CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Set bijlagen-geanonimiseerd

Besluitvormende raadsvergadering 28 september 2023, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Aanvraag verklaring van geen bedenkingen voor aanleg natuurgebied Ruygeborg II fase I (2023-065)50.065 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Ruygeborg II | Eelerwoude | 5

Figuur 1: Ligging Ruygeborg II ten opzichte van de omgeving

Het natuurgebied Ruygeborg is opgedeeld in twee verschillende gebieden, namelijk Ruygeborg I en Ruygeborg II. Onderstaand figuur laat de begrenzing van de twee gebieden zien. Ruygeborg I heeft de enkelbestemming ‘Natuur’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing richt zich op Ruygeborg II, enkele werkzaamheden voor de omgevingsvergunning werk- en werkzaamheden worden aangevraagd voor Ruygeborg I.

Figuur 2: Begrenzing plangebied Ruygeborg II voor het inrichtingsplan

Ruygeborg II | Eelerwoude | 6

1.3 Huidig planologisch regime 1.3.1 Bestemmingsplan Het gehele plangebied valt binnen het regime van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop’. Deze onherroepelijke versie is vastgesteld op 3 november 2016. Op 23 juni 2022 is het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop, 1e herziening’ vastgesteld. Deze heeft inhoudelijk geen consequenties voor het plangebied, de herziening betreft voornamelijk specifieke herzieningsgebieden, specifieke wijzigingen in bestemmingsplan regels en- of omissies. Hiernavolgend wordt een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.

Figuur 3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Het plangebied kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemming: Natuur Enkelbestemming: Agrarisch Enkelbestemming: Agrarisch met waarden Dubbelbestemming: Waarde – archeologie 2 Gebiedsaanduiding: overige zone – landschapstype droogmakerij Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van moeras, vochtig weidevogelgrasland en kruiden- en faunarijk grasland. Dit is op de plekken waar de enkelbestemming ‘natuur’ vigerend is, passend binnen de regels van het bestemmingsplan, echter op plekken waar de enkelbestemming ‘agrarisch’ of ‘agrarische met waarden’ vigerend is, is het strijdig met het bestemmingsplan. Een klein deel van het plan betreft het agrarisch in gebruik nemen van gronden met de enkelbestemming Natuur, wat ook in strijd is met het huidige bestemmingsplan.

1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets, hieruit blijkt welke waarden er in het projectgebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. In hoofdstuk 6 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. Ruygeborg II | Eelerwoude | 7

2 Planbeschrijving 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie weergegeven en wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven.

2.2 Beschrijving huidige situatie projectgebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maatregelen voor ontwikkeling van moeras, vochtig weidevogelgrasland en kruiden- en faunarijk grasland. Het plangebied is gelegen tussen de natuurgebieden Ruygeborg I en de Groene Jonker. De percelen kennen een agrarische functie. Het grasland loopt in lijnen langs de watergangen waar de effecten van de droogmakerij terug zijn te zien. Het gebied beschikt over een geschikt habitat voor foeragerende watervogels, op de open velden staat voornamelijk lage vegetatie. Er is veel oeverbegroeiing langs de watergangen in het noorden van het gebied. Aan de noordelijke rand van het plangebied ligt een lange bosschage. De zuidkant kent hoge begroeiing en enkele bomen, nabij de woningen.

Figuur 4: Huidige situatie plangebied

Ruygeborg II | Eelerwoude | 8

2.3 Planbeschrijving Onderstaand figuur geeft de inrichtingskaart weer van Ruygeborg I en II. Er worden voor Ruygeborg I nog voor enkele activiteiten een omgevingsvergunning werk & werkzaamheden aangevraagd. De totale opgave voor Ruygeborg II is het ontwikkelen van circa 163 hectare natuur. Voorgenomen ontwikkeling voorziet voor een groot deel in deze opgave. Het project Ruygeborg II wordt namelijk gesplitst in twee fases. Fase 1 beslaat met 130 hectare het grootste deel. Deze ruimtelijke onderbouwing dient als onderdeel van de omgevingsvergunning voor fase 1 van Ruygeborg II. Voor de resterende 33 hectare zal eerst, in afstemming met de omgeving en belanghebbenden, de inrichting worden bepaald en de daartoe benodigde onderzoeken uitgevoerd. Fase 2 van Ruygeborg II, wat naar verwachting in 2023 verder vorm zal krijgen. Er worden drie verschillende natuurdoeltypes gerealiseerd. Deze worden beschreven op de volgende pagina. Het volledige inrichtingsplan is opgenomen in bijlage 1. De exacte inrichting van de oranje gearceerde percelen wordt nader afgestemd met de omgeving, deze zal in ieder geval bestaan uit een van de drie natuurdoeltypes.

Figuur 5: Inrichtingstekening Ruygeborg II | Eelerwoude | 9

Kruiden- en faunarijk grasland Dit zijn graslanden die kruidenrijk zijn, maar geen schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland, overstromingsgrasland of glanshaverhooiland zijn. Vegetatie kan verschillen; allerlei verbonden van graslandvegetaties zoals bijvoorbeeld kamgrasvegetaties of meer algemene witbolgraslanden. Verschillende soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Kruiden- en faunarijke graslanden worden meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. • •

•

Komt voor in meerdere gebieden. Voor dit natuurtype worden zeer beperkte natuur technische werkzaamheden uitgevoerd zoals ontgraven, namelijk een deel van de slootkanten krijgt een flauwer talud. Enkele delen worden met specifieke kruidenmengsel ingezaaid. Binnen Ruygeborg II wordt zowel de natte als de droge component van dit natuurdoeltype gerealiseerd.

Vochtig weidevogelgrasland Vochtig weidevogelgrasland zijn natte en vochtige graslanden waar de primaire doelstelling ligt op weidevogels, beide graslanden zijn van belang voor een diversiteit in soorten. Optimale zuurgraad is matig zuur tot neutraal, de voedselrijkdom is minimaal licht voedselrijk. Het kan zowel kruidenrijke als door bemesting voedselrijke (raaigras)graslanden bevatten. Een goed weidevogelgrasland kenmerkt zich door een open karakter, een mozaïek van diverse vormen van graslandbeheer en soorten als grutto, kievit, scholekster en tureluur. Kenmerkende eenden zijn zomertaling en slobeend. Vochtig weidevogelgrasland komt op diverse bodems en in diverse landschapstypen voor. Voornamelijk in het landschapstype Laagveen en zeeklei; hier komt het voor op zowel klei- als veengronden. • •

Voor dit natuurtype worden zeer beperkte natuur technische werkzaamheden uitgevoerd zoals ontgraven, namelijk een deel van de slootkanten krijgt een flauwer talud. Komt voor in 1 specifiek deelgebied.

Moeras Moerassen zijn ecosystemen op de grens wat water en land is. De begroeiing varieert van plassen met riet of biezen, tot dichtbegroeide wateren met zeggen, riet en kruiden op tijdelijk droogvallende bodems. Het zijn van nature voedselrijke delen en gelegen in overstromingsvlakten. In het verleden gebeurde er soms een inbraak vanuit een rivier of zee, tegenwoordig niet meer. Dit brengt met zich mee dat het natuurtype, meer dan vroeger, neigt om zich te ontwikkelen tot bos en hoogveen. • • • •

Komt voor in de meerdere deelgebieden. In de droge driehoek (uiterste oostelijke punt) is het mogelijk om de oevers van watergangen te verflauwen tot natuurvriendelijke oevers. Voor het graven van moeras en natuurvriendelijke oevers wordt natuur technisch grondwerk uitgevoerd zoals ontgraven. Moeras werkt in combinatie met peilverhoging als verbinding tussen Groene Jonker en Nieuwkoopse Plassen aangelegd.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 10

2.4 Omgevingsvergunning maakt ontwikkeling mogelijk Onderstaand figuur geeft de begrenzing weer van het plangebied waar de voorgenomen ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan en er een uitgebreide omgevingsvergunning nodig is. Dit beslaat 78.9 hectare. Hierin is een onderverdeling te maken van vigerende enkelbestemmingen. De verschillende kleuren in onderstaand figuur geven inzicht in de verschillende vigerende enkelbestemmingen.

Figuur 6: Plangebied strijdigheid met vigerend bestemmingsplan

De voorgenomen ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo). In deze vergunning worden de vergunning voor de afwijkingen van het bestemmingsplan én de benodigde omgevingsvergunningen werk & werkzaamheden en bouw gecombineerd. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning. Hierin komen alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening voor deze ontwikkeling aan de orde en deze ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 11

3 Beleidskaders Het beleid, de waardentoets en de milieuaspecten zijn getoetst voor de percelen waarvoor een afwijkend gebruik wordt gevraagd.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. In 2012 is deze visie officieel in werking getreden. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028, daarbij is aangegeven welke nationale belangen aan de orde zijn. De tijdshorizon is gesteld, omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts één van de instrumenten die worden ingezet. Kennis, bestuurlijke afspraken en kaders kunnen ook worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. De ruimtelijke waarden die het nationaal belang waarborgen zijn opgenomen in 13 verschillende belangen. In de structuurvisie wordt ook aangegeven op welke wijze het Rijk deze belangen wil verwezenlijken.

Dit zorgt voor een duidelijk overzicht in één document gezamenlijk met de doelen die het Rijk heeft opgesteld.

3.1.2 Wet Natuurbescherming De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten. Dit betreffen de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. In de Wnb zijn de Europese vogel- en habitatrichtlijn geïmplementeerd. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels. Het plangebied maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Regels over dit netwerk zijn relevant voor dit bestemmingsplan. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 12

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied valt onder het Nederlands Natuurnetwerk (zie figuur 7 in paragraaf 3.2.1) en door het toestaan van afwijkend gebruik zal er meer areaal als natuur worden ingericht. Er vindt verder geen afname aan areaal plaats.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Kustfundament. Grote rivieren. Waddenzee en waddengebied. Defensie. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, elektriciteitsvoorziening, NNN, veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op het voorliggende plan is alleen de ligging in het Natuurnetwerk Nederland van toepassing. Het NNN wordt met het voorliggende plan versterkt, dit wordt uiteengezet in paragraaf 4.2.

Het onderhavige plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro.

3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij ook een nieuwe "Laddersystematiek" wordt toegepast. Deze nieuwe regeling is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen. De toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking houdt in dat: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 13

De realisatie van natuur is geen nieuw stedelijke ontwikkeling. Op basis van eerdere uitspraken van de Raad van State 1 1 blijkt dat soortgelijke projecten die niet tot leegstand van bestaande bebouwing leiden, niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro kunnen worden aangemerkt. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van een weg, windpark of een hoogspanningsleiding. Ook de Rechtbank Overijssel heeft in april 2018 geoordeeld dat een zonnepark geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft (zaaknummer akzwo_17_2460 en ak_zwo_17_2461). Een toets aan de Ladder is daarom niet van toepassing. In een uitspraak van 23 januari 2019[2] is dit nog eens bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een toets aan de Ladder is daarom niet van toepassing.

3.1.5 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat in de komende jaren voor een aantal opgaven van nationaal belang. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) stelt dat grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw Nederland flink zullen veranderen. Deze opgaven moeten benut worden om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden. De NOVI biedt perspectief om de grote opgaven aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. In de NOVI wordt gesproken over een 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI beschrijft enerzijds een toekomstperspectief met ambities en anderzijds de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Deze opgaven zijn het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze vier prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt: 1) Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2) Duurzaam economisch groeipotentieel.

3) Sterke en gezonde steden en regio's. 4) Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om de beleidskeuze weloverwogen te maken worden drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven, gehanteerd, namelijk: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan betreft een relatief kleinschalige ontwikkeling die geen negatieve effecten heeft op nationale belangen. Het plan draagt bij aan de ruimtelijke én milieukwaliteit doordat het een sterke impuls geeft aan de biodiversiteit ter plaatse. Met de natuurontwikkeling wordt bijgedragen aan een toekomstig bestendig landelijk gebied met een robuustere natuur. Hiermee is het voorliggende plan in overeenstemming met de NOVI.

Zie: ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:448, ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016: 465. ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:708. ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724. [2] ECLI:NL:RVS:2019:178, uitspraak 201804681/1/A1

1

Ruygeborg II | Eelerwoude | 14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsverordening en omgevingsvisie Zuid-Holland De Provinciale Staten hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Op 1 april 2023 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening in werking getreden. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid‐Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid‐Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. 5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

Het provinciale natuurbeleid richt zich op het behouden, herstellen en (al dan niet op langere termijn) vergroten van de biodiversiteit in Zuid-Holland, inclusief de biodiversiteit van de bodem en het aanplanten van bossen. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op: Bescherming en verbetering van Natura2000-gebieden. Realisatie, duurzaam beheer en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland. Stimuleren en beschermen van de biodiversiteit ook buiten de aangewezen natuurgebieden, zoals op boerenland, in recreatiegebieden, het stedelijk gebied en bij maatregelen in het kader van klimaatadaptatie. Uitfasering van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 15

Figuur 7: Uitsnede omgevingsverordening Zuid-Holland, ligging plangebied ten opzichte van NNN (tevens beschermingscategorie 1)

Zoals het figuur hierboven laat zien is het plangebied volledig gelegen in het Natuurnetwerk Nederland Het wijzigen van een bestemmingsplan in gronden van het NNN mag, zolang deze niet de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Het NNN valt onder beschermingscategorie 1. Ruygeborg II is onderdeel van de gebiedsovereenkomst Gouwe Wiericke. De Hoofddoelen van het deelprogramma Natuur uit deze overeenkomst zijn de versterking van de biodiversiteit, versterking van de Natura 2000 doelen en realisatie van het NNN (voorheen EHS) in het gebied Veenweiden Gouwe Wiericke, waaronder een ecologische verbindingszone tussen de Nieuwkoopse Plassen en Reeuwijkse Plassen. Voor Ruygeborg II zijn de doelen verder gespecificeerd in; ‘Versterken Natura 2000 doelstellingen van de Nieuwkoopse Plassen door ontwikkeling van nieuwe natuur en beperken van de wegzijging uit de Nieuwkoopse Plassen.’ De Opgave: Ontwikkelen 163 ha natuur, waarvan 100 ha natte natuur. Vanwege de bodemopbouw in het plangebied zijn de natuurbeheertypen vochtig weidevogelgrasland, zoete plas en moeras als meest realistisch aangemerkt. De omvang, locatie en onderlinge verhouding is onderwerp van nadere uitwerking.

De wijzigingen in het bestemmingsplan maakt de realisatie van doelen verder mogelijk. Wezenlijke kenmerken en waarden Een wijziging van een bestemmingsplan binnen het NNN mag geen siginificant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied. Een deel van het NNN wordt gewijzigd van de bestemming natuur naar de bestemming agrarisch met waarden. Een veel groter deel wordt gewijzigd van agrarisch (met waarden) naar natuur (zie figuur 6). Het gebied wat nu als natuur is bestemd is in de huidige situatie nog niet Ruygeborg II | Eelerwoude | 16

ingericht als natuurgebied. Door de uitruil van een gebied met deze eigenaar kan een ander gebied in het noordelijke deel van Ruygeborg worden gewijzigd agrarisch naar natuur. Daarmee kan hier de moerasverbinding gerealiseerd worden. De potentiële waarde van het NNN neemt daarmee toe en daarmee wordt één van de doelstellingen uit de gebiedsovereenkomst gerealiseerd. In Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de regels met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen. De provincie Zuid-Holland hanteert de twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid, hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie typen ontwikkelingen: inpassing, aanpassing en transformatie (figuur 8). Een ontwikkeling die sterk aansluit op de bestaande structuur en identiteit van het landschap, dorp of stad wordt geschikt onder 'Inpassing'. Deze ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van het gebied.

Ontwikkelingen onder de term 'aanpassing' sluiten aan bij de huidige identiteit van een gebied, maar wijken af op structuurniveau en moeten hierbij voorzien in wijzigingen of aanvullingen. Bij 'transformatie' gaat het om grootschalige veranderingen in het landschap.

Figuur 8: Drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland)

Voorgenomen ontwikkeling betreft het versterken en verbinden van omliggende natuurwaarden. Daarmee kan gesteld worden dat dit plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, het plangebied is immers allemaal al aangemerkt als NNN. Daarmee valt voorgenomen ontwikkeling onder ‘Inpassen’.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 17

Relatie met voorgenomen ontwikkeling

Figuur 9: Uitsnede omgevingsverordening Zuid-Holland, ligging plangebied in Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën

Het plangebied is volledig gelegen in beschermingscategorie 1 (NNN) en beschermingscategorie 3. Een klein gedeelte is gelegen in beschermingscategorie 2, belangrijk weidevogelgebied. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Lid 5: Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Lid 8 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. Ruygeborg II | Eelerwoude | 18

Artikel 6.9 a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de landschapsstructuur en openheid. b. De relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; Voorgenomen ontwikkeling draagt met de realisatie van natuur bij aan een duidelijk onderscheid tussen stad en buitengebied. c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het groene karakter, de natuurfuncties en het typerende open landschap. d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het inzichtelijk maken van de ontstaansgeschiedenis. Lid 9 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d.

1.

Artikel 6.9c Beschermingscategorie 2 Belangrijk weidevogelgebied Een bestemmingsplan voor een locatie binnen belangrijk weidevogelgebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen als bedoeld artikel 6.9, zevende lid, geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. 2

In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a.

b.

de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor; Voorgenomen ontwikkeling draagt met de realisatie van vochtig weidevogelgrasland bij aan meer habitat voor de weidevogels. de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van kruiden- en faunarijk grasland, vochtig weidevogelgrasland, moeras en bloemrijk grasland. het inrichtingsplan is zorgvuldig afgestemd op het grondwatersysteem, met het waterschap en de omgeving. Daarmee kan gesteld worden dat de realisatie een impuls geeft aan de hoge weidevogeldichtheden.

Lid 10 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f of 6.9g.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 19

Voorgenomen ontwikkeling versterkt de aanwijzing van het gebied als NNN en zorgt voor een natuurlijke inrichting hiervan. Er is geen sprake van areaalverlies of compensatie verplichtingen. Voorgenomen ontwikkeling heeft wel tot gevolg dat er een kleine herbegrenzing van het NNN zal plaatsvinden.

3.2.2 Conclusie provinciaal beleid De ontwikkeling van Ruygeborg II is passend binnen de Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie van ZuidHolland.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 20

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Gemeente Nieuwkoop Op 1 juli 2021 is door gemeente Nieuwkoop de omgevingsvisie vastgesteld. In de omgevingsvisie, is de toekomstvisie op de gemeente verwoord en verbeeld. Er staat in wat in de leefomgeving belangrijk is om te behouden, te versterken en te ontwikkelen. In de visie zijn zeven ‘Nieuwkoopse drijfveren” het vertrekpunt: 1. Rust en ruimte. 2. Weids landschap. 3. Bijzondere natuur. 4. Centrale ligging. 5. Dorps karakter. 6. Levendige dorpen. 7. Saamhorigheid. Er zijn drie ambities geformuleerd: gelukkige mensen, sterke dorpen en een groene toekomst. De visie is uitgewerkt in drie deelgebieden, omdat op het niveau van de dorpen en het landschap, de visie écht betekenis krijgt. Groene toekomst De groene en waterrijke gemeente ligt midden in het Groene Hart. De bijzondere landschappen én het groen in de dorpen zijn van grote waarde voor inwoners, bezoekers en voor het (agrarische) bedrijfsleven. Al deze mensen willen graag blijven genieten en gebruik maken van wat Nieuwkoop te bieden heeft. Landschap als basis Het landschap is de basis van de leefomgeving en bepalend voor de identiteit. Het landschap met vruchtbare landbouwgronden en bijzondere natuur heeft ook een belangrijke economische waarde. Wij willen het landschap levend houden en het versterken.

Alle ‘gebiedspartijen’, zoals agrariërs, waterschappen, natuurbeheerders en gemeente, werken daarom samen aan een duurzame leefomgeving waarin landbouw, tuinbouw, natuur, het opwekken van energie en recreatie een sterk geheel vormen. Zo wordt de waarde van het Groene Hart in de Randstad vergroot en blijft ons landschap in de toekomst een belangrijk en levendig gebied, dat benut en beleefd kan worden door inwoners, agrariërs en bezoekers. Natuur beschermen en versterken In het zuidelijke deel van gemeente nieuwkoop ligt het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Dit is het leefgebied van bijzondere plant- en diersoorten. De plassen zijn cultuurhistorisch en ecologisch beter bewaard gebleven vergeleken met andere plassen in de omgeving. Dit komt door een goede samenwerking tussen gebiedspartijen die werken aan instandhouding, natuurherstel en passende vormen voor recreatie. De Natura 2000 doelstellingen blijven leidend bij wat er kan worden toegelaten in het Nieuwkoopse plassengebied. Er wordt hard gewerkt aan het versterken van de natuur en vergroten van de biodiversiteit in de gemeente. Hierin hebben (agrarische) natuurverenigingen én individuele agrariërs een belangrijke rol.

Conclusie gemeentelijk beleid De versterking van de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck wordt expliciet benoemd in de omgevingsvisie van gemeente Nieuwkoop. Bij gewenste ontwikkelingen in het Natura 2000-gebeid blijven de doelstellingen vanuit Natura 2000 leidend. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de verbindingszone en dient als bufferzone voor de omliggende natuurgebieden. De realisatie van natuur versterkt daarmee de natuurwaarden van het gebied. Daarmee is voorgenomen ontwikkeling passend binnen het gemeentelijke beleid.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 21

4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling. Het beleid, de waardentoets en de milieuaspecten zijn getoetst voor de percelen waarvoor een afwijkend gebruik wordt gevraagd.

4.2 Natuurwaarden Vanaf 1 januari 2017 is in de Nederland de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Met het van kracht worden van de nieuwe wet worden de provincies het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: bescherming van soorten, bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden. De volledige toetsing Wet Natuurbescherming is toegevoegd in bijlage 2.

4.2.1 Soortenbescherming Vogels De bomen langs het sportpark ten oosten van het projectgebied, maken geen onderdeel uit van het projectgebied. Indien fysieke werkzaamheden direct aan de Molenweg uitgevoerd worden kunnen potentieel aanwezige broedgevallen worden verstoord. De overige delen van het projectgebied bevinden zich buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Door fysieke werkzaamheden binnen 75 meter van de nesten, buiten de broedperiode van de boomvalk en de ransuil (15 februari – 15 september) uit te voeren, kan verstoring van potentieel aanwezige broedgevallen worden voorkomen en is er geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (soortbescherming). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening gehouden worden door werkzaamheden die invloed hebben op het broedbiotoop niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming (soortbescherming) aan de orde. De graslanden met watergangen zijn uitermate geschikt voor vele soorten broedvogels. Zo kunnen soorten als kievit, wilde eend, knobbelzwaan en grauwe gans in grote aantallen voorkomen tijdens het broedseizoen, binnen het plangebied.

Hierdoor is het van belang dat werkzaamheden die invloed hebben op het broedbiotoop buiten de broedperiode van vogels uitgevoerd wordt. Mocht het bovenstaande niet mogelijk zijn en er wordt gewerkt in het broedseizoen dan dient het projectgebied voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een ter zake kundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het projectgebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden wordt het projectgebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden ter plaatse uitgesteld te worden tot nadat het nest niet meer in gebruik is.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 22

Het advies, gezien de omvang van het plan en de aanwezige natuurwaarde in het plangebied is om de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (in de periode augustus/september – februari). Zoogdieren Noordse Woelmuis De Noordse woelmuis is beschermd onder de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5) en staat vermeld op Bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. In het plangebied is plaatselijk geschikt habitat aanwezig voor de Noordse woelmuis. In 2019 is door Antea Group nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de Noordse Woelmuis in het plangebied (Antea Group, 2019b). Uit het nader onderzoek is gebleken dat er geen sporen of historisch DNA van de Noordse woelmuis zijn aangetroffen in het projectgebied. De aanwezigheid van en daarmee effecten op de Noordse woelmuis als gevolg van de werkzaamheden wordt uitgesloten. Na uitvoer van de werkzaamheden, is er meer geschikt habitat voor de Noordse woelmuis aanwezig in het plangebied. Dit kan leiden tot het vestigen van een populatie van de Noordse woelmuis in de toekomst. Er is geen ontheffing benodigd voor de Wet natuurbescherming met betrekking tot de Noordse woelmuis. Waterspitsmuis De waterspitsmuis is beschermd onder de Wet natuurbescherming (Artikel 3.10) en staat vermeld op Onderdeel A (beschermde diersoorten). In het plangebied is geschikt habitat aanwezig voor de waterspitsmuis.

In 2019 is door Antea Group nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de waterspitsmuis in het plangebied. Uit het nader onderzoek is gebleken dat er geen sporen of historisch DNA van de waterspitsmuis zijn aangetroffen in het projectgebied (Antea Group, 2019b). De aanwezigheid van en daarmee effecten op de waterspitsmuis als gevolg van de werkzaamheden wordt uitgesloten. Na uitvoer van de werkzaamheden, is er meer geschikt habitat voor de waterspitsmuis aanwezig in het plangebied en is er sprake van een kwaliteitsimpuls van huidig geschikt habitat. Dit vergroot de kans op vestiging van de waterspitsmuis in het plangebied. Er is geen ontheffing benodigd voor de Wet natuurbescherming met betrekking tot de waterspitsmuis. Amfibieën Heikikker De heikikker is beschermd onder de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5) en staat vermeld op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Voor de heikikker is veel geschikt habitat aanwezig in het plangebied en de soort kan verspreid door het gebied voorkomen. In 2019 is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de heikikker met behulp van eDNA (Antea Group, 2019b). Uit desbetreffend onderzoek is gebleken dat historisch DNA van de heikikker aanwezig is in de wateren van het plangebied.

In 2022 is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 augustus 2022 revisie 2.0 Provincie Zuid-Holland Blad 22 van 27 koorzang van de heikikker en met behulp van schepnetinventarisaties (Antea Group, 2022a). Tijdens het onderzoek in 2022 is voortplanting van de heikikker vastgesteld in het plangebied. Door uitvoer van de geplande werkzaamheden kunnen individuen van de heikikker worden verstoord en gedood. De voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen van de heikikker kunnen tijdelijk worden verstoord. Voor uitvoer van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd voor artikel 3.5 Lid 1 (voor het vangen van de heikikker), Lid 2 (voor het verstoren van de heikikker) en Lid 4 (tijdelijk aantasten van voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen). Daarnaast zijn mitigerende maatregelen benodigd om effecten op de lokale populatie heikikkers zoveel mogelijk te voorkomen. Hiervoor kan een ontheffing voor overtreding van Artikel 3.6 Lid 2 van de Wet natuurbescherming benodigd zijn (voor het vervoeren van individuen van de heikikker). Na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen is het gebied opnieuw, en mogelijk zelfs beter, geschikt als leefgebied voor de heikikker. Er worden geen directe nieuwe verbindingen gerealiseerd met in de omgeving aanwezige oppervlaktewateren.

Derhalve wordt geen toename in vissoorten en visstanden verwacht welke mogelijk een risico vormen voor voortplantingsplaatsen van de heikikker. Er worden drie afgesloten poelen gerealiseerd welke in de toekomst gebruikt kunnen worden als voortplantingsplaats van amfibieën. Na uitvoer van de werkzaamheden worden geen langdurig negatieve effecten verwacht op de lokale populatie heikikkers. Ruygeborg II | Eelerwoude | 23

Rugstreeppad De rugstreeppad is beschermd onder de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5) en staat vermeld op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Voor de rugstreeppad is veel geschikt habitat aanwezig in het plangebied en de soort kan verspreid door het gebied voorkomen. In 2022 is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar koorzang van de rugstreeppad en met behulp van schepnetinventarisaties (Antea Group, 2022a). Tijdens het onderzoek in 2022 is voortplanting van de rugstreeppad vastgesteld in het plangebied. Door uitvoer van de geplande werkzaamheden kunnen individuen van de rugstreeppad worden verstoord en gedood. De voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen van de rugstreeppad kunnen tijdelijk worden verstoord. Voor uitvoer van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd voor artikel 3.5 Lid 1 (voor het vangen van de rugstreeppad), Lid 2 (voor het verstoren van de rugstreeppad) en Lid 4 (tijdelijk aantasten van voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen). Daarnaast zijn mitigerende maatregelen benodigd om effecten op de lokale populatie rugstreeppad zoveel mogelijk te voorkomen. Hiervoor kan een ontheffing voor overtreding van Artikel 3.6 Lid 2 van de Wet natuurbescherming benodigd zijn (voor het vervoeren van individuen van de rugstreeppad).

Na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen is het gebied opnieuw, en mogelijk zelfs beter, geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. Er worden geen directe nieuwe verbindingen gerealiseerd met in de omgeving aanwezige oppervlaktewateren. Derhalve wordt geen toename in vissoorten en visstanden verwacht welke mogelijk een risico vormen voor voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad. Er worden drie afgesloten poelen gerealiseerd welke in de toekomst gebruikt kunnen worden als voortplantingsplaats van amfibieën. Na uitvoer van de werkzaamheden worden geen langdurig negatieve effecten verwacht op de lokale populatie rugstreeppad. Reptielen Ringslang De ringslang is beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het grootste deel van het projectgebied betreft graspercelen welke periodiek gemaaid/begraasd worden. Op desbetreffende percelen is weinig/ tot geen geschikte vegetatie aanwezig welke dekking kan bieden voor de ringslang. Het gebrek aan dekking in het plangebied, maakt de omliggende wateren zeer marginaal geschikt als foerageergebied van de ringslang. Gezien de afwezigheid van voldoende geschikt habitat, in combinatie met de kwetsbaarheid, wordt de aanwezigheid van de ringslang op de om te vormen percelen niet verwacht. In de bosschage tussen de Kousweg en de Molenweg is suboptimaal habitat aanwezig voor overwinteringsplaatsen van de ringslang.

Het dijktalud langs de Kousweg, Noordenseweg en de Simon van Capelweg zijn eveneens geschikt als overwinteringsplaats van de ringslang. De bosschage blijft behouden en er vinden geen fysieke werkzaamheden in desbetreffende bosschage. De omliggende dijkdelen welke geschikt zijn als overwinteringsplaats van de ringslang bevinden zich eveneens buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. De aanwezigheid van de overwinteringsplaatsen van de ringslang in de directe omgeving van het projectgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Gezien de voor de ringslang geschikte delen van het projectgebied behouden blijven en de ringslang in de overige delen in het plangebied niet verwacht wordt, worden er geen effecten ten aanzien van de ringslang verwacht in het projectgebied. Na uitvoer van de werkzaamheden wordt meer dekking en geschikt foerageerhabitat voor de ringslang gecreëerd in het projectgebied. Overige soortgroepen Platte schijfhoren De platte schijfhoren is beschermd onder de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5) en staat vermeld op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. De soort is middels E-dna in 2019 in het projectgebied aangetoond (Antea Group, 2019b).

Aangezien het een zoetwaterslak betreft en er in de tussentijd geen wezenlijke ingrepen in het projectgebied hebben plaatsgevonden is aan te nemen dat de platte schijfhoren nog steeds in het projectgebied aanwezig is. Door uitvoer van de geplande werkzaamheden kan leefgebied en individuen van de platte schijfhoren tijdelijk verstoord worden. Voor uitvoer van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd voor artikel 3.5 Lid 1 (voor het vangen van de platte schijfhoren), Lid 2 (voor verstoring van individuen) en Lid 4 (tijdelijk aantasten van voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen). Daarnaast zijn mitigerende maatregelen benodigd om effecten op de lokale populatie van de platte schijfhoren Ruygeborg II | Eelerwoude | 24

zoveel mogelijk te voorkomen. Hiervoor kan een ontheffing voor overtreding van Artikel 3.6 Lid 2 van de Wet natuurbescherming benodigd zijn (voor het vervoeren van individuen van de platte schijfhoren).

4.2.2 Effecten op beschermde gebieden Effecten op Natura 2000-gebieden Uit de bureaustudie blijkt dat op een afstand van circa 100 meter ten zuiden van het projectgebied, het Natura 2000-gebied “Nieuwkoopse plassen” is gelegen. Op basis van de afstand tot het Natura 2000-gebied en de dijk die tussen het projectgebied en het Natura2000- gebied in is gelegen, kunnen negatieve effecten als gevolg van veel verstoringsfactoren zoals verstoring door geluid en licht worden uitgesloten. Als gevolg van kleine aanpassingen in de waterhuishouding kunnen mogelijk effecten optreden op de waterhuishouding in het Natura 2000-gebied. Deze zullen beperkt zijn, en bovendien positief van aard, zodat er geen sprake is van negatieve effecten in de vorm van verdroging. Tijdens de realisatiefase leidt het voornemen tot de emissie van stikstof als gevolg van de inzet van bouwmaterieel (en eventueel de vervoersbewegingen van personeel). Per 1 juli 2021 is het wetsvoorstel: “stikstofreductie en natuurverbetering” in werking getreden. In dit wetsvoorstel is een vrijstelling opgenomen voor bouwactiviteiten (art. 2.9a). Dit betekent dat voor projecten een ongelimiteerde vrijstelling geldt voor stikstofdepositie als gevolg van alle bouwactiviteiten tijdens de realisatiefase.

Desbetreffende vrijstelling is in november 2022 na een Raad van State uitspraak ingetrokken waardoor de realisatiefase niet meer vrijgesteld is. In de gebruiksfase wordt er minder bemesting toegepast in het projectgebied en treedt er geen verdere verandering op. Er worden circa 14 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd op de reeds aanwezige parkeerplaats ten zuidwesten van het plangebied waardoor een totaal van 28 parkeerplaatsen ontstaat. Door de realisatie van meer parkeerplaatsen zal naar verwachting een toenemend aantal verkeersbewegingen ontstaan. Daarnaast wordt circa 3,8 ha. omzet van natuur naar agrarisch. Derhalve is middels een stikstofberekening met behulp van de AERIUScalculator inzichtelijk gemaakt wat de effecten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Op basis van desbetreffende berekeningen (Antea Group, 2022b), is een toename van minder dan 0,00 mol/ha/jaar vastgesteld voor zowel de gebruiksfase als de realisatiefase. Derhalve is er geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000 gebieden als gevolg van een verhoogde stikstofemissie in het plangebied.

Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor een bestemmingplan binnen het NNN geldt dat geen bestemmingen worden aangewezen die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. In het plangebied zijn wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig in de vorm van het natuurbeheertype N05.01; moeras, N12.02; kruiden- en faunarijk grasland en N13.01; vochtig weidevogelgrasland (zie figuur 5.1). Het doel van het voornemen is het vergroten van de oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het aanwezige NNN door invulling te geven aan de ambitie om landbouwgrond om te vormen naar natuur (N00.01). Bij de omvorming van de landbouwgronden tot natuur is sprake van vernatting van het gebied dat in de huidige situatie is gedefinieerd als het natuurbeheertype N13.01; vochtig weidevogelgrasland. In theorie kan deze vernatting lokaal leiden tot het ongeschikt worden van delen van dit gebied als broedbiotoop voor enkele typerende soorten. De typerende soorten voor vochtig weidevogelgrasland zijn: gele kwikstaart, graspieper, grutto, kemphaan, krakeend, kuifeend, slobeend, tureluur, veldleeuwerik, watersnip, wintertaling, wulp, zomertaling (B12, 2018).

De verwachting is echter dat de vernatting leidt tot een toename van broedbiotoop aangezien een groot deel van de typerende soorten gebonden is aan nattere biotopen. In de NDFF is inzichtelijk dat de genoemde typerende soorten in hogere abundantie (117 territoria) aanwezig zijn in het westelijke, nattere deel van het plangebied dan in het drogere oostelijke deel, dat specifiek is aangewezen als vochtig weidevogelgrasland (45 territoria). Er zijn geen aanwijzingen dat de ingrepen leiden tot een achteruitgang van Ruygeborg II | Eelerwoude | 25

de geschiktheid voor weidevogels. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in een gebied dat is aangemerkt voor strategische reservering natuur en bevinden zich geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. Aangezien het voornemen uiteindelijk als doel heeft het creëren van een groter oppervlakte natuur (ten koste van bestaand landbouwgebied) en hierbij voorziet in een verbetering van de kwaliteit en samenhang van het NNN, is dit niet in strijd met de regels voor bescherming en ontwikkeling van het NNN. Verder toetsing is niet aan de orde.

Figuur 10: Globale ligging plangebied met daarin de ambitie voor natuurbeheertypen van het NNN. N00.01

Figuur 11: Impressie verspreiding van territoria van typerende vogelsoorten van het natuurbeheertype

Bescherming houtopstanden Ruygeborg II | Eelerwoude | 26

Binnen het plangebied zijn houtopstanden aanwezig. Deze liggen buiten de bebouwde kom (‘bebouwde kom houtopstanden’ (Wet natuurbescherming), voorheen ‘bebouwde kom Boswet’), en bestaan uit een bomenrij van meer dan 20 bomen. Ze vallen daarom onder de bescherming van de wet natuurbescherming. Losstaande bomen binnen het plangebied kennen deze bescherming niet en zijn vrijgesteld van de bescherming van de Wnb wanneer deze geen functie hebben voor beschermde soorten (mogelijk is echter de APV van toepassing op deze bomen). Binnen het plangebied worden geen struiken of struweel verwijdert welke kunnen worden aangemerkt als een zelfstandige eenheid struiken van tien are of meer. Voor de bomen beschermd onder de Wet natuurbescherming geldt een meldings- en herplantplicht. Ten minste één maand voorafgaand aan het rooien dient een melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag, de Provincie Zuid-Holland. Gezien in het plangebied bosvakken ingericht worden, zijn er mogelijkheden om de mogelijk te kappen bomen in het plangebied te overcompenseren.

4.3 Archeologische waarde Aardkundige, archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Door Antea Group is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen opgesteld, het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 6. Onderstaand figuur laat het boorplan zien wat overeenkomt met het volledige plangebied. Het booronderzoek is gedaan in aanvulling op het eerder uitgevoerde booronderzoek.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 27

Figuur 12: Boorplan archeologisch onderzoek

Uit het booronderzoek blijkt dat er geen archeologische vindplaats is vastgesteld. De enige (mogelijk) archeologische indicatoren, laagjes met verbrand riet, welke verspreid in het gehele zeekleigebied wel voorkomen zijn vermoedelijk op natuurlijke wijze gevormd. Geadviseerd wordt de onderzoekslocatie vrij te geven van aanvullend archeologisch onderzoek. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen de locaties in plangebied Ruygeborg II, waar de voorgenomen graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Indien er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. De contouren van het project zijn iets gewijzigd, er zijn percelen toegevoegd. De exacte inrichting van de toegevoegde percelen is nog niet bekend, derhalve is hier (nog) geen archeologisch onderzoek uitgevoegd. Op deze percelen is enkel een afwijking op het bestemmingsplan van agrarisch / agrarisch met waarden naar natuur aan de orde.

Het exacte natuurbeheertype wordt kruidenrijk grasland of moeras. Mocht de invulling moeras worden dan is er een kans dat de bodemingrepen dieper gaan dan 50 cm. De archeologische dubbelbestemming blijft behouden waarmee de mogelijke archeologische waarden beschermd blijven. Mochten er grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm wenselijk zijn, dan wordt aanvullend onderzoek gedaan in de nog niet onderzochte gebieden.. Als de ingrepen ondieper zijn dan 50 cm, zijn er voor het aspect archeologie geen belemmeringen.

4.4 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de Ruygeborg II | Eelerwoude | 28

gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld.

Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied-beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verdere reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.

Waterschap Het plangebied is gelegen in twee verschillende waterschappen. Namelijk Hoogheemraadschap van Rijnland en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Doordat in de huidige situatie een stijghoogte heerst die hoger is dan het maaiveld, ontstaat er kwelwater. Dit kwelwater bestaat voor een groot deel (>95%) uit water dat uittreedt door wellen en voor een klein deel uit water dat door de deklaag heen sijpelt (<5%). Het water komt in de perceelsloten aan het oppervlak en stroomt via de centrale wetering (primaire watergang) het gebied uit. Hiervoor is intensief contact geweest met Hoogheemraadschap van Rijnland en Waterschap Amstel Gooi en Vecht. In de notitie ‘Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II’, zie ook bijlage 7 wordt hier nader op in gegaan.

Ruygeborg II | Eelerwoude | 29

Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. In het waterbeheerplan wordt het waterbeleid beschreven voor de primaire taakgebieden van het Hoogheemraadschap. Rijnland wil de komende periode het volgende bereiken: Waterveiligheid: Bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren. Voldoende Water: Er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. Schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken. Waterketen: Het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt De vier doelstellingen zijn verder uitgewerkt in het Waterbeheerplan. Deze doelstellingen vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: de Keur, Legger, stimuleringsmiddelen en communicatie.

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Amstel, Gooi en Vecht heeft een waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld. Hierin zijn de bestuurlijke ambities, grotendeels uit het Bestuursakkoord, een belangrijk vertrekpunt geweest; 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Samenwerken met onze omgeving Klimaat en bescherming tegen water Schoon water voor mens, dier en natuur Duurzame energie Assetmanagement Financiën en waterschapsbelasting

Op basis van deze doelen heeft het waterschapsbestuur een profiel van AGV als overheid opgesteld, dat doorwerkt in hun Waterbeheerprogramma. Keur De keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen, behorende bij de regels van de Keur, vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met voorgenomen ontwikkeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=60d9ab4c-ee62-44d6-8589-879596c8ef8d