Set bijlagen-geanonimiseerd
Tekst van het document
Hoogheemraadschap van Rijnland De leggerkaart is geraadpleegd. Een uitsnede hiervan is weergegeven in figuur 12. Er zijn enkele primaire watergangen in het plangebied aanwezig, daarnaast zijn er ‘overige watergangen’ aanwezig. Voor de primaire watergangen, welke in onderhoud zijn van het Hoogheemraadschap geldt dat er een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden is vastgelegd. Voor de overige watergangen betreft dit 2 meter. De afmetingen van de beschermingszone zijn gebaseerd op de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van onderhoud en/of inspectie aan de watergang. In voorliggend plan blijven de beschermingszones van de primaire watergangen, welke in beheer zijn van het Hoogheemraadschap, bereikbaar voor het Hoogheemraadschap. Het beheer van de overige watergangen ligt bij de aangelande grondeigenaren, voor een groot deel is dat Natuurmonumenten. Ruygeborg II | Eelerwoude | 30
Figuur 13: Uitsnede legger (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)
Digitale watertoets Op donderdag 2 juni 2022 is de digitale watertoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (zie ook bijlage 8). De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, waaruit blijkt dat de zogenaamde normale procedure wordt doorlopen bij Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit houdt in dat op basis van locatie en gegeven antwoorden blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt. De initiatiefnemer staat in nauw contact met de het Hoogheemraadschap van Rijnland ten behoeve van de watervergunning. Daarnaast wordt met de landschappelijke inrichting rekening gehouden met de aanwezigheid van de watergangen. Zie hiervoor paragraaf 2.3 en de separate technische inrichtingstekeningen. Er is intensief contact met Hoogheemraadschap van Rijnland voor de benodigde watervergunningen. Middels de watertoets worden/is hoogheemraadschap nogmaals op de hoogte gebracht. Voorgenomen inrichtingsplan is opgesteld met behulp van het hoogheemraadschap en haar belangen zijn daar goed in geborgd.
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht De leggerkaart is geraadpleegd, hiervan is een uitsnede hiervan is weergegeven in figuur 13. Met de paarse lijn wordt de begrenzing van het waterschap aangegeven. Enkel de twee ‘driehoeken’ zijn gelegen in het gebied van AGV. Te zien is dat de droge driehoek wordt begrensd door primaire watergangen. Er zijn in de twee driehoeken geen watergangen aanwezig. Ook bij Amstel, Gooi en Vecht geldt een beschermingszone van 5 meter voor primaire watergangen.
Ruygeborg II | Eelerwoude | 31
Figuur 14: Uitsnede legger (bron: Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
Digitale watertoets Bij Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is de digitale watertoets niet mogelijk via dewatertoets.nl. Via de gemeente of rechtstreeks kan contact worden opgenomen met het waterschap. Gezien het feit dat AGV reeds goed op de hoogte is en betrokken bij de planvorming van de voorgenomen ontwikkeling zijn de waterschapsbelangen al goed geborgd.
Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante waarden beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen met zich meebrengt.
Ruygeborg II | Eelerwoude | 32
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Externe veiligheid • Bedrijven en milieuzonering • Verkeer en parkeren • Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het beleid, de waardentoets en de milieuaspecten zijn getoetst voor de percelen waarvoor een afwijkend gebruik wordt gevraagd.
5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek door Antea group gedaan in april 2022. In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN 5897. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 9. Tijdens het verkennend bodemonderzoek is ter plaatse van een aantal dammen en één brug verontreinigingen met zware metalen of PAK aangetoond. Gezien omvang van de verontreinigingen niet bekend is wordt is een nader onderzoek conform de strategie ‘Onderzoeksstrategie voor het bepalen van de omvang van een bodemverontreiniging’ uit de NTA5755 uitgevoerd. Doel van dit nader onderzoek is om de omvang van de aanwezige bodemverontreinigingen te bepalen en te bepalen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m3 sterk verontreinigde grond).
Het aanvullend nader bodemonderzoek is bijgevoegd in bijlage 10. Uit het Nader onderzoek zijn de volgende conclusies gekomen: Verkennend bodemonderzoek Grond Toetsing Wet bodembescherming In de geanalyseerde monsters zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en/of minerale olie aangetoond. Toetsing Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat de monsters aan de klasse Industrie of beter voldoen. Ruygeborg II | Eelerwoude | 33
Funderingslaag De funderingslaag ter plaatse van Pad-B-3-1 voldoet niet aan de samenstellingswaarden voor een nietvormgegeven bouwstof. Het monster voldoet wel aan de emissiewaarde. Asbest In de geanalyseerde puinlagen is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypothese 'verdachte locatie' wordt aanvaard, vanwege de aangetoonde lichte verontreinigingen.
Conclusie De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende tussenwaarde. Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van het onderzoek.
5.3 Geluid Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone ter zake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van natuur is in het kader van de Wet geluidhinder niet aan te merken als geluidsgevoelige bestemming of object. Een nader onderzoek naar akoestiek is daarom niet noodzakelijk.
5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekenende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling
Ruygeborg II | Eelerwoude | 34
betreft het omzetten van agrarische grond kruiden- en faunarijk grasland, vochtig weidevogelgrasland, moeras en bloemrijk grasland. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling met zich mee brengt, zijn deels tijdens de bouwfase merkbaar. In deze fase zal er tijdelijk sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen. Tijdens de bouwperiode zal het aantal verkeersbewegingen met circa 20 verkeersbewegingen per dag, ruimschoots onder de 800 per dag blijven. Daarnaast is er sprake van een kleine recreatieve aantrekkingskracht, met de realisatie van 14 parkeerplaatsen is er sprake van een kleinschalige stijging en blijven ook in de gebruiksfase het aantal verkeersbewegingen ruimschoots on der de 800 per dag. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Daarnaast is in de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De functiewijziging van agrarische naar natuur is een ontwikkeling die niet leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit tijdens de beheerfase. Het plan kan daarmee zonder verdere toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
5.5 Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een dergelijke motivering is toegestaan. Het aspect Externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek en lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen en gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. • Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).
Ruygeborg II | Eelerwoude | 35
Figuur 15: Uitsnede risicokaart
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Op basis van toetsing wordt gesteld dat in het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen. Wel grenst direct aan het plangebied een buisleiding. Dit betreft een aardgasleiding van de Gasunie (aardgasleiding NEN 3650leiding). De hogedrukaardgasleiding loopt aan de zuidzijde parallel aan het fietspad van de Molenweg, dit fietspad loopt door het plangebied zoals aangegeven op het inrichtingsplan (figuur 5) én het gebied waarvoor vergunning wordt aangevraagd voor het afwijken op het bestemmingsplan (figuur 6). Desondanks vormt dit geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Er worden geen gevoelige functies cq. (beperkt) kwetsbare functies mogelijk gemaakt en de werkzaamheden zijn dusdanig van aard dat de buisleiding niet wordt belemmerd. Met het opstellen van het inrichtingsplan is rekening gehouden met de ligging van de buisleidingen en waar nodig worden maatregelen genomen om de leiding te beschermen. Bij een ondergrondse leiding is het van belang dat binnen een strook van 5 meter aan weerszijden van de leiding vrijgehouden wordt voor de leidingbeheerder, binnen deze strook mag en is geen bebouwing of diepwortelende beplanting aanwezig (anders dan ten behoeve voor de leiding). Een aanvullend onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk.
5.6 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
Ruygeborg II | Eelerwoude | 36
-
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van natuur en een klein gedeelte agrarisch heeft niet tot gevolg dat er milieubelastende of milieugevoelige functies gerealiseerd worden. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
5.7 Verkeer en parkeren Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Er worden circa 14 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd op de reeds aanwezige parkeerplaats aan de Noordenseweg ten zuidwesten van het plangebied. Hierdoor ontstaan er een totaal van 28 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de behoefte vanuit de gemeente voor nieuwe parkeerplaatsen. Ook fietsparkeren heeft met voorgenomen ontwikkeling een betere inpassing gekregen. Door de realisatie van meer parkeerplaatsen zal naar verwachting een toenemend aantal verkeersbewegingen ontstaan. De extra rijbewegingen voortkomend uit de nieuwe parkeerplaatsen gaan op in het heersend verkeersbeeld van de Noordenseweg.
5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijzigingen hebben met name betrekking op aanvragen waarbij een vormvrije-m.e.r. beoordeling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet zich er nog steeds van vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben , dit wordt ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat elk besluit of plan gecheckt moet worden met de activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Deze lijst geeft aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Ruygeborg II | Eelerwoude | 37
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op basis van de beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige milieueffecten met zich meebrengt. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in grondverzet over een oppervlakte van 24,65 hectare. Het totale plangebied voor Ruygeborg beslaat een oppervlakte van 163 hectare. De vrijkomende grond wordt grotendeels gebruikt om nieuwe kades en verhoogde paden en een aantal watergangen te dempen. Ontgrondingen zijn op grond van onderdeel D, onder 16.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. formeel m.e.r.beoordelingsplichtig indien de ontgronding de bij dit onderdeel aangegeven drempelwaarde van 12,5 hectare overschrijdt. Zoals aangeven is de ontgronding met een oppervlak van circa 24,65 hectare boven de genoemde drempelwaarde maar blijft onder de drempelwaarde van de m.e.r.-plichte grens van 25 ha uit de C-lijst. In dit geval wordt volstaan met het opstellen van een formele m.e.r.-beoordeling. Daarnaast is er sprake van een activiteit op grond van onderdeel D, onder 9, ‘een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan’ daar er sprake is van een functiewijziging van gronden. Het gehele plangebied bevat 163 hectare waarbij voor ca. 82 hectare gronden in afwijking op het bestemmingsplan worden gebruikt.
Daarmee wordt ruim onder de drempelwaarde gebleven van 125 hectare die te vinden is in kolom 2. Omdat ook onder de drempelwaarde belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden dient voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De aanmeldingsnotitie m.e.r.beoordeling van de ontgrondingsactiviteit is toegevoegd als bijlage van deze onderbouwing (bijlage 11). De wijzigingen van het Besluit m.e.r. 2017 hebben geen gevolgen voor de ontwikkeling. Voor de activiteit D16.1 (ontgronden) is de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling ingediend bij het bevoegd gezag (provincie Zuid-Holland), gemandateerd aan Omgevingsdienst Haaglanden, omdat het een ontgronding betreft in de zin van de Ontgrondingenwet. De provincie zal daarom een m.e.r.-beoordelingsbesluit moeten nemen ten behoeve van de ontgrondingsvergunning, uiterlijk voor het verlenen van de vergunning. Daarnaast is er ook sprake van activiteit D9 (landinrichtingsproject) die planologisch mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo), hiervoor is gemeente Nieuwkoop (gemandateerd aan Omgevingsdienst West-Holland) bevoegd gezag. Ook hier dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit voor te worden genomen, uiterlijk voor het verlenen van de vergunning.
Op basis van de analyse en beoordelingen in de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling kan gesteld worden dat de functiewijziging en ontgraving ten behoeve van de natuurontwikkeling Ruygeborg II niet leidt tot belangrijk nadelige milieueffecten. Dit omdat geen wezenlijke negatieve effecten optreden, dan wel voorkomen/beperkt kunnen worden met mitigerende maatregelen. Het plan Ruygeborg II heeft positieve effecten op de natuur, het watersysteem en de recreatieve mogelijkheden in het gebied en de omgeving. De conclusie luidt dan ook dat er geen noodzaak is om een m.e.r.- procedure te doorlopen. Het is aan het bevoegd gezag (gemeente Nieuwkoop voor de omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan en provincie Zuid-Holland voor de ontgrondingsvergunning) hier een formeel m.e.r.-beoordelingsbesluit over te nemen voorafgaand aan het vaststellen van het ruimtelijk besluit (omgevingsvergunning en ontgrondingsvergunning)
Ruygeborg II | Eelerwoude | 38
5.9 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.
Ruygeborg II | Eelerwoude | 39
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven.
6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Geconstateerd is dat er geen omgeving- en milieukundige belemmeringen zijn. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Communicatie en participatie met de omgeving Om tot een gedragen ontwerp te komen is er veel afstemming geweest met de omgeving en belanghebbenden. Er zijn vanaf 2016 diverse inloopavonden georganiseerd waarbij de stand van zaken omtrent het project en het ontwerp werden gepresenteerd en betrokken partijen hun input konden geven. In 2017 heeft een aantal grondeigenaren zelf het schetsontwerp voor Ruygeborg II gemaakt. Wat na een presentatie tijdens een inloopavond is goedgekeurd door de Stuurgroep. Het schetsontwerp is vervolgens door het projectteam verder uitgewerkt met concrete inrichtingsmaatregelen waarbij, waar mogelijk, rekening is gehouden met de reacties hierop. Dit alles heeft geleid tot het inrichtingsplan. Ook is er een adviesgroep samengesteld met afvaardiging uit de directe omgeving, die op reguliere basis worden geïnformeerd over de actualisaties en aanpassingen van het ontwerp en worden bevraagd over eventuele afwegingen. Daarnaast wordt vanuit het project regelmatig een nieuwsbrief rondgestuurd waarmee geïnteresseerden worden geïnformeerd over de ontwikkelingen, stand van zaken en de planning.
Vooroverleg Provincie Zuid-Holland is nauw betrokken bij de planvorming en voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt voorgelegd voor vooroverleg. Een overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft plaatsgevonden.
Zienswijzen Het ontwerp van de omgevingsvergunning wordt voor de duur van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd. Na die termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven.
6.4 Economische uitvoerbaarheid De ontwikkeling betreft een overheidsinitiatief dat door de initiatiefnemer wordt gefinancierd. De kosten die zijn gemoeid met de ruimtelijke procedure worden op grond van de legesverordening bij de initiatiefnemer in rekening gebracht. Er wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Gezien het voorgaande wordt geen aanleiding gezien om een exploitatieplan vast te stellen.
Ruygeborg II | Eelerwoude | 40
6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
Ruygeborg II | Eelerwoude | 41
Bijlagen/literatuurlijst Bijlage 1 - Inrichtingsplan Bijlage 2 - Toets wet natuurbescherming 24 juli 2023 Bijlage 3 – Nader onderzoek ‘Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten’ Bijlage 4 – Nader onderzoek ‘Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad)’ Bijlage 5 - Stikstofdepositie-onderzoek d.d. 18 juli 2023 Bijlage 6 – Archeologisch onderzoek Bijlage 7 - Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II d.d. 26 mei 2023 Bijlage 8 - Watertoets Bijlage 9 - Verkennend bodemonderzoek Bijlage 10 - Nader bodemonderzoek Bijlage 11 – Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling d.d. 26 mei 2023 Bijlage 12 – Technische inrichtingstekeningen
Ruygeborg II | Eelerwoude | 42
LEGENDA DEELGEBIEDEN Kruiden- en faunarijk grasland Vochtig weidevogelgrasland
P 5 6
Moeras
5A
P Bloemrijk grasland +P
R E C R E AT I E Wandelpad gras Wandelpad halfverhard P P P
P
P
Uitkijkheuvel
P
P
Brug
P
P P P
Parkeren auto’s
P P
Parkeren fietsers
Groene Jonker
Ko
P
u sw eg
P +P
k P
P +P
P
P
P P
Bosschage bestaand & nieuw
P
+P
+P
3
P
Stuw
P
P
P
+P
P
P
P
BEBOUWING EN INFRASTRUCTUUR Bebouwing P
P
Windwatermolen en pomp
P
P
P
Poel
P
P
P
P
G R O E N E N WAT E R
P P
P
Restaurant
P
P
ij D e g Ho
Bestaand fietspad
P P P
+P
P
Beheerpaden
P
Infrastructuur
P
P
P Driekoppenland
P
P P
NOORDEN
P P
P
P
P
P P
P P
P
P P
P
Noordenseweg
1A
37
P
P
P 41
43
P
P
3
P
5
Hoge Dijk Simon van Capelweg
Nieuwkoopse plassen
50
100
150
2 0 0 2 5 0 m.
28-04-2022 INRICHTINGSPLAN ZONDER
6
7
P
P
2
0
C O M PA R T I M E N T 3 & 4
R U YG E B O R G I I N I E U W KO O P Inrichting natuur- en recreatiegebied
N
Natuurtoets Ruygeborg II Toetsing Wet Natuurbescherming en NNN tbv uitvoeringsprojecten
projectnummer 465181.100 definitief revisie 5.0 24 juli 2023
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Natuurtoets Ruygeborg II Toetsing Wet Natuurbescherming en NNN tbv uitvoeringsprojecten projectnummer 465181.100 definitief revisie 5.0 24 juli 2023
Auteur
Opdrachtgever Provincie Zuid-Holland Zuid-Hollandplein 1 2596 AW 'S-GRAVENHAGE
Colofon
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
De informatie in voorliggende rapportage is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
datum vrijgave 24-07-2023
beschrijving revisie 5.0 definitief, tekstuele aanpassing
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Inhoudsopgave Natuurtoets
2
Conclusies en advies
3
1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Projectvoornemen Doel en onderzoeksvragen Leeswijzer
1 2 4 4
2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming
5
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3
Algemeen Soortbescherming Gebiedsbescherming Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Bescherming van houtopstanden
5 5 6 6 7 7
3
Methodiek
8
3.1 3.2 3.3 3.4
Algemeen Bureauonderzoek Terreinbezoek Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
8 8 9 9
4
Resultaten
10
4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3
Gebiedsbeschrijving Beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek Resultaten terreinbezoek - ecologische bevindingen Vogels Zoogdieren Samenvatting beschermde soorten Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland Bescherming van houtopstanden
10 11 11 12 14 15 17 18 18 19 19
5
Toetsing
20
5.1 5.2 5.2.1 5.2.2
Effectbepaling plan Toetsing effect op beschermde soorten Vogels Zoogdieren
20 20 20 21
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3
Amfibieën Reptielen Overige soortgroepen Effecten op beschermde gebieden Effecten op Natura 2000-gebieden Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Bescherming van houtopstanden.
21 23 23 24 24 24 26
6
Bronnen
27
Groene jonker
Nieuwkoopse plassen
Globale ligging van het projectgebied (rood omlijnd) Bron: Arcgis.com.
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Conclusies en advies De Provincie Zuid-Holland is voornemens om ten noorden van de Nieuwkoopse plassen in Zevenhoven, een nieuw verbindend natuurgebied te realiseren, Ruygeborg II. Dit plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een verhoogde natuurwaarde in bestaand NNN-gebied. Dit voornemen is echter in het huidige bestemmingplan niet toegestaan. Om deze reden wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het plan kan worden uitgevoerd als duidelijk is dat het plan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het plangebied en de effecten hierop. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In dit hoofdstuk is het advies gegeven dat voortkomt uit de conclusies van de uitgevoerde Natuurtoets. Tevens is aangegeven of volgens de Nederlandse wetgeving vervolgstappen aan de orde zijn.
Conclusies: Beschermde gebieden In het plangebied is NNN-gebied aanwezig, het meest nabije Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen’ is binnen de invloedsfeer gelegen. Het genoemde Natura 2000-gebied is stikstofgevoelig. In 2022 is een berekening van de Stikstofdepositie uitgevoerd met behulp van de AeriusCalculator. Zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geven een stikstofdepositie onder de kritieke waarde van 0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden (Antea Group, 2022B). Het voornemen met betrekking tot het NNN wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Het plan dient juist ter verbetering van de kwaliteit van het NNN. Om deze reden kunnen negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten. Zie ook tabel 1. Tabel 1. Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming.
Natura 2000 Aanwezig binnen de invloedssfeer?
NNN
Ja
Ja
Effecten?
Nee
Nee, werkzaamheden dragen bij aan kwaliteitsverbetering van het NNN.
Vereiste vervolgstappen aan de orde?
Nee
Nee
Bescherming houtopstanden Ja Er staat een bosschage binnen het plangebied bestaande uit meer dan 20 bomen welke behouden blijven en enkele solitaire bomen welke mogelijk verwijderd worden. Er dient een kapmelding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. In het plangebied worden bosvakken gerealiseerd waardoor
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Is het plan uitvoerbaar in het kader van de gebiedsbescherming?
Ja
mogelijkheden zijn voor interne overcompensatie. Ja, mits wordt voldaan aan de herplantplicht.
Ja
Conclusies: Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Vogels – boomvalk, ransuil en algemene broedvogels; Zoogdieren –Noordse woelmuis en waterspitsmuis; Amfibieën – heikikker en rugstreeppad; Reptielen – ringslang; Overige soortgroepen – platte schijfhoren. In Tabel 2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is. Tabel 2. Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.
Soort (groep)
Essentieel leefgebied in plangebied?
Is er sprake van een overtreding?
Is een ontheffing noodzakelijk
Vervolgstappen
Nee mits aan randvoorwaarden wordt voldaan.
Verstoringsafstand handhaven en werken buiten de broedperiode en voorafgaand aan de werkzaamheden een inspectie van de nesten om broedgevallen op de nesten uit te sluiten.
Broedvogels Boomvalk en ransuil
Nee, potentiële nestlocatie in bomenrij langs sportpark
Nee, mits gewerkt wordt buiten de verstoringsafstand (75m) of broedperiode (20 februari - 15 september).
Overige broedvogels
Tijdens het broedseizoen; veel broedbiotoop aanwezig in bosschage, opgaande vegetatie en graslanden.
Nee, wanneer in gebruik zijnde nesten niet worden aangetast of verstoord.
Nee, mits zorgvuldig wordt omgegaan met nesten van broedvogels.
Werken buiten het broedseizoen.
Aanwezigheid uitgesloten door nader onderzoek.
Nee
Nee
Geen vervolgstappen aan de orde.
Zoogdieren Aanwezigheid uitgesloten Noordse woelmuis door nader onderzoek.
Nee
Nee
Geen vervolgstappen aan de orde.
Zoogdieren Waterspitsmuis
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Amfibieën Heikikker Rugstreeppad
Reptielen Ringslang
Overige soortgroepen Platte schijfhoren
Ja, er is sprake van tijdelijke verstoring van Ja voor Artikel 3.5 Ja, overwinteringsplaatsen individuen, Lid 1,2 en 4 en voorplantingsplaatsen voortplantingsplaatsen evenals Artikel 3.6 en Lid 2 . overwinteringsplaatsen. Enkele delen voldoen aan de biotoopeisen. In desbetreffende delen vinden geen werkzaamheden plaats.
Nee
Nee
Ja, er is sprake van tijdelijke verstoring van Ja voor Artikel 3.5 Ja, aangetoond middels individuen, Lid 1,2 en 4 nader onderzoek in 2019. voortplantingsplaatsen evenals Artikel 3.6 en Lid 2 . overwinteringsplaatsen.
Ontheffingsaanvraag en mitigerende maatregelen.
Geen
Ontheffingsaanvraag en mitigerende maatregelen.
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage 1 staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De Provincie Zuid-Holland is voornemens om ten noorden van de Nieuwkoopse plassen in Zevenhoven, een nieuw verbindend natuurgebied te realiseren, Ruygeborg II. De Provincie ZuidHolland is voornemens het bestemmingsplan vast te stellen. Dit plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een verhoogde natuurwaarde in bestaand NNN-gebied. Ruimtelijke plannen, zoals dergelijke bestemmingsplan, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Nederland). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In 2019 is een natuurtoets ten behoeve van het project uitgevoerd (Antea Group, 2019a). Op basis van de toenmalige natuurtoets is in 2019 nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de noordse woelmuis, waterspitmuis, heikikker en de platte schijfhoren. In 2022 is de Natuurtoets geactualiseerd. In deze rapportage zijn de resultaten van de Natuurtoets uit 2022 beschreven en wordt antwoord gegeven op de vraag of het plan uitvoerbaar is.
In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1. Globale ligging van het projectgebied (rood omlijnd) Bron: Arcgis.com.
Blad 1 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
1.2
Projectvoornemen Ruygeborg is het gebied tussen Noorden en Nieuwkoop. Dit gebied wordt de komende jaren omgevormd tot natuurgebied, als verbinding tussen de Nieuwkoopse Plassen en natuurgebied de Groene Jonker. Ruygeborg wordt in twee fasen ontwikkeld. Ruygeborg I is reeds aangelegd in 2012 en wordt beheerd door Natuurmonumenten. Ruygeborg II omvat circa 163 ha en moet worden ingericht als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er worden geen nieuwe open verbindingen met andere in de omgeving aanwezige waterlichamen gerealiseerd en er worden geen vispasseerbare stuwen geplaatst. Natuurmonumenten is een van de eigenaren van diverse percelen en als toekomstig beheerder nauw betrokken bij de invulling van het gebied. Voor het projectgebied zijn drie verschillende natuurtypen toegewezen, te weten: Moeras; Weidevogelgrasland; Kruidenrijk grasland. Elk natuurtype heeft zijn eigen kenmerken en afwegingscriteria in relatie tot het toekomstig beheer. Voor Natuurmonumenten is het van belang dat bij de inrichting een dusdanig goede basis wordt gelegd dat in combinatie met het daaropvolgende beheer een zo optimaal mogelijke natuurontwikkeling kan plaatsvinden.
Om de gewenste natuurontwikkeling mogelijk te maken gelden de volgende randvoorwaarden: Verschraling (stopzetten van bemesting); Opzetten van het waterpeil (vernatting); Verbeteren van de waterkwaliteit (benutten van kwelstromen). De te realiseren recreatiedoelstelling is niet alleen gericht op Ruygeborg II maar ook op het reeds ingerichte Ruygeborg I. Ecologisch gezien ontwikkelt dit gebied zich erg goed maar voor de recreant heeft het gebied weinig aantrekkingskracht. Deze moet worden versterkt. Daarnaast zal in het midden van de zuidoostelijke hoek van Ruygeborg I (Figuur 1.2) vergraving plaatsvinden om natte situatie/open waterplas te realiseren. De vrij te komen grond wordt binnen het project elders gebruikt. Het projectgebied heeft een behoorlijke omvang en wordt verdeeld in verschillende deelgebieden. Deze zijn gebaseerd op fysieke scheidingen zoals kades en wegen maar ook doordat gebieden verschillende eigenaren of beheerders hebben. Om enkele situaties specifiek te kunnen behandelen is gekozen om het projectgebied te verdelen in een aantal deelgebieden, te weten: 1. Hoogwatergebied; 2. Laagwatergebied; 3. Kaden; 4. Grote driehoek; 5. Kleine driehoek; 6. Verbinding strook Groene Jonker; 7. Ruygeborg I;
Blad 2 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Figuur 1.2. Kaart van het plangebied met bijbehorende deelgebieden. (blauwe cirkel betreft de geplande vergraving voor het realiseren van de open plas).
Zie Figuur 1.3 voor een impressie en het ontwerp van het voornemen/uitvoering van de werkzaamheden.
Figuur 1.3. inrichtingsplan Ruygeborg II (versie 28-04-2022)
Blad 3 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
1.3
Doel en onderzoeksvragen Het doel van voorliggende Natuurtoets is het opsporen van strijdigheden van het voorgenomen plan met de beschermde soorten en beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland; NNN) en het bepalen of het plan uitvoervaar is. De volgende onderzoeksvragen zijn van toepassing: Welke in het kader van de Wnb beschermde soorten (en/of vaste rust- en verblijfplaatsen) komen voor in het beïnvloedingsgebied van het plan? Vinden er als gevolg van de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het plan effecten plaats op deze soorten en worden daarbij verbodsbepalingen overtreden? Is het plan uitvoerbaar en zijn, zo nodig, aanvullende voorwaarden in het plan aan de orde? Komen in de beïnvloedingszone van het plangebied beschermde natuurgebieden (NNN en/of Natura 2000) voor? Zo ja, welke zijn dit en wat zijn de gevolgen hierop? Dienen vervolgstappen in de vorm van een compensatieplan opgesteld te worden of zijn andere vervolgstappen aan de orde? Op bovenstaande vragen wordt in hoofdstuk 4 en 5 een antwoord gegeven (zie ook de leeswijzer).
1.4
Leeswijzer De Natuurtoets is als volgt opgebouwd: De Natuurtoets begint met de belangrijkste conclusies gedestilleerd uit de resultaten van voorliggende Natuurtoets; Hoofdstuk 1 geeft de aanleiding van de Natuurtoets en het planvoornemen; Hoofdstuk 2 beschrijft beknopt het wettelijk kader; Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de methodiek van de Natuurtoets; Hoofdstuk 4 beschrijft het gebied en gaat in op de ecologische waarden en de beschermde soorten en gebieden in (de omgeving) van het plangebied; Hoofdstuk 5 toetst het plan aan de Wet natuurbescherming en het NNN.
Blad 4 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming Dit hoofdstuk beschrijft het wettelijk kader van de soortenbescherming (paragraaf 2.2) en de gebiedsbescherming (paragraaf 2.3) relevant voor voorliggende Natuurtoets.
2.1
Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.
2.2
Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen.
Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt (zie artikel 3.1 in tekstkader in de bijlage).
Blad 5 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden (zie ook tabel E in de bijlage). Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel C en D van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren.
Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Ook zijn de provincies niet altijd het bevoegd gezag. In bepaalde gevallen1 is dit het rijk (via RVO). Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie. Zie de Bijlage voor een uitgebreide toelichting.
2.3
Gebiedsbescherming
2.3.1
Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een Passende beoordeling opgesteld te worden.
1
https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/wetnatuurbescherming/taken-en-rolverdeling-bevoegdheden
Blad 6 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
2.3.2
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en – om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het ‘nee, tenzij’- principe. De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.3.3
Bescherming van houtopstanden De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft invulling aan de bescherming van houtopstanden die tot aan 1 januari 2017 vielen onder bescherming van de Boswet. De bescherming is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wnb. De Provincie is het bevoegd gezag. De bescherming betreft de houtopstanden die zijn gelegen buiten de bebouwde kom (Boswet) en die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 (0,1 hectare). De Wnb doet geen uitspraken over houtopstanden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of met kleinere oppervlakte dan 1.000 m2. Bescherming van dergelijke houtopstanden is een taak van de gemeentelijke overheid. Voor houtopstanden groter dan 1.000 m2 is veelal sprake van overlap met de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De mate van overlap kan per gemeente verschillen en is dus maatwerk. Toetsing aan de APV valt buiten de scope van de Natuurtoets. Voor houtopstanden die zijn beschermd in de Wnb geldt een meldingsplicht bij voorgenomen velling, en in principe tevens een herplantplicht. Herplant wordt in principe ter plekke ingevuld. Onder voorwaarden kan herplant ook elders worden gerealiseerd.
Blad 7 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
3
Methodiek Dit hoofdstuk beschrijft de methodiek die gehanteerd wordt tijdens het bureauonderzoek (paragraaf 3.2) en gedurende het terreinbezoek (paragraaf 3.3) van voorliggende Natuurtoets. In paragraaf 3.4 wordt aangeduid hoe deze gegevens leiden tot een conclusie.
3.1
Algemeen Het onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten en ligging van beschermde gebieden is opgebouwd uit twee onderdelen: 1. 2.
3.2
Bureaustudie naar waarnemingen van beschermde soorten uit het (recente) verleden en ligging van beschermde gebieden in de invloedsfeer van het project; Terreinbezoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten.
Bureauonderzoek Afbakening beschermde soorten In het bureauonderzoek wordt specifiek gekeken naar soorten uit de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5) en ‘andere’ beschermde soorten (artikel 3.10). Bij vogels zal met name speciale aandacht geschonken worden aan soorten die in het projectgebied een essentieel leefgebied kunnen hebben. Voorgenoemde soorten zijn in Nederland zeldzaam of hebben een Europese bescherming (Habitatrichtlijn bijlage IV-soorten, bijlage II Verdrag van Bern en bijlage I Verdrag van Bonn) en moeten worden getoetst op voorkomen en het projecteffect. Treden effecten op, of worden verbodsbepalingen overtreden, dan zijn er maatregelen nodig om deze effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wnb. Een aantal soorten is door de provincies vrijgesteld en zijn opgenomen in provinciale vrijstellingen (zie tabel B en C in de bijlage). Deze zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in de provincie dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt met het voorliggende project. Wel geldt de algemene zorgplicht. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding worden gegarandeerd.
Hierbij kan gedacht worden aan het rekening houden met de kwetsbare seizoenen van deze soorten en de manier van werken (zoals het aanhouden van vaste rijroutes en het zorgen voor vluchtmogelijkheden voor de soorten). Bronnen Om een beeld te krijgen van de verspreiding en (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in en rond het projectgebied, is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij is nagegaan of er in de periode 2016-2022 beschermde soorten zijn aangetroffen in of nabij het projectgebied. Aan de hand van de resultaten van de bureaustudie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het projectgebied voor zouden kunnen komen. Naast de bronnen met soortinformatie, is voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het Ministerie van EZK of provinciale digitale atlassen. Om inzicht te krijgen in de ligging van het projectgebied t.o.v. van het NNN is de provinciale website geraadpleegd.
Blad 8 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
3.3
Terreinbezoek Naar aanleiding van de uitkomsten van voorgenoemde bureaustudie is middels een terreinbezoek bepaald in hoeverre de aanwezigheid van beschermde soorten aannemelijk gesteld kan worden op basis van aanwezig geschikt habitat. Naast directe waarnemingen kan dan aan de hand van de aangetroffen biotopen een beeld worden geschetst van de verwachte aanwezige beschermde soorten. Dit is noodzakelijk omdat enkele seizoensgebonden soorten flora en fauna mogelijk niet kunnen worden waargenomen. Aan de hand van het aangetroffen biotoop en habitatvoorkeur(en) kunnen echter wel indicaties worden gegeven van het mogelijk voorkomen van deze soorten op de locatie. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten opgetekend. Op 25 april 2022 is vanaf circa 15:00 uur een terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij gehele bewolking met een temperatuur van circa 9 °C en een windkracht van 3 Bft (KNMI.turmin.com). Tijdens het terreinbezoek is het projectgebied zijn de diverse percelen in het projectgebied (Figuur 3.1) te voet belopen en zijn de aanwezige bomen bekeken met een verrekijker.
Figuur 3.1 Onderzocht deel projectgebied. Bron: PDOK.
3.4
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Aan de hand van de bevindingen uit het bureauonderzoek en de resultaten van het verkennend terreinbezoek kan worden bepaald of het plan uitvoerbaar is, of een vervolgonderzoek nodig is om beschermde soorten uit te sluiten en om te bepalen wat de effecten zijn. Tevens kan worden geadviseerd over de te volgen procedure inzake de natuurwetgeving.
Blad 9 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
4
Resultaten In paragraaf 4.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het projectgebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 4.2 in gegaan op de resultaten van de in het gebied aanwezige of verwachte beschermde soorten (uiteenzetting van de resultaten van de bureaustudie en het terreinbezoek), waarna in paragraaf 4.3 de ligging van gebieden beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming en het NNN in de omgeving van het projectgebied aangegeven wordt.
4.1
Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich ten noorden van de Noordenseweg en de Simon van Capelweg, ten zuiden van delen van de Molenweg en de Kousweg evenals langs delen van de Hogedijk, Molenweg en de Kousweg te Zevenhoven in de gemeente Nieuwkoop en Provincie Zuid-Holland (Figuur 3.1). Het plangebied is gelegen ten zuiden en zuidwesten van de Groene Jonker en ten noorden van de Nieuwkoopse plassen. Het projectgebied heeft deels een landbouwkundige functie. De graslanden lopen in lijnen langs watergangen waar de effecten van de droogmakerij zijn terug te zien. Op de percelen is weinig hoog opgaande vegetatie aanwezig. Aanwezige vegetatie bestaat hoofdzakelijk uit grassen en lokaal exemplaren van raapzaad, fluitenkruid en kruipende boterbloem. Langs de noordelijke zijde van de Molenweg is een smalle watergang aanwezig met ontwikkelde water- en oevervegetatie aanwezig. In de watergangen ten zuiden van de Molenweg is in de meeste watergangen weinig tot geen watervegetatie aanwezig. Aan de randen ten noorden van het plangebied is een lange bosschage gelegen en in het zuidelijke deel van het plangebied is hoge begroeiing (en enkele bomen) aanwezig nabij de woningen. Figuur 4.1 geeft een impressie van het plangebied.
Blad 10 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Indruk watergang tussen percelen.
Indruk vegetatie op percelen.
Indruk vegetatie perceel buiten het projectgebied en bomenrij rondom sportpark.
Vegetatierijke watergang en bosschage tussen de Kousweg en de Molenweg.
Figuur 4.1. Impressie van het projectgebied.
4.2
Beschermde soorten
4.2.1
Resultaten bureauonderzoek Uit de recente verspreidingsinformatie blijkt dat in of nabij het projectgebied in het verleden diverse beschermde soorten zijn waargenomen (binnen een straal van 2,5 kilometer). Dit betreft de beschermde soorten genoemd in Habitatrichtlijn (bijlage IV onderdeel a en b) en de nietvrijgestelde ‘andere soorten’ uit bijlage I (onderdeel a en b) van de Wet natuurbescherming alsook vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. De soorten zijn weergegeven in Tabel 4.1. Tabel 4.1. Overzicht van waargenomen beschermde soorten in de omgeving van het projectgebied (met een straal van 2,5km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd. De soorten zijn in te delen in Habitatrichtlijn (HR), lijsten A en B behorende bij artikel 3.10 en vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (JRB) en zijn aangegeven met een ‘X’ (NDFF, 2016-2022).
Soortgroep
Vogels met een jaarrond beschermd nest*
Soort
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil
Blad 11 van 27
JRB X
X X X X X X
HR
A/B
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Zoogdieren
Amfibieën Reptielen Insecten - Libellen Vissen Planten Overige soortgroepen
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Boommarter Noordse woelmuis Otter Vleermuizen** Waterspitsmuis Heikikker Rugstreeppad Ringslang Gevlekte witsnuitlibel Groene glazenmaker Sierlijke witsnuitlibel Kwabaal Brede wolfsmelk Groenknolorchis Naaldenkervel Gestreepte waterroofkever Platte schijfhoren
X X X X X
X X X X X X X X X X X X X X X X X X
*Categorie 5: de afweging of er sprake is van een jaarrond beschermd nest uit categorie 5 wordt gemaakt bij de beschrijving van de resultaten van het terreinbezoek (paragraaf 4.2.2). **Vleermuizen: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis & watervleermuis.
Op basis van de verspreidingsgegevens van een soort, in combinatie met kennis van de terreingeschiktheid voor deze soorten, is vervolgens nagegaan of het projectgebied een functie vervult voor (onder andere) deze soorten en of effecten aan de orde zijn. De bevindingen worden in paragraaf 4.2.2 uiteengezet.
4.2.2
Resultaten terreinbezoek - ecologische bevindingen Op basis van het bureauonderzoek en het terreinbezoek wordt per soortgroep ingegaan op de eventuele (kans op) aanwezigheid van beschermde soorten in het projectgebied. Afbakening relevante soortgroepen Op basis van biotoopkenmerken en soortspecifieke eisen, is het voorkomen van een aantal diersoorten binnen het projectgebied uit te sluiten.
Blad 12 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Zoogdieren In het projectgebied is onvoldoende bosrijk habitat of andere hoog opgaande vegetatie aanwezig welke voldoende geschikte beschutting kunnen bieden aan de boommarter. De bosschage in het plangebied (noordoost) is geïsoleerd gelegen naast een druk bereden weg. Daarnaast bevat de bosschage ook geen hoge, oude bomen. Derhalve wordt de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter niet verwacht in het projectgebied. De otter is bekend voor te komen ten zuiden van het projectgebied in grote open wateren en brede watergangen. De watergangen in het projectgebied zijn zeer ondiep en waterplanten welke geschikt zijn voor de paai van zoetwatervissen zijn weinig talrijk in de watergangen langs de graspercelen. Derhalve is in het projectgebied onvoldoende foerageerhabitat voor de otter en geschikt leefgebied aanwezig. Om het projectgebied te bereiken moet de otter de Noordenseweg/Simon van Capelweg oversteken. Aangezien voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn en het projectgebied landbouwkundige graslanden betreft, wordt de otter niet verwacht in het projectgebied. Insecten Dagvlinders In de periode van (1 januari 2016 – 1 mei 2022) zijn in het projectgebied en in de directe omgeving ervan geen waarnemingen van individuen van wettelijke beschermde dagvlinders bekend.
Het projectgebied wordt periodiek afgemaaid/begraasd en de vegetatie bestaat hoofdzakelijk uit kort gras. Wegens het intensieve gebruik van het projectgebied als grasperceel worden waardplanten van beschermde soorten dagvlinders niet verwacht in het projectgebied. Wegens de afwezigheid van geschikt habitat en waarnemingen van beschermde soorten dagvlinders in de omgeving, wordt de aanwezigheid van dagvlinders uitgesloten in het projectgebied. Libellen De gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en de sierlijke witsnuitlibel zijn bekend in de Nieuwkoopse plassen ten zuiden van het projectgebied voor te komen. Alle drie de soorten zijn gebonden aan laagveenmoerassen en zijn afhankelijk van schone wateren met een ontwikkelde watervegetatie. In de watergangen tussen de landbouwpercelen is weinig tot geen ontwikkelde watervegetatie aanwezig; deze bieden derhalve geen geschikt habitat voor de gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en de sierlijke witsnuitlibel. Desbetreffende soorten kunnen profiteren van de geplande ontwikkeling en mogelijk draagt het bij aan het vergroten van het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soorten. Vissen De kwabaal komt uit de bureaustudie naar voren. De kwabaal is afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende koud en zuurstofrijk water en komt voor in de zuidelijk gelegen Nieuwkoopse plassen.
De watergangen in het projectgebied zijn vervuild, ondiep en watervegetatie ontbreekt. Derhalve zijn de in het projectgebied aanwezige wateren niet geschikt als leefgebied van de kwabaal, en derhalve niet geschikt als habitat voor de kwabaal. De soort wordt in het projectgebied niet verwacht en is uitgesloten.
Blad 13 van 27
Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland
Planten Brede wolfsmelk, groenknolorchis en naaldenkervel komen uit de bureaustudie naar voren. Het projectgebied wordt periodiek afgemaaid/begraasd en de vegetatie bestaat hoofdzakelijk uit kort gras. Wegens het intensieve gebruik van het projectgebied als grasperceel is geschikt habitat voor beschermde soorten vaatplanten niet aanwezig. Derhalve worden beschermde soorten vaatplanten niet verwacht in het projectgebied. De overige soortgroepen worden hierna beschreven: vogels met jaarrond beschermd nest, vogels (overige broedvogels), zoogdieren (Noordse woelmuis, vleermuizen en waterspitsmuis), amfibieën (heikikker en rugstreeppad), reptielen (ringslang) en overige soortgroepen (gestreepte waterroofkever en platte schijfhoren).