5. Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Nijmegen 2024
Tekst van het document
Verband
aangepaste
douche- en toiletgang
Voorbeelden
Hoog/laag-bed, tillift, standaardrolstoel.
standaardrolstoel,
Orthopedische
schoenen, protheses
douchestoel, postoel middelen
Situaties (uitgangspunt: persoon heeft een zzp-indicatie en kan die op verschillende manier verzilveren) In instelling
(verblijf met
behandeling) Wlz
Wlz
Wlz
Wlz
Wlz
n.v.t.
Zvw
Zvw
Wlz
n.v.t.
Zvw
Zvw
Niet in instelling (verblijf zonder behandeling
VPT
Type
Individueel
aangepaste rolstoel
Aan persoon Omschrijving
aangepaste
rolstoel (geen standaard)
Voorbeelden
Overige
hulpmiddelen
Compensatie stoornis
Vervoer
onderdeel zorg
Van en naar
dagbesteding
WoonVervoer
(mobiliteit)
Verplaatsen in en
Voorzieningen/
instelling en
om zelfstandig
om woning /
onderhouden
sociale contacten
Hoortoestel
Georganiseerd vervoer (busje)
voorzieningen
Mobiliteitshulpmiddelen (nog nader te af te bakenen)
aanpassingen
thuis te kunnen blijven wonen. Bouwkundige aanpassing, tillift
Situaties (uitgangspunt: persoon heeft een zzp-indicatie en kan die op verschillende manier verzilveren) In instelling
(verblijf met
Wlz
Zvw
Wlz
Wlz
n.v.t.
behandeling
Wmo
Zvw
Wlz
Wmo
n.v.t.
VPT
Wmo
Zvw0000000
Wlz
Wmo
Wmo
behandeling) Niet in instelling (verblijf zonder
In aanvulling hierop, sociaal vervoer= algemene vervoersvoorziening (bijv. busje) om sociale contacten te onderhouden, zowel binnen (Wmo) als buiten de regio (Valys).
BIJLAGE 5: Protocol bekwaamheid pgb
Het is van groot belang dat de cliënt een goed beeld heeft van wat er allemaal komt kijken bij een pgb en
het Buurtteam of de GGD zich een beeld vormt van de bekwaamheid van de aanvrager. Per Saldo heeft een vragenlijst ontwikkeld met vragen die een lid van het sociale team met een cliënt kan bespreken. Hiermee wordt enerzijds voor de cliënt duidelijk wat er allemaal bij het beheren van een pgb komt kijken en krijgt het lid van het sociale team een beeld van de bekwaamheid van de cliënt. De vragen die in een gesprek aan bod kunnen komen zijn als volgt:
Wat maakt u een goede budgethouder? a.
Wat weet u van het pgb?
b.
Weet u wat rechten en plichten rondom een pgb zijn?
c.
Als het voor u nieuw is, bent u bereid om u hierover verder te laten informeren?
d.
Welke rol kan de gemeente daar in vervullen?
e.
Vindt u het lastig of prettig om zelf een zorgverlener uit te kiezen?
f.
Vraagt u makkelijk om ondersteuning als u er zelf niet uit komt?
g.
Kunt u hulp inschakelen van iemand uit uw omgeving?
Weet u welke hulp nodig is? a)
Heeft u inzicht in het soort hulp en ondersteuning dat nodig is in relatie tot uw beperking(en)?
b)
Kunt u begroten, plannen en vooruitdenken?
c)
Bent u in staat om een planning, een takenlijst en een functieomschrijving te maken?
d)
Kunt u een profielschets voor de hulp opstellen?
e)
Kunt u vooraf een plan maken en een begroting?
Weet u wie u als zorgverlener wilt hebben? a)
Heeft u inzicht in het hulpaanbod: weet u waar u de hulpverlening kunt vinden?
b)
Heeft u inzicht in de wegen om hulp te vinden in het formele en in het informele circuit?
c)
Kunt u selecteren op kwaliteit van de hulpverlening?
Bent u een goede werkgever of opdrachtgever? a)
Kunt u de juiste hulp selecteren, door bijvoorbeeld een sollicitatiegesprek te voeren?
b)
Kunt u afspraken, planning en/of werkinstructies maken?
c)
Kunt u zorg dragen voor het regelen van vervanging bij ziekte en voor het maken van roosters?
d)
Kunt u zorgen voor waardering van uw zorgverlener? Denk aan salaris en secundaire
arbeidsvoorwaarde en in de menselijke verhoudingen - attentie, functioneringsgesprek, en dergelijke.
Bent u in staat de financiën te beheren en overige zaken te regelen?
a)
Kunt u overleg voeren met instanties zoals de gemeente of het CAK?
b)
Kunt u de financiën bewaken om uit te komen met uw pgb?
BIJLAGE 6: Nadere criteria sociaal recreatief vervoer Wmo en Jeugdhulp
Het kunnen verplaatsen is van belang bij zelfstandige maatschappelijke participatie. Vandaar dat Nijmegen bijdraagt aan een openbaar vervoer in de regio welke in principe rolstoel- en
rollatortoegankelijk is voor mensen met een fysieke beperking. De gemeente Nijmegen heeft geïnvesteerd in het toegankelijk maken van bushaltes en bussen, zodat deze voor een zo groot mogelijk publiek
bereikbaar zijn. Daardoor wordt verwacht dat het grootste deel van de inwoners in staat is om gebruik te maken van het openbaar vervoer, ook wanneer iemand rolstoelafhankelijk is. Het openbaar vervoer geldt als algemene voorziening dan ook expliciet als voorliggend op een aanspraak op vervoersvoorzieningen
op grond van de Wmo 2015. Dat is ook wenselijk omdat het openbaar vervoer mensen een relatief grote vorm van verplaatsingsvrijheid biedt.
Indien gebruik maken van het reguliere openbaar vervoer door beperkingen niet mogelijk is, kan de
inwoner in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015. Als eerste
wordt gekeken of een inwoner beperkingen heeft bij het buitenshuis verplaatsen die opgelost kunnen
worden door zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer. Daarnaast wordt bekeken of hij/zij met beschikbare hulp van personen uit zijn sociale netwerk en/of van vrijwilligers kan reizen. Tot slot
wordt ook gekeken of hij/zij niet in zijn vervoersbehoefte kan voorzien door gebruikmaking van een in het huishouden beschikbare auto en/of voorliggende voorzieningen zoals Automaatje of de Zonnebloemauto.
Als bovenstaande opties niet mogelijk zijn kan de inwoner mogelijk in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Afwegingskader In de volgende gevallen wordt geen vervoersvoorziening verstrekt: •
Woon-werkverkeer
De vervoersvoorziening is niet bedoeld om te reizen naar bijvoorbeeld een sociale werkplaats of
verplaatsingen in het kader van een betaalde baan. Het woon-werkverkeer valt niet onder de Wmo
2015, daarvoor blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk (aanvraag via UWV). •
Zittend ziekenvervoer
De vervoersvoorziening is niet bedoeld voor reizen naar medische behandelingen waarvoor vervoer via de Zvw mogelijk is. •
Dubbele of overlappende voorzieningen
In principe worden er niet meerdere vervoersvoorzieningen en/of rolstoelvoorzieningen
gecombineerd verstrekt. Zo is een combinatie van scootmobiel en elektrische rolstoel niet mogelijk. Uitzondering hierop zou enkel de Avan-pas kunnen zijn: deze kan, indien de individuele
vervoersbehoefte daartoe noodzaakt, worden gecombineerd met een hulpmiddel voor vervoer •
Bovenregionaal vervoer (Valys)
Alle bovenregionale vervoersdoelen (meer dan 25 kilometer) vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is een
vervoerssysteem voor bovenregionaal vervoer en valt buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente.
•
Boodschappen doen
Voor enkel het doen van boodschappen wordt geen vervoersvoorziening ingezet. Hiervoor wordt
verwezen naar boodschappenservices die o.a. vanuit verschillende supermarkten worden aangeboden of (indien van toepassing) de huishoudelijke hulp voorziening.
Bepaling geschiktheid Collectief vraagafhankelijk vervoer (Wmo) Als is onderzocht dat het openbaar vervoer en/of het netwerk geen mogelijkheden biedt om het
vervoersprobleem op te lossen en het vervoer valt buiten het hierboven genoemde afwegingskader wordt allereerst gekeken of de beperkingen gecompenseerd kunnen worden met het sociaal recreatief vervoer via het collectief vraagafhankelijk vervoer (voorheen Regiotaxi).
Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer via Avan kennen we een Wmo-vervoerspas. Met de pas kan de inwoner tegen gereduceerd tarief reizen met Avan. Aan de hand van de vervoersbehoefte wordt bepaald hoeveel kilometer de inwoner op jaarbasis tegen gereduceerd tarief gebruik kan maken van Avan. Of de
vervoersbeperking gecompenseerd kan worden doormiddel van het collectief vraagafhankelijk verover kan worden onderzocht aan de hand van o.a. onderstaande vragen en kaders: a.
Wat zijn de beperkingen? Het gaat hierbij niet alleen om medische beperkingen om deel
b.
Kan de inwoner zelfstandig of met behulp van een begeleider gebruik maken van het
c.
d. e. f. g.
te nemen aan het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV); CVV? Is deze begeleider aanwezig?
Wat is de (lokale) vervoersbehoefte van een inwoner?
Kan met het CVV in deze vervoersbehoefte worden voorzien?
Zijn er specifieke persoonskenmerken van de klant waar rekening mee gehouden moet worden?
CVV is deur-tot-deur vervoer. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen, bij het dragen van bagage en begeleiden tot aan de deur als dat nodig is. CVV is géén kamer-tot-kamer vervoer.
Voor het CVV (Wmo-vervoer en voorheen Regiotaxi) via Avan gelden verder de volgende kaders: 1.
2. 3. 4. 5.
6.
7.
8.
Het vraagafhankelijk vervoer is een voor iedereen toegankelijk vervoersysteem, mits men zelfstandig
of onder begeleiding kan reizen (begin tot einde van de reis). Als dit niet mogelijk is, kan de inwoner niet mee met Avan.
Het vraagafhankelijk vervoer is van deur-tot-deur. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen en begeleidt (inclusief bagage), indien nodig en mogelijk, tot aan de deur.
De deur als bedoeld in 2 is bij bijvoorbeeld een flat, appartementencomplex of verzorgingshuis de centrale toegangsdeur.
Hulpmiddelen zoals rolstoel, rollator en scootmobiel mogen worden meegenomen in het CVV.
De bijdrage van de gemeente beperkt zich tot het verplaatsen per vervoermiddel in de eigen woon-
en leefomgeving. Het gaat om lokaal verplaatsen, dat wil zeggen verplaatsingen in een straal van 25 kilometer rond de woning.
Indien een inwoner herhaaldelijk zonder afzegging geen gebruik maakt van ritten die hij heeft
aangevraagd (zgn. loosmeldingen) kan (al dan niet tijdelijk) zijn Wmo-vervoerspas geblokkeerd worden, waardoor gebruik van Avan niet meer mogelijk is.
Als sprake is van structurele begeleiding voor en na de rit en dezelfde begeleider de inwoner ook
tijdens de rit begeleidt, dient onderzocht te worden of het niet mogelijk is om gebruik te maken van het OV als voorliggende voorziening.
De minimale afstand waarover een inwoner vervoerd kan worden is 500 meter voor een enkele rit. Maatwerk is mogelijk wanneer een inwoner deze afstand niet op een andere manier kan afleggen.
9.
Voor het aantal kilometers dat tegen gereduceerd (Wmo) tarief gereisd kan worden met het vraagafhankelijk vervoer geldt: -
Maximaal 2000 kilometer per jaar, aangezien dit voldoende is om binnen de stadse omgeving te
-
Maximaal 750 kilometer per jaar voor inwoners die naast de Wmo-vervoerspas tevens een andere
voorzien in sociaal recreatief vervoer.
op grond van de Wmo verstrekte vervoersvoorziening hebben, bijvoorbeeld een scootmobiel.
Als de reiziger aan het maximaal aantal kilometers zit, kan nog steeds gereisd worden met Avan tegen het reguliere tarief. Kijk voor een actueel overzicht van ritprijzen, vervoerregelement en tarieven op: www.avan-vervoer.nl/wat-kost-het
10. Mocht na toewijzing van de voorziening vraagafhankelijk vervoer uit de managementinformatie van Avan blijken dat de inwoner minimaal 1 jaar geen of incidenteel gebruik maakt van Avan, kan het college de voorziening stopzetten. Als de inwoner daarna alsnog gebruik wenst te maken van de
voorziening dient opnieuw ‘het gesprek’ met de inwoner gevoerd te worden om de noodzaak van de voorziening vast te stellen.
Bijzondere indicaties: Bijzondere indicaties kunnen worden toegekend indien de aanvrager al is geïndiceerd voor collectief
vraagafhankelijk vervoer. Van bijzondere indicaties wordt terughoudend gebruik gemaakt en voor alle bijzondere indicaties geldt dat ze vermeld worden in de toekenningsbeschikking.
Kamer-tot-kamer en individueel vervoer Voor de extra indicaties kamer-tot-kamer vervoer en individueel vervoer kan men in aanmerking komen
mits sprake is van een medische verklaring afgegeven door een medisch specialist waarin is geformuleerd waarom de indicatie noodzakelijk is.
Collectief aanvullend vervoer per rolstoelbus Indien een inwoner een rolstoel moet meenemen die niet opvouwbaar is, dan wel gezeten in de rolstoel
vervoerd moet worden, kan een indicatie rolstoelbus aangevinkt worden. De rolstoel moet voldoen aan de daarvoor gestelde eisen van zittend rolstoel vervoer.
Collectief aanvullend vervoer per personenauto Indien het vervoer per taxibus om medische redenen niet mogelijk is, kan als oplossing voor het vervoersprobleem gekozen worden voor vervoer per personenauto.
Voorinzitgarantie Bij vervoer met Avan bestaat de mogelijkheid van de voorinzitgarantie. Dit is een bijzonder indicatie waarbij de inwoner te allen tijde voorin (naast de bestuurder) kan zitten tijdens de rit. Deze
voorinzitgarantie kan bijvoorbeeld ingezet worden als er problemen zijn met de beschikbare beenruimte achterin.
Medisch begeleider Indien het tijdens de rit (medisch) noodzakelijk is dat een begeleider aanwezig is, kan een indicatie
medisch begeleider worden afgegeven. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het uitvoeren van medisch
noodzakelijke handelingen tijdens de rit of om zeer ernstig gedragsmatige redenen. Voor de begeleider
wordt geen ritbijdrage gevraagd. Voor deze extra indicatie kan men in aanmerking komen mits er sprake
is van een medische verklaring afgegeven door een medisch specialist waarin is geformuleerd waarom de indicatie noodzakelijk is.
Wmo sociaal vervoer Mensen die voor het ‘vervoer van alledag’ (bijvoorbeeld familiebezoek) als gevolg van hun beperking geen gebruik kunnen maken van de het openbaar vervoer of het collectief aanvullend vervoer, komen in
aanmerking voor een individuele vervoersvoorziening (maatwerkvoorziening) in de vorm van een pgb voor het gebruik van de eigen auto, een (reguliere) taxi of rolstoeltaxi. De vergoeding hiervoor bedraagt
maximaal: € 540,- per jaar. Dit compenseert de belanghebbende over een afstand van 2000 kilometer (€ 0,27 per kilometer), wat de maximale grens uit de jurisprudentie is. Deze vergoeding wordt eenmaal per jaar uitgekeerd. In individuele gevallen kan besloten worden het recht voor een kortere periode vast te
stellen en het budget naar rato voor de kortere periode uit te keren. Met het bedrag wordt iemand geacht deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Daarmee is sprake van een aanvaardbare mate van maatschappelijke participatie.
Hierbij dient te worden meegewogen dat iemand met de vervoersvoorziening in de directe woon- en
leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten kan onderhouden en deel kan nemen aan het leven van alledag, aan de hand van de volgende criteria: •
Het zorgplichtgebied voor vervoersvoorzieningen gaat verder dan alleen het gebied binnen de gemeentegrenzen. Het gaat ook om sociaal vervoer binnen de regio.
• •
Onder regionaal vervoer wordt een afstand van 25 kilometer vanaf het woonadres verstaan.
Wil een vervoersvoorziening of combinatie van vervoersvoorzieningen compenserend zijn dan
moet met de toegekende voorziening(en) circa 1500 tot 2000 kilometer (afhankelijk van de lokale omstandigheden) per jaar gereisd kunnen worden. Zaken die bij de beoordeling extra aandacht vragen zijn: •
De gezinssituatie: indien sprake is van een gezinssituatie waarbij een ouder of een kind met
beperkingen een indicatie heeft voor collectief vervoer maar de rest van het gezin met de eigen
auto reist. Als dit gescheiden reizen niet wenselijk is en tot grote praktische problemen leidt, kan er in deze situatie aanleiding zijn voor een maatwerkoplossing. Het gaat dan om: a. echtparen of alleenstaande ouders met kinderen tot en met 12 jaar of b. een kind met beperkingen dat nog geen 12 jaar is op het moment van de aanvraag, en: • • • • •
beperkingen door temperatuurschommelingen;
meenemen van kind(eren) bij verplaatsingen op (zeer) korte afstanden; het kunnen verrichten van organisatie- en planningsactiviteiten; bezwaren van praktische aard;
incontinentie: met goed incontinentiemateriaal blijft collectief vervoer binnen 25 kilometer adequaat; in uitzonderlijke situaties is mogelijk maatwerk nodig;
•
fobie/angsten/gedragsstoornissen: een officiële diagnose en een (afgerond) behandelplan zijn de onderleggers voor de maatwerkbeoordeling;
•
minderjarigheid: er geldt een minimumleeftijd van 12 jaar bij zelfstandig reizen.
Reis- en wachttijden en de voorkeur voor een andere vervoersvoorziening (eigen auto) vormen op zich geen contra-indicatie voor het collectief vervoer.
Voor de beoordeling of er medische beperkingen aanwezig zijn die gebruik van het collectief
vraagafhankelijk vervoer (voorheen Regiotaxi) verhinderen kan medisch advies worden opgevraagd.
Afwijkende hoogtes van het budget
1. Wanneer echtgenoten beiden op grond van beperkingen vanwege ziekte of gebrek een individuele
vervoersvoorziening behoeven, kan als de behoeften van de echtgenoten samenvallen, volstaan worden
met een enkele voorziening. Vallen de behoeften niet samen of slechts ten dele, wordt niet meer dan 1,5 maal het normbedrag van € 540,- verstrekt. Heeft één van hen tevens een vervoermiddel voor de korte afstand, wordt 60% in plaats van 75% van het normbedrag verstrekt, dus 75% + 60% = 135% van het normbedrag.
2. Voor jongeren gelden de volgende percentages: •
kinderen tot 2 jaar ontvangen geen pgb, tenzij deze kinderen vanwege de speciale
wandelwagen/rolstoel niet met het openbaar vervoer mee kunnen: 50% van het normbedrag; • • •
kinderen van 2 tot 12 jaar: 50% van het normbedrag;
kinderen ouder dan 12 jaar: 100% van het normbedrag;
indien meerdere kinderen uit één gezin in aanmerking komen voor een pgb voor vervoerskosten wordt maximaal 75% van het normbedrag per kind verstrekt. Een grotere vervoersbehoefte moet worden aangetoond.
3. Wanneer de aanvrager tevens een voorziening heeft voor de korte afstand, wordt 60% van het normbedrag verstrekt.
4. Bewoners van een Wlz-instelling met een zelfstandige vervoersbehoefte ontvangen in de regel 60% van het normbedrag als forfaitaire vergoeding. Indien het merendeel van de contacten buiten de Wlz-
instelling ligt, kan een hogere vergoeding tot 100% van het normbedrag worden verstrekt. Deze hogere
vervoersbehoefte moet worden aangetoond. De vervoersbehoefte is mede afhankelijk van het soort Wlzinstelling en de mate van zelfstandig wonen.
Uitzondering zijn bewoners uit de gezinsvervangende tehuizen en regionale instellingen voor beschermd wonen: zij ontvangen 100% van het normbedrag.
Auto-aanpassing Cliënten kunnen alleen in aanmerking komen voor het aanpassen van de eigen auto als zij geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer en verstrekking van een individuele vervoersvoorziening niet adequaat is of niet de goedkoopst adequate oplossing vormt. Aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking komen dienen medisch en ergonomisch noodzakelijk te zijn bijvoorbeeld: • • •
Aanpassingen aan de besturing van de auto (ter beoordeling van het CBR). Aanpassingen aan de stoel van de chauffeur/bijrijder .
Aanpassingen voor het meenemen van een rolstoel in de auto (maar niet voor het meenemen van andere vervoersvoorzieningen zoals een scootermobiel).
• •
Aanpassingen voor het vervoer van een rolstoelgebruiker.
Voor het aanpassen van de auto gelden de volgende vergoedingen. Het betreft een richtlijn waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.
•
De gemeente vraagt een gesplitste offerte bij de garage op: -
de dagwaarde van de auto zonder aanpassingen de dagwaarde van de autoaanpassingen.
De dagwaarde van de autoaanpassingen zal dan worden vergoed. Op het moment dat de auto ouder is dan 7 jaar, wordt er geen vergoeding verstrekt voor de autoaanpassing.
Een autoaanpassing komt slechts eens in de zeven jaar voor vergoeding in aanmerking. Hierop is een uitzondering mogelijk wanneer het een progressieve handicap betreft waardoor vaker aanpassen noodzakelijk is, of wanneer het een opgroeiend kind betreft.
BIJLAGE 7: Toetsingskader Vervoer naar dagbesteding, dagbehandeling en verblijf Jeugdhulp en Wmo Dit toetsingskader heeft betrekking op: het vervoer van en naar een (jeugd)hulplocatie;
•
het vervoer van en naar een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo, betreffende
•
dagbesteding of kortdurend verblijf;
zowel lokaal, regionaal als bovenregionaal vervoer.
•
Criteria 1.
We verstrekken de goedkoopst adequate voorziening
Dit betekent dat wanneer er een maatwerkvoorziening of individuele voorziening voor vervoer wordt
ingezet we uitgaan van de dichtstbijzijnde adequate (jeugdhulp)voorziening. Wanneer een cliënt kiest
voor een aanbieder verder weg dan de dichtstbijzijnde aanbieder met een kwalitatief goed/voldoende aanbod, kan dit consequenties hebben voor het te verstrekken vervoer. 2.
We verstrekken geen vervoersvoorziening wanneer:
a)
er een andere regeling is op grond waarvan een cliënt gebruik kan maken van vervoer;
b)
er een eigen oplossing is voor vervoer of een oplossing vanuit het eigen netwerk, met vrijwilligers
of maatjes.
Eigen oplossing: Bij het bepalen van de mate van zelf organiseren van het vervoer geldt de eis van
redelijkheid en billijkheid, daarbij wordt gekeken naar de financiële situatie (eventuele bijstandsuitkering of Wajong). Bij jongeren wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van voorliggende voorzieningen die jongeren in staat stellen om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. c)
het vervoer valt onder de gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijk is.
Het betreft hier hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. In geval van jeugdhulp is dit ook
gerelateerd aan de leeftijd van het kind. Onder gebruikelijke hulp valt in ieder geval het halen en brengen van en naar jeugdhulp binnen een straal van 6 kilometer voor kinderen onder de 12 jaar. d)
het vervoer niet langdurig noodzakelijk is of het vervoer slechts een geringe intensiteit heeft
(beperkt aantal keren per maand).
Hieronder vallen de meeste vormen van ambulante behandeling of begeleiding, en vervoer van en naar kortdurend verblijf (logeerfunctie).
Afwijken van de beleidsregels
Een uitzondering op de beleidsregels kan gemaakt worden wanneer het volgen van de beleidsregels voor
een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen (artikel 4:84 Awb). Hierbij kan gedacht worden aan: a)
Ernstige ontwrichting van het gezinsleven door het halen en brengen van een kind naar jeugdhulp;
b)
Ernstig overbelaste mantelzorgers;
c)
Bij jeugdhulp in het gedwongen kader;
d)
Situaties onbillijk van aard.
Er kan een vangnet worden toegepast waarbij cliënten wel zelf vervoer kunnen regelen, maar waarbij de financiële draagkracht onvoldoende is: •
Taxi-vergoeding: vergoeding van kosten van een taxirit.
•
Vergoeding OV: vergoeding van de kosten op basis van 2e klas van de snelste route van woonadres
naar locatie van (jeugd)hulp.
Toetsingskader vervoer Regio Nijmegen:
Bijlage 8 Nadere criteria onderscheid tussen reguliere en specialistische begeleiding
Sinds 2017 hebben 2 bouwstenen voor begeleiding: reguliere en specialistische begeleiding zonder onderscheid tussen waakvlam-, kortdurende, middellange of langdurige begeleiding.
Onderstaand schema geeft inzicht wanneer welke soort begeleiding nodig is bij een cliënt vanuit de doelgroep GGZ- en NAH-cliënten, al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking (specialistische begeleiding is niet bedoeld voor mensen met alleen een verstandelijke,
lichamelijke/somatische of geriatrische beperking). Om te bepalen of specialistische begeleiding aan de orde is moet aan alle criteria uit de kolom Specialistische begeleiding zijn voldaan.
Reguliere begeleiding
Specialistische begeleiding
- Bij beperkt regieverlies en/of beperkte
- Bij ernstig regieverlies op meerdere leefgebieden
gevolgen voor het dagelijks leven. - (Redelijk) voorspelbare situatie.
als gevolg van een Ernstige Psychische Aandoening
(EPA) of Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH) al dan niet in combinatie met een verstandelijke
beperking; cliënt is passief/zeer beperkt actief. - De situatie is onvoorspelbaar; instabiele
psychische situatie: de cliënt of het kind is zeer snel psychisch uit balans (met bijvoorbeeld psychoses tot gevolg). Het opstellen van het begeleidingsplan is
Het gezamenlijk opstellen van het begeleidingsplan
met de cliënt en zijn gezin/systeem/netwerk
gezinssituatie, wat Sociale Netwerkstrategieën niet
overzichtelijk en wordt in nauwe samenwerking opgesteld, bij voorkeur met behulp van Sociale Netwerkstrategieën.
- Bij volwassenen: (redelijk) ziekte-inzicht is aanwezig en cliënt en/of zijn begeleider
herkennen signalen die duiden op dreigend
is complex vanwege de instabiele cliënt- of uitsluit.
Geen/zeer beperkt ziekte-inzicht: begeleiding
nodig bij het verbeteren van het ziekte-inzicht.
terugval (zoals isolatie/terugtrekken).
- Er zijn afspraken over wanneer en hoe men
eventueel aanvullende hulp zal inschakelen en de cliënt is in staat om zich aan deze afspraken te houden.
Accent begeleiding is gericht op stabiliseren (op orde brengen) of handhaven van de situatie.
Accent begeleiding is gericht op: - het beoordelen of behandeling nodig is, ter
overbrugging tot de behandeling of ter motivatie tot behandeling of;
- het methodisch trainen van vaardigheden die
geleerd moeten worden vanuit de behandeling.
Accent van de begeleiding ligt op: Oefenen van vaardigheden; samen met cliënt
Ontwikkelingsgericht trainen van vaardigheden met behulp van methodische interventies.
uitvoeren van dagelijkse taken (met name huishoudelijke en gezinstaken)
Ondersteunen bij het regelen/overnemen van dagelijkse/praktische bezigheden (financiën,
dagstructuur, zelfstandig wonen, participatie, sociale contacten, gezondheid, etc.) Ondersteuning mantelzorg Activering Stabiel medicatiegebruik.
Leren omgaan met veranderingen in
Hier volstaat een professional op (minimaal)
Door de complexiteit en hoge mate van instabiliteit
MBO-niveau.
medicatiegebruik.
van de situatie is een professional nodig op minimaal HBO-niveau.
In het algemeen is begeleiding (regulier en specialistisch) gericht op ondersteuning in de dagelijkse redzaamheid op alle leefgebieden voor zover nodig: zelfstandig wonen, werk, participatie, sociale
contacten, financiën, gezondheid, etc.. Het kan bijvoorbeeld gaan om sociaal-emotionele begeleiding,
aanleren en oefenen van (sociale en/of praktische) vaardigheden in het dagelijks leven, het aanbrengen
van dagstructuur of activering. Er moet altijd een begeleidingsplan zijn met concrete doelen en daaraan gekoppelde activiteiten/acties die periodiek geëvalueerd worden. Uit het begeleidingsplan moet bij
specialistische begeleiding tevens blijken dat de genoemde criteria vertaald zijn in doelen en methodische interventies.
In de praktijk zien we casuïstiek waarbij een deel van de begeleiding door een specialistische begeleider wordt gedelegeerd naar de reguliere begeleider. Er zal dan op dit moment gewerkt worden met ‘het
stapelen van bouwstenen’: een combinatiebeschikking van bijvoorbeeld de bouwsteen specialistische waakvlambegeleiding (voor toezicht en coördinatie) en begeleiding regulier voor het stabiliseren en
toepassen van vaardigheden in de dagelijkse praktijk. De specialistische begeleider raakt hiermee niet uit
beeld en kan bij vragen of evaluaties betrokken blijven in de casus. Hierbij zal rekening worden gehouden met de continuïteit van de hulpverlening (zoveel mogelijk dezelfde professionals) maar ook met doelmatige inzet van middelen.