6. Quickscan ecologie station Heyendaal
Tekst van het document
Quickscan ecologie station Heyendaal Mo va res adviseurs 8i ingenieurs
Effecten op beschermde gebieden en soorten
18 oktober 2021 - Versie 1.0
wij verbinden
Autorisatieblad
Quickscan ecologie station Heyendaal
Opgesteld door
Naam Langezaal, HFM
Akkoord V
Datum 12-10-2021
Gecontroleerd door
Kooij, CA van der
V
12-10-2021
Vrijgegeven door
Ojen, FAD van
V
18-10-2021
Op dit autorisatieblad ontbreken de handtekeningen wegens de digitale verwerking van ons vrijgaveproces. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
Samenvatting Er is een quickscan ecologie opgesteld voor werkzaamheden aan station Heyendaal in Nijmegen. Hierbij zijn de voorgenomen werkzaamheden getoetst aan het wettelijk kader (Wet natuurbescherming en provinciale verordening). Er zijn de volgende bevindingen: - Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken bevindt zich op een afstand van ongeveer 2 kilometer. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000gebied zijn negatieve effecten door verstoring op Natura 2000-gebied uitgesloten. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/soorten in Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase van het project kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor de vergunningplicht, welke geldt per 1 juli 2021 door de inwerking treding van artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB). Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten kan worden besloten om een AERIUS berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie.
- Er is geen ruimtebeslag op het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 750 meter worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN eveneens uitgesloten. Er is geen nadere toetsing benodigd. - Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels en vleermuizen. - Indien maatregelen worden genomen zoals aangegeven in paragraaf 4.2 is geen nader onderzoek naar soorten nodig en geen Wnb ontheffing. - Tijdens het veldwerk zijn de volgende exoten waargenomen: Er staat één grotere hemelboom helemaal in de noordoosthoek van het plangebied. Hieromheen staan enkele zaailingen. De reuzenberenklauw groeit in de zuidelijke berm aan het einde van het perron (westkant). - Binnen het plangebied staan houtopstanden (bomen en struweel). Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt. De houtopstanden maken onderdeel uit van een oppervlakte bos van tien are (1.000 m2) of meer, of maken onderdeel uit van rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat.
Om te bepalen of deze houtopstanden beschermd zijn door de Wnb, moet worden bekeken of de houtopstanden binnen of buiten de grens bebouwde kom Wnb onderdeel houtopstanden vallen. Deze grens moet worden opgevraagd bij de gemeente Nijmegen. Indien de houtopstanden buiten deze grens liggen, is de Wnb van toepassing en geldt er een meldingsplicht en een herplantplicht. Mogelijk kan voor de kap van de houtopstanden tevens een omgevingsvergunning van de gemeente aan de orde zijn vanwege bepalingen in de APV of planregels in het bestemmingsplan. Dit dient nader te worden te worden bekeken. - Paragraaf 4.3 beschrijft kansen voor natuur. B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOvāreS
1 /26
Inhoudsopgave Samenvatting
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Locatie 1.3 Activiteiten 1.4 Wettelijk kader 1.5 Doel
3 3 3 4 6 7
2
Methode 2.1 Beschermde gebieden 2.2 Beschermde soorten 2.3 Beschermde houtopstanden
8 8 8 9
3
Resultaten 3.1 Beschermde gebieden 3.1.1. Natura 2000-gebieden 3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3.1.3. Groene Ontwikkelingszone 3.2 Beschermde soorten 3.2.1. Vaatplanten 3.2.2. Vogels 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren 3.2.4. Vleermuizen 3.2.5. Reptielen 3.2.6. Amfibieën 3.2.7. Vissen 3.2.8. Ongewervelden 3.3 Invasieve exoten 3.4 Houtopstanden
10 10 11 12 12 12 12 13 14 15 17 17 18 19 19 19
4
Conclusie 4.1 Beschermde gebieden 4.2 Beschermde soorten 4.2.1. Maatregelen 4.1 Invasieve exoten 4.2 Houtopstanden 4.3 Kansen voor natuur
21 21 21 23 23 23 24
5
Bronnen
25
Colofon Bijlage I: wet- & regelgeving
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
2/26
Inleiding 1.1 Aanleiding
Om meer reizigers te vervoeren op het spoortraject Nijmegen-Roermond (Maaslijn), wordt de Maaslijn opgewaardeerd. Onder de opwaardering valt onder andere: het elektrificeren van de Maaslijn, het realiseren van een spoorverdubbeling, het harder rijden van treinen en het aanleggen van nieuwe relaishuizen. Zo is ook bij station Heyendaal een relaishuis noodzakelijk om de techniek voor spoorbeveiliging onder te brengen. Doordat het aantal personen op het traject Nijmegen-Roermond alleen maar toeneemt, is ProRail ook voornemens om station Heyendaal op te waarderen. In voorliggende rapportage worden de effecten op beschermde gebieden en soorten in kaart gebracht middels een quick scan ecologie.
1.2 Locatie
Het plangebied bevindt zich in de gemeente Nijmegen in de provincie Gelderland. Het betreft het huidige station Nijmegen Heyendaal (Figuur 2.1). Het spoor ligt hier verdiept in het landschap ten opzichte van de omgeving en aan beide perrons is een oplopend talud aanwezig. Een voetgangersbrug overspant de twee aanwezige sporen en beide perrons zijn met de straat aan de desbetreffende zijde verbonden. Aan de zuidzijde van het station staan enkele bomen (o.a. zomereik en ruwe berk) op het talud met een ondergroei van o.a. braam en Amerikaanse vogelkers. Het talud aan de noordzijde van het station is bovenaan begroeid met struweel bestaande uit eenstijlige meidoorn, wilde liguster, Amerikaanse vogelkers en opslag van zomereik en populier. De spoorzone ten westen van het perron kent een vegetatie met soorten als zandblauwtje, dwergviltkruid en bezemkruiskruid. Over het algemeen is het schrale zandgrond met kiezels en een begroeiing kenmerkend voor spoorbermen. De randen zijn wat ruiger met onder andere veel braam.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
3/26
Figuur 2.2: Overzichtsfoto’s van het huidige station Nijmegen Heyendaal en de spoorbermen. 1.3 Activiteiten
Het precieze ruimtebeslag van het project opwaardering station Heyendaal is nog onbekend. Grofweg vindt het ruimtebeslag plaats zoals weergegeven in Figuur 2.4. In Figuur 2.3 is weergegeven hoe de voorkeursvariant van het opgewaardeerde station eruit komt te zien. In Figuur 2.5 is weergegeven waar het relaishuis dient te komen. Dit is de noordwestzijde van het plangebied.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
4/26
Figuur 2.3: Impressie voorkeursvariant opwaardering station Nijmegen Heyendaal.
Figuur 2.4: Ruimtebeslag van de opwaardering station Nijmegen Heyendaal weergegeven als gebied tussen de paarse pijltjes.
B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
5/26
Professűr 8e!iefroidstreat
Figuur 2.5: Locatie waar het relaishuis gepland is (oranje) en het huidige station met in groen de perrons. 1.4 Wettelijk kader
Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde natuurwaarden. Het volgende wettelijk kader is gehanteerd: » Wet natuurbescherming (Wnb), onderdelen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden; »
Provinciaal beleid (provinciale Verordening): beschermde gebieden die vallen onder het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en overige beschermde gebieden in de provincie Gelderland (Groene Ontwikkelingszone en ecologische verbindingszones).
Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1. Omdat de Maaslijn aangewezen is als een hoofspoorweg, is conform artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming het ministerie van LNV bevoegd gezag, met als uitvoerende tak de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO). Dit wettelijk kader is van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ter aanvulling is tijdens het oriënterend veldbezoek voor de quickscan ook gelet op aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (exoten). De provincies, het Rijk en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die op de Unielijst zijn geplaatst. Dit is een Europese lijst met een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Voor deze soorten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOvāreS
6/26
1.5 Doel
Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur zoals hierboven aangegeven. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig? En is het nodig om een ontheffing of vergunning aan te vragen? Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
7/26
2
Methode
Hieronder bespreken we de gehanteerde methoden voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten. 2.1
Beschermde gebieden
Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone en gebieden die behoren tot Ecologische Verbindingszones. Gebieden die zijn aangewezen als ecologische verbindingszone vallen binnen de Groene Ontwikkelingszone en het GNN en zijn daarom niet weergegeven in hoofdstuk 3. Hierbij zijn brongegevens van de provincie Gelderland gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Voor alle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voor de Natura 2000-gebieden. De provincie Gelderland past met betrekking tot het NNN geen externe werking toe. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn.
Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor NNN-gebied.
2.2 Beschermde soorten
Bureaustudie
Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van tenminste 1 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. Oriënterend veldbezoek
Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Een veldecoloog van Movares heeft op 7 oktober 2021 het plangebied bezocht. Tijdens het veldbezoek is middels visuele inspectie gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspectie is B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOvāreS
8/26
ook een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten. Effectbepaling beschermde soorten
Op basis van de gegevens uit de bureaustudie en het oriënterende veldbezoek heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. Vervolgstappen
Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader/ aanvullend onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van negatieve effecten, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen). 2.3 Beschermde houtopstanden
Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime.
B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
9/26
3
3.1
Beschermde gebieden
Resultaten
In figuur 4.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
plangebied.
B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
10/26
3.1.1. Nature 2000gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken op een afstand van 2.350 meter ten opzichte van het gebied. Ruimtebeslag
De nieuwbouw leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op een afstand van tenminste 2.350 meter. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Verstoring
Gezien de afstand tot het Natura 2000-netwerk kunnen indirecte effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van storingsfactoren zoals geluid en licht worden uitgesloten. Stikstofdepositie
Realisatiefase Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voor tijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. Voorliggend project valt onder dergelijke werkzaamheden en is daarmee vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het realiseren van het project.
Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten kan worden besloten om een dergelijke berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Gebruiksfase Voorliggend project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Het betreft het realiseren van een relaishuis en het aanpassen van het station. In de gebruiksfase wordt hier geen stikstof uitgestoten omdat er geen materieel bij te pas komt. Het realiseren van het relaishuis valt onder het project Maaslijn en het bijbehorende Provinciaal Inpassingsplan (PIP). Er hoeft derhalve voor de gebruiksfase geen AERIUS berekening naar de emissie en depositie van stikstof uitgevoerd te worden.
B85-HLA-KA-2100040 í Proj.nr. RM006190 í Vrijgegeven í Versie 1.0 í 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
11 /26
3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Op een afstand van 750 meter ten oosten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De aanleg van het relaishuis en de opwaardering van het station leiden niet tot ruimtebeslag op het GNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 750 meter kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Er is geen nadere GNN-toetsing benodigd.
3.1.3. Groene On twikkelingszone
De dichtstbijzijnde gebieden die behoren tot de Groene Ontwikkelingszone liggen op een afstand van ongeveer 750 meter van het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van ruimtebeslag zijn uitgesloten. Ook indirecte effecten op de Groene Ontwikkelingszone worden gezien de afstand uitgesloten.
3.2 Beschermde soorten
In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing).
3.2.1. Vaatplanten
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde vaatplanten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.1: Beschermde vaatplanten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 laar. Bron: NDFF, geraadpleegd oktober 2021. Soort Categorie Wnb Glad biggenkruid N Groot spiegelklokje N Kartuizer anjer N Wilde weit N Wolfskers N Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn ofBern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. Het veldbezoek is midden oktober uitgevoerd, een periode die verre van optimaal is om beschermde soorten goed te identificeren. Op basis van biotoop wordt in het plangebied echter ook geen beschermde vaatplantensoort verwacht. De begroeiing op het talud naast de perrons is vrij ruig, matig voedselrijk en met name begroeid met braam. De beschermde vaatplanten die bekend zijn uit de omgeving zijn op de wolfskers na allen of akkeronkruiden (wilde weit, groot spiegelklokje) of planten van voedselarme gronden (glad biggenkruid & kartuizer anjer). Het stationsgebied is ongeschikt als groeiplaats voor akkeronkruiden door het ontbreken van een kalkrijk B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOvāreS
12/26
pionierkarakter. Glad biggenkruid komt met name voor op kalkarme en voedselarme pioniergronden/zandgronden. Kartuizer anjer is een soort van schrale kalkrijke omstandigheden. De spoorzone kent een kalkarme vegetatie met onder andere zandblauwtje en schapenzuring. De aanwezigheid van kartuizer anjer kan redelijkerwijs op standplaats worden uitgesloten. De wolfskers komt voor op beschaduwde, warme en enigszins kalkrijke grond. De soort zou midden oktober nog herkenbaar moeten zijn. Het plangebied kent niet dergelijke omstandigheden en er is maar 1 waarneming bekend op enkele honderden meters van het station. Ook de aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Er zijn geen beschermde soorten vaatplanten aanwezig. Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.2. Vogels
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5^laar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Boomvalk V Buizerd V Gierzwaluw V Grote gele kwikstaart V Havik V Huismus V Kerkuil V Roek V Slechtvalk V Sperwer V Steenuil V Wespendief V Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn ofBern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels
Er is binnen het plangebied geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels. Het gaat om ruigte, struweel en bomen. Er zijn tijdens het veldbezoek diverse algemene vogelsoorten waargenomen, zoals merel, houtduif, ekster, winterkoning en koolmees.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
13/26
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen vogels met een jaarrond beschermd nest waargenomen. Het plangebied is ongeschikt voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Ten eerste zijn er in het plangebied geen horsten in bomen aangetroffen die een nestplaats kunnen bieden voor boombewonende soorten. Ten tweede beschikt de aanwezige bebouwing in het plangebied niet over geschikte invliegopeningen en nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten met jaarrond beschermde nesten als de huismus of gierzwaluw. Ook vormt het struweel geen essentieel foerageergebied voor huismus. Er is voldoende foerageergebied aanwezig aangrenzend aan het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels
Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten. Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er in de te verwijderen bomen, struiken en nestkasten broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Vogels met jaarrond beschermde nesten
In het plangebied worden geen nesten van jaarrond beschermde vogels verwacht. Negatieve effecten op jaarrond beschermde vogels kunnen worden uitgesloten. 3.2.3. Grondgebonden zcicigdieren
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5^ jaar. Bron: NDFF, oktober 2021. Soort Categorie Wnb Bever H Bosmuis AV Bunzing AV Dwergmuis AV Eekhoorn N Egel AV Huisspitsmuis AV Konijn AV Rosse woelmuis AV Steenmarter N B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
14/26
Soort Vos Wezel
Categorie Wnb AV AV
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn ofBern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Er zijn groenstructuren en bosschages aanwezig binnen het plangebied waar zich algemene soorten als rosse woelmuis, egel en bosmuis kunnen bevinden. Dit zijn door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden binnen het plangebied geen soorten grondgebonden zoogdieren verwacht die niet algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie. Voor steenmarter zijn geen verblijfplaatsen aanwezig zoals rommelhoekjes, toegankelijke schuren of andere gebouwen of holen. Grotere bomen die als nestboom voor eekhoorn kunnen fungeren zijn ook niet aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van beide soorten wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Het plangebied is geschikt voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals egel en rosse woelmuis. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. 3.2.4. Vleermuizen
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.4: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5^ jaar. Bron: NDFF, oktober 2021.__________ Soort Categorie Wnb H Gewone dwergvleermuis Laatvlieger H H Rosse vleermuis H Ruige dwergvleermuis Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn ofBern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Het oriënterende veldbezoek heeft overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is zo goed als mogelijk B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
15/26
biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied
De bomen en het struweel in het plangebied vormen potentieel foerageergebied voor vleermuizen. Een gedeelte van het potentiële foerageergebied zal door ruimtebeslag verdwijnen. Er blijft echter voldoende foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied bewaard. Denk hierbij aan bomen en tuinen die direct aan het plangebied grenzen en daaromheen liggen. Het gaat daarom niet om essentieel foerageergebied. Vleermuizen vliegroutes
De bomen binnen het plangebied maken mogelijk onderdeel uit van een vliegroute. Echter bestaan er in de directe omgeving alternatieve vliegroutes. Zo fungeert de bomenrij aan de Verlengde Groenestraat mogelijk ook als vliegroute. Deze bomenrij grenst aan het plangebied en kan daarom ook makkelijk gebruikt worden door vleermuizen zonder dat ze ver om hoeven te vliegen. De bomen binnen het plangebied fungeren daarom niet als onderdeel van een essentiële vliegroute. Er bestaan voldoende alternatieven. Ook fungeren de bomen niet als essentiële hop-over. In de omgeving bestaan met diverse bomen en struwelen dicht op het spoor ook voldoende mogelijkheden voor vleermuizen om het spoor over te steken. Vleermuizen verblijfplaatsen
De bomen binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek visueel geïnspecteerd op holten die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen boomholten aangetroffen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er staan binnen het plangebied geen gebouwen. Enkel infrastructuur zoals perrons en een voetgangersbrug. De brug bevat geen geschikte ruimtes voor vleermuizen en het ontbreekt aan gaten en kieren om in weg te kruipen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan worden uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied
Door de werkzaamheden kan er tijdelijk ruimtebeslag zijn op foerageergebied van vleermuizen. Er blijft echter voldoende foerageergebied in de directe omgeving van de plangebieden bewaard. Denk hierbij aan bomenrijen en tuinen in de omgeving van het plangebied. Het gaat daarom niet om essentieel foerageergebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen wel negatieve effecten door verstoring door licht optreden. Deze effecten kunnen worden voorkomen door te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de groenstructuren onverlicht blijven. Vleermuizen vliegroutes
Het plangebied is mogelijk onderdeel van een vliegroute. Echter bestaan er voldoende alternatieven in de omgeving. Het plangebied betreft dus geen onderdeel van een essentiële vliegroute. Er treden dan ook geen negatieve effecten door ruimtebeslag op essentiële vliegroutes op. B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
16/26
Vleermuizen verblijfplaatsen
In het plangebied staan geen bomen en geen gebouwen met geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen nodig. 3.2.5. Reptielen
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten reptielen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.5: Beschermde reptielen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 laar. Bron: NDFF, oktober 2021.________ Soort Categorie Wnb H Zandhagedis Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn ofBern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen RVO een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen. Ongeveer een kilometer ten zuidoosten is één waarneming van zandhagedis bekend. De spoorzone verder naar het zuiden (meer dan 1 kilometer) in het Rijk van Nijmegen vormt leefgebied voor de zandhagedis. Het plangebied kent maar weinig open zanderige plekken en is te klein om op zichzelf als leefgebied voor een subpopulatie zandhagedissen te fungeren. Ook is de spoorzone tussen station Heyendaal en de populatie zandhagedissen (ruim een kilometer verderop) maar matig geschikt als leefgebied. De spoorzone van het station kent wel een redelijk structuurrijke begroeiing, maar verder weinig plekken met kale grond om te zonnen. De spoorzone richting centraal station Nijmegen is ongeschikt als leefgebied door het ontbreken aan een rijke structuur. Hier is vooral struweel aanwezig en is ook geen talud aanwezig waardoor er geen of weinig geschikte winterverblijfplaatsen zijn. Op basis van biotoop en afstand van ruim een kilometer tot bestaande populaties worden er geen beschermde reptielen verwacht. Effectbespreking en vervolgstappen
Er worden geen beschermde soorten reptielen in het plangebied verwacht. Negatieve effecten op beschermde reptielen worden hiermee niet verwacht. 3.2.6. Amfibieën
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
17/26
Tabel 3.6: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5^laar. Bron: NDFF, oktober 2021._________ Soort Categorie Wnb Alpenwatersalamander N Bastaardkikker AV Bruine kikker AV AV Gewone pad Kleine watersalamander AV Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn ofBern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen RVO een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Er zijn geen watergangen aanwezig binnen het plangebied die geschikt zijn als leefgebied voor amfibieën. Mogelijk vormt het talud een geschikte overwinteringsplaats voor algemene amfibieën. Gezien de verdiepte en geïsoleerde ligging is het echter maar matig geschikt voor amfibieën. Het is niet compleet uitgesloten dat er amfibieën zoals gewone pad en bruine kikker voorkomen. Waarnemingen van alpenwatersalamander bevinden zich enkele honderden meters van het plangebied vandaan. Gezien de geïsoleerde ligging en het ontbreken van water of een vochtige ondergroei/strooisellaag wordt de aanwezigheid van alpenwatersalamander uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Het plangebied is ongeschikt voor strenger beschermde amfibieën. Negatieve effecten op strenger beschermde soorten worden uitgesloten. Wel kunnen algemeen vrijgestelde soorten aanwezig zijn in het plangebied. De kans wordt klein geacht, maar het kan niet geheel worden uitgesloten. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. 3.2.7. Vissen
Resultaten bureaustudie
In de omgeving van het plangebied zijn geen beschermde soorten vissen bekend. Resultaten veldbezoek
In het plangebied zijn geen watergangen of poelen aanwezig. De aanwezigheid van vissen wordt uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen
Negatieve effecten op deze soortgroep zijn uitgesloten. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
18/26
3.2.8. Ongewervelden
Resultaten bureaustudie
In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.8: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5^laar. Bron: NDFF, oktober 2021._____________ Soort Categorie Wnb Grote vos N Iepenpage N Sleedoornpage N N Vliegend hert Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn ofBern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek
Er zijn geen waardplanten of geschikt biotoop voor waardplanten van streng beschermde vlinders aangetroffen. Ook is geen biotoop aanwezig voor beschermde libellen. Er zijn ook geen watergangen aanwezig die geschikt zijn als leefgebied voor bijvoorbeeld de platte schijfhoren. Het vliegend hert is bekend van bosgebieden ten zuidoosten van het plangebied. Het plangebied zelf is ongeschikt als leefgebied voor vliegend hert. De larven zijn afhankelijk van oude zomereiken. Deze zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen
Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.3 Invasieve exoten
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: Hemelboom, reuzenberenklauw, reuzenbalsemien en gevlekte Amerikaanse rivierkreeft, . Er zijn tijdens het oriënterend veldbezoek in het plangebied de volgende invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen: gewone berenklauw en hemelboom. Er staat één grotere hemelboom helemaal in de noordoosthoek van het plangebied. Hieromheen staan enkele zaailingen. De reuzenberenklauw groeit in de zuidelijke berm aan het einde van het perron (westkant).
3.4 Houtopstanden
Binnen het plangebied staan houtopstanden (bomen en struweel). Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt. De houtopstanden maken onderdeel uit van een oppervlakte bos van tien are (1.000 m2) of meer, of maken onderdeel uit van rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Om te bepalen of deze houtopstanden beschermd zijn door de Wnb, moet worden bekeken of de houtopstanden binnen of buiten de grens bebouwde kom Wnb onderdeel houtopstanden vallen. Deze grens moet worden opgevraagd bij de gemeente Nijmegen. Indien de houtopstanden buiten deze grens liggen, is de Wnb van toepassing en geldt er een meldingsplicht en een herplantplicht. Mogelijk kan voor de kap van de houtopstanden tevens een omgevingsvergunning van de gemeente aan de orde zijn vanwege bepalingen in de B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOvāreS
19/26
APV of planregels in het bestemmingsplan. Dit dient nader te worden te worden bekeken.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
ovare:
20/26
4
Conclusie
In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken. 4.1
Beschermde gebieden
Natura 2000
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken bevindt zich op een afstand van ongeveer 2 kilometer. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten door verstoring op Natura 2000-gebied uitgesloten. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/soorten in Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase van het project kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor de vergunningplicht, welke geldt per 1 juli 2021 door de inwerking treding van artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB). Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten kan worden besloten om een AERIUS berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. Natuurnetwerk Nederland (GNN)
Er is geen ruimtebeslag op het GNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 750 meter worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN eveneens uitgesloten. Er is geen nadere GNN-toetsing benodigd. Groene ontwikkelingszone
Er is geen ruimtebeslag op gebieden die behoren tot de Groene Ontwikkelingszone. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 4.2 Beschermde soorten
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels en vleermuizen. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming.
B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
21/26
Tabel 4.1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming). Soortgroep
Beschermde Soorten/functie
Vaatplanten Algemene Broedvogels
Nee Ja
Nader onderzoek nodig Nee Nee
Vogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren
Nee
Nee
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig Nee Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen Nee
Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zoals egel en bosmuis Vleermuizen Nee, het betreft foerageergebied geen essentieel foerageergebied
Nee
Nee, er dient wel rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde dieren.
Nee
Vleermuizen vliegroutes
Nee, het betreft geen essentiële vliegroutes
Nee
Vleermuizen verblijfplaatsen Reptielen Amfibieën
Nee
Nee
Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijven. Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijven. Nee
Nee Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde amfibieënsoorten zoals gewone pad Nee Nee
Nee Nee
Vissen Ongewervelden
Nee Nee
Nee Nee, het betreft door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde dieren. Er dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Nee Nee
B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
Movares
22/26
4.2.1. Maatregelen
4.1
Invasieve exoten
4.2 Houtopstanden
Om negatieve effecten op algemeen beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen worden in ieder geval de volgende maatregelen voorgesteld:______________________ Soortgroep Maatregel Algemene - Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen broedvogels werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet worden gewerkt. Grondgebonden - Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren & zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen Amfibieën werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
Vleermuizen - Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht op naast foerageergebied, gelegen foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes te vliegroutes en voorkomen dient gewerkt te worden tussen zonsopgang en verblijfplaatsen zonsondergang. Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient lichtval op bomen en gebouwen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen.
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: Hemelboom, reuzenberenklauw, reuzenbalsemien en gevlekte Amerikaanse rivierkreeft, . Er zijn tijdens het oriënterend veldbezoek in het plangebied de volgende invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen: gewone berenklauw en hemelboom. Er staat één grotere hemelboom helemaal in de noordoosthoek van het plangebied. Hieromheen staan enkele zaailingen. De reuzenberenklauw groeit in de zuidelijke berm aan het einde van het perron (westkant). Binnen het plangebied staan houtopstanden (bomen en struweel). Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt. De houtopstanden maken onderdeel uit van een oppervlakte bos van tien are (1.000 m2) of meer, of maken onderdeel uit van rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Om te bepalen of deze houtopstanden beschermd zijn door de Wnb, moet worden bekeken of de houtopstanden binnen of buiten de grens bebouwde kom Wnb onderdeel houtopstanden vallen. Deze grens moet worden opgevraagd bij de gemeente Nijmegen. Indien de houtopstanden buiten deze grens liggen, is de Wnb van toepassing en geldt er een meldingsplicht en een herplantplicht. Mogelijk kan voor de kap van de houtopstanden tevens een omgevingsvergunning van de gemeente aan de orde zijn vanwege bepalingen in de B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr.
RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOvāreS
23/26
APV of planregels in het bestemmingsplan. Dit dient nader te worden te worden bekeken. 4.3 Kansen voor natuur
Om biodiversiteit in en rondom het plangebied te verhogen, kunnen de volgende maatregelen worden toegepast: - Om de biodiversiteit te verhogen kan het relaishuis natuurinclusief worden aangelegd. Hierbij kan worden gedacht aan een groen dak of het inmetselen van voorzieningen voor huismussen of vleermuizen. Ook de omgeving van het relaishuis en het station kunnen op een manier worden ingericht zodat de biodiversiteit daarbij gebaat is. Dit gaat vaak hand in hand met klimaatadaptie. - Aanplanten van inheems groen op delen die na de werkzaamheden beschikbaar zijn. - Het behouden en versterken van de schrale spoorbermvegetatie door deels open plekken te creëren en deze na de werkzaamheden vanzelf dicht te laten groeien door gebruik te maken van de aanwezige zaadbank.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
24/26
5
Bronnen
Nationale Databank voor Flora en Fauna (oktober 2021)
B85-HLA-KA-2100040 I Proj.nr. RM006190 I Vrijgegeven I Versie 1.0 I 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en ProcessenIgroep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
25/26
Colofon Opdrachtgever
Uitgave
ProRail B.V.
Movares Nederland B.V. Kennislijn Omgeving en Processen groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering Daalseplein 100 Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Telefoon
030 265 55 55
Ondertekenaar Projectnummer Kenmerk
RM006190 B85-HLA-KA-2100040
Error! AutoText entry not defined.
B85-HLA-KA-2100040 / Proj.nr. RM006190 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 18 oktober 2021 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
MOVareS
26/26
Bijlage I: wet- & regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Wet natuurbescherming (Wnb)
De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet. Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van hoofdwegen en hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet en hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet. Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden.
Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een 'passende beoordeling'. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend.
Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: ^ A - alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; ^ D - er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en ^ C - de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken. Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden.
Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voor tijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energieinfrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. De vrijstelling is partieel omdat een structurele toename van stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase (na realisatie project) niet vrijgesteld is. Middels een projectspecifieke AERIUS berekening dient voor de gebruiksfase getoetst te worden of er sprake zal zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Wanneer depositie niet uitgesloten kan worden is aanvullende toetsing (voortoets, passende beoordeling, ADC-toets) benodigd en of dient gekeken te worden of de depositie middels mitigerende maatregelen of interne/externe saldering weggenomen kan worden. Bij een ADC-toets dient aangetoond te worden dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000-gebieden, er een Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden. Soortbescherming
De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb);
3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor vogels zoals opgenomen in artikel 3.1 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht.
Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/ofBonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5: 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10.