CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Teylerspark fase 2

Besluitvormende raadsvergadering 23 juni 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Teylerspark fase 2 (2022-050)17.431 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

9

TAUW bv (2021). Akoestisch onderzoek AWZI Nieuwveen Projectnummer: 1280584. 7 juli 2021. 33

zeker gezien de beperkte overschrijding. Vanwege het feit dat er voldaan wordt aan de standaard grenswaarden van het Activiteitenbesluit en met het oog op de afweging van de toelaatbaarheid van de optredende geluidbelastingen zijn geen aanvullende geluidwerende maatregelen in detail onderzocht. De overschrijdingen zijn dusdanig beperkt dat deze acceptabel zijn en niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Maximale geluidniveau De aanbevolen richtwaarden van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (HILV) worden in de dag-, avond- en nachtperiode overschreden. Er wordt wel voldaan aan de grenswaarden. De in de dag- en avondperiode vergunde waarden worden overschreden op vergunningsimmissiepunten 03 en 04, echter ook hier wordt voldaan aan de aanbevolen grenswaarden van de HILV. Op basis van de resultaten worden de volgende conclusies getrokken ten aanzien van de optredende maximale geluidniveaus:  De aanbevolen richtwaarden van de HILV, respectievelijk 55 en 50 dB(A) in de dag-, avondperiode, worden overschreden.  Er wordt wel voldaan aan de grenswaarden van de HILV, respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.  De grenswaarden van de vergunning worden in de dag- en avondperiode overschreden op vergunningsimmissiepunten 03 en 04. Op deze punten wordt wel voldaan aan de grenswaarden van de HILV.

Punt 03 is in Teylerspark II en punt 04 zijn de appartementen in het voormalige Rabobank gebouw. De maatgevende bron in de dag- en avondperiode is de containerhandling. Dit betreft één vrachtwagen in de dag- en avondperiode die gedurende 20 minuten bezig is met containerhandling. Vanwege de beperkte frequentie van het optreden van de geluiden, de beperkte duur en de hoogte van de optredende belastingen is het daarom niet de verwachting dat dit bij de bewoners tot geluidhinder zal leiden.

34

Ligging van de huidige vergunningspunten (Bron: Tauw, Akoestisch onderzoek AWZI Nieuwveen, 7 juli 2021)

Inrichtingsgebonden verkeer De geluidsniveaus vanwege verkeersbewegingen van en naar de inrichting zijn niet akoestisch herkenbaar, ten opzichte van de geluidsniveaus vanwege het overige verkeer op de openbare wegen. Dit komt door de ligging van de afvalwaterzuiveringsinstallatie (direct aan de provinciale weg), het geringe aantal voertuigen van en naar de inrichting en de relatief grote afstand tussen de inrichting en de dichtstbijzijnde woningen. De bepaling van de geluidniveaus vanwege inrichting gebonden verkeer is derhalve buiten beschouwing gelaten. Conclusie De bedrijfsvoering van de afvalwaterzuiveringsinstallatie heeft gevolgen voor de omgeving. Het verkeer en het geluidniveau vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. De normen voor een rustige woonwijk worden echter beperkt overschreden, maar blijven wel ruim onder de normen voor gebiedstypering woonwijk in de stad en de normen uit het activiteitenbesluit en het BKL. De beperkte mate van overschrijding zullen niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.2.3

Geur onderzoek rioolwaterzuiveringsinstallatie In 2012 is met de verandervergunning van de AWZI de emissiecontour vergund. De ontwikkeling van Teylerspark II leidt niet tot beperkingen ten opzichte van de in 2012 vergunde situatie bij de AWZI. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten deze

35

3

vergunde contour (zogeheten 0,5 ouE/m (98p)-contour). Dit betekent dat de ontwikkeling past binnen het provinciale geurbeleid. Ter plaatse van de te bouwen woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot een beperking van de AWZI en de woningen zullen geen overlast hebben van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. 4.2.4

Conclusie bedrijven- en milieuzonering Allereerst is door SAB onderzoek uitgevoerd naar de bedrijven- en milieuzonering. Hieruit volgde dat, ten aanzien van de AWZI, de aspecten geur en geluid nader onderzocht dienden te worden. Verder onderzoek naar geluid en geur heeft uitgewezen dat het verkeer en geluidniveau geen belemmering vormen voor de uitvoering van onderhavig plan. De ontwikkeling vindt plaats buiten de vergunde emissiecontour en er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.3

Bodem Algemeen Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies. Toetsing Door Sigma Bouw & Milieu zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd voor het plangebied conform de NEN 5740. Allereerst is in 2012 een verkennend 10 bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 7), waarin het volgende geconcludeerd wordt: “Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er uit milieuhygiënische overwegingen in relatie tot de bodemkwaliteit, naar onze mening, geen belemmeringen ten aanzien van de geplande nieuwbouw/ontwikkeling op de onderzoekslocatie”. Vervolgens is in 2018 11 een actualiserend milieukundig bodemonderzoek voor het plangebied uitgevoerd (bijlage 8), wederom conform de NEN 5740. Bij de uitvoering van het actualiserend onderzoek is enkel de bovengrond op het noordelijke deel van het plangebied onderzocht. De kwaliteit van de bovengrond op het zuidelijke deel van het plangebied is niet onderzocht in het kader van deze actualisatie. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding voor de uitvoering van nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen.

De aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater geven geen beperkingen ten aanzien van de voorgenomen herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw. De resultaten geven geen aanleiding voor vervolgstappen. Op grond van het Bro (art 3.1.1. a) dienen onderzoeken bij het 10

Sigma Bouw & Milieu verkennend milieukundig bodemonderzoek Schilkerweg. Percelen B nrs. 1498. 1640, 1689, 1773 en 1786 te Nieuwveen. Projectnummer: 12-M6118 07 mei 2012.

11

Sigma Bouw & Milieu actualiserend milieukundig bodemonderzoek Laan der Verwondering perceel sectie B nr.1640 (ged.) en nr. 1689 (ged.) te Nieuwveen. Projectnummer: 18-M8360 28 februari 2018. 36

vaststellen van het bestemmingsplan niet ouder te zijn dan twee jaar. In dit geval is, voor zowel het noordelijk als het zuidelijk deel, geen aanleiding om te verwachten dat de kwaliteit van de bodem verslechterd is sinds de uitvoering van de onderzoeken. Het is daarom niet nodig om een actualisatieonderzoek van de bodem uit te voeren. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Deze conclusie wordt gedeeld door de Omgevingsdienst WestHolland.

4.4

Geluid Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Als geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te doen naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen is een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek wel wenselijk zijn. Toetsing 12 Door SAB is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 9). Op basis van het onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken zoals opgenomen op de verbeelding, kunnen de volgende conclusies worden getrokken:  De geluidbelasting vanwege AWZI Nieuwveen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege AWZI Nieuwveen wordt voldaan aan de Wgh.  De geluidbelasting vanwege de gezoneerde wegen N231, W.P. Speelmanweg, Schoterweg, Schoterhoek en Tochtpad voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.  De geluidbelasting vanwege de gezoneerde N462 bedraagt maximaal 54 dB, en voldoet daarmee niet aan de voorkeursgrenswaarde. De geluidbelasting blijft wel onder de maximale ontheffingswaarde. Maatregelen zijn vanwege deze weg onderzocht.

 De geluidbelasting vanwege de niet-gezoneerde wegen Roggeveldweg, Weegbree, Laan der Verwondering, Meeuwenveld, Korenveldweg, Teylersplein en Teylerspark is lager dan de gehanteerde voorkeursgrenswaarde. Vanwege deze wegen wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.  Onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen wijst uit dat deze niet voldoende soelaas bieden, financieel niet doelmatig zijn, of landschappelijk/verkeerskundig onwenselijk zijn. Er dienen derhalve maatregelen aan de ontvanger zijde te worden getroffen.  Door het treffen van maatregelen zoals gevelisolatie zal de binnenwaarde van 33 dB worden gewaarborgd. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.

12

SAB (2022) Akoestisch onderzoek. Teylerspark II, Nieuwveen. 24 januari 2022 projectnummer: 210342. 37

 Voor het plan dienen hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Deze dienen voor de vaststelling van het plan verkregen te zijn. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel dienen hogere grenswaarden te worden aangevraagd (bijlage 10). Onderstaande tabel geeft aan welke hogere waarden voor welk gebouw verkregen dienen te worden.

Benodigde hogere waarde per gebouw

4.5

Geur Algemeen Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing In de directe nabijheid van de ontwikkelingslocatie bevinden zich geen (intensieve) veehouderijen. Het uitvoeren van een nader onderzoek geurhinder is daarom niet noodzakelijk. De geurhinder van andere bedrijven komt aan bod in paragraaf 4.2.3. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

38

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen -6 (ofwel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst -6 aan het plaatsgebonden risico van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.

Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. Toetsing Ten behoeve van de beoogde bestemmingsplanherziening heeft SAB het plan ge13 toetst aan het aspect externe veiligheid (bijlage 11). In het rapport worden de potentiële risicobronnen beschouwd voor wat betreft het aspect externe veiligheid. Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende:  De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor en water.  De ontwikkellocatie bevindt zich in het invloedsgebied van een buisleiding en twee provinciale wegen. In het rapport is hiervoor een nader onderzoek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen.  De ontwikkellocatie bevindt zich in het LIB-5 gebied van luchthaven Schiphol.

Op de hiermee samenhangende beperkingen is in het rapport bij de verantwoording van het groepsrisico hierop nader ingegaan.

13

SAB (2022) Onderzoek externe veiligheid. Nieuwveen, Teylerspark – fase 2. Projectnummer: 210342. 11 februari 2022. 39

Risicoanalyse Buisleiding Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal de personendichtheid in het invloedsgebied van de nabije gasleiding toenemen. Gasleidingen kennen geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de berekeningen is gebleken dat de gasleiding geen PR 10-6/j contour kent. Tevens is gebleken dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en het groepsrisico niet, dus minder dan 10%, toeneemt. Ingevolge artikel 12 Bevb kan een volledige verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven als de verandering van de dichtheid van personen met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Wel is het wenselijk het groepsrisico van de nieuwe bebouwing zoveel mogelijk te minimaliseren. Hierna is door middel van een beperkte verantwoording van het groepsrisico hierin voorzien. Wegtraject Als gevolg van het ontwikkelplan zal de personendichtheid in het invloedsgebied op de twee provinciale wegen N462 en N231 toenemen. Beide wegen zijn door de Provincie aangewezen als mogelijke transportroute voor gevaarlijke stoffen, evenwel zijn geen gegevens beschikbaar over aantallen transporten. Uit de risicobeoordeling op basis van de HaRT kan geconcludeerd worden dat de wegen geen plaatsgebonden risico en groepsrisico kennen.

Gezien het gegeven dat transport van gevaarlijke stoffen wel is toegestaan, ook al is deze momenteel niet op deze wegen gebruikelijk, is het voor de beoogde ontwikkeling wenselijk het calamiteitenscenario in een beperkte verantwoording van het groepsrisico te beschouwen. Hierna zal daar nader op ingegaan worden.. Beperkte verantwoording groepsrisico Zoals uit het voorgaande blijkt is voor de nabijgelegen gasleiding, twee provinciale wegen en de luchthaven Schiphol een beperkte verantwoording van het groepsrisico wenselijk. Besluit externe veiligheid buisleidingen Ten aanzien van het groepsrisico van de gasleiding als genoemde risicobron dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 12 van het Bevb: a. de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; b. het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke -4 slachtoffers van ten hoogste 10 per jaar en de kans op een ongeval met 100 -6 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10 per jaar.

40

Besluit externe veiligheid transportroutes Ten aanzien van het groepsrisico van de twee provinciale wegen als genoemde risicobron dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Luchthavenindelingbesluit Schiphol Ten aanzien van het Luchthavenindelingbesluit in relatie tot de locatie van de beoogde ontwikkeling geldt wet- en regelgeving voor beperkingengebied 5, d.w.z. artikel 2.2.1d van het LIB: 1 Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. 2 Voor de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen.

Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de vigerende veiligheidsplannen van de gemeente Nieuwkoop en de Veiligheidsregio en de daarin gemaakte keuzes. Personendichtheid In het rapport Externe veiligheid is als onderdeel van de berekening van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt op welke wijze de bepaling van de personendichtheid in de huidige en toekomstige situatie heeft plaatsgevonden. Het betreft ten opzichte van de huidige situatie een toename van circa 147 personen in de toekomstige situatie. Groepsrisico In het rapport Externe veiligheid is toegelicht op welke wijze de berekening van het groepsrisico voor de buisleiding en de risicobeoordeling voor de wegtrajecten heeft plaatsgevonden en wat het resultaat is van de berekening voor de huidige en de toekomstige situatie. Dit resultaat was aanleiding voor de beperkte verantwoordingsplicht met betrekking tot de gasleiding en de wegtrajecten als potentiële risicobronnen. Fakkelbrand Een mogelijke spontane breuk van een aardgasleiding is niet te verwachten. Een breuk wordt meestal door externe factoren, zoals graafwerkzaamheden, veroorzaakt. Het ontsnappende gas zal ontsteken en hierdoor ontstaat een fakkelbrand, met als effecten warmtestraling en rook.

41

Beheersbaarheid / bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Nieuwveen is de locatie voor een gewone auto binnen vijf minuten te bereiken. Een brandweerauto met spoedrit doet er minder lang over. De brandweerkazerne in Nieuwkoop is vanuit het plangebied binnen zeven minuten bereikbaar. De tijd die brandweerlieden nodig hebben om naar de kazerne te komen zal enkele minuten bedragen. De maximale opkomsttijd zal dan in totaal ongeveer tien minuten bedragen. Dat ligt dan binnen de elf minuten die de veiligheidsregio voorschrijft voor woongebouwen. Geconcludeerd wordt dat het plangebied, de potentiële risicobronnen en de directe omgeving goed bereikbaar zijn voor de brandweer. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten.

Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Bij de aanleg van de nieuwe woonwijk moet in lijn met bestaande beleidskaders van de brandweer (Veiligheidsregio) voor voldoende aanwezige blusvoorzieningen worden gezorgd. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bovenstaand advies is ook van toepassing op het brandbare scenario.

Echter, ook vluchtwegen van de bron af, in dit geval richting noorden via de Laan der Verwondering en omgeving, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Vliegtuigongeval Conform artikel 2.2.1d van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol dient gemotiveerd te worden op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling.

42

De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft een bereikbaarheidsanalyse opgesteld voor luchtvaartongevallen binnen een 10 kilometer zone van de start- en landingsbanen van vliegveld Schiphol. Met betrekking tot de bereikbaarheid van een vliegtuigongeval in bewoond gebied, zoals op de locatie van de beoogde ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat bereikbaarheid van hulpdiensten gezien de reeds bestaande wegenstructuur geen punt van zorg zal zijn. Uit het regionaal risicoprofiel van de Veiligheidsregio blijkt tevens dat de kans van een ongeval erg klein is, er wordt gesproken over 1 op de 1,4 miljoen vliegbewegingen. Als bijlage bij het rapport Externe veiligheid is de plananalyse toegevoegd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

4.7

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2. Zij vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit. Hierin zijn onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 moet het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden. Deze leiden namelijk niet tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

43

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van maximaal 61 nieuwe woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (zie navolgende afbeelding). Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen.

De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdag431 gemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 10,0% Maximale bijdrage ex3 0,56 NO2 in μg/m tra verkeer 3 0,10 PM10 in μg/m 3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Uitsnede NIBM-tool (Bron: Infomil).

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

44

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 14 Watersnip advies heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanwezig zijn in het plangebied (bijlage 12). Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Voor de voorgenomen ingreep dient rekening te worden gehouden met de onderdelen soort- en gebiedsbescherming van de Wnb. Soortenbescherming Het open gebied geeft weinig mogelijkheid aan vleermuizen om zich te kunnen vestigen. Indien er tijdens het broedseizoen van de vogel gewerkt wordt, is een (periodieke) controle op nesten van broedvogels voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt.

De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde Rugstreeppad voorkomt in de directe omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van de pad is, ten tijde van het laatste onderzoek, niet geconstateerd in het gebied. Daarom moet voorkomen worden dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Het terrein is ondertussen ingezaaid, waardoor er geen zand meer braak ligt. Dat de Rugstreeppad zich alsnog gaat vestigen is niet aannemelijk. Mocht dat onverhoopt toch het geval zijn, dan geld altijd nog de zorgplicht. Er zijn geen beschermde vissen, reptielen of amfibieën aangetroffen. Gebiedsbescherming Ten aanzien van beschermde gebieden dient rekening te worden gehouden met externe werking van stikstof op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van fysiek 14

Watersnip advies (2021). Verkennend Ecologisch Onderzoek Teylerspark II Nieuwveen. Rapport 21A031. April 2021. 45

ruimtebeslag of verstoring door licht, geluid en trillingen op beschermde Natura 2000gebieden. Het voorliggende plan is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Toetsing aan het NNN is niet aan de orde, van externe werking is geen sprake. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen ook beschermd. Er staan geen bomen in het plangebied. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden als bedoelt onder de Wnb is dan ook niet noodzakelijk. Stikstof In het kader van de Wet Natuurbescherming is het noodzakelijk de mogelijke stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk te maken. SAB heeft in dit kader een 15 onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd (bijlage 13). Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder het Wnb registratieset. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.. Conclusie Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9

Water

4.9.1

Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en bereidt hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voor. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien is het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis 15

SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. Nieuwveen, Teylerspark fase 2. Projectnummer: 210342. 7 februari 2022. 46

beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Provinciaal beleid - Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 In 2016 heeft de provincie Zuid-Holland een planherzieningsbesluit inzake het waterbeleid genomen. Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 wordt hiermee actueel verklaard voor de onderdelen waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid- Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1 waarborgen waterveiligheid; 2 zorgen voor mooi en schoon water; 3 ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening; 4 realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem. In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema’s én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

Het waterplan bepaalt het waterbeleid en is opgenomen in de volgende beleidsdocumenten:  Visie Ruimte en Mobiliteit: het waterbeleid met een ruimtelijke component;  Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021: beleid omtrent de waterkwaliteit;  Provinciale waterplan 2010-2015: een klein aantal onderdelen blijft ongewijzigd van kracht. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2021 paragraaf 11.1 is regelgeving opgenomen voor de monitoring en informatievoorziening omtrent het watersysteem.

47

Beleid Waterschap - Hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het Hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven, en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het Hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstbestendig wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelstijging. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon, zoals past bij de functie van het water, te houden.

Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap vastgelegd, bestaande uit de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient ter voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Tevens draagt de Keur bij aan de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit, alsmede de vervulling van de maatschappelijke functies van watersystemen. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het Hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning.

De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.

48

Waterkeringen Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen. Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbe2 bouwde gronden met meer dan 500 m is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het Hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het Hoogheemraadschap van Rijn2 land. Bij toename van verharding van onbebouwde grond met meer dan 500 m dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. 4.9.2

De waterparagraaf In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per 16 waterthema afgewogen. Daarnaast is voor dit plan de watertoets doorlopen. Geconcludeerd wordt dat dit plan onder de normale procedure valt, waardoor overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland noodzakelijk is. Riolering Bij de realisatie van de woningen wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd om het vuilwaterriool niet te belasten met schoon hemelwater. Waterkwantiteit 2 Wanneer extra verharding van meer dan 500 m plaatsvindt ten opzichte van de huidige planologische situatie, dient watercompensatie plaats te vinden. Dit op grond van de Keur van Hoogheemraadschap van Rijnland. Het is de bedoeling de omgeving van de woningen zo groen mogelijk in te richten. Het plan zal wel leiden tot een toename aan oppervlakteverharding, aangezien het plangebied in de huidige situatie nagenoeg geheel onverhard is. Echter, de toename van verharding is al meegenomen in de gehele ontwikkeling van ‘De Verwondering’. Daar is meer oppervlaktewater gegraven. In de watervergunning van het woningbouwproject ‘Teylerspark fase 1’ is de toegangsweg Laan der Verwondering meegenomen in de berekening. Het compenserende water is de diagonaal van ‘De Verwondering’. Uit de berekening blijkt dat er nog voldoende water over is met betrekking tot compensatie van ‘Teylerspark fase 2’.

Waterkwaliteit De realisatie van woningen ter plaatse heeft geen invloed op de waterkwaliteit. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt die met het hemelwater in aanraking kunnen komen, waardoor het bouwproject eveneens geen negatieve invloed heeft op de grondwaterkwaliteit en eventueel aanwezige oppervlaktewateren.

16

Hoogheemraadschap van Rijnland (2021). Resultaat watertoets. Teylerspark fase 2 Nieuwveen. Projectnummer: 20210824-13-27440. 24 augustus 2021. 49

Beschermde zones Het plangebied, net zoals de gehele dorpskern van Nieuwveen, ligt in een kwetsbaar kwelgebied. Kwelgebieden kunnen gevoelig zijn voor graven, omdat het kan leiden tot een toename van kwel of tot opbarst van de bodem. Dit is voor het Hoogheemraadschap van Rijnland aanleiding om regels te stellen voor het realiseren van grondverzet in kwetsbare kwelgebieden. Deze zijn uitgewerkt in regel 20 Grondverzet van de Keur 2020. Het bouwinitiatief is op dit moment nog niet volledig concreet. De nadere concrete uitwerking van het bouwplan valt onder de verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar en bij deze partij ligt ook de verantwoordelijkheid voor eventueel benodigde toestemmingen. Mocht in de toekomst bijvoorbeeld sprake zijn van ondergrondse bouwwerken of werkzaamheden waarbij dieper dan 1.5 meter (onder het maaiveld) wordt gegraven, dan is een watervergunning benodigd van het waterschap.

Kwetsbaar kwelgebied (Bron: Provincie Zuid-Holland) globale ligging plangebied met rode ster aangegeven

4.9.3

Conclusie In het kader van het wettelijk vooroverleg is het Hoogheemraadschap van Rijnland geconsulteerd. De resultaten van het vooroverleg zijn in het bestemmingsplan verwerkt. Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, moet

50

worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Raadpleging van het geldende bestemmingsplan laat zien dat er een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 is opgenomen voor behoud en bescherming van mogelijke archeologische waarden.

Uitsnede Cultuur historische Atlas Zuid-Holland met daarop het plangebied weergegeven (rood) Het plangebied ligt in de zones Waarde 0 - 3 m onder maaiveld en Waarde 3 - 5 m onder maaiveld (Bron: Provincie Zuid-Holland). 17

Het Bureau voor Archeologie heeft het aspect archeologie onderzocht (bijlage 14). Er zijn geen bekende archeologische waarden en het gebied is niet eerder in het veld archeologisch onderzocht. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied ligt in de landschapszone Wadden, in het archeologisch landschap ‘Diepe droogmakerijen’. Er zijn geen vegetatieniveaus of anderszins archeologisch relevante lagen gevonden. De kans dat archeologische resten aanwezig zijn is klein en het is onwaarschijnlijk dat archeologische waarden worden verstoord bij de woningbouw. Hierdoor zijn maatregelen niet nodig en is het niet noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

17

Bureau voor Archeologie (2021), 'Teylersplein, Nieuwveen, gemeente Nieuwkoop: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase’, Rapport 1098, 13 oktober 2021. 51

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden (gebouwde of aangelegde monumenten) worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen. Toetsing Binnen het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen gemeentelijke of Rijksmonumenten waar in dit plan rekening mee dient te worden gehouden, zoals vermeld in onder meer de Nota Erfgoed gemeente Nieuwkoop 2020 en de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.12

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gege18 nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied aan de rand van de kern Nieuwveen ligt wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Nieuwkoop wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk’. De norm die voor de tiny houses werd gekozen is die van tussen/hoek. Wegens hun kleine oppervlakte, is er niet van uitgegaan dat de vrijstaande huizen-norm realistisch toepasbaar kan worden. Voor de ontwikkeling van de 61 woningen volgt uit de kerncijfers de volgende verkeersgeneratie:

Maximaal

Koop, appartement, midden (32)

Koop, huizen, tussen hoek (29)

Totaal (65)

6,4 x 32 = 204,8

7,8 x 29 = 226,2

431

Bij de realisatie van het plan zullen er maximaal 430 verkeersbewegingen per etmaal ontstaan. Gerelateerd aan de omvang van het plan, wordt er verwacht dat dit plan een belangrijk aantal verkeersbewegingen zal veroorzaken. Momenteel ligt ten noorden van het plangebied een weg die het gebied naar het westen zal ontsluiten. Bovendien is er ook nog een lus voorzien om het zuidelijke gedeelte van het plangebied toegankelijker te maken. De Laan der Verwondering betreft reeds een wijkontsluitingsweg naar de N462 met voldoende capaciteit om de (extra) verkeersbewegingen te kunnen afwikkelen. 18

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 52

Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid. Parkeren Ten behoeve van deze ontwikkeling zal moeten worden voldaan aan de parkeernormen die gesteld worden in het 'Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2021’. Er moet voldoende ruimte in het plangebied beschikbaar zijn om de benodigde parkeerplaatsen te kunnen realiseren. Het gemeentelijk parkeerbeleid wordt ook in de regels van dit bestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. In het Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2021 zijn parkeernormen opgenomen. Navolgend wordt de parkeerbehoefte berekend. Voor de ontwikkeling van de 61 woningen volgt uit de parkeernormen de volgende parkeerbehoefte:

Bron: parkeernorm gemeente Nieuwkoop 2021

53

Programma Grondgebondenwoningen 2 minder dan 50 m Grondgebondenwoningen 2 tussen 80 en 130 m Gestapelde woningen minder 2 dan 50 m Totaal

Aantal 11

Parkeernorm 1,4

Parkeerplaatsen 15,4

18

2,3

41,4

32

1,4

30,6

61

87,4

De parkeerbehoefte bestaat uit 88 parkeerplaatsen. Op dit moment zijn 130 parkeerplaatsen opgenomen in de massastudie. Dit betekent dat voldaan wordt aan de parkeernota. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.13

Kabels en leidingen Er bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de langs het plangebied. Er ligt wel een gasleiding nabij het plangebied maar daarvoor hoeft geen beschermingszone opgenomen worden. In het kader van externe veiligheid 4.6 is deze leiding wel beschouwd.

54

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:  de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en  de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve:  het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:  het bebouwen van de gronden;  het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

55

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 56

5.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van wat hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Kern Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde’. In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Verkeer - Verblijfsgebied De ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en toegangen tot de parkeerplaatsen hebben deze bestemming meegekregen. Daarnaast is ook groen, water e.d. toegestaan. Groen Voor de groenvoorzieningen is de bestemming groen opgenomen. Tevens zijn binnen deze bestemming ook paden, parkeervoorzieningen en water toegestaan. Tuin De voortuinen voor zover relevant hebben de bestemming tuin meegekregen. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Wonen Voor de woningen is de woonbestemming opgenomen. Daarbij is voor de gestapelde woningen een aanduiding opgenomen. Verder zijn er alleen grondgebonden woningen toegestaan. Voor de tiny houses zijn ook aanduidingen opgenomen. Per hoofdgebouw is het maximaal toegestaan aantal woningen en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Binnen de woningen is in beperkte mate beroep aan huis toegestaan. Gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone - 20ke’ Voor het totale plangebied is de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone - 20ke’ opgenomen. Dit heeft te maken met de ligging nabij Schiphol.

Binnen deze zone zijn geen nieuwe geluidgevoelige functies toegestaan tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

5.2.2

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Ten behoeve van de ontwikkeling zal verder moeten worden voldaan aan de parkeernormen die gesteld worden in het 'Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2021’. Dit is geregeld in de algemene bouwregels van dit plan.

57

6

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De gronden zijn van de gemeente Nieuwkoop. Het plan zal worden ontwikkeld door een ontwikkelaar. Met de gronduitgifte kunnen de kosten verhaald worden. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

58

7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Inleiding In de aanloop naar dit bestemmingsplan, heeft een participatietraject voor het stedenbouwkundig plan plaatsgevonden. Begin 2021 konden inwoners meedenken over drie varianten voor dit plan. Op basis hiervan is een nieuwe variant gemaakt welke vervolgens is vastgesteld door de gemeenteraad. Voor het bestemmingsplan zelf worden belanghebbenden en geïnteresseerde eveneens betrokken. De resultaten daaruit komen in de volgende paragrafen aan bod.

7.2

Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, in december 2021 overleg gevoerd met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In de Nota van reactie op vooroverleg Bestemmingsplan Teylerspark fase 2 (bijlage 15) zijn de resultaten van het overleg samengevat en van een antwoord voorzien.

7.3

Zienswijzen Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure. Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht. Het ontwerpbestemmingsplan zal daarom voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=9d961cc5-b5c4-4153-af95-0c7a21c2240b