CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

A2 d.d. 26 maart 2024 van Tegengas Nijmegen inzake Bezwaar tegen het besluit van de gemeenteraad op ons inleidend verzoek voor een referendum, d.d. 19 februari 2024

Besluitronde (raadsvergadering) 24 april 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Brieven ter afdoening door het college van B&W (tenzij anders vermeld)1.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bur: .\()·-~-g_

,. .

Nr:

Aan:

Gemeenteraad van Nijmegen, Postbus 910 6500 HG Nijmegen

.

127 MRT 207 Ingekomen Gemeente Nijmegen

cc Referendumcommissie van de gemeente Nijmegen Nijmegen, 26-3-2024

Betreft: bezwaar tegen het besluit van de gemeenteraad op ons inleidend verzoek voor een referendum, d.d. 19 februari 2024 Uw kenmerk: E24.000669

Geachte leden van de gemeenteraad van Nijmegen,

Op 22 december 2023 hebben wij het voornemen ingediend bij de gemeenteraad van Nijmegen tot een inleidend verzoek voor een referendum over het raadsvoorstel CHW-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens- 7 (Waalenergie). Op 19 februari 2024 heeft de raad ons ingelicht over zijn besluit om ons inleidend verzoek niet in te willigen. Bij dezen maken wij bezwaar tegen dit besluit. De aan de gemeenteraad voorgestelde vraagstelling luidt: Bent u voor of tegen het bestemmingsplan Waal Energie, waarin onder meer een grootschalige elektriciteitscentrale is toegestaan, die tot 1 januari 2045 mag worden gestookt op aardgas met CO2-uitstoot?

Wij verzetten ons ertegen dat u spreekt over zaken die door het referendum worden vertraagd, zonder op enige wijze concreet te maken hoeveel tijd het kost om een referendum te organiseren. U spreekt over een aantal maanden, maar dat is niet concreet en niet gemotiveerd. Wij geloven dat het mogelijk is om op relatief korte termijn een referendum te organiseren. Wij horen graag van u hoe lang het organiseren van een referendum volgens u precies duurt en waarop u dat standpunt baseert. Wij geven u in overweging om ter onderbouwing een draaiboek te presenteren en advies in te winnen over de haalbaarheid daarvan. Dat is voor alle toekomstige referenda hoe dan ook van belang. Sterker nog, wij menen dat u in dat in het kader van de zorgvuldige voorbereiding van uw besluit op grond van art. 3:2 Awb advies had moeten inwinnen over de organisatie van een referendum alvorens ons verzoek af te wijzen. De Referendumverordening bevat in art. 8, lid 3 namelijk een expliciete bepaling die mogelijk maakt dat een referendum vanwege zwaarwegende redenen eerder kan worden gehouden dan de eerstvolgende reguliere verkiezingen, die in dit geval overigens al op 6 juni 2024 zouden plaatsvinden. Daar komt nog bij dat u op grond van art. 3 van de Referendumverordening een speciale commissie heeft aangesteld. Deze commissie heeft gelet op art.

4, lid 1, sub a, onder 4 van de Referendumverordening expliciet als taak om te adviseren over de vraag of de door u veronderstelde dringende redenen een zwaarwegend argument vormen om 1

Aan te passen in: 2040. Zoals vermeld in het advies van de referendumcommissie is na het amenderen door de Gemeenteraad op 31 januari de vraagstelling van dit referendum 'van kleur verschoten'.

eerder een referendum te houden. Door op dit punt geen advies van de Referendumcommissie in te winnen heeft u onzes inziens de Referendumverordening minachtzaamd, hetgeen opnieuw blijk geeft van de onzorgvuldigheid waarmee u met ons verzoek bent omgegaan. Anders dan uw overwegingen over de volgens u te lange termijn voor het organiseren van een referendum is de grondslag van uw besluit niet duidelijk. In de tekst wordt gewezen op art. 2, lid 2, sub k van de Referendumverordening, maar de motivering daarvan is dus niet concreet, noch deugdelijk. U geeft wel een groot aantal andere overwegingen, maar de meeste daarvan lijken op een andere grondslag te zien die u niet noemt. Ten overvloede gaan wij toch afzonderlijk op alle door u gegeven overwegingen in. U stelt dat de door ons voorgestelde vraagstelling verwarring kan scheppen. Op basis van art. 9 van de Referendumverordening stelt u echter zelf de vraagstelling vast. Enige verwarring die zou ontstaan is dus alleen aan uzelf te wijten. Uit onze begeleidende brief blijkt duidelijk dat het om een suggestie gaat. Bovendien blijkt zowel uit de brief als uit alle digitale én alle papieren ondersteuningsverklaringen duidelijk dat verzoekers een referendum wensen over het volledige raadsbesluit, waar de aardgascentrale - zoals ook de voorgestelde vraagstelling duidelijk maakt - een onderdeel van is.

U vult in uw brief voor zowel ondergetekenden als voor andere inwoners van Nijmegen in, waarom zij een stem zullen uitbrengen voor of tegen het raadsbesluit in een nog te houden referendum. Wij vinden dat ten eerste ongepast. Wij vinden ten tweede, dat u hiermee buiten uw bevoegdheid treedt. Maar wij vinden bovenal dat u hiermee blijk geeft van een fundamenteel gebrek aan inzicht over uw positie in het democratisch bestel. Datu meent voor 2233 indieners van een referendumverzoek te kunnen bepalen wat hun doel is, vinden wij beangstigend en een bedreiging voor de democratie. U meent dat uit een referendum over dit bestemmingsplan geen duidelijk advies kan komen, en voert als reden daarvoor aan, dat zich onder zowel voor- als tegenstemmers tegenstanders van fossiel gas zouden kunnen bevinden. Het referendum gaat echter niet over de onderliggende overtuigingen van de kiezers, maar over dit raadsvoorstel. Het feit dat een onderwerp complex is betekent bovendien geenszins dat inwoners van Nijmegen er niet over willen of kunnen stemmen. Daar komt overigens nog bij dat waar u in uw brief schrijft het onderwerp complex te vinden, veel mensen die wij op straat spraken juist aangaven het onderwerp erg simpel te vinden. U schrijft in uw brief dat het gebrek aan beleidsruimte voor u reden is om het referendumverzoek af te wijzen.

Daarmee geeft uzelf blijk van de verwarring die u bij inwoners verwacht, maar die bij de 2233 indieners blijkens de digitale en papieren verklaringen niet bestaat. Het referendum gaat niet uitsluitend over de aardgascentrale, zoals u in uw overweging over de beleidsruimte veronderstelt. De aardgascentrale is een onderdeel van het bestemmingsplan. Het moge duidelijk zijn dat dit onderdeel voor ondergetekenden doorslaggevend is, maar iedere inwoner van Nijmegen kan zelf een eigen weging maken van de verschillende onderdelen van het bestemmingsplan. Op alle verklaringen is uitdrukkelijk vermeld dat wordt verzocht om een referendum over het volledige raad besluit. U voert gebrek aan beleidsruimte op als uitsluitingsgrond, in weerwil van het advies van de referendumcommissie. De motivatie die u hiervoor aanvoert is, dat u een referendum over dit onderwerp niet verstandig vindt. Het is echter niet aan u om te bepalen waarover inwoners van Nijmegen een referendum wensen en wat zij willen stemmen. Verder kunnen wij uw stelling, dat over de aardgascentrale geen beleidsruimte bestaat, niet rijmen met de uitleg daaronder, waarin u suggereert dat zelfs over de aardgascentrale sprake is van

beleidsruimte. U spreekt in die uitleg immers over compromissen, amendementen, beperkingen en het opzoeken van grenzen. Dit alles wijst op het bestaan van beleidsruimte, óók voor wat betreft de aardgascentra le. Een andere ongerijmdheid treffen we aan waar u aangeeft dat 'een stem tegen het bestemmingsplan tot gevolg heeft dat het nu (nog) geldende bestemmingsplan blijft gelden, waarin een op fossiel gas gestookte centrale ook mogelijk is'. U wekt hiermee ten onrechte de indruk dat het gemeentebestuur niet bij machte zal zijn een nieuw of aangepast bestemmingsplan te ontwerpen, als het voorliggende plan wordt verworpen.

Overigens bevreemden ons, waar het gaat over beleidsruimte, twee zaken waarover wij graag van u een reactie vernemen. U verwijst ten eerste naar het Barro. Wij merken op dat de vestigingsplaats voor grootschalige elektriciteitsopwekking die in Nijmegen is voorzien, blijkens art. 2.8.1 van het Barro op 500 MW is begroot. De omvang van de gascentrale die ENGIE op dit moment beoogt is, zoals u weet, 800 MW. In het door u aangenomen concept-raadsvoorstel heeft u de omvang in het geheel niet beperkt. Wij vragen ons af of deze laatste keuze voortkomt uit een concrete angst voor een interventie van het Rijk. Wij horen graag van u of u overleg heeft gevoerd met het Rijk over de omvang van de centrale, en of het Rijk u gevraagd heeft een begrenzing van 500 MW of 800 MW achterwege te laten. Ook horen wij graag welke omvang volgens u nodig is om leveringszekerheid te garanderen, en wat dat betekent voor de beleidsruimte en de kans op een interventie. U verwijst in uw betoog over beleidsruimte ten tweede naar de Elektriciteitswet. Wij veronderstellen dat u doelt op een beperking van uw beleidsruimte die zou voortvloeien uit art. 83 van de Elektriciteitswet 1998, waar de Minister voor Klimaat en Energie u in de brief met kenmerk DGKEDSE / 26454504 op gewezen heeft.

Een eenvoudige blik op dit artikel wijst uit dat het enkel regelt dat lokale overheden niet kunnen treden in het landelijke vergunningensysteem voor grote elektriciteitscentrales zoals dat in het verleden op grond van de Elektriciteitswet 1998 gevoerd werd. Uit de plaats van het artikel in de wet valt op te maken dat lokale overheden onverminderd bevoegd zijn om regels te stellen over elektriciteitscentrales op grond van andere belangen zoals ruimtelijke ordening of het milieu. Dat heeft de wetgever ook meermaals beaamd (Kamerstukken II 25621-3, p. 52 en 19591-3, p. 33, 112). In ons inleidend verzoek hebben wij reeds uiteengezet dat u, wat u blijkens het voorgaande wel mag, namelijk beperkingen stellen op grond van het milieu, onzes inziens niet voldoende doet. In aanvulling daarop merken wij op dat u hier, met het vaststellen van art. 7.4, lid a, onder 1 van het bestemmingsplan, juist wel doet waarvan u ons er op attendeert dat u het niet mag. In het betreffende artikel schept u immers juist op decentraal niveau een verordenend kader waarbinnen een vraag over de landelijke noodzaak tot elektriciteitsopwekking dient te worden beantwoord.

Dat kader staat bovendien in schril contrast met de mogelijkheid van een aanwijzing, waarmee juist op een publiek toegankelijke en met waarborgen van rechtsbescherming omklede wijze publiekrechtelijk vast kan worden gesteld wat al dan niet nodig is met het oog op leveringszekerheid van elektriciteit. Omdat u uitdrukkelijk te kennen geeft deze procedure te willen ontwijken, terwijl het door u geschapen kader aan duidelijkheid veel te wensen over laat, vragen wij u een nadere toelichting te geven op de werking van deze verordening. Wij horen graag of en hoe op grond van art. 7 .4, lid a, onder 1 besluiten worden genomen en hoe inspraak op deze besluiten voor inwoners

van Nijmegen geregeld is. Ook horen wij graag hoe in de totstandkoming van deze besluiten de wisselwerking is tussen u en de Rijksoverheid, en op welke wijze het Rijk, zogezegd, 'bepaalt'.

Zoals hierboven reeds uiteengezet hopen wij dat u alsnog besluit tot het houden van een referendum. Wij hopen echter ook antwoord te krijgen op de door ons in deze brief gestelde vragen. Enerzijds hopen wij met uw antwoorden de motivering van de afwijzing van ons verzoek beter te kunnen doorgronden. Anderzijds hopen wij dat uw antwoorden naar de toekomst toe duidelijk maken welke inspraakmogelijkheden er zijn voor inwoners van Nijmegen die zich willen mengen in het debat over het verbranden van aardgas, de omvang daarvan, de leveringszekerheid en de levensbedreigende klimaatverandering. Wij achten het van groot belang dat dit debat onder een breed publiek en met de daarbij passende urgentie wordt voorgezet. Er is namelijk geen leveringszekerheid op een dode planeet.

Tegengas Nijmegen https://tegengasnijmegen.nl email@tegengasnijmegen.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=caf0ee9d-a06f-4144-8d57-587a75ecf333