CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

A2 d.d. 3-11-2025 - brief gemeente Nijmegen toewijzingsregels woonwagen belangen

Besluitronde (raadsvergadering) 17 december 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Brieven ter afdoening door het college van B&W (tenzij anders vermeld)1.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

03-11-2025 Geachte gemeente Nijmegen, Wij waarderen het zeer dat de gemeente is begonnen met het realiseren van de nieuwe standplaatsen, wij hopen dat het proces in goede banen zal verlopen. Op 15 september 2025 is het college met een wijziging gekomen over de uitvoering van het toewijzingsbeleid / rangorde toewijzingsregels. Echter maken wij ernstig bezwaar tegen het onderdeel van het beleid waarin wordt bepaald dat ,, inwonende kinderen die onafgebroken bij hun ouders hebben gewoond’’ voorrang krijgen bij de toewijzing van nieuwe standplaatsen. We zijn het niet eens met deze wijziging en hoe deze tot stand is gekomen. Deze toewijzingsregels doen geen recht aan het beleidskader en de mensenrechten van woonwagenbewoners hoe die hierin beschreven staan. Volgens ons klopt het toewijzingsbeleid wanneer het ,, onafgebroken’’ los gelaten word. Samenwonen in familieverband is beschermd bij het Europese Hof voor Rechten van de mens en dit staat ook in het beleidskader, daarom hebben we als stichting ook aangedragen inwonende kinderen en kinderen waarvan hun ouders op de Teersdijk wonen voorrang te geven zodat je hieraan voldoet.

Volgens jullie regels zal iemand die 38 jaar en inwonend is en even ergens anders gewoond heeft (om welke reden dan ook ) maar veel woonjaren heeft, voorrang moet geven aan een 18 jarige die onafgebroken bij zijn ouders gewoond heeft.Dit is natuurlijk erg vreemd. Deze toewijzingsregels worden door geen één gemeente in Nederland gehanteerd. Om een mensenrechtelijk juist toewijzingsbeleid te krijgen zijn wij het eens dat inwonende kinderen voorrang krijgen zodat deze in familie verband kunnen samen leven, echter moet hier geen tijdsspanne aan hangen zoals ,,onafgebroken’’ of een andere tijd zoals minimaal 4 jaar etc. Net zoals bij de toewijzing van reguliere woningen vinden wij dat de inschrijftijd of in ons geval leeftijd leidend moet zijn. Dus inwonende kinderen met oudere leeftijd gaan voor op de jongere. Wanneer je ,,onafgebroken”” verwijderd komen er ook geen ingewikkelde rekenmodules aan te pas en is dit probleem opgelost en is het zoals de woonwagenbewoners het willen hebben. Wij willen ook dieper ingaan op het beleidskader. In dit beleidskader staan onze mensenrechten beschreven en hier moet de overheid zich aan houden. Bij hoofdstuk 4.2.2 hierin staat het volgende: 1. ,, Daarom is het onvoldoende om woonwagenbewoners reguliere huisvesting te bieden en geen rekening te houden met hun specifieke woonbehoefte.

Dit betekent niet dat iedere woonwagenbewoner per direct een standplaats moet krijgen, maar wel dat een woningzoekende woonwagenbewoner binnen een afzienbare termijn een kans heeft op een standplaats.57 Niet van belang is of een woonwagenbewoner tijdelijk in een reguliere woning heeft gewoond. Zolang hij de intentie had om terug te keren naar het woonwagenleven, dient rekening gehouden te worden met zijn woonbehoefte. ‘’ 56 Dit sterkt onze overtuiging om onafgebroken te verwijderen zodat de oudere voorrang krijgt op de jongere. De oudere wacht al heel lang, meer dan afzienbare tijd en voor de 18 jarige jongere betekend dit, dat deze misschien niet direct een standplaats zal krijgen maar met nieuw beleid van de gemeente deze toch nog binnen afzienbare tijd een standplaats kan krijgen. 2. Hoofdstuk 4.2.2 gaat over recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven. Hier staat hier ook het volgende in zoals wij al eerder hebben aangegeven tijdens onze inspraakronde ,, 1

Het mensenrechtelijk kader voor het woonwagenbeleid wordt voor een belangrijk deel gevormd door het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). In artikel 8 van het EVRM 46 is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Voor het bepalen of een woonwagen valt aan te merken als ‘woning’ en daarmee onder de bescherming van artikel 8 EVRM valt, is bepalend dat de bewoner ‘een voldoende en voortdurende band heeft met een specifieke woonwagen(standplaats)’.47 Dit betekent dat ook wanneer een woonwagenbewoner niet officieel staat ingeschreven op een woonwagenlocatie, deze aangemerkt zou kunnen worden als zijn of haar ‘home’. Niet relevant is wat in de Nederlandse wet- en regelgeving onder het begrip “woning” wordt verstaan.’’

a. In strijd met het landelijke beleidskader (BZK, 2018) Het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van het Ministerie van BZK (2018) stelt dat gemeenten bij hun beleid rekening moeten houden met: “de bescherming van de woonwagencultuur als woonvorm en leefwijze, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).” Daarbij geldt nadrukkelijk dat: “Formele inschrijving of onderbreking daarvan geen doorslaggevende rol mag spelen bij de beoordeling of iemand tot de woonwagengemeenschap behoort.” Het Nijmeegse criterium van “onafgebroken inwonend bij de ouders” is te strikt en negeert de feitelijke en culturele binding die bepalend is voor de woonwagencultuur. In de praktijk betekent dit dat jongvolwassenen die tijdelijk elders hebben gewoond of ingeschreven hebben gestaan — om welke reden dan ook — hun positie binnen de gemeenschap verliezen. Dat is in strijd met de geest en doelstelling van het landelijke beleidskader.

b. In strijd met artikel 8 EVRM en mensenrechtenbeginselen Volgens artikel 8 van het EVRM hebben woonwagenbewoners recht op respect voor hun privéleven, gezinsleven en woonvorm. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft herhaaldelijk bevestigd dat dit artikel ook bescherming biedt aan de woonwagencultuur en het leven in familieverband op of nabij woonwagenterreinen (zie o.a. Connors vs. Verenigd Koninkrijk, 2004, en Winterstein vs. Frankrijk, 2013). Het Nijmeegse beleid maakt een ongerechtvaardigd onderscheid tussen: kinderen die onafgebroken inwonend zijn geweest, en kinderen die feitelijk en cultureel deel uitmaken van dezelfde woonwagengemeenschap, maar niet onafgebroken stonden ingeschreven. Dat onderscheid is disproportioneel en niet in lijn met het mensenrechtelijke uitgangspunt dat woonwagenbewoners binnen afzienbare tijd toegang moeten krijgen tot een standplaats die hun manier van leven mogelijk maakt.

2

c. “Thuis” is meer dan een inschrijving In de woonwagencultuur betekent “thuis” niet enkel een administratief adres, maar een levensvorm en familieband. Volgens het mensenrechtenkader is het niet relevant of iemand formeel ergens anders ingeschreven heeft gestaan, zolang een specifieke woonwagen(standplaats) feitelijk als zijn of haar thuis wordt beschouwd.

De onderbouwing waarom het college gekozen heeft om voorrang te geven aan onafgebroken inwonende kinderen kunnen we ook niet volgen, hierop onze reactie :

1. Het college geeft als reden het waarom dit niet veranderd word het volgende ,, De consequentie van het laten vervallen van het woord ‘onafgebroken’ is dat ook kinderen van woonwagenbewoners die tijdelijk elders hebben gewoond eerder in aanmerking komen voor een nieuwe kavel. Het betekent ook dat een aantal kinderen sinds 2022 mogelijk ‘gedwongen’ bij hun ouders zijn blijven wonen en dat deze groep deze aanpassing dat dan voor niets heeft gedaan. Bovendien heeft deze groep dan geen voordeel meer bij het feit dat ze de afgelopen jaren bij hun ouders zijn blijven wonen. Dit maakt het zomaar laten vervallen van het woord onafgebroken een moeilijk dilemma.’’ Onze vraag is! Waarom krijgen kinderen die onafgebroken bij hun ouders gewoond hebben voorrang op inwonende kinderen die niet onafgebroken bij hun ouders gewoond hebben? Waarom hebben deze meer rechten? Wat is er op tegen dat ook inwonende kinderen van woonwagenbewoners die tijdelijk elders hebben gewoond eerder in aanmerking kunnen komen voor een nieuwe standplaats? Volgens jullie : zou deze groep sinds 2022 mogelijk ,gedwongen’ bij hun ouders gewoond hebben deze aanpassing voor niets hebben gedaan. Echter toen deze regel ,, onafgebroken’’ is toegevoegd in 2022 toen wist de gemeente helemaal niet dat er een aantal kinderen noodgedwongen bij hun ouders zouden blijven wonen, ze wisten ook niet hoe lang het traject zou duren.

En hoe zit het dan met 18 en 19 jarigen, deze woonden in 2022 nog zeker bij hun ouders maar zeker niet gedwongen omdat ze minderjarig waren in deze tijd. Ook word met deze redenering voorbijgegaan aan de groep kinderen die ten tijden van HET UITSTERFBELEID nood gedwongen een reguliere woning hebben betrokken omdat ze een gezin wilde stichten of voor een studie. 2. Het college zegt : ,,Om tegemoet te komen met een oplossing wordt er nu een toets moment (peildatum) vastgesteld : een datum in het verleden waarop de kandidaat onafgebroken inwonend moet zijn. Er is gekozen voor 1 januari 2021.’’ Het is natuurlijk erg vreemd dat je ,,onafgebroken’’ niet wil aanpassen omdat de groep die mogelijk gedwongen bij hun ouders zijn blijven wonen deze aanpassing dan voor niets zou hebben gedaan! Maar vervolgens voer je wel een peildatum in, waarin staat dat je vanaf 1 januari 2021 niet meer inwonend hoeft te zijn zolang je dat hiervoor maar wel was. Dus degene die mogelijk ,,gedwongen’’ bij hun ouders zijn blijven wonen na 2022 hebben dit door het invoeren van deze peildatum juist voor niks gedaan. 3

Wij vinden het trouwens sowieso verwerpelijk dat een gemeente beleid ontwikkeld waardoor kinderen mogelijk ,,gedwongen’’ bij hun ouders moeten wonen.

3. Er word door de gemeente ook verwezen naar de motie ‘Ruimte voor jongeren op wielen’ van 20 okt 2021. Hierin is opgenomen dat de standplaatsen bestemd moeten zijn voor inwonende jongeren en in tweede instantie voor jongeren die noodgedwongen niet meer in een woonwagen wonen maar terug zouden willen keren. Mede om deze reden is het woord “onafgebroken” destijds opgenomen in de vastgestelde beleidsregels hieromtrent. Daarom zal de bestaande beleidsregel gehandhaafd blijven en het woord “onafgebroken”niet komen te vervallen. Echter word in deze motie evenals in de motie ‘Ik wil dan wel zo’n huisje op wielen’ nooit gesproken over jongeren die onafgebroken bij hun ouders hebben gewoond en dat deze voorrang moeten krijgen. Sterker nog in de Quick Scan van 2021 word dit ook nergens vermeld, hierin staat gewoon ,, inwonende kinderen’’ Dit is zonder dit met onze stichting te overleggen ineens toegevoegd, terwijl het beleidskader aangeeft het toewijzingsbeleid in samenwerking met de bewoners op te stellen Wij verzoeken het college om het beleid als volgt te herzien: Laat a.u.b. het criterium ‘’ onafgebroken inwonend ‘’ vallen en zodat er een toewijzingsbeleid komt dat mensenrechtelijk bij ons past.

Met vriendelijke groet, Stichting woonwagenbelangen Nijmegen

Bronnen: Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid 46 Dit recht is ook opgenomen in artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten 47 EHRM 29 september 1996, appl. no. 20348/92 (Buckley/VK). 48 EHRM 18 januari 2001, appl.no. 27238/95 (Chapman/VK), par. 73 49 EHRM 18 januari 2001, appl.no. 27238/95 (Chapman/VK), par. 73 50 Advies inzake Woonwagens- en standplaatsenbeleid van het College voor de rechten van de Mens, bij brief van 28 maart 2018 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangeboden 51 EHRM 11 oktober 2016, appl. no. 19841/06 (Bagdonavicius e. a./Rusland) 52 EHRM 27 mei 2004, appl. no.. 66746/01 (Connors/VK). 53 EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par. 76 54 Office of the UN High Commissioner for Human Rights, The Right to Adequate Housing. Fact Sheet No 21/Rev. 1, Geneva 55 College, d.d. 19 december 2014 (oordeelnummer 2014-165, 2014-166 en 2014-167), d.d. 28 mei 2015 (oordeelnummer: 2015-61); d.d. 8 maart 2016 (oordeelnummer: 2016-19); d.d. 5 juli 2016 (oordeelnum mer 2016-64, 2016-67 en 2016-68), d.d. 7 juli 2016 (oordeelnummer 2016-71 en 2016-72), d.d. 14 oktober 2016 (oordeelnummer 2016-109 en 2016-110), d.d. 19 december 2016 (oordeelnummer 2016-139). 14 College, d.d. 8 maart 2016 (oordeelnummer 2016-19); d.d. 14 oktober 2016 (oordeelnummer: 2016-109); d.d.

19-12-2016 (oordeelnummer: 2016-139) 56 EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par. 76 57 Effectief genot van het recht, zie: EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par. 76; EHRM 18 januari 2001, appl. no. 27238/95 (Chapman/VK), para. 89-99

4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=327e9eeb-1e29-460b-a1db-16ea1fd94315