Toelichting Tochtpad Noordeinde
Tekst van het document
4.3
Bodem Algemeen Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies. Toetsing 6 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek worden navolgend besproken, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding voor de uitvoering van nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. De aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond geven geen beperkingen ten aanzien van het huidige gebruik en de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de beoogde herontwikkeling van de locatie ten behoeve van woningbouw. Het grondwater op de zuidelijke deellocatie is nog niet onderzocht en dient ter aanvulling op onderhavig onderzoek nog te worden bemonsterd en geanalyseerd. De aangetoonde gehalten voor PFAS in de kleiige bovengrond van de zuidelijke deellocatie voldoen aan de toepassingswaarden voor klasse Wonen/Industrie, volgens het Tijdelijk handelingskader.
De aangetoonde gehalten aan PFAS in de overige boven- en ondergrondmengmonsters op de noordelijke en zuidelijke deellocatie voldoen aan de toepassingswaarden voor klasse Landbouw/natuur. Op basis van de bureaustudie valt op de locatie geen asbesthoudend materiaal op of in de bodem te verwachten. Gedurende de veldwerkzaamheden zijn wel bijmengingen van puin in de bodem aangetroffen, waardoor geadviseerd wordt een asbestonderzoek uit te voeren middels het graven van inspectiegaten en het 6
Milieu Advies (2020). Verkennend bodemonderzoek nieuwbouwlocatie ‘Tochtpad Noordeinde’ te Zevenhoven. Rapportnummer: AT20090. Juli 2020. 31
verrichten van asbestanalyses. Een bijmenging aan puin kan duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem. 7 Op 3 november 2021 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd , wat bestaat uit een asbestonderzoek en een grondwateronderzoek (bijlage 9). Dit onderzoek concludeert dat in de vaste bodem (grond en repac) visueel en analytisch geen asbest is aangetroffen. Het grondwateronderzoek heeft aangetoond dat er plaatselijk enkele parameters licht verhoogd zijn. Desondanks vormt de vastgestelde grondwaterkwaliteit geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van de locatie. Tevens geven de onderzoeksresultaten geen aanleiding om vervolgonderzoek te adviseren. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Geluid Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Als geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te doen naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen, is een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek wel wenselijk zijn. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of de geluidbelasting binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De voorkeursgrenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. Voor spoor-weglawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van haar eigen beleid en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Toetsing Het voorliggende plangebied is gelegen in de onderzoekszone van de gebiedsontsluitingsweg Tochtpad. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar 8 wegverkeerslawaai uitgevoerd.
De belangrijkste resultaten zijn hieronder beknopt verwoord, de volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidsbelasting als gevolg van omliggende 30 km/u wegen inzichtelijk gemaakt.
7
Waders Milieu BV (2021). Aanvullend bodemonderzoek nieuwbouwlocatie ‘Tochtpad Noordeinde’ Zevenhoven. Kenmerk: 21424501a. 3 november 2021.
8
SAB (2021). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Tochtpad, Noordeinde. Projectnummer: 200341. 28-06-2021. 32
Op basis van onderhavig onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van het bouwvlak vanuit de verbeelding, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Van elke individueel te onderscheiden weg is geen sprake van een overschrijding van de (gehanteerde) voorkeursgrenswaarde. Op basis van de resultaten wordt daarmee voldaan aan de Wgh en/of een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid, afkomstig van wegverkeer, vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5
Geur Algemeen Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Geurhinder overig Overige bedrijven en voorzieningen vallen onder de algemene geurvoorschriften (art 2.7a) van het Activiteitenbesluit. Toetsing Het plangebied bevindt zich aan de rand van Noordeinde. In de directe nabijheid (een straal van circa 1.000 meter) van de ontwikkelingslocatie bevinden zich geen (intensieve) veehouderijen. Het uitvoeren van een onderzoek naar geurhinder voor veehouderijbedrijven is daarom niet noodzakelijk. Ook de bedrijfsmogelijkheden van bedrijven worden niet belemmerd. Voor het nabijgelegen rioolgemaal is het aspect geur wel van belang.
In paragraaf 4.2 Bedrijven en milieuzonering is hier op ingegaan. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
33
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen -6 (ofwel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst -6 aan het plaatsgebonden risico van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.
Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. Toetsing QRA hogedrukaardgasleiding Onderhavig plan voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten (woningen). In de omgeving van het plangebied bevindt zich één risicobron, zoals op navolgende kaart weergegeven. Het betreft een ondergrondse hogedrukaardgasleiding van de Gasunie (leiding nr. W-529, diameter 12 inch en werkdruk 40 bar). Voor de risico’s van de ondergrondse hogedrukaardgasleiding zijn in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) eisen gesteld.
Dit Besluit verplicht het bevoegd gezag om bij een aantal ruimtelijke procedures een beoordeling en afweging van de risico’s van een buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen getransporteerd worden, mee te nemen bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een dergelijke buisleiding.
34
Buisleidingen aanwezig in de omgeving van het interessegebied .
Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale structuurvisie (PSV) staat als provinciaal belang genoemd het 'beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen'. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het uitgangspunt is dat voldaan wordt aan de oriëntatiewaarde. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Nieuwkoop De gemeenteraad van de gemeente Nieuwkoop heeft in zijn vergadering van 31 maart 2011 de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Toetsing van externe veiligheid vindt plaats aan de hand van deze omgevingsvisie. Beoordeling De ontwikkelingslocatie De Diamant en een groot gedeelte van de ontwikkelingslocatie De Dobbe is gelegen binnen het 1%-letaliteitsgebied (invloedsgebied) van de ondergrondse hogedrukaardgasleiding. Een klein gedeelte van de ontwikkelingslocatie De Diamant ligt binnen het 100%-letaliteitsgebied van de ondergrondse hogedrukaardgasleiding.
35
Voor de hogedrukaardgasleiding zijn de risico’s berekend. In het rapport ‘Kwantitatieve risicoanalyse hogedrukaardgasleiding Tochtpad Noordeinde’ van 15 juli 2021 met het kenmerk D2021-144869 zijn de berekeningen weergegeven betreffende het plaatsgebonden risico en groepsrisico van de hogedrukaardgasleiding. Uit deze risicoberekeningen volgt dat ter hoogte van het plangebied: geen sprake is van een plaatsgebonden risico PR=10-6 ; het groepsrisico na realisatie van het plan 3,05*10-4 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt, ofwel het groepsrisico is kleiner dan 0,01*OW; het maximaal berekende aantal dodelijke slachtoffers ter hoogte van het plangebied 15 personen bedraagt. De berekende resultaten voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voldoen hiermee aan de criteria uit de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Nieuwkoop: de grenswaarde (PR=10-6) en de oriëntatiewaarde (GR) worden niet overschreden. Verantwoording groepsrisico Op grond van artikel 8, lid a van het Regeling externe veiligheid buisleidingen jo artikel 12, 3e lid van het Bevb, is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Hierna wordt ingegaan op de verantwoordingsparagraaf groepsrisico. Bij een hogedrukaardgasleiding wordt het maatgevend scenario veroorzaakt door leidingbreuk en ontsteking van het uitstromende gas met een fakkelbrandscenario tot gevolg.
Op grond van het ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’ (Ministerie IenM, 2010) bedraagt het invloedsgebied (de afstand tot de leiding waar nog 1% van de aanwezigen kan overlijden, de zogenaamde 1% letaliteitgrens) van deze leiding 140 meter aan beide zijden van de leiding. Er dient een verantwoording GR te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een westelijk gelegen hogedruk gasleiding. In verband hiermede moet de hoogte van het groepsrisico worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied en de omgeving voldoende is gewaarborgd. Algemeen Bij een beperkte verantwoording moet ingegaan worden op de aspecten hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het maatgevend scenario speelt hierbij een belangrijke rol. Maatgevend scenario Het maatgevend scenario is het ongevalscenario dat bepalend is voor het aantal slachtoffers van een calamiteit. Bij een hogedrukaardgasleiding wordt het maatgevend scenario veroorzaakt door leidingbreuk en ontsteking van het uitstromende gas met een fakkelbrandscenario tot gevolg. Voor dit scenario geldt dat er directe ontsteking plaatsvindt, waardoor er sprake is van een snel scenario.
Vluchten is vrijwel niet mogelijk, waardoor het aantal dodelijke slachtoffers groot kan zijn. De tijdsduur van dit scenario is afhankelijk van de snelheid waarmee de gastoevoer van de leiding kan worden afgesloten.
36
Rampenbestrijding Bij een eventuele calamiteit moeten hulpdiensten adequaat kunnen ingrijpen. Hiervoor zijn zowel de bereikbaarheid als de bestrijdbaarheid belangrijke elementen. Voor de bereikbaarheid gelden de volgende relevante aandachtspunten: het plangebied moet goed bereikbaar en toegankelijk zijn voor hulpdiensten. de wegen waarover de hulpdiensten aan moeten rijden, moeten minimaal 3 meter breed zijn en moeten een gewicht kunnen dragen van 10.000 kg asdruk. Voor de bestrijdbaarheid gelden de volgende relevante aandachtspunten: de aanrijtijd van de hulpdiensten; de maximale afstand tussen een bluswatervoorziening en de inzetlocatie bedraagt 160 meter; brandkranen moeten op 15 meter benaderbaar zijn; om de 80 meter moeten brandkranen beschikbaar zijn (primaire bluswatervoorziening); eventueel open water, dat benut kan worden als secundaire bluswatervoorziening. Een uitgebreide beschrijving van aandachtspunten staat in de praktijkrichtlijnen Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de regionale Brandweer Hollands Midden. Om een calamiteit goed en snel te kunnen bestrijden is van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. De wijze en de snelheid van alarmering en de bereikbaarheid van de locatie van een calamiteit spelen hierbij een essentiële rol. Bij de realisatie van Noordeinde 13 e.o.
wordt met deze aandachtspunten rekening gehouden. Zelfredzaamheid Algemeen Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: de mogelijkheid van personen om zichzelf, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten, in veiligheid te brengen. De fysieke eigenschappen van personen, gebouwen en omgeving zijn van invloed op de zelfredzaamheid. Het zelfredzame vermogen van personen in de omgeving van een risicobron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Het plangebied is niet specifiek bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Hieronder is de zelfredzaamheid bij een calamiteit bij de gasleiding beschreven. Calamiteit gasleiding Bij dit calamiteitscenario is het van belang om zo snel mogelijk te vluchten. Binnen het plangebied en in de omgeving daarvan zijn voldoende geschikte vluchtroutes aanwezig die van de leiding af lopen. De vluchtmogelijkheden zijn voldoende. Overige aspecten van invloed op zelfredzaamheid Om het vluchten mogelijk te maken is het ook van belang dat er korte, goed begaanbare routes zonder obstakels zijn die van de risicobronnen af gericht zijn. Wel moet voorkomen worden dat deze routes gelijk zijn aan de aanrijroutes van de hulpdiensten, of deze kruisen. Dit om belemmeringen voor beide partijen te voorkomen.
37
Communicatie Bij een eventuele calamiteit is van belang dat aanwezige personen weten wat hen te doen staat. Hierbij speelt een goede risicocommunicatie een belangrijke rol. Juist omdat de tijd tussen alarmering en gevaarzetting zo kort kan zijn, is het van het grootste belang dat na alarmering direct actie ondernomen wordt. Een snelle alarmering is hierbij essentieel. De gemeente zal periodiek aandacht besteden aan de risico’s en wat te doen in geval van een calamiteit. 9
De Veiligheidsregio Hollands-Midden (VRHM) heeft een adviesrapport uitgebracht (bijlage 11). In het rapport wordt geadviseerd in hoeverre de kans op incidenten verkleind kan worden, de effecten beperkt en/of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten verbeterd. Toetsing gemeentelijk en provinciaal beleid Toetsing gemeentelijk beleid In paragraaf 4.2.1 van de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid zijn de volgende voor dit plan relevante uitgangspunten opgenomen: de wettelijke grenswaarden mogen niet worden overschreden; het groepsrisico is gemaximaliseerd op de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico; woon- en verblijfsgebouwen voor beperkt zelfredzame personen worden in woongebieden geplaatst en buiten de invloedsgebieden van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het plan voldoet aan deze uitgangspunten. Toetsing provinciaal beleid De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Gelet op de omgeving is een overschrijding voor de toekomst niet te verwachten. Er wordt voldaan aan het provinciaal beleid. Conclusie QRA hogedrukaardgasleiding Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen.
Toetsing Luchthavenindelingbesluit (LIB) Motivatie ten aanzien van Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het LIB, waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven en het luchthavenverkeerbesluit (LVB), dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen (o.a. de voormalige bouw- of aanlegvergunningen). Beschrijving gewenste ontwikkeling Het plan betreft de ontwikkeling van 42 woningen ter plaatse van de locaties De Dobbe en De Diamant, binnen het bestaand stedelijk gebied van Noordeinde. Het
9
VRHM (2021), “Advies VRHM fysieke veiligheid”. Kenmerk 2021-012934. 23 december 2021) 38
voornemen is om ter plaatse van De Dobbe 16 woningen te realiseren en ter plaatse van de locatie Diamant 26 woningen. LIB 5 en bestemmingsplan De locaties De Dobbe en De Diamant te Noordeinde bevinden zich op een afstand van circa 11 kilometer van luchthaven Schiphol. Beide locaties zijn gelegen binnen het gebied waarvoor een beperking voor bebouwing geldt (kaart 5, bijlage 3 van het LIB), maar buiten het gebied LIB waar kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet zijn toegestaan (kaart 3, bijlage 3 van het LIB). Dit houdt voor deze ruimtelijke ontwikkeling in dat door de gemeente aangegeven moet worden rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond (artikel 2.2.1d, tweede lid, LIB). Binnen dit hele gebied geldt dus een motiveringsplicht aanvullend op de regels voor externe veiligheid en geluid. Het gaat uitdrukkelijk niet om een groepsrisicoberekening zoals in de besluiten met betrekking tot externe veiligheid. Voor het afwegingsgebied is bij de wijziging van de regels voor geluid en externe veiligheid in het LIB per 1 januari 2018 reeds de afweging gemaakt dat hier ook ruimte moet worden geboden voor de woningbouwopgave van deze regio.
Bovendien hebben in dit gebied voor dat moment geen beperkingen gegolden voor andere functies dan woningbouw en zijn er ook onder het nieuwe regime geen beperkingen aan de orde vanwege de ligging binnen LIB 5. Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt is daarom een integrale, beleidsmatige toelichting nodig op het omgaan met het risico op een vliegtuigongeval. Deze paragraaf voorziet in de gevraagde beleidsmatige aandacht voor de mogelijkheid van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van deze ruimtelijke ontwikkeling. Beschrijving verschillen bestaande, nieuwe situatie en analyse De twee locaties bevinden zich binnen het bestaand stedelijk gebied (BSG) van Noordeinde. Voor de ontwikkeling is een aanpassing van het bestemmingsplan nodig. Er komen 42 woningen bij. Uitgaande van 2,4 personen per woning is de toename van de dichtheid 100,8 personen. De ontwikkeling vindt op deze plek plaats vanwege de grote woningbouwopgave en de beperkte beschikbare ruimte binnen Noordeinde voor dergelijke ontwikkelingen. Impact van een vliegtuigongeval Als de locatie getroffen wordt door een neerstortend vliegtuig wordt de bebouwing geheel of gedeeltelijk verwoest. De aanwezige personen kunnen hierdoor (dodelijk) slachtoffer worden. Waarschijnlijkheidsbepaling De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is zeer klein te noemen.
Deze is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de LIB 3 zone. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) als zo gering gezien dat het risico aanvaardbaar wordt geacht.
39
Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten verlopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen. De eisen gelden voor vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De rijksoverheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. De gemeente kan geen maatregelen treffen om ongelukken met vliegverkeer te voorkomen (bronmaatregel). Beschrijving maatregelen en zelfredzaamheid Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen om de kans op meerdere slachtoffers op de grond te beperken. Bij vliegtuigen zijn dat maatregelen die de kans dat zich een ongeval voordoet verkleinen. Hiervoor gelden internationale regels waar de sector aan moet voldoen. In het kader van de planontwikkeling zijn geen realistische maatregelen te treffen die de effecten van een vliegtuigongeval beperken. Vanuit het Bouwbesluit 2012 gelden strenge eisen in verband met de bestrijdbaarheid van een ramp nabij een bouwwerk. Toch is de realiteit dat er voor de personen in het getroffen gebouw weinig mogelijkheden zullen zijn om zichzelf in veiligheid te brengen.
Voor vluchten is immers geen tijd en gewone gebouwen bieden onvoldoende bescherming tegen de risico’s van een daarop neerstortend vliegtuig. Dit betekent dat de aandacht vooral uitgaat naar een goede bereikbaarheid van de projectlocatie, vluchtroutes voor omstanders en een adequate hulpverlening. De VRHM adviseert risicocommunicatie in te zetten om zelfredzaamheid van de aanwezigen in de woningen te vergroten. Hiermee kan de bewustwording van de aanwezigheid van de hogedrukaardgasleiding, en eventueel ook voor een incident met gevaarlijke stoffen op de provinciale weg, worden vergroot. Ook kan hierin uitleg worden gegeven over het handelingsperspectief. De eisen vanuit het Bouwbesluit 2012 zijn wel van belang voor de mogelijkheden voor personen die zich in de directe nabijheid van de ramplocatie bevinden om te schuilen voor secundaire branden. Vanwege de nabijheid van luchthaven Schiphol is de veiligheidsregio voorbereid op een vliegtuigongeval. De veiligheidsregio beschikt over een “Calamiteitenplan Vliegtuigongevallen”. Zodra zich een ongeluk voordoet treedt dit plan in werking. De werkwijze, taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken instanties zijn hierin nauwkeurig beschreven. Het calamiteitenplan wordt voortdurend aangepast naar aanleiding van de evaluatie van daadwerkelijke optredens bij incidenten en oefeningen.
De Veiligheidsregio is voorbereid op het crisistype luchtvaartincidenten De Wet Veiligheidsregio’s verplicht veiligheidsregio’s tot het beschikken over een crisisorganisatie (artikel 16). Deze crisisorganisatie – die wordt beschreven in een crisisplan – moet voorbereid zijn op de bestrijding van branden, rampen en crises die zich volgens het door de Veiligheidsregio (ook verplicht) opgestelde regionaal risicoprofiel kunnen voordoen. In het kort bestaat zo’n crisisorganisatie uit multidisciplinaire teams van politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en gemeenten die zich richten op bronbestrijding, redding, hulpverlening, opvang en nazorg. Dit risicoprofiel wordt eens per 4 jaar geactualiseerd. Op basis van dit risicoprofiel stelt de Veiligheidsregio een beleidsplan op om de crisisorganisatie zo goed als mogelijk voorbereid te houden.
40
Het crisistype luchtvaartongeval is een van de typen die worden genoemd in het regionaal risicoprofiel van de Veiligheidsregio. Naast de generieke voorbereiding van de crisisorganisatie, bestaat er ook specifieke voorbereiding voor luchtvaartongevallen. Die bestaat met name uit een (multidisciplinair) calamiteitenplan luchtvaartongevallen en veel gezamenlijke trainingen en oefeningen van de brandweer. Domino-effect In het plan zijn geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen opgenomen. Domino-effecten bij een mogelijk vliegtuigongeval in het plangebied zijn daarom niet aan de orde. Een domino-effect kan optreden als bij een vliegtuigongeval de buiten de planlocatie gelegen hogedrukaardgasleiding geraakt wordt en een fakkelbrand ontstaat. De effecten daarvan kunnen reiken tot over het plangebied. Op dit scenario wordt verder ingegaan in de paragraaf externe veiligheid. Conclusie Luchthavenindelingbesluit (LIB) Gelet op de maatschappelijke en economisch-ruimtelijke belangen die met de beoogde ontwikkeling zijn gemoeid en de uitkomsten van het risicoprofiel, is er geen aanleiding om van de beoogde ontwikkeling af te zien. Er worden maatregelen getroffen in relatie tot rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Er is daarom geen reden om vanwege de mogelijkheid van een vliegtuigongeval van de beoogde ontwikkeling af te zien.
Verantwoording De gemeenteraad van Nieuwkoop heeft kennisgenomen van het vorenstaande en de gegeven adviezen en acht het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar.
4.7
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2. Zij vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit. Hierin zijn onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 moet het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal 41
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden. Deze leiden namelijk niet tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen 3 dan 1,2 µg/m . In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 42 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de nabijheid van het plangebied) bepaald. Hiervoor is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt
42
3
3
voor peiljaar 2020 maximaal 15,5 µg/m , voor PM10 bedraagt dit maximaal 17,0 µg/m . 3 In beide gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m niet 3 overschreden. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt maximaal 10,0 µg/m 3 en is daarmee ruimschoots lager dan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m . Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen of stabiliseren, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 10 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, waarmee onderzocht is of er beschermde natuurwaarden - volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving - aanwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van het ecologisch onderzoek uiteengezet. De volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Gebiedsbescherming Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat er één Natura 2000-gebied in de buurt van het plangebied ligt, het betreft het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Door de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen door bijvoorbeeld licht, geluid en trillingen op voorhand uitgesloten.
Wel kunnen de voorgenomen plannen een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden teweegbrengen. Dit is onderzocht 11 met behulp van een AERIUS-stikstofberekening . Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor zowel de aanleg- als gebruiksfase de gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Daarmee kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. Verder blijkt uit het ecologisch onderzoek dat in de omgeving van het plangebied geen Natuur-netwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De 10
Watersnip advies (2021). Ecologisch onderzoek 4-BS De Diamant Noordeinde. Rapport: 20A022-juli 2021.
11
Tauw (2021). Woningbouw Noordeinde onderzoek stikstofdepositie. Kenmerk: R0011280200BRA-V01-los-NL. 9 maart 2021. 43
provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In het plangebied zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Wel komen er in algemene zin vogels voor in het plangebied. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Uit het onderzoek blijkt dat de beschermde Rugstreeppad voorkomt in de wijdere omgeving van het plangebied, deze is echter niet aangetroffen in het plangebied. Tot het voorjaar (maart) is de Rugstreeppad in winterslaap.
Om te voorkomen dat er voortplantings- of overwinteringsplaatsen ontstaan voor de Rugstreeppad, wordt het voorliggende terrein ter hoogte van locatie De Diamant in het voorjaar (februari, maart 2022) ingezaaid. Daarnaast worden, indien nodig, paddenschermen geplaatst zodat in een latere fase met de realisatie van het bouwinitiatief kan worden gestart. Met betrekking tot vleermuizen dient voorkomen te worden dat tijdens de werkzaamheden verstoring van de vliegroute van vleermuizen plaats vindt door verlichting. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel worden er maatregelen genomen om te voorkomen dat de Rugstreeppad zich vestigt en vleermuizen verstoord worden.
4.9
Water
4.9.1
Beleid Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. Nederlanders leven waterbewust.
44
Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en bereidt hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voor. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien is het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.
Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Provinciaal Waterplan In 2016 heeft de provincie Zuid-Holland een planherzieningsbesluit inzake het waterbeleid genomen. Het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 wordt hiermee actueel verklaard voor de onderdelen waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid- Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: a waarborgen waterveiligheid; b zorgen voor mooi en schoon water; c ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening; d realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem. In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema’s én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven.
Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad. In de Verordening Ruimte (zie paragraaf 3.2.2) is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.
45
Beleid Waterschap - Hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het Hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het Hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde is en toekomstbestendig wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelstijging. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden.
Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels Per 13 mei 2020is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap, bestaande uit de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren.
Als het Hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een watervergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.
46
Waterkeringen Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen. Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de 2 onbebouwde gronden met meer dan 500 m is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan 2 500 m dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. 4.9.2
Toetsing In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per 12 waterthema afgewogen. Daarnaast is voor dit plan de watertoets doorlopen. Geconcludeerd wordt dat dit plan onder de normale procedure van het waterschap valt, waardoor overleg met het hoogheemraadschap noodzakelijk is. Locatiespecifieke eigenschappen Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa -4,5 m NAP tot -4,8 m NAP. Het plangebied kent relatief weinig tot geen hoogteverschillen. De bodem bestaat uit klei en zavel. Het plangebied is gelegen in het peilgebied ‘polder Nieuwkoop’, in het peilvak OR-4.09.3.1. Ter plaatse bedraagt het zomerpeil -6.49 NAP, het winterpeil bedraagt – 6.72 NAP. Waterveiligheid Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn echter geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen Het voorliggende plangebied is gelegen in dijkringgebied 14 (ZuidHolland). Voor dit gebied geldt een overstromingskans van 1:10000 vanwege de hoge bevolkingsdichtheid. Op basis van de risicokaart blijkt dat de kans op overstroming van het plangebied zeer gering is.
Bij een eventuele dijkdoorbraak zijn de gevolgen echter zeer groot en zal het plangebied - gelegen in Polder Nieuwkoop - geheel onder water lopen tot een diepte van meer dan 5,0 meter.
12
Hoogheemraadschap van Rijnland (2021). Resultaat watertoets. Tochtpad Noordeinde. Projectnummer: 20210604-13-26710. 4 juni 2021. 47
Riolering Bij realisatie van de wooneenheden wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd om het vuilwaterriool niet te belasten met schoon hemelwater. Waterkwantiteit en oppervlaktewater 2 Wanneer extra verharding van meer dan 500 m plaatsvindt ten opzichte van de huidige planologische situatie, dient watercompensatie plaats te vinden. Dit op grond van de Keur van Hoogheemraadschap van Rijnland. Het is de bedoeling de omgeving van het plangebied zo groen mogelijk in te richten. Ter plaatse van het huidige schoolgebouw zal niet tot nauwelijks sprake zijn van een toename van de oppervlakte verhardingen, aangezien dit gedeelte van het plangebied reeds veel verharding kent. Voor de strook langs De Dobbe geldt dat sprake is van een toename aan verharding, doordat dit stuk grond op dit moment onverhard is. Bij de inrichting van het gebied zullen voorzieningen worden gerealiseerd om het regenwater ter plaatse te infiltreren of te bergen. Hiervoor is voldoende ruimte. Hemelwater afkomstig uit het plangebied wordt op de watergang afgekoppeld. De overige watergangen in en nabij het plangebied worden gehandhaafd.
Legger oppervlaktewater (Bron: Hoogheemraadschap van Rijnland).
48
Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Realisatie van de beoogde woningen heeft geen invloed op de waterkwaliteit. Het is niet wenselijk om uitlogende materialen te gebruikt die met het hemelwater in aanraking kunnen komen. Het bouwproject zal dan geen negatieve invloed heeft op de grondwaterkwaliteit en eventueel aanwezige oppervlaktewateren. Beschermde zones De projectlocatie ligt in een kwetsbaar kwelgebied. Kwelgebieden kunnen gevoelig zijn voor graven, omdat het kan leiden tot een toename van kwel of tot opbarst van de bodem. Dit is voor Rijnland aanleiding om regels te stellen voor het realiseren van grondverzet in kwetsbare kwelgebieden. Deze zijn uitgewerkt in regel 20 Grondverzet van de Keur 2020.
Aanwezigheid kwetsbaar kwelgebied (Bron: provincie Zuid-Holland).
49
Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente, voor zover dit het openbare deel betreft. De eigenaar is zelf verantwoordelijk voor de riolering (in dit geval hemelwaterafvoer) op zijn eigen perceel. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het hoogheemraadschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofd- en boezemwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Het onderhoud (schoonhouden) van secundaire watergangen is in ieder geval een verantwoordelijkheid van de eigenaar. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 4.9.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Raadpleging van de Cultuurhistorische Atlas laat zien dat het plangebied niet is gelegen in een gebied waar een archeologische verwachtingswaarde (bruin gemarkeerd) geldt, zoals weergegeven in navolgende afbeelding. Voor het plangebied is in het geldende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Daarmee vormt het aspect archeologie geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
50
Uitsnede Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland met daarop het plangebied weergegeven (rood) (Bron: provincie Zuid-Holland).
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen. Toetsing Met de ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten op de bestaande stedenbouwkundige structuur van de dorpsrandzone van Noordeinde, zoals in paragraaf 2.2 nader is beschreven. In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen gemeentelijke- of Rijksmonumenten waar in dit plan rekening mee dient te worden gehouden. Dit blijkt onder meer uit de Nota Erfgoed gemeente Nieuwkoop 2020 en de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
51
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt 13 gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied in de dorpsrandzone van Noordeinde ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Nieuwkoop wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘niet stedelijk gebied’. Voor de beoogde ontwikkeling van de woningen, bestaande uit 16 studio’s in het huursegment, 18 startersappartementen in het koopsegment en 8 sociale levensloopbestendige huurwoningen, dient rekening te worden gehouden met de volgende verkeersgeneratie: Woningtypen
Kencijfer maximale
Aantal
Aantal
verkeersgeneratie (per
woningen
verkeerbewegingen
woning/wooneenheid) Huur, appartement,
per etmaal
4,5
16
72,0
Koop, appartement, goedkoop
6,0
18
108,0
Huur, huis, sociale huur
6,0
8
48,0
Totaal
-
42
228,0
midden/goedkoop
De maximale verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt circa 228 verkeersbewegingen per etmaal. De verwachting is dat deze beperkte toename van verkeer eenvoudig kan worden afgewikkeld via het bestaande wegennet. De beoogde woningen worden (indirect) ontsloten via het Tochtpad op de N231 en verder. Parkeren Ten behoeve van deze ontwikkeling zal moeten worden voldaan aan de parkeernormen die gesteld worden in het 'Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2015’. Hoeveel parkeerplaatsen specifiek nodig zijn wordt bepaald door het woningtype. Voor ieder woningtype geldt immers een andere parkeernorm. In navolgende tabel is de parkeerbehoefte van de ontwikkeling berekend. Voor de realisatie van de beoogde 42 woningen geldt de volgende parkeerbehoefte: Programma Koop etage (48 m ²) Huurhuis – sociale huur (36 m²) Levensloopbestendige woning (55 m²) Totaal
13
Aantal 18 16 8 42
Parkeernorm 1,4 1,4 1,4
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 52
Parkeerplaatsen 25,2 22,4 11,2 58,8
De totale parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling bedraagt 59 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte dient in beginsel te worden opgelost binnen het voorliggende plangebied. In het stedenbouwkundig plan c.q. voorkeursvariant zijn thans 68 parkeerplaatsen voorzien. Daarmee wordt niet zonder meer voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De toekomstige parkeerbehoefte binnen het plangebied is afhankelijk van het definitieve programma en bouwplannen. Omdat de definitieve uitwerking van het woongebied op onderdelen nog kan wijzigen, is in de (algemene) regels van dit bestemmingsplan is een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeerbeleid opgenomen. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Daarmee is de realisatie van voldoende parkeergelegenheid te allen tijde gewaarborgd. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.13
Kabels en leidingen Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Toetsing Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen Ter plaatse van het plangebied bevindt zich een rioolpersleiding van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Deze leiding ligt parallel aan het Tochtpad en loopt van daaruit in zuidelijke richting langs de westelijke plangrens. De betreffende leiding is in dit bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming, waarmee de instandhouding van de leiding gewaarborgd is. Ter plaatse van de dubbelbestemming is het bouwen en uitvoeren van overige (grond)werkzaamheden niet zonder meer toegestaan. Gelet op het voorgaande is de rioolleiding in het plangebied voldoende beschermd.
53
Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet-planologisch relevante leidingen In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Uit de KLIC-melding is gebleken dat in de huidige Kiss en Ride-zone (de parkeerplaatsen ten noorden van de huidige school) een aanzienlijke hoeveelheid kabels en leidingen aanwezig is. Naast de rioolpersleiding van het Hoogheemraadschap, bevinden zich hier onder meer een vrijverval- en drukriolering van de gemeente en midden- en laagspanningsleidingen. Conclusie In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.14
Spuitzones Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming (zoals wonen), in de nabijheid van bestemmingen die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. In de huidige situatie wordt ter plaatse van alle omliggende agrarische gronden boomkweek/fruitteelt mogelijk gemaakt c.q. niet uitgesloten. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als ‘in het algemeen niet onredelijk’ bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt. Het opstellen van een berekening hiernaar is echter niet meer mogelijk sinds de uitspraak van de Raad van State van 16 december 2020 (201806136/1/R1 en 201806358/1/R1). Toetsing Uit de Legger van hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat rondom de percelen watergangen gelegen zijn (in (licht)blauw weergegeven op onderstaande figuur).
Indien men hier nu of in de toekomst gebruik wil maken van gewasbeschermingsmiddelen, moet conform het Activiteitenbesluit op zijn minst een
54
driftreducerende techniek van 90% (DRT 90) en een spuitvrijezone worden toegepast. Dit dient ervoor te zorgen dat het oppervlaktewater niet vervuild raakt met de gewasbeschermingsmiddelen. Indien de agrariër ervoor dient te zorgen dat zijn drift van de percelen niet tot de watergangen raakt, zal dit erin resulteren dat er ten alle tijden geen effect van de drift meer merkbaar is op het plangebied en spuitzones hier dus niet van toepassing zijn. Een nadere beschouwing voor wat betreft spuitzonering is derhalve niet benodigd.
Legger oppervlaktewater (Bron: Hoogheemraadschap van Rijnland).
Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect spuitzones geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
55
5 5.1
Wijze van bestemmen Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de Wabo. Daarnaast is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van het geldende bestemmingsplan ‘Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde’.