onderwerpen de raad heeft gereageerd op de verklaring van het college. De onderdelen van de verklaring zijn vaak al eerder in de raad besproken. Het gaat dus om het gehele proces vanaf de signalering van het tekort. Verder betreft het hier alleen onderwerpen die in de raadsbesluiten zijn opgenomen, die afwijkend zijn van het raadsvoorstel. Om de beschrijving zo eenvoudig mogelijk te houden wordt gebruik gemaakt van een checklist die kan worden aangevuld. Het verzoek is om aan te kruisen welke onderwerpen in de raadsbesluiten zijn opgenomen. Nadat de behandeling in de gemeenteraad heeft plaatsgevonden plaatst het college een X voor de betreffende onderdelen. In de onderste regels is ruimte voor aanvullingen. X

Typering van de reacties die in de raadsbesluiten zijn opgenomen gedurende het gehele proces Expliciet goedkeurend, waardering over analyse en maatregelen uitgesproken Impliciet goedkeurend, is behandeld als hamerstuk Afkeurend en gevraagd het plan te herzien Verzoek om onderdelen van de globale analyse te herzien of aan te vullen Verzoek om bepaalde maatregelen te schrappen of aanvullend maatregelen te treffen. Verzoek om het tempo van invoering en/of uitvoering van maatregelen te versnellen. Verzoek om extra informatie over maatregelen Verzoek om meer informatie t.a.v. de beoogde effecten van maatregelen Verzoek om gerealiseerde effecten te monitoren en terug te koppelen Motie om een andere beleidsmaatregel te treffen

NB: bovenstaande tabel dient pas te worden ingevuld nadat de behandeling in de gemeenteraad heeft plaatsgevonden.

7

A. Analyse van de oorzaken van het tekort In dit onderdeel dient het college een analyse op te nemen van de oorzaken van het tekort (A1). Deze analyse dient specifiek in te gaan op de situatie in de eigen gemeente of de eigen arbeidsmarktregio. Ook dient het college een analyse op te nemen van de effecten van de getroffen maatregelen in voorgaande jaren, zoals die zijn beschreven in de aanvraag voor een vangnetuitkering over 2023 en/of 2024 (A2).

A1.

Analyse van de oorzaken van het tekort van de gemeente

Nijmegen kent sinds de invoering van het objectief verdeelmodel in 2015 een tekort op het BUIG-budget. Uitzondering hierop is het Corona-jaar 2021. Over 2024 kwamen we in aanmerking voor de vangnetuitkering en was de verwachting dat dit ook voor 2025 zou gelden, zeker gezien de verlaging van de eigenrisicodrempel van 7,5% naar 5%, met ingang van 2025. 2025 laat een tekort zien van circa 12,1 miljoen euro ten opzichte van het definitieve Rijksbudget; dit komt neer op 9,6% van het budget. Voor 2025 komen we in aanmerking voor de uitgebreide vangnetuitkering. In grafiek 1 zien we dat het aantal bijstandsgerechtigden ten opzichte van januari 2022 met ongeveer 1,5% is gestegen. Nijmegen laat een sterkere stijging zien dan de andere kennissteden1. De overige kennissteden dalen gemiddeld ten opzichte van begin 2022 met 3%. Sinds eind 2023 neemt het verschil tussen Nijmegen en de kennissteden toe, doordat Nijmegen een sterke stijging laat zien terwijl de andere steden op een lager en stabieler niveau blijven. Vooral in 2024 verliep de ontwikkeling in Nijmegen duidelijk ongunstiger dan in de kennissteden. In 2025 was het beeld in de eerste helft van het jaar nog vergelijkbaar—bij beide was sprake van een stijging—maar de daling die vanaf de tweede helft van 2025 in de kennissteden zichtbaar werd, bleef in Nijmegen helaas veel minder sterk.

De sterke stijging in 2024 is deels te verklaren doordat Nijmegen in die periode een extra (inhaal)inspanning leverde om statushouders te huisvesten. Omdat zij vrijwel altijd een bijstandsuitkering ontvangen, leidde dit automatisch tot een extra groei van het aantal uitkeringen.

1 Eindhoven, Groningen, Maastricht, Arnhem, Enschede, Leiden en Tilburg.

8

Grafiek 1. Ontwikkeling uitkeringen Nijmegen ten opzichte van zeven andere kennissteden, 2022-2026.2

Grafiek 2 laat zien hoe het volume aan betalingen zich sinds december 2024 heeft ontwikkeld ten opzichte van andere vergelijkingsgroepen en gemeenten. In 2025 volgt Nijmegen gedurende het grootste deel van het jaar een vergelijkbaar patroon als andere gemeenten. Vanaf juli ontstaat echter een lichte afwijking, waarna de ontwikkeling in november weer dichter aansluit bij het gemiddelde beeld.

Grafiek 2. Volume BUIG index t.o.v. december 2024, zichtbaar is het gehele jaar 2025.3 2 Grafiek 1 komt uit de Divosa benchmark Werk en Inkomen. 3 Grafiek 2 komt uit de Divosa benchmark Werk en Inkomen.

9

We gaan nu in op de oorzaken van het tekort op BUIG. Een deel hiervan wordt veroorzaakt door het verdeelmodel, een deel door de ontwikkeling van ons bijstandsbestand en een deel door ons eigen presteren. Wat de verhouding hiertussen is, is niet precies te duiden. Verdeelmodel Nijmegen is sinds de invoering van het huidige verdeelmodel een nadeelgemeente, met uitzondering van het jaar 2021. In de jaren daarna leek sprake van een geleidelijke beweging richting evenwicht, maar deze ontwikkeling heeft zich in 2024 en 2025 niet doorgezet. Een mogelijke verklaring is het wegvallen van het kenmerk ‘studentenstad’ in het verdeelmodel. Uit eerder onderzoek (SEO Economisch Onderzoek en Atlas Research, 2022) blijkt dat gemeenten met veel (voormalige) studenten te maken hebben met een specifieke instroom in de bijstand die door het model onvoldoende wordt voorspeld. Het betreft hierbij onder andere (voormalige) studenten met psychische problematiek, die ondanks een relatief hoog opleidingsniveau toch in de bijstand terechtkomen. Daarnaast speelt verdringing op de arbeidsmarkt een rol: in studentensteden worden laaggeschoolde en flexibele banen vaak ingevuld door studenten, terwijl dit type werk ook passend kan zijn voor mensen met een bijstandsuitkering.

Deze patronen zijn ook in 2025 zichtbaar en bevestigen het beeld dat een deel van het tekort samenhangt met structurele onvolkomenheden in het verdeelmodel. Veel nadeelgemeenten delen vergelijkbare kenmerken met Nijmegen, zoals het zijn van een centrumgemeente, studentenstad en ligging nabij de Duitse grens. Tot slot vragen we wederom aandacht voor de merkwaardige keuze om de werkelijke bijstandsuitgaven niet mee te nemen in het model en de hardvochtigheid van de vangnetregeling. Ondanks de versoepeling van de vangnetregeling van 7,5% naar 5% per 2025, blijft een eigen risico van maximaal 7,5% erg groot voor gemeenten waarvan de bijstandsuitgaven een substantieel deel van de totale gemeentebegroting zijn. Ontwikkeling bijstandsbestand Wat betreft het bijstandsbestand zien we dat Nijmegen historisch gezien een relatief hoog beroep op de bijstand kent in vergelijking met andere kennissteden. De samenstelling van de bijstandspopulatie verandert door de jaren heen nauwelijks: circa een derde van de bijstandsgerechtigden is 55 jaar of ouder, ongeveer driekwart is alleenstaand, meer dan de helft heeft een laag opleidingsniveau en meer dan de helft ontvangt langer dan vijf jaar een bijstandsuitkering. Dit lage opleidingsniveau bemoeilijkt de uitstroom naar werk. De Nijmeegse arbeidsmarkt kent een eenzijdige sectorstructuur, met een relatief groot aandeel banen in zorg en onderwijs4.

Juist in deze sectoren zijn de afgelopen jaren veel vacatures, maar het grootste deel van de bijstandsgerechtigden voldoet niet aan de vereiste kwalificaties. Tegelijkertijd concurreren zij met studenten en recent afgestudeerden om laaggeschoold en flexibel werk in sectoren als horeca, detailhandel, schoonmaak en zorg.

4 Naar een krachtige arbeidsmarkt voor Rijk van Nijmegen. Arbeidsmarktanalyse en mogelijke

handelingsperspectieven, Panteia, februari 2019.

10

De instroom in de bijstand in 2025 is ten opzichte van 2024 gedaald met 10,84%: van 1.541 naar 1.374 nieuwe bijstandsgerechtigden. De instroom in 2025 was het hoogst in de maand maart (141) en het laagst in juni (93). De gemiddelde instroom was 114 bijstandsgerechtigden per maand. In 2022 bedroeg de gemiddelde maandelijkse instroom 96 cliënten; in 2023 was deze gemiddeld 118 cliënten per maand en in 2024 was deze gemiddeld 129. We zien in 2025 dus een duidelijke daling. Ook hierbij speelt de inhaalslag in de huisvesting van statushouders een duidelijke rol. In 2024 had Nijmegen een instroom van 238 personen vanwege de taakstelling van het COA, terwijl dit in 2025 is gedaald naar 116. In 2025 stroomden 1.338 mensen uit een uitkering; dit is een iets lagere uitstroom dan in 2024 (1.342), maar deze is verwaarloosbaar. De gemiddelde maandelijkse uitstroom was 112. In heel 2024 was de gemiddelde uitstroom per maand 122. In grafiek 3 is te zien hoe de ontwikkeling van de instroom samenkomt met de ontwikkeling van de uitstroom in 2025.

Grafiek 3. Instroom en uitstroom algemene bijstand (in percentage)5

Eigen presteren Tot slot noemen we net als vorig jaar ontwikkelingen binnen de gemeentelijke organisatie die mogelijk invloed hebben gehad op het tekort. Nijmegen werkt sinds 2013 grotendeels signaalgestuurd in plaats van met vaste caseloads. In combinatie met wisselingen in personeel, krapte op de arbeidsmarkt en de na-ijlende effecten van de coronaperiode heeft dit invloed gehad op het structureel kennen en volgen van klanten. Hoewel het lastig is om de exacte impact hiervan op het BUIG-tekort in 2025 te kwantificeren en we met de getroffen maatregelen toewerken naar structurele veranderingen, blijft deze geschiedenis ons achtervolgen.

5 Grafiek 3 komt uit de Divosa benchmark Werk en Inkomen.

11

A2.

Analyse van het effect van getroffen maatregelen in voorgaande jaren

In de vangnetaanvraag over 2025 hebben we de getroffen maatregelen opgedeeld in standaardinzet en extra maatregelen. We gaan hier in op het effect van de extra maatregelen: Meer verwijzingen naar WerkBedrijf We hebben nieuwe samenwerkingsafspraken gemaakt over de verwijzing naar het regionale WerkBedrijf. Het uitgangspunt is dat iedere nieuwe bijstandsgerechtigde direct wordt aangemeld bij het WerkBedrijf. Dit doen we om zoveel mogelijk potentiële kandidaten zo snel mogelijk door te verwijzen. Daarom hebben we ervoor gekozen om in beginsel iedereen aan te melden, tenzij nadrukkelijk blijkt dat inzet op werk niet haalbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bijzondere doelgroepen zoals dak- en thuislozen. Na aanmelding worden inwoners binnen 2 weken uitgenodigd, om zo binnen 4 weken te zijn gesproken. Voorheen werd een inwoner niet direct aangemeld wanneer hij op het aanvraagformulier aangaf niet beschikbaar te zijn voor werk. Door de nieuwe werkwijze kunnen meer inwoners sneller instromen in de dienstverlening van het WerkBedrijf. In 2024 hebben we 2.634 inwoners aangemeld bij het Werkbedrijf, in 2025 waren dat er 3.056. Dat is een stijging van 16%.

Preventieve inzet om de instroom van jongeren te voorkomen Vanuit het programma Van school naar duurzaam werk hebben we samen met partners als ROC Nijmegen, voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs, het Doorstroompunt, afdeling Leerrecht van de gemeente en WerkBedrijf samengewerkt aan een sluitende aanpak voor (kwetsbare) jongeren. Vanuit deze samenwerking heeft het Loopbaanteam mbo in 2025 ruim 150 jongeren intensief begeleid in hun zoektocht naar passend werk of terug naar school. Ook heeft er een netwerkevenement plaatsgevonden op ROC Nijmegen om het professionele netwerk van jongeren te versterken en hebben we een stagemakelaar ingezet om studenten en hun werkgevers extra te begeleiden bij stages. Project Doe je mee Vanuit het project Doe je mee hebben we van eind 2021 tot begin 2025 bijna 3.000 klanten die een bijstandsuitkering ontvangen, uitgebreid gesproken. Deelname was vrijwillig. De insteek hiervan was om een open gesprek te voeren, de situatie van de klant op allerlei leefdomeinen te bezien, om vervolgens te onderzoeken waar ondersteuning nodig is en vooral te kijken naar wat klanten wél kunnen.

Het effect hiervan is dat een deel van de klanten is aangemeld bij WerkBedrijf voor begeleiding naar werk, een deel bij een participatiecoach (samen 19%) en een deel is terugverwezen naar de klantmanager vanwege kort- dan wel langdurige problematiek of een zorgbehoefte (ongeveer 50%). Na afloop van project Doe je mee bleek dat er budget resteerde om een aantal participatiecoaches tijdelijk te blijven financieren tot eind 2025. Zij konden de adviezen van Doe je mee opvolging geven (zoals verwijzingen naar zorg, vrijwilligerswerk, dagbesteding, financiële ondersteuning, etc.). Sinds 2026 zijn de budgetten voor 4 fte’s participatiecoaches deels structureel opgenomen in de gemeentebegroting en deels via de lokale keuzes in de dienstverleningsovereenkomst met WerkBedrijf voor 2026 en 2027 veiliggesteld. Zo kunnen we meer inwoners actief spreken en ondersteuning bieden waar dat nodig is. Voor een deel van de groep zal gelden dat zij door kunnen stromen naar een begeleidingstraject naar werk. 12

Geïntensiveerde inzet WerkBedrijf, gericht op extra uitstroom of preventie Met extra inzet van WerkBedrijf en door meer kandidaten aan te melden voor dienstverlening bij WerkBedrijf hebben we beoogd meer uitstroom en preventie van instroom te realiseren. De effecten van deze acties blijken mogelijk uit de resultaten van het WerkBedrijf. Uit de (ontwerp-)jaarrekening 2025 van de Modulaire Gemeenschappelijke Regeling, module WerkBedrijf, blijkt dat de resultaten met betrekking tot plaatsingen op werk verbeterd zijn ten opzichte van 2024. De volledige uitstroom uit de bijstand is daarentegen afgenomen omdat veel bijstandsgerechtigden te maken hebben met belemmeringen en om die reden niet fulltime geplaatst worden. Zoals gezegd: de plaatsingen op werk van < 28 uur nemen toe (616 in 2024 en 671 in 2025); plaatsingen van > 28 uur nemen eveneens toe (494 in 2024 en 596 in 2025). De extra inzet vanuit WerkBedrijf heeft hier mogelijk een rol in gespeeld. Ook de plaatsingen op werk van prioritaire groepen (mensen met arbeidsbeperking, ouderen > 55 jaar, statushouders en jongeren tot 27 jaar) namen toe6. In 2024 werden er 342 mensen geplaatst met een arbeidsbeperking en in 2025 waren dat er 408. In 2024 werden 83 mensen die 55 jaar en ouder zijn geplaatst en in 2025 waren dat er 95. Voor jongeren geldt dat er in 2024 387 jongeren zijn geplaatst en in 2025 waren dat er 469.

Plaatsingen van statushouders zijn eveneens hoger dan vorig jaar: 54 in 2024 en 84 in 2025. De plaatsingen met behoud van uitkering (bijvoorbeeld ontwikkelbanen, werkervaringsplaatsen etc.) bleven in deze jaren gelijk: 315 in zowel 2024 als in 2025. Uit onze analyse blijkt dat de plaatsingen naar werk van het Werkbedrijf in de periode oktober 2024 tot en met november 2025 als volgt zijn verdeeld. Ongeveer 40% van de plaatsingen gaat samen met uitstroom uit de bijstand, omdat deze mensen duurzaam aan het werk gaan. Daarnaast leidt 30% van de plaatsingen niet tot uitstroom, bijvoorbeeld omdat het om parttime werk gaat of omdat het werk inmiddels alweer is beëindigd. Tot slot betreft 30% van de plaatsingen personen die geen uitkering hadden. Themacontrole vermogen in het buitenland Door het uitvoeren van de themacontrole hebben we beoogd een extra bijdrage te leveren aan de rechtmatige verstrekking van uitkeringen. De themacontrole in 2024 heeft geen effect gehad op de BUIG-uitgaven. Bij de controle is er in geen enkel dossier een vorm van oneigenlijk gebruik van bijstand gesignaleerd. In slechts één dossier werd aanleiding gezien om het Internationaal Bureau Fraude (IBF) te verzoeken een nader onderzoek in te stellen. In 2025 zijn we begonnen met het opnieuw uitvoeren van een themacontrole vermogen in het buitenland. De eerste onderzoeken lopen nu.

Voor de uitvoering van de themacontrole hebben we een indicator toegevoegd aan de themacontrole: inwoners die in de periode van 2021 t/m 2024 in ten minste twee verschillende jaren langer dan 28 dagen verbleven in een buitenland. Door het toevoegen van deze indicator verwachten we in meer onderzochte gevallen onregelmatigheden vast te stellen. Dit draagt bij aan de rechtmatigheid van het verstrekken van uitkeringen. Samenwerkingen versterkt In 2025 zijn 356 van de 1.525 instromers in de bijstand niet aangemeld bij WerkBedrijf (23%). Uit een steekproef onder deze groep blijkt dat daarbij geen grote kansen zijn gemist. Wel kwamen enkele 6 Hierin zitten wel dubbelingen met parttime en fulltime plaatsingen op werk.

13

verbeterpunten naar voren. Zo bleek 4% van de niet-aangemelde klanten ex-ondernemer te zijn, van wie de aanvraag was afgehandeld via het Ondernemerspunt Geldzorgen. Dit laat zien dat er op dit punt in de werkprocessen nog ruimte is voor verbetering. Daarnaast geldt dat instromers bij Inburgering en bij Daken Thuislozen niet altijd direct worden aangemeld bij WerkBedrijf. We werken ook actief aan het verbeteren van de gegevensuitwisseling met WerkBedrijf. Daarbij merken we dat we nog vaak gebruikmaken van definities en termen die we gezamenlijk moeten herijken en waar nodig actualiseren. Dit zorgt voor een betere verdieping in de sturingsfactoren en kan uiteindelijk leiden tot effectievere sturing. Een belangrijke eerste stap is de verdere analyse van de uitstroom, zodat we meer grip krijgen op de ontwikkeling daarvan. Aandacht voor vorderingen De extra aandacht voor de ontstane achterstand bij het ambtshalve kwijtschelden van vorderingen heeft als beoogd effect gehad om debiteuren beter in beeld te brengen om op deze manier de inkomsten uit vorderingen te verhogen. Concreet heeft de extra inzet in 2024 geleid tot een aantal acties en bevindingen. Er zijn diverse vorderingen kwijtgescholden, waar nodig is een bedrag gerestitueerd. Dit bedrag bleek gering. In 2024 hebben we extra aandacht besteed aan het beter in beeld brengen van debiteuren.

Dit heeft geleid tot een vast werkproces waarin openstaande vorderingen continu worden gemonitord en tijdig ambtshalve kunnen worden kwijtgescholden. De ingezette verbeteringen uit 2024 zijn in 2025 verder doorgezet en geborgd. Daarnaast hebben we gewerkt aan een structurele aanpak om toekomstige achterstanden te voorkomen. In samenwerking met ICT is hiervoor een script ontwikkeld dat ons ondersteunt bij het tijdig beoordelen van ambtshalve kwijtscheldingen.

14

B. Getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren In dit onderdeel van de verklaring van het college wordt beschreven welke interne (B1) en externe maatregelen (B2) zijn getroffen om een bijdrage te leveren aan de verdere tekortreductie. Onder een externe maatregel wordt verstaan: een maatregel die tot stand is gekomen met een duidelijk herkenbare inbreng van externen (dus personen of organisaties buiten de eigen gemeente). Bij B2 wordt aan de hand van drie vragen beschreven hoe de consultatie van de externe partij of externe bron heeft geleid tot de getroffen externe maatregelen. Indien maatregelen tot stand komen zonder inbreng van externen worden deze als intern aangemerkt. Bij B1 (beschrijving getroffen interne maatregelen) en B2 (Beschrijving getroffen externe maatregelen) mag het college ingaan op eerder getroffen maatregelen die in 2025 zijn voortgezet. Ook kan het college ingaan op maatregelen die na evaluatie zijn stopgezet en op maatregelen die vanaf 2025 nieuw zijn getroffen. Het college dient bij B1 minimaal één interne maatregel en bij B2 minimaal één externe maatregel te benoemen. Vereiste hierbij is dat deze maatregelen vóór 15 augustus 2026 zijn getroffen. B1.

Beschrijving getroffen interne maatregelen

Standaard zetten we onder andere de volgende maatregelen in: •

•

•

• •

•

Het samenwerken met gemeenten in de regio in een regionaal WerkBedrijf dat de re-integratie verzorgt, met veel aandacht voor kandidaatsbenadering, focusgroepen en hierop aansluitend passende werkgeversdienstverlening; Inzet van middelen zoals loonkostensubsidie, IPS-trajecten, begeleiding naar zelfstandig ondernemerschap, sollicitatietrainingen, om- en bijscholingscursussen, proefplaatsingen, ontwikkelbanen, jobcarving, werkplekken nieuw beschut, arbeidsmatige dagbesteding en jobcoaching; Het inzetten van het volledige Participatie-/Werkbudget én extra budget vanuit centrummiddelen aan regionale projecten. Binnen het Regionaal Beraad werken we samen met onze partners binnen de regionale arbeidsmarkt aan verschillende projecten voor werkzoekenden, werkenden en werkgevers. Deze projecten geven hen een steun in de rug op het gebied van om- en bijscholing en werk, en zijn aanvullend op de reguliere arbeidsmarktdienstverlening; De gemeentelijke afdeling Inkomen, Zorg en Leerrecht zet in op een sterke poortwachtersfunctie, goede naleving en het stimuleren van parttime werk; Nijmegen heeft sinds 2022 een Ondernemerspunt Geldzorgen, waar ondernemers terechtkunnen met geldvragen en geldzorgen. Hier gaat een preventieve werking van uit.

Daar waar mogelijk vindt er een warme overdracht plaats naar bijvoorbeeld consulenten Bbz of het WerkBedrijf voor re-integratie; Nijmegen maakt gebruikt van een maandelijks statusformulier om de rechtmatigheid van een verstrekte uitkering te controleren. Door de inwoner maandelijks te herinneren aan welke inlichtingen verstrekt moeten worden, gaat er een preventieve werking van uit. Op deze manier 15

•

• •

proberen we terugvorderingen zoveel mogelijk te voorkomen. Ook beperken we hiermee de hoeveelheid herstelwerkzaamheden voor de afdeling Inkomen, Zorg en Leerrecht; Inzet op deskundigheidsbevordering van medewerkers. Dit doen we door het geven van actualiteitencolleges door kwaliteitsmedewerkers in samenwerking met juridische zaken. Naast actualiteitencolleges die we intern organiseren volgen medewerkers ook externe trainingen; Inzet op steekproeven om de kwaliteit van de processen die we uitvoeren te kunnen waarborgen en waar mogelijk te verbeteren. We zetten standaard maatregelen in om drempels voor inwoners te verlagen en hen tijdig te ondersteunen. Via de structurele subsidie aan BWN, de inzet van sociaal raadslieden en de inzet van het Steunpunt Toeslagen krijgen inwoners laagdrempelig advies. Door vroegtijdig mee te kijken werken we preventief: we voorkomen vorderingen, bevorderen uitstroom richting werk en zorgen voor een rechtmatige verstrekking van middelen.

Daarnaast hebben we in 2025 en begin 2026 extra ingezet op: Participatiecoaches Van 2021 tot begin 2025 is het project Doe je mee uitgevoerd. In deze periode hebben we ruim 3.000 bijstandsgerechtigden in beeld gebracht. Dat betrof echter niet de volledige bijstandspopulatie. Daarom hebben we in 2025 de resterende middelen ingezet om de participatiecoaches die aan Doe je mee waren verbonden, gedurende de rest van het jaar te blijven inzetten binnen de afdeling Inkomen, Zorg en Leerrecht (IZ&L). Hierdoor konden we intern verder bouwen aan de opvolging van de uitgebrachte Doe je mee-adviezen en daarnaast ook andere inwoners met een bijstandsuitkering uitnodigen voor gesprekken over meerdere leefdomeinen. De formatie van de participatiecoaches is vanaf 2026 uitgebreid naar 7 fte en wordt in 2027 verder uitgebreid naar 9 fte. Hiermee kunnen meer inwoners actief worden benaderd en – waar nodig – passende ondersteuning ontvangen, onder andere bij het invullen van de maatschappelijke participatieplicht. Voor een deel van deze doelgroep kunnen op de langere termijn kansen ontstaan om via het WerkBedrijf een traject richting werk te starten. Projectgroepen Participatiewet in balans De projectgroepen Participatiewet in Balans richten zich op het verbeteren van processen en samenwerking binnen de uitvoering van de Participatiewet.

De groepen onderzoeken maatregelen die bijdragen aan een efficiëntere, rechtmatigere en doelmatigere uitvoering, zonder het gedachtegoed van de Participatiewet in balans uit het oog te verliezen. Deze staat immers voorop. Bij alle maatregelen wordt nadrukkelijk gekeken naar het mogelijke effect op het BUIG-tekort. Hierdoor wordt inzichtelijk welke verbeteringen eventueel kunnen bijdragen aan het beperken van de uitkeringslasten en het verbeteren van de financiële positie van de gemeente. Oprichting werkgroep BUIG In april 2025 hebben we een projectstructuur opgezet. In deze projectstructuur wordt gewerkt aan alle acties die binnen de invloedssfeer van de gemeente liggen, waar verbetering mogelijk is en die in ontwikkeling zijn om het BUIG tekort te reduceren. In deze projectstructuur wordt samengewerkt tussen verschillende teams binnen de gemeente. 16

Opvolging geven aan signalen van het Inlichtingenbureau Signalen van het Inlichtingenbureau (hierna: IB-signalen), bijvoorbeeld over kostendelers, inkomsten of de aanschaf van een auto, werden door klantmanagers niet altijd opgepakt. Ook was er geen strak werkproces ingericht; er werd bijvoorbeeld gemaild over de signalen, wat niet navolgbaar was. In 2025 hebben we de IB-signalen navolgbaar gemaakt door ze in een werkproces ingericht voor de Suite te laten landen. Hierdoor is de opvolging van IB-signalen navolgbaar en meetbaar, en het oppakken van de signalen goed geborgd. Gebruik van label ‘intensief controletraject’ Het label ‘intensief controletraject’ werd de laatste jaren zeer weinig gebruikt. Klantmanagers kunnen dit label aan de poort gebruiken wanneer er vermoedens zijn dat bijstandsaanvragen extra intensief gecontroleerd moeten worden. Voor het lage gebruik was geen inhoudelijke verklaring. Het effect was mogelijk een verhoogd risico op oneigenlijk gebruik van uitkeringen. In 2025 zijn medewerkers getraind op signalen voor het geven van het label en de functie ervan. Sinds juli 2025 wordt het label weer ingezet door klantmanagers. Zo kunnen we vaststellen wat het effect van het gebruik van het label is. Ook hebben we de samenwerking tussen team Nieuwe klanten en de sociale recherche versterkt.

Deskundigheidsbevordering over voorliggende voorzieningen, fraude, handhaving en signalen Door de jaren heen bepaalde specialistische kennis verdwenen door een verloop onder medewerkers. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kennis over voorliggende voorzieningen (zie hierna ook B2), fraude, handhaving en signalen. Om de kennis te vergroten zijn de kwaliteitsmedewerkers sinds 2025 weer meer themasessies en actualiteitencolleges gaan houden. Ook heeft de sociale recherche regelmatig contact met team Nieuwe klanten om hun deskundigheid te bevorderen. Ze geven bijvoorbeeld signalen door of organiseren een workshop in samenwerking met kwaliteitsmedewerkers. Opvolging van terugmeldingen vanuit WerkBedrijf verbeteren Wanneer een inwoner (al dan niet tijdelijk) niet kan starten of niet verder kan in een re-integratietraject, meldt het WerkBedrijf deze inwoner terug aan de gemeente. Deze terugmeldingen werden door de gemeente echter niet altijd goed geregistreerd, waardoor trajecten en inwoners niet altijd volledig in beeld waren. De belangrijkste oorzaak hiervan was dat er geen koppeling bestond tussen de systemen van het WerkBedrijf en de gemeente. In 2025 hebben we dit verbeterd: voor elke terugmelding in het systeem van het WerkBedrijf wordt nu automatisch een werkproces klaargezet in het gemeentelijke systeem.

Daarbij wordt direct de relevante informatie over de terugmelding toegevoegd, zoals welke stappen nog nodig zijn voordat een inwoner klaar is voor een traject. Hierdoor kan de klantmanager gericht sturen in overleg met de inwoner. Nu het procesmatige deel goed is ingericht, onderzoeken we in 2026 of deze – nu nog handmatige – koppeling verder kan worden geautomatiseerd. Daarmee zou voor elke terugmelding automatisch een werkproces worden aangemaakt in het systeem van de gemeente. Daarnaast bekijken we komend jaar de bredere samenwerking tussen de gemeente en het WerkBedrijf op uitvoeringsniveau. Daarbij willen we specifiek meer aandacht geven aan de samenwerking rondom terugmeldingen en de manier waarop we deze gezamenlijk oppakken, zodat er een meer sluitende en integrale aanpak ontstaat. 17

Deze werkzaamheden vallen daarom niet langer onder het vangnet-/BUIG-project, maar onder de reguliere sturing op werk. Voorkomen van vermijdbare vorderingen Vorderingen leiden vaak tot problemen bij inwoners. Je wilt vorderingen dus zoveel mogelijk vermijden. Wat hierin al verbeterd is in 2025, is ten eerste dat klantmanagers niet meer zomaar voorschotten kunnen verstrekken. We weten namelijk dat die vaak leiden tot vorderingen. Het proces rondom voorschotten is aangescherpt, en klantmanagers moeten voortaan akkoord krijgen van een kwaliteitsmedewerker voordat ze een voorschot kunnen verstrekken. Ten tweede blijven we in 2026 giften uitvragen en registreren vanuit een preventieve aanpak, terwijl dat vanuit de Participatiewet in balans tot het bedrag van 1.200 euro niet meer hoeft. Daarnaast kijken we in 2026 welke andere vermijdbare vorderingen er zijn en wat we daaraan kunnen doen. Regionaal beleidskader re-integratie Gemeenten die verbonden zijn aan WerkBedrijf stellen vierjaarlijks een regionaal beleidskader reintegratie vast. Wij hebben sinds 2024 in onze beleidsopdracht aan WerkBedrijf opgenomen dat zij een intensievere begeleiding voor mensen met een beperking willen zien, zodat meer mensen uit deze groep aan het werk komen (al dan niet op beschutte werkplekken).

Sinds 2025 willen de gemeenten de zogenoemde Impulsbudgetten van het rijk beschikbaar stellen aan WerkBedrijf, dat ook een sociaal ontwikkelbedrijf is en voor wie deze budgetten bedoeld zijn. Daarvoor hebben gemeenten en WerkBedrijf een gezamenlijk meerjarig Plan Impuls Werkontwikkeling opgesteld. Dat zal bij de begroting 2027 van WerkBedrijf e.v. behandeld worden. Daarna zal WerkBedrijf aan de slag kunnen met een extra inzet op o.a. werkgeversondersteuning en ontzorging, de oprichting van een diagnosecentrum voor mensen met een arbeidsbeperking, extra jobcoaches etc. Daarnaast hebben we in 2025 de Module Arbeidsmarkt en Participatie (als onderdeel van de inburgering) voor statushouders (die WerkBedrijf voor ons uitvoert) geëvalueerd; de uitkomst is dat we deze module voortaan direct laten opvolgen door een re-integratietraject bij WerkBedrijf. Zo combineren we inburgering met werk en participatie. Tot slot voeren we met gespecialiseerde GGZorganisaties de Individuele Plaatsing en Steuntrajecten (IPS) uit voor mensen met een psychische kwetsbaarheid (zoals mensen met een verslavingsproblematiek) en hebben we zorgtrajecten beschikbaar voor jongeren < 27 jaar, waarin we reguliere zorg en werk combineren.

18

B2.

Beschrijving getroffen externe maatregelen

Elke getroffen maatregel wordt beschreven met de naam van de maatregel, een omschrijving van de maatregel en gevolgd door de antwoorden op elk van de volgende drie vragen over die maatregel: a) Wat is (zijn) de externe bron(nen) (partij of ‘schriftelijke’ informatie) voor deze maatregel geweest? b) Welk inzicht bij de gemeente is gekregen door die externe partij of externe ‘schriftelijke’ informatie? c) Welke externe maatregel is getroffen naar aanleiding van de conclusie(s) uit deze consultatie? We hebben twee externe maatregelen getroffen in 2025: Analyse bestandsontwikkeling door Stimulansz We hebben door Stimulansz een analyse van onze bestandsontwikkeling laten uitvoeren. Daarin heeft Stimulansz gekeken naar de aansluiting bij de arbeidsmarkt en achtergronden van onze bijstandspopulatie, het volume en de re-integratie. Vergelijkingsgroepen waren: 1. De kennisgemeenten Arnhem, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leiden, Maastricht en Tilburg; 2. Gemeenten in de grootteklasse 150.000 – 250.000 inwoners; 3. Gemeenten met een soortgelijke bijstandsdichtheid. De analyse heeft ons bevestigende inzichten gegeven, maar ook nieuwe. Een inzicht dat we bevestigd hebben gekregen is dat we niet significant afwijken van andere studentensteden.

Ook in Nijmegen is er krapte op de arbeidsmarkt en werken veel hoger opgeleiden in banen waarbij geen of een lagere opleiding nodig is; dit zijn veelal studenten met een bijbaan. Door dit zogeheten cascade-effect komen inwoners met een bijstandsuitkering (van wie velen een laag opleidingsniveau hebben) minder goed aan het werk. Ook is de relatieve hoge instroom van jongeren in de bijstandsuitkering kenmerkend voor studentensteden. Een nieuw inzicht is dat het percentage personen dat parttime werkt over de periode 2021 tot en met 2025 in Nijmegen gestaag gedaald is ten opzichte van de vergelijkingsgroepen. Cijfers van WerkBedrijf laten echter wat anders zien: zij plaatsen juist meer mensen op banen < 28 uur (en minder mensen op fulltime werk). De ogenschijnlijke discrepantie tussen deze cijfers zijn we nader aan het analyseren, evenals de oorzaak van de gestage daling. We hebben al vastgesteld dat een deel van deze plaatsingen gekoppeld is aan niet uitkeringsgerechtigden (NUG’ers). Bovendien is het aantal NUG’ers in trajecten van het WerkBedrijf toegenomen, wat in ieder geval een deel van het verschil verklaart. Een ander nieuw inzicht is dat de inkomsten uit parttime werk in Nijmegen lager zijn dan bij de vergelijkingsgroepen. Waardoor dit komt is niet duidelijk. Mogelijke verklaringen zijn dat mensen minder uren werken of tegen een lager uurloon. Ook hier kijken we naar.

19

Bestandsscreening op voorliggende voorzieningen In het verleden had uitvoeringsorganisatie Inkomen, Zorg en Leerrecht enkele medewerkers die gespecialiseerd waren in het screenen van bijstandsaanvragen op het recht op voorliggende voorzieningen, zoals de toeslagen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Dat specialisme en deze kennis is door de jaren heen echter verdwenen, waardoor er al lange tijd geen goede screening heeft plaatsgevonden op voorliggende voorzieningen. Omdat deze kennis zeer specialistisch is, hebben we ervoor gekozen in 2025 een marktconsultatie uit te voeren onder partijen die gespecialiseerd zijn in de bestandsscreening op voorliggende voorzieningen. Uit deze consultatie bleek dat het verwachte uitstroompercentage tussen de 1,2% en 3,9% ligt. Naar aanleiding van dit inzicht zijn we een aanbestedingsprocedure gestart. Eind 2025 is de opdracht gegund aan SozaXpert. SozaXpert gaat de opdracht met ingang van 2026 voor ons uitvoeren. Hun specialisten beoordelen signalen van mogelijke voorliggende voorzieningen op basis van meer specifieke indicatoren, gebruikmakend van de informatie in Suite, Suwinet en het digitale klantdossier.

Ze zorgen daarnaast voor begeleiding van klanten bij hun aanvraag bij bijvoorbeeld het UWV en informeren hen over de voordelen van het beëindigen van de bijstandsuitkering, zoals geen vermogenstoets en geen korting van eventuele inkomsten van een verdienende partner. Ook begeleiden zij de klant bij een eventuele bezwaarprocedure. De specialisten zullen werken in naam van de gemeente Nijmegen. SozaXpert zal daarnaast een bijdrage leveren aan de deskundigheidsbevordering van kwaliteitsmedewerkers en klantmanagers door signalen uit de bestandsscreening te delen en voorstellen te doen voor scholing.

20

C. Beoogd effect van de genoemde maatregelen op de tekortreductie In dit onderdeel van de verklaring van het college wordt het beoogde effect beschreven van de genoemde (aanvullende) interne en externe maatregelen die een bijdrage leveren aan de verdere tekortreductie (C1). Het gaat hierbij om een inschatting van het beoogde effect. Ook wordt aangegeven hoe het effect van de maatregelen wordt gemonitord (C2). Het effect van de maatregel wordt zoveel mogelijk gekwantificeerd (C1). Indien het kwantificeren van het effect van maatregelen slecht of niet mogelijk is, kan het college volstaan met een kwalitatieve toelichting. C1. Beoogd effect van de getroffen maatregelen op de verdere tekortreductie. Het inschatten en vaststellen van effect is in dit domein uitermate lastig. Een stijging of daling van het bestand kan te maken hebben met beleid of uitvoering, maar ook met de regionale economie, het aantal vroegtijdig schoolverlaters, de demografische ontwikkeling in de stad, een eventuele armoedeval, het faillissement van een groot bedrijf of tal van andere zaken, zoals landelijke keuzes (afbouw WW). We kunnen van de meeste maatregelen wel iets zeggen over de realisatie. Dit biedt ook weer aanbevelingen en perspectief om ermee verder te gaan in 2026.

In de uitwerking van C1 nemen wij tevens de monitoring op, zodat in C2 volstaan kan worden met een verwijzing naar de beantwoording van C1. Bestandsscreening op voorliggende voorzieningen Van de bestandsscreening op voorliggende voorzieningen verwachten we het grootste effect op de tekortreductie. Deze bestandsscreening zorgt ervoor dat meer mensen (deels) uitstromen uit de uitkering vanwege een voorliggende voorziening. De verwachting is dat het gaat om een percentage van tussen de 1,2% en 3,9% van het totale klantenbestand, met een geschatte besparing op de uitkeringslasten van € 1.853.266 jaarlijks waarvan een deel met terugwerkende kracht is. SozaXpert krijgt een percentage van de opbrengsten, op basis van het principe no cure no pay, en verdient zichzelf hiermee terug. We verwachten deze uitstroom ook terug te zien in een lager BUIG-tekort. De besparing zal ingezet worden in 2026, maar gezien de achterstanden bij het UWV deels ook pas in 2027 en misschien zelfs 2028 gerealiseerd worden. We monitoren de effecten van de bestandsscreening op voorliggende voorzieningen door systematisch te volgen welke klanten (deels) uitstromen uit de uitkering dankzij een gevonden voorliggende voorziening. Opvolging geven aan signalen van het Inlichtingenbureau Het effect op het BUIG-tekort hangt sterk af van wat er uit een signaal voortkomt (bijv. vordering of beëindiging vanwege fraude).

We zien nu al dat er meer IB-signalen worden opgepakt dan voorheen, wat bijdraagt aan de kerntaak rechtmatig verstrekken. We monitoren deze maatregel door systematisch te volgen welke uitkomsten voortkomen uit ontvangen signalen, zoals vorderingen, beëindigingen of onderzoeken naar fraude. Door periodiek te analyseren hoeveel signalen zijn onderzocht, welke 21

maatregelen daaruit voortkomen en wat de financiële consequenties daarvan zijn, krijgen we inzicht in de impact op zowel de rechtmatigheid als het uiteindelijke BUIG-tekort. Gebruik van label ‘intensief controletraject’ De inzet van het label draagt bij aan het rechtmatig verstrekken van uitkeringen en daarmee aan het beperken van de instroom. We monitoren deze maatregel door periodiek te analyseren hoe vaak het label wordt ingezet en welke uitkomsten dit oplevert. Door deze gegevens periodiek te vergelijken en te bespreken in de reguliere overlegstructuren, krijgen we inzicht in de effectiviteit van het label en kunnen we waar nodig bijsturen. Deskundigheidsbevordering over voorliggende voorzieningen, fraude, handhaving en signalen Door deze deskundigheidsbevordering worden klantmanagers alerter op mogelijke voorliggende voorzieningen, fraude, handhaving en signalen. Dit draagt bij aan het beperken van de instroom en rechtmatige verstrekkingen. We kunnen het effect hiervan niet kwantificeren, maar deze maatregel draagt wel bij aan de kwaliteit van onze uitvoering. De deskundigheidsbevordering wordt gemonitord op basis van kwalitatieve signalen uit de uitvoering.

Door de versterking van kennis en alertheid bij klantmanagers op voorliggende voorzieningen, handhaving, fraudeindicatoren en andere relevante signalen, verwachten we een bijdrage aan het beperken van instroom en het borgen van rechtmatige verstrekkingen. Hoewel het effect hiervan niet kwantitatief kan worden vastgesteld, wordt de impact gevolgd via periodieke terugkoppeling uit de teams en bevindingen uit interne controles. Hiermee bewaken we dat de maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan de kwaliteit van de uitvoering. Opvolging van terugmeldingen vanuit WerkBedrijf verbeteren Een zorgvuldige registratie en opvolging van terugmeldingen is essentieel, omdat dit ons inzicht geeft in knelpunten binnen het traject naar werk. Idealiter draagt een goede registratie eraan bij dat de uitstroom stijgt: doordat belemmeringen tijdig zichtbaar worden, kunnen passende interventies sneller worden ingezet. Het beoogde effect is dat inwoners sneller en effectiever worden ondersteund richting werk, doordat terugmeldingen systematisch worden benut om vroegtijdig bij te sturen. Daarnaast maakt deze werkwijze het mogelijk om gerichter interventies richting zorg en participatie in te zetten. Dit levert vaak niet direct uitstroom naar werk op, maar kan wel op de korte en middellange termijn verdere zorgkosten helpen voorkomen.

We monitoren dit door periodiek te analyseren hoeveel terugmeldingen worden geregistreerd, welke typen belemmeringen worden gesignaleerd en in hoeverre de daaropvolgende interventies bijdragen aan een succesvolle uitstroom. Voorkomen van vermijdbare vorderingen De gemeente verschuift de uitbetaaldatum van bijstandsuitkeringen gefaseerd naar het einde van de maand, met een overgangsperiode van vijf jaar. Deze geleidelijke aanpak voorkomt financiële problemen bij inwoners. Door later uit te betalen ontstaat meer tijd om gevraagde stukken aan te leveren, waardoor uitkeringen nauwkeuriger en beter in lijn met de actuele situatie kunnen worden vastgesteld. Dit vermindert afwijkingen en daarmee ook het aantal vorderingen. Op dit moment kunnen we de eventuele financiële opbrengsten hiervan nog niet kwantificeren.

22

Analyse bestandsontwikkeling door Stimulansz De analyse geeft meer inzicht en laat zien dat we in grote lijnen niet wezenlijk anders zijn dan vergelijkbare gemeenten. Daarnaast maakt de analyse duidelijk welke maatregelen worden getroffen en hoe deze bijdragen aan het vergroten van dit inzicht. De uitkomsten bevestigen bovendien het beeld dat jongeren een prioritaire doelgroep zijn. We monitoren de voortgang door periodiek te volgen in hoeverre de getroffen maatregelen worden uitgevoerd en welke resultaten zij opleveren. Dit doen we aan de hand van vaste indicatoren, zoals instroom, doorstroom en behaalde resultaten binnen de doelgroep. Impulsbudgetten WerkBedrijf Het Rijk stelt sinds 2024 meerjarig zgn. impulsmiddelen beschikbaar aan gemeenten, zodat sociaal ontwikkelbedrijven (ook wel werkbedrijven genoemd) aan meer kwetsbare werk(zoek)enden een opstap naar werk, een vangnet als regulier werk (tijdelijk) niet lukt en/of een beschutte werkplek kunnen bieden. Het gaat om de groep die nu moeilijk aan werk geholpen kan worden. Gemeenten hebben WerkBedrijf de opdracht gegeven een meerjarig plan uit te werken dat duidelijk maakt hoe WerkBedrijf een impuls geeft aan zijn dienstverlening (meer realisatie beschut werk, investeren in onderzoek en diagnose van de kwetsbare groepen, intensivering begeleiding op de werkplek, ondersteuning werkgevers, etc.).

Ook willen gemeenten zien welke resultaten daarmee meerjarig verwacht kunnen worden. De resultaten zijn op voorhand moeilijk in te schatten. Participatiecoaches De uitbreiding van de inzet van participatiecoaches draagt op verschillende manieren bij aan de reductie van het BUIG-tekort. Door meer activering en begeleiding op meerdere leefdomeinen kunnen belemmeringen eerder worden weggenomen, waardoor inwoners sneller kunnen doorstromen naar participatie, scholing of – waar mogelijk – werk. Daarnaast zorgt het voeren van meer gesprekken met inwoners die tot nu toe niet in beeld waren ervoor dat onrechtmatigheden of wijzigingen in de leefsituatie eerder worden gesignaleerd. Dit leidt tot een correctere vaststelling van rechten en plichten. Ook vergroot de inzet van participatiecoaches de groep inwoners die kan doorgroeien richting werk, wat op de langere termijn de uitstroom uit de bijstand verhoogt en daarmee de uitkeringslast structureel verlaagt. Tot slot kan gerichte ondersteuning richting zorg of stabilisatie indirect kosten besparen, doordat tijdige interventie voorkomt dat problematiek verergert en leidt tot duurdere vormen van ondersteuning. Hoewel deze effecten niet altijd direct zichtbaar zijn in de uitstroomcijfers, draagt de verbreding van de ondersteuning op termijn bij aan een stabielere en beter beheersbare bijstandspopulatie.

Om de impact hiervan te monitoren werken we aan een manier waarop we de effecten op tekortreductie en uitstroom op verschillende manieren kunnen volgen. Dit doen we onder anderen door het goed ontsluiten van data. Projectgroepen PW in balans De projectgroepen Participatiewet in Balans richten zich ook op het verbeteren van processen en samenwerking binnen de uitvoering. Deze verbeteringen hebben als doel een efficiëntere, rechtmatigere en doelmatigere uitvoering te realiseren. Hierdoor kunnen uitkeringslasten stabieler en realistischer worden vastgesteld, wat bijdraagt aan het beperken van het BUIG-tekort. Hoewel het exacte financiële effect vooraf niet kwantitatief kan worden bepaald, wordt gemonitord hoeverre deze maatregelen bijdragen aan tekortreductie. Bij de uitkeringsadministratie wordt al geanticipeerd op de aanstaande 23

wijzigingen door periodieke trainingen. Op deze manier wordt het team tijdig meegenomen om problemen in dit kritische proces zoveel mogelijk te voorkomen. De monitoring vindt plaats in de bijvoorbeeld de Jaarbrief Werk en Inkomen en P&C producten. Daarbij worden zowel kwalitatieve bevindingen uit de uitvoering als beschikbare kwantitatieve gegevens gebruikt, zoals ontwikkelingen in instroom, doorlooptijden, rechtmatigheidsbevindingen en mutatievolumes. Hiermee wordt inzichtelijk of de genomen maatregelen daadwerkelijk leiden tot een doelmatigere uitvoering en een mogelijke afname van de bijstandsuitkeringen. C2. De wijze waarop het effect van de maatregelen wordt gemonitord. In C2 verwijzen wij naar C1, aangezien de monitoring reeds volledig is opgenomen in de uitwerking van C1.

24

D. Ondertekening Een verzoek tot vangnetuitkering dient door het college van burgemeester en wethouders te worden ingediend, ook indien de uitvoering van de Participatiewet aan een samenwerkingsverband is overgedragen. Omdat de financiering van de bijstand via de gemeenten verloopt, is het aan de colleges en raden van gemeenten om de aanvraag op te stellen en in te dienen. De ondertekening geschiedt door burgemeester en secretaris. De ondertekening is volledig indien de naam van de gemeente en de naam van de ondertekenaar zijn ingevuld, de datum is ingevuld en de handtekeningen zijn gezet. De verklaring is slechts geldig indien het college deze met het door de minister van SZW ter beschikking gestelde aanvraagformulier heeft aangeboden aan de raad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen verklaart dat het vóór 15 augustus 2026 de genoemde interne en externe maatregelen heeft getroffen om te komen tot verdere tekortreductie. Datum: ___________ De secretaris,

Naam van de ondertekenaar: A.P.W. van de Klift De burgemeester,

Naam van de ondertekenaar: H.M.F. Bruls

25

2. Instemming gemeenteraad In artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Besluit Participatiewet staat dat de verklaring van het college de instemming van de gemeenteraad moet hebben. De instemming is pas geldig indien de verklaring aan de raad is aangeboden in de vorm van het door de minister vastgestelde aanvraagformulier.

De gemeenteraad stemt in met de verklaring van het college. Daarmee bevestigt de gemeenteraad dat het college: 1. 2. 3.

voldoende duidelijk heeft gemaakt wat de oorzaken zijn van het tekort; voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het pakket van maatregelen effectief is om de geschetste problemen aan te pakken, binnen de mogelijkheden die de gemeente heeft; voldoende duidelijk heeft gemaakt dat dit pakket van maatregelen, voor zo ver door de gemeente beïnvloedbaar is, leidt tot een beoogde tekortreductie. Daarbij wordt het effect van deze maatregelen kwantitatief dan wel kwalitatief inzichtelijk gemaakt.

Ondertekening De ondertekening geschiedt door voorzitter en griffier. De gemeenteraad dient voor het moment van indiening van het verzoek zijn instemming te hebben gegeven. De aanvraag dient uiterlijk 15 augustus 2026 door de Toetsingscommissie te zijn ontvangen. De gemeenteraad van de gemeente Nijmegen stemt in met de onder 1 door het college van deze gemeente afgegeven verklaring. Met de ondertekening gaat de gemeenteraad akkoord met de beschrijving van de wijze waarop hij is geïnformeerd door het college en met de weergave van de samenvatting van de opvattingen van de gemeenteraad. De voorzitter,

Naam van de ondertekenaar: H.M.F. Bruls De griffier,

Naam van de ondertekenaar: S. Ruta 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=9064372e-5380-46ae-8204-25fb3ad1de0e