CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Reactienota concept beleidskader zonne-energie

Besluitvormende raadsvergadering 6 juni 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen beleidskader zonne-energie Gemeente Nieuwkoop (2024-056)11.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1

Reactienota concept beleidskader Zonne-energie Inwoners en andere belanghebbenden konden van 20 maart tot en met 10 april reageren op het concept beleidskader zonne-energie. Bijvoorbeeld als ze vonden dat er zaken niet goed staan of missen. Dit brachten we via diverse communicatiekanalen onder de aandacht1. Hierin stond een link naar een reactieformulier op www.denkmee.nieuwkoop.nl. In totaal ontvingen wij 50 ingevulde reactieformulieren. Stakeholders hebben op diverse manieren een reactie gegeven. Alle ontvangen reacties, inclusief die van stakeholders, zijn samengevat opgenomen in deze reactienota. Als eerste geven wij een overzicht van de geuite meningen / zorgen van inwoners. Daarna volgen de inhoudelijke reacties van inwoners (9 inhoudelijke reacties), stakeholders (3 ontwikkelpartijen, LTO Noord, Liander, de Provincie Zuid Holland en de sectortafels energietransitie GCN/VON) en de jurist (RenewabLAW). Achter iedere inhoudelijke reactie staat de reactie van de gemeente. De laatste kolom (aanpassingen in Beleidskader) is ingevuld als dit tot aanpassingen in het Beleidskader heeft geleid.

Reacties van inwoners Geuite zorgen en suggesties van inwoners Kan het stroomnet dit aan (17 x genoemd)

Genoeg plek op daken / leg eerst (grote) daken vol (13 x genoemd)

Afbreuk op omgeving (9 x genoemd) Natuur onder velden gaat kapot / geen vruchtbare grond gebruiken (8 x genoemd)

Reactie Gemeente Het beleidskader zonne-energie gaat vooral over de wijze waarop zonnevelden ruimtelijk ingepast kunnen worden in ons landschap. De netbeheerders hebben ons laten weten dat er binnen het hele systeem mogelijkheden blijven om zonne-energie in te nemen. Dit kan vooral rechtstreeks op de onderstations en gedeeltelijk op het middenspanningsnet. Op basis van hun prognoses is uitgegaan van een capaciteit met ruimte voor productie en levering van grofweg 0,08 TWh zonnestroom aan het net (zowel zon op dak als zon op land). Dit kan in die tussentijd veranderen, waardoor het moeilijker wordt om stroom op het net kwijt te kunnen. Ondanks dat is er nog steeds belangstelling vanuit ontwikkelpartijen om zonnevelden in de gemeente Nieuwkoop te realiseren. Het is ook aan deze partijen om tot een technisch en financieel haalbare businesscase te komen. Het beleidskader gaat hier niet over. Er is onderzoek gedaan naar grote daken in Nieuwkoop. Het liefst willen we alle panelen op de daken. Daarvoor hebben we in de gemeente te weinig dakoppervlak. Daarom kijken we gelijktijdig ook naar zonnevelden. De afgelopen zeven jaar is de productie van zonnestroom gegroeid naar 0,01 TWh per jaar in 2022. Als deze groei doorzet, kan in 2030 op grote daken 0,02 TWh per jaar gehaald worden.

De verwachting is dat de groei doorzet, maar door allerlei knelpunten (ongeschikt dak, netcongestie, verkoop/sloop, andere overwegingen) kan dit in de periode tot 2030 afvlakken. Om hier regie op te houden, is het beleidskader opgesteld. We vinden het belangrijk dat we een goede afweging maken of een zonneveld iets toevoegt aan een gebied, hoe goed het past binnen het landschap en dat de opbrengsten van een veld ook ten goede komt aan de directe omgeving. Het plaatsen van zonnepanelen kan inderdaad effect hebben op de bodemkwaliteit. Daarom is in het beleidskader opgenomen dat (bij grootschalige opwek) de panelen minimaal 0,60 meter boven de grond geplaatst moeten worden (provinciaal beleid) en in een zuidwest opstelling. Ook moet er voldoende ruimte tussen de panelen zijn om lichtinval mogelijk te maken. In het beleidskader is Biodiversiteit terug te vinden in paragrafen 4.5 en 5.5.

1 artikel in Nieuwkoop Nieuws, mail aan alle geregistreerden op DenkMee, persbericht naar lokale media, stories op social media en een persoonlijke mail aan stakeholders

2

Netbeheerders sluiten bij teveel opwek eerst ondernemers en inwoners af en daarna pas de zonnevelden (5 x genoemd) Betrek direct omwonenden bij initiatief (3 x genoemd) Vervuilde grond stort / veiligheid (3 x genoemd)

Windmolens Kaag & Braasem (2 x genoemd) Lichtreflectie van de panelen (2 x genoemd) Bewoners moeten meeprofiteren (1 x genoemd) Plaats accu’s bij grote velden (1 x genoemd) Nooit in weide en natuur gebieden (1 x genoemd) Blijf zo dicht mogelijk bij gebruikers (1 x genoemd)

De netbeheerders staan voor de grote opgave om het stroomnet beter aan te laten sluiten op de transitie van fossiel naar duurzame energie. Daarin moet de netbeheerder keuzes maken. De gemeente heeft hier beperkt invloed op. Om netcongestie te beperken is in het beleidskader een verplichting opgenomen voor opslag bij grootschalige zonnevelden (paragraaf 5.4).

Nadat het beleidskader is vastgesteld, kunnen concrete plannen worden gemaakt voor zonnevelden in de zoekgebieden. Dan is de ontwikkelpartij verplicht om de omgeving te betrekken bij haar plannen. Als zich een ontwikkeling voordoet, worden omwonenden en inwoners die zich in de invloedssfeer van een zonneveld bevinden bij de plannen betrokken. In het beleidskader nemen we bepalingen op om hinder te voorkomen en risico's te beperken. Als bijvoorbeeld op een voormalige stortplaats een zonneveld wordt ontwikkeld, dan willen we dat de milieurisico's beheersbaar zijn. De bestaande regelgeving helpt ons daarbij. Zo zijn vanuit de Wet Bodembescherming regels opgesteld om blootstellingsrisico's vanuit de voormalige stort naar de omgeving te voorkomen. Handhaving hierop vindt plaats onder het gezag van Omgevingsdienst West-Holland. Handhaving van de omgevingsvergunning wordt door het team Bouw & woningtoezicht van de gemeente verzorgd. Partijen die geen gevolg geven aan de voorwaarden in de vergunning worden aangeschreven. Het beleidskader zegt niks over ontwikkelingen in een aangrenzende gemeenten. Wel is in het beleidskader aandacht geschonken aan afstemming met buurgemeenten in geval het een zonneveld op het grondgebied van Nieuwkoop betreft en waarvan de invloedcirkel grensoverschrijdend is.

In het beleidskader is aangegeven dat hinder door glinstering en lichtschittering moet worden voorkomen (paragraaf 5.4).

We hebben het doel om de opbrengsten van een zonneveld ook lokaal terecht te laten komen. Dat kan op verschillende manieren: financiële deelname aan zonnevelden (via een coöperatie), storting in een buurtfonds, maar ook dat omwonenden stroom tegen een lager tarief kunnen krijgen. In het beleidskader staat dit onder maatschappelijke criteria (paragraaf 5.7). In het beleidskader wijzen we initiatiefnemers op de mogelijkheden van energieopslag om zo vraag en aanbod beter op elkaar te laten aansluiten. Voor grootschalige zonnevelden is energieopslag verplicht (paragraaf 5.4) Daar waar zoekgebieden liggen, wordt ingezet op een gebiedsgerichte aanpak waar ook aandacht is voor natuur, wateropvang en andere opgaven. Hier houden we in het beleidskader rekening mee door met zoekgebieden aan de slag te gaan die bij bedrijfsterreinen liggen. De inzet is om een deel van de geproduceerde stroom te koppelen aan bedrijven en een deel op het net te brengen.

3

Inhoudelijke reacties van inwoners Reactie 1 (inwoner) Zet in op een GreenDeal of een Energiegemeenschap. Het is algemeen bekend dat een tender niet leidt tot wat het beste is voor de gemeenschap. Meestal kijkt men alleen naar de prijs. Het leidt tot niet gewenste competitie, want het moet voldoen aan punten. Bij de tijd dat het uitgevoerd wordt zijn die vaak alweer achterhaalt door de nieuwe techniek/inzichten.

Reactie Gemeente De gemeente zet in op een Greendeal en het liefst in combinatie met een Energiegemeenschap. Wel houden we de mogelijkheid open om een tender uit te schrijven. Daarin bepaalt de gemeente de te behalen punten per onderdeel. Op een tender schrijven vaak meerdere partijen in. Naast ruimtelijke criteria worden ook punten toegekend aan maatschappelijke criteria. De inschrijver die op beiden het hoogste scoort, krijgt planologische medewerking van de gemeente. Er is dus geen sprake dat degene met de laagste prijs wint, omdat het alleen een kwalitatieve beoordeling betreft. Het ingediende plan moet daarbij voldoen aan de voorwaarden uit het beleidskader. Op deze manier voorkomt de gemeente dat de opbrengst van een veld alleen naar de ontwikkelaar gaat.

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

Er wordt gesproken over 50% lokaal eigendom en om dit bij tenders zelfs los te laten. Dat is geheel niet nodig. Dat moet minimaal 50% zijn of zelfs 100%. 25 jaar is lang. Wat als initiatiefnemers na 15 jaar failliet gaan en de gemeente Nieuwkoop voor de kosten opdraait?

Dat is onjuist. De gemeente bepaalt hoeveel punten zij wil geven aan partijen die lokaal eigendom nastreven. De partijen die voldoen aan minimaal 50% lokaal eigendom krijgen dan op dit onderdeel de meeste punten.

Geen aanpassing

De gemeente maakt het alleen planologisch mogelijk en geeft een vergunning af. In het beleidskader staat dat zonnevelden na exploitatie opgeruimd en afgevoerd moeten worden naar een erkende verwerker. De ontwikkelpartij is hiervoor verantwoordelijk; ook al gaat deze failliet.

De omgevingsvergunning kan tijdelijk (bepaalde tijd) of voor onbepaalde tijd worden afgegeven, afhankelijk van wat er door de aanvrager wordt aangevraagd. Dat kan per situatie verschillen. In het geval de grondeigenaar voor een bepaalde tijd een recht van opstal vestigt op zijn grond voor het plaatsen van een zonneveld, ligt het voor de hand dat de vergunning voor die tijdsduur wordt aangevraagd en verleend. In dat geval zal er een verplichting in de vergunning worden opgenomen dat bij beëindiging van de exploitatie van een zonnestroominstallatie de zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen dienen te worden verwijderd, hergebruikt of afgevoerd naar een erkende verwerker. 4

Reactie 2 (inwoner) Hoe slaan we de energie op als we energie opwekken op momenten dat we het niet nodig hebben? Focus ligt enkel op grootschalige batterijen bij mogelijke opslag. Reactie 3 (inwoner) Is verankerd dat na het beëindigen van de zonnevelden er geen andere bestemming dan agrarisch op het gebied komt?

Reactie Gemeente In het beleidskader is voor opslag geen orde van grootte aangegeven. Het is voldoende om te wijzen op verplichte opslag bij grootschalige opwek (paragraaf 5.4) en op het aansluiten op een energienetwerk (smart grid) om zodoende te werken aan meer netstabiliteit (paragraaf 5.9).

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

Reactie Gemeente Nee, dat is afhankelijk van hoe het in het omgevingsplan staat. Het omgevingsplan is hierin maatgevend. In het geval dat de bestemming ‘agrarisch’ is en een zonneveld wordt toegelaten, dan ‘herleeft’ de oorspronkelijke bestemming weer na beëindiging van de exploitatie van het zonneveld. Als het omgevingsplan in die tussentijd is aangepast naar de functie ‘energielevering of zonneveld’ dan keert de agrarische bestemming niet automatisch terug.

Reactie 4 (inwoner) De afstand tot woningen van 30 meter is te weinig. Ik denk toch eerder aan 100-200 meter! Ook moeten zonnevelden die dichter bij woningen liggen goed aan het zicht moeten worden onttrokken.

Reactie Gemeente Een richtafstand van 30 m is gebaseerd op de richtafstand die volgt uit de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Voor transformatoren tot een vermogen van 10 MVA moet op basis van de richtafstandenlijst een richtafstand van 30 m worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen in ‘rustig buitengebied’. Deze afstand geldt in principe tot het bouwvlak van de gevoelige bestemming. Deze richtafstand is in het beleidskader overgenomen, waarbij voor het visuele aspect 30 m voldoende wordt bevonden om het zonneveld uit het zicht te houden van omwonenden.

Het betrekken van de omwonenden gaat nu vooral over de financiële participatie en niet over de inpassing, dat moet duidelijker worden vastgelegd.

Over het betrekken van omwonenden en betrokkenen bij toekomstige plannen is in het beleidskader rekening gehouden. Dat staat in paragraaf 5.7.1: In het participatieplan maakt Initiatiefnemer inzichtelijk welke wensen, behoeften, zorgen en bezwaren leven in de omgeving en op welke wijze deze zijn verwerkt. Met inachtneming van het proces, zoals beschreven in paragraaf 5.9, ziet de gemeente er in de gesprekken met de initiatiefnemers op toe dat deze participatie is doorlopen.

Aanpassingen in Beleidskader Toevoegen paragraaf 5.9: Als de omgevingsvergunning is verlopen, is voor het betreffende gebied alleen die functie toegestaan zoals het in het omgevingsplan staat beschreven. In het geval dat de bestemming ‘agrarisch’ is en een zonneveld wordt toegelaten, dan blijft de oorspronkelijke bestemming tijdens en na beëindiging van de exploitatie van het zonneveld van kracht. Als het omgevingsplan in die tussentijd is aangepast naar de functie ‘energielevering of zonneveld’ dan blijft die nieuwe functie ook na beëindiging van de exploitatie van kracht. Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing 30 m. We voegen bij paragraaf 5.4 een voetnoot toe: Een richtafstand van 30 m is gebaseerd op de richtafstand die volgt uit de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Voor transformatoren tot een vermogen van 10 MVA moet, op basis van de richtafstandenlijst, een richtafstand van 30 m worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen in ‘rustig buitengebied’. Deze afstand geldt in principe tot het bouwvlak van de gevoelige bestemming. Geen aanpassing

5

Reactie 5 (inwoner)

Reactie Gemeente

Wij zien als (dicht) omwonende (gezondheids) risico`s in het ontwikkelen van een project op de voormalige stortplaats welke omschreven staat als vervuild. Het lijkt ons onverantwoord om dit project uit te voeren. Zijn de risico`s ingeschat / in kaart gebracht?

De voormalige stortplaats is gesaneerd door de stort te voorzien van een folieafdichting met een afdeklaag. In Nederland zijn verschillende voorbeelden van voormalige stortplaatsen (zie par. 3.3.3) waar op de stort en tegen de helling zonnepanelen zijn bevestigd. De afdeklaag van een stort geeft ruimte voor het plaatsen van een fundering voor zonnepanelen en beschermt de afdichtingslaag van de stort. Ondanks dat is het belangrijk dat ongewenste milieueffecten en gezondheidsrisico’s worden vermeden. De ontwikkeling van een zonneveld op de voormalige stort kan hieraan bijdragen, omdat we hiervoor een nazorgplan verplichten. In het beleidskader is hiervoor een aanvullende voorwaarde opgenomen: Bij ontwikkeling van een zonneveld op de voormalige stort dient een nazorgplan voor de stort deel uit te maken van het projectplan. In dit plan wordt beschreven hoe in de nazorgfase de emissies en risico’s optimaal worden beheerst. De nazorg bestaat uit controleren, onderhouden en vervangen van de getroffen voorzieningen (technische nazorg). Dat betekent dat, als er zich een ontwikkeling voordoet, nadelige milieueffecten voorkomen moeten worden. In het kader van de Wet Bodembescherming is de Omgevingsdienst West-Holland hierin bevoegd gezag. Zonder nazorgplan vindt géén ontwikkeling plaats. Reactie Gemeente

Reactie 6 (inwoner) Reactie op Woerdense Verlaat (WV): Bij de bijeenkomst bleek "uit het zicht" het allerbelangrijkst. De boven het platte polderlandschap uittorende voormalige vuilstort, parallel aan de gebied-ontsluitende (snel)-weg (N463), direct achter de stortplaats de NNNwatergang De Heinoomsvaart en daarachter natuurgebied "De Bovenlanden" (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten), is GEEN goede plek voor een grootschalig zonneveld. Er is dringend behoefte aan meer en betere informatie over de middelen waarmee afgeschermd gaat worden.

Het betreffende gebied is als oriëntatiegebied op de kaart gezet als onderdeel van de besluitvorming over de RES 1.0 Holland Rijnland. De reden is dat het een voormalige stortplaats betreft dat verder geen nuttige bestemming heeft. Door op de stort en tegen het talud zonnepanelen te plaatsen, krijgt dit gebied een nuttige bestemming. Het gebied De Bovenlanden valt buiten de contouren van het zoekgebied. In het beleidskader is aangegeven dat rondom de stort gronden nodig zijn om meer groen en natuur te realiseren. Het uit het zicht plaatsen van zonnepanelen op een hoger gelegen voormalige stortplaats is daarin wel een uitdaging en mogelijk niet vanuit elk zichtpunt volledig te realiseren. Begroeiing eromheen heeft tijd nodig om tot wasdom te komen. In de planvorming worden bewoners meegenomen in welke begroeiing hierin kan volstaan. De landschapsarchitect heeft voorbeeldschetsen laten zien. Om te voorkomen dat ontwikkelaars zomaar aan de slag kunnen, kiest de gemeente ervoor om dit gebied als trede 4 te beschouwen (gebiedsgerichte aanpak). Een planontwikkeling in het gebied kan dus niet tot stand komen zonder daarbij actief inwoners, de dorpsraad en/of (energie)coöperatie te betrekken. De gemeente stuurt daarbij aan op de vorming van een energiegemeenschap om zo te stimuleren dat een initiatief (projectplan) vanuit het dorp zelf komt.

Het meest gewenste resultaat is dat het projectplan een plan van het dorp wordt met ruimte voor groen om de voormalige stort zoveel mogelijk af te schermen van de omgeving. In het beleidskader is als voorwaarde opgenomen: Elk plan dient vergezeld te gaan met een ontwerp hoe het zonneveld in het betreffende gebied ingepast kan worden in het landschap (paragrafen 5.4 t/m 5.6). Er dient rekening te worden gehouden met de typerende landschapselementen, verkavelingsstructuren en zichtlijnen, waarbij het zonneveld zoveel mogelijk aan het zicht wordt onttrokken. Begrenzing van de zonnevelden wordt gerealiseerd door natuurlijke elementen zoals struweel, hagen en of watergangen. Naast voorwaarden is er dus ook ruimte om tot een eigen plan te komen, maar dan wel binnen de gestelde kaders. Het uiteindelijke plaatje zal in de planvorming meer duidelijk moeten worden. Daarin geeft het beleidskader een duidelijke richting: het dorp moet hierbij betrokken worden en ontwikkelingen vinden bij voorkeur van onderop plaats via een energiegemeenschap.

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

6

Hoe houdt de gemeente toezicht op uitvoering conform plannen en afspraken.

Handhaving wordt verzorgd door het team Bouw & woningtoezicht van de gemeente. Partijen die geen gevolg hebben gegeven aan de voorwaarden in de vergunning worden aangeschreven. Milieuhandhaving vindt plaats onder het gezag van Omgevingsdienst West-Holland.

Toevoegen bij 4.7.1 en 5.9.1 Bezwaar en beroep Tegen het vaststellen van het beleidskader is geen bezwaar en beroep mogelijk. Nadat het beleidskader is vastgesteld, worden aanvragen voor vergunningen getoetst aan wet- en regelgeving en aan de voorwaarden uit dit beleidskader. De planologische procedures (zoals het afwijken op het Omgevingsplan) en vergunningverlening staan open voor bezwaar en beroep. Nadat de omgevingsvergunning is verleend is de gemeente bevoegd gezag en kan ze handhavend optreden als niet aan de regels uit de vergunning wordt voldaan. Toevoegen bij 5.9.1 Bezwaar en beroep: Als aanvullende vergunningen vanuit andere overheden nodig zijn, ligt de handhavingstaak daar. Milieuhandhaving wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst West-Holland. Dit betreft onder andere handhaving op het verplichte nazorgplan in het geval er een zonneveld op de voormalige stortplaats bij Woerdense Verlaat wordt aangelegd (zoekgebied 6).

7

Reactie 7 (inwoner)

Reactie Gemeente

Paragraaf 1.4: 60 ha aan zonnevelden is nodig. Is dit netto-oppervlak? Dat zou ik duidelijker aangeven. Ook hoeveel ha er dan uiteindelijk voor de zonnevelden nodig zouden zijn, rekening houdend met tussenruimte e.d. (bruto-oppervlak).

Er is grofweg 60 ha nodig om 0,06 TWh per jaar te halen. Dit is een inschatting. Een exacte berekening is niet te maken. Dit heeft te maken met veranderde wattpiek opbrengsten van zonnepanelen (de trend is dat het vermogen van zonnepanelen toeneemt), landschappelijke inpassing (percentage bebouwd/ onbebouwd) en weersomstandigheden. Ontwikkelaars dienen hun productie te monitoren en de gemeente een beeld te geven hoe de productie er gemiddeld over een jaar uit ziet. Het netto en bruto oppervlak is in het beleidskader uitgelegd. Bruto is inclusief landschappelijke inpassing (75% bebouwd). Daarmee houden wij rekening met de verwachte toenemende elektriciteitsvraag voor de periode na 2030. Tegelijkertijd wordt ook aangegeven dat er na 2030 een herijking nodig is van het beleidskader zonne-energie (paragraaf 1.4). Dan bekijken we hoe de zoekgebieden ingezet kunnen worden en of nieuwe zoekgebieden toegevoegd worden. Daar kunnen ook gebieden tussen zitten uit het advies van RESDO. In het beleidskader is beschreven dat nieuwe zoekgebieden alleen na inwonersparticipatie en onder regionale goedkeuring op de RES kaart gezet worden. De gemeente concentreert zich tot 2030 op zoekgebieden 1, 2a en 6.

Is het verstandig om de 40 ha in de Vierambachtspolder nu al als zoekgebied aan te wijzen voor de jaren na 2029. Is het bij een toekomstige grotere behoefte aan zonne-energie niet verstandiger om opnieuw in de gehele gemeente naar nieuwe zoekgebieden te zoeken. Bij zo'n nieuwe zoektocht zouden dan bijvoorbeeld ook de gebieden die in het advies van de RESDO worden aangedragen betrokken kunnen worden. Er wordt een maximale hoogte van 1,50 meter voorgeschreven, 'opdat de zichtlijn over de panelen intact blijft'. Veel mensen hebben hun ogen op een lagere hoogte dan 1,50 meter. Tijdens de bijeenkomst met de dorpsraden werd verteld dat een lagere maximumhoogte dan 1,50 meter niet mogelijk is, omdat panelen dan te dicht bij de grond komen. Is het dan beter om de reden voor die maximumhoogte anders te formuleren. De laatste zin van paragraaf 5.1 lijkt te suggereren dat er nog nieuwe zoekgebieden kunnen worden aangewezen dan de zoekgebieden van hoofdstuk 3. De rest van het beleidskader gaat daar niet op in. Klopt die zin dan wel?

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

Geen aanpassing

Het beleidskader verwoordt dit helder genoeg voor initiatiefnemers. Het geeft een duidelijke richting hoe zonnevelden het beste ingepast kunnen worden en waarmee rekening moet worden gehouden in het ontwerp.

Geen aanpassing

Het beleid ten aanzien van nieuwe zoekgebieden staat in paragraaf 3.1. Verderop in het beleidskader is alleen ingegaan op de zoekgebieden tot 2030.

Geen aanpassing

8

In paragraaf 5.2 is het stuk over de BOPA onbegrijpelijk. Wat beoogt dit stuk te communiceren? Paragraaf 5.4 stelt dat de afstand tussen een (bestaande) woning en een zonneveld ten minste 30 meter moet bedragen. Tijdens de bijeenkomst met de dorpsraden begreep ik dat hier de gevel van een woning wordt bedoeld (niet een tuinhek). Is deze afstand niet te klein?

Ik vind dat paragraaf 5.7 te weinig aandacht besteedt aan het feit dat initiatiefnemers omwonenden en betrokkenen moet betrekken bij de ruimtelijke inpassing. Het wordt wel even aangestipt, maar verder gaat de paragraaf over financiële participatie. Kan duidelijker gesteld worden dat omwonenden en betrokkenen ook echt een vinger in de pap krijgen bij de ruimtelijke inpassing (en het voorkomen van hinder).

In paragraaf 5.2 is uitleg gegeven hoe de gemeente omgaat met aanvragen voor grootschalige zonnevelden. De procedure volgt het BOPA traject. Dat betekent dat voor elk plan zal worden afgeweken van het omgevingsplan. Daar wordt inderdaad de afstand van de rand van het zonneveld tot aan de gevel van de woning bedoelt. Deze richtafstand van 30 m is gebaseerd op de richtafstand die volgt uit de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Voor transformatoren tot een vermogen van 10 MVA moet op basis van de richtafstandenlijst een richtafstand van 30 m worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen in ‘rustig buitengebied’. Deze afstand geldt in principe tot het bouwvlak van de gevoelige bestemming. Deze richtafstand is in het beleidskader overgenomen, waarbij voor het visuele aspect 30 m voldoende wordt bevonden om het zonneveld uit het zicht te houden van omwonenden. Over het betrekken van omwonenden en betrokkenen bij toekomstige plannen is in het beleidskader rekening gehouden. In paragraaf 5.7.1 staat: In het participatieplan maakt Initiatiefnemer inzichtelijk welke wensen, behoeften, zorgen en bezwaren leven in de omgeving en op welke wijze deze zijn verwerkt. Met inachtneming van het proces (zoals beschreven in paragraaf 5.9) ziet de gemeente er in de gesprekken met de initiatiefnemers op toe dat deze participatie is doorlopen.

Geen aanpassing

Geen aanpassing 30 m. We voegen bij paragraaf 5.4 een voetnoot toe: Een richtafstand van 30 m is gebaseerd op de richtafstand die volgt uit de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Voor transformatoren tot een vermogen van 10 MVA moet, op basis van de richtafstandenlijst, een richtafstand van 30 m worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen in ‘rustig buitengebied’. Deze afstand geldt in principe tot het bouwvlak van de gevoelige bestemming.

Geen aanpassing

9

Geef aan wanneer de gemeente de pogingen om te komen tot een Green Deal met een energiegemeenschap als mislukt beschouwt en start met een maatschappelijke tender. Dan voorkom je te lang wachten, met als gevolg dat de maatschappelijke tender te laat start en de doelstelling (0,08 TWh in 2030) niet gehaald wordt.

Paragraaf 5.9: , eerste stap figuur 15 en stukje 'Voorbereiding' daar direct onder: hoort dit wel in dit hoofdstuk thuis? Het lijkt te gaan over zonnestroominstallaties en niet (direct) over grootschalige zonnevelden. Of geldt dit misschien alleen voor de terreinen 1 en 2a uit figuur 5? Ik mis een hoofdstuk of paragraaf waarin staat welke bezwaar- en beroepsmogelijkheden er zijn voor inwoners en evt. ook initiatiefnemers. Kan in bezwaar en beroep worden gegaan tegen: - een aanwijzing als zoekgebied (d.w.z. tegen het afwegingskader nadat het is vastgesteld), - een wijziging van een omgevingsplan (en wanneer is daar dan sprake van -> zoals hierboven gesteld, het stukje over de BOPA is nl. onbegrijpelijk), en/of - een uiteindelijk te verlenen vergunning? Hoe dwingt de gemeente nakoming door de initiatiefnemers van de voorwaarden in dit hoofdstuk af?

Dat ontbreekt inderdaad nog in het beleidskader. Daarom nemen we de volgende (juridische) tekst op (zie aanpassing). Het klopt dat het risico bestaat dat daarbij de doelstelling in 2030 niet gehaald wordt, echter wil de gemeente het proces te allen tijde zorgvuldig doorlopen.

Het betreft vooral een groter systeem. De term zonnestroomsysteem volstaat in deze context mogelijk beter.

Tegen het vaststellen van het beleidskader is geen bezwaar en beroep mogelijk (valt niet onder awb). De planologische procedures vallen wel onder de awb. Daar is bezwaar en beroep mogelijk. Dit nemen we in het beleidskader op.

Toevoegen in paragraaf 5.8: De gemeente zal eerst in overleg met grondeigenaren, agrariërs, mogelijke initiatiefnemers en andere belanghebbenden op zoek gaan naar manieren waarop het streven naar het minimale percentage lokaal eigendom alsmede de andere uitgangspunten van haar beleid kunnen worden gehaald. Indien blijkt dat de Greendeal vanuit voorgaande uitgangspunten niet tot het resultaat leidt dat de gemeente met dit beleid wenst te bereiken, kan zij de maatschappelijke tender als instrument toepassen. Toevoegen bij paragraaf 5.9: Wanneer het gebiedsproces niet leidt tot een Green Deal (of in onvoldoende mate en er nog planologische ruimte over is) kan overgestapt worden op een maatschappelijke tender. Beide instrumenten kunnen dus naast elkaar bestaan als er nog planologische ruimte voor zonnevelden over is die niet met de Greendeal is ingevuld. Paragraaf 5.9, onder figuur 15: “zonnestroominstallatie” wordt vervangen door “zonnestroomsysteem”.

Toevoegen als 4.7.1 Bezwaar en beroep en 5.9.1 Bezwaar en beroep: Tegen het vaststellen van het beleidskader is geen bezwaar en beroep mogelijk. Nadat het beleidskader is vastgesteld, worden aanvragen voor vergunningen getoetst aan wet- en regelgeving en aan de voorwaarden uit dit beleidskader. De planologische procedures (zoals het afwijken op het Omgevingsplan) en vergunningverlening staan open voor bezwaar en beroep. Nadat de omgevingsvergunning is verleend is de gemeente bevoegd gezag en kan ze handhavend optreden als niet aan de regels uit de vergunning wordt voldaan. Toevoegen bij 5.9.1 Bezwaar en beroep: Als aanvullende vergunningen vanuit andere overheden nodig zijn, ligt de handhavingstaak daar. Milieuhandhaving wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst West-Holland. Dit betreft onder andere handhaving op het verplichte nazorgplan in het geval er een zonneveld op de voormalige stortplaats bij Woerdense Verlaat wordt aangelegd (zoekgebied 6).

10

Reactie 8 (inwoner) Het is de vraag hoe de kaarten na 2030 liggen, vooral wat betreft elektriciteitsbehoefte. De gemeente is nagegaan of een zonneveld in de toekomst (na 2030) toch ingepast kan worden. Op grond daarvan is besloten 40 hectare van de Vierambachtspolder ‘op de kaart te houden’. Daarbij wordt nu al gesteld dat voor de Vierambachtspolder “een zo efficiënt mogelijk gebruik van de oppervlakte van het gebied gewenst is.” Wat betekent dat? Het zal niet de bedoeling van het beleidskader zijn nu al te bepalen dat de norm (maximaal 75% panelen) voor de 40 hectare Vierambachtspolder na 2030 niet meer zou gelden. Kan dit worden verduidelijkt? Is het niet verstandiger, gezien de snelle ontwikkelingen en onzekerheden in de toekomst, in het beleidskader op te nemen dat er tegen die tijd opnieuw gekeken zal worden naar de hele situatie in Nieuwkoop? Omvat de monitorverplichting (p. 31 en 32) jaarlijks ook het “tegengaan van hinder” ook de controle of het zonneveld “zoveel mogelijk aan het gezicht wordt onttrokken”? Ik vraag dit omdat uit de participatie in alle kernen kwam dat de panelen niet zichtbaar zouden zijn. Om dit te (blijven) bereiken zouden burgers moeten kunnen melden wanneer dit tekortschiet.

Worden de voorschriften in de omgevingsvergunning voldoende specifiek zodat dit gehandhaafd kan worden? In bijlage G3, verslag van de inwonersbijeenkomst Noordrand, wordt vermeld dat velen graag een actieve betrokkenheid van de dorpsraad en/of de (energie)coöperatie zien bij de planning. Kunnen dorpsraden een wat prominentere rol krijgen? Wat is opbarsting?

Reactie Gemeente Dit heeft betrekking op de akkerbouwgrond in de Vierambachtspolder. In de bijlage D staat dat een zo efficiënt mogelijk gebruik van de oppervlakte van het gebied gewenst is om landbouwgrond elders te blijven benutten voor agrarische functies in het gebied. Kortom: als er sprake is van een zonneveld, dan is het te prefereren dat daarvoor zo min mogelijk vruchtbare akkerbouwgrond wordt aangewend. Als er vanaf 2030 weer nieuwe inzichten zijn, worden die in een herziening (paragraaf 1.4) meegenomen. De voorwaarden van maximaal 75% panelen (bebouwd gebied) blijven geldig, tenzij de raad voor de situatie na 2030 in een herziening anders besluit.

Aanpassingen in Beleidskader Bijlage D toevoegen: als er sprake is van een zonneveld, dan is het te prefereren dat daarvoor zo min mogelijk vruchtbare akkerbouwgrond wordt aangewend.

Het beleidskader voorziet hier in. In paragraaf 5.4 staat: door middel van periodieke verslaglegging dienen initiatiefnemers de jaarlijkse elektriciteitsproductie, opslag en levering vast te leggen en aan te tonen dat de projecten blijven voldoen aan de genoemde voorwaarden uit het beleidskader (o.a. tegengaan hinder en toepassen ecologisch beheer). Dit maakt deel uit van de omgevingsvergunning.

Geen aanpassing

Als een ontwikkeling zich voordoet bij een dorpskern ziet de gemeente graag dat de inwoners en de dorpsraad hierbij betrokken is. Het is dan aan de dorpsraad om te bepalen in hoeverre ze betrokken wil worden in bijvoorbeeld de vorming van een energiegemeenschap en financiële participatie. Dit is het ongecontroleerd omhoog komen van dieper grondwater (zie hiervoor ook de begrippenlijst in Bijlage A). Opbarstrisico’s hangen samen met de veranderende druk van de deklaag als gevolg van vergraven of retourbemaling. Dit speelt dus alleen bij de aanleg of uitdiepen van watergangen of bemalingen met retourbemaling.

Geen aanpassing

Geen aanpassing

11

Reactie 9 (inwoner)

Reactie Gemeente

Voor de situatie Woerdense Verlaat: Ik mis uitwerkingen / voorwaarden om het volledig aan het zicht te onttrekken en reflecties van het licht voor omwonenden te voorkomen.

Het uit het zicht plaatsen van zonnepanelen op een hoger gelegen voormalige stortplaats is een uitdaging en mogelijk niet vanuit elk zichtpunt volledig te realiseren. Begroeiing eromheen heeft tijd nodig om tot wasdom te komen. In de planvorming worden bewoners meegenomen in welke begroeiing hierin kan volstaan. De landschapsarchitect heeft daar voorbeeldschetsen van laten zien. Om te voorkomen dat ontwikkelaars zomaar aan de slag kunnen, kiest de gemeente ervoor om dit gebied als trede 4 te beschouwen (gebiedsgerichte aanpak). Een planontwikkeling in het gebied kan dus niet tot stand komen zonder dat inwoners, dorpsraad en/of (energie)coöperatie daar actief bij betrokken worden. De gemeente stuurt daarbij aan op de vorming van een energiegemeenschap om te stimuleren dat een initiatief (projectplan) vanuit het dorp zelf komt. Het meest gewenste resultaat is dat het projectplan een plan van het dorp wordt met ruimte voor groen om de voormalige stort zoveel mogelijk af te schermen. In het beleidskader is als voorwaarde opgenomen: Elk plan dient vergezeld te gaan met een ontwerp hoe het zonneveld in het betreffende gebied ingepast kan worden in het landschap (paragrafen 5.4 t/m 5.6). Er dient rekening te worden gehouden met de typerende landschapselementen, verkavelingsstructuren en zichtlijnen, waarbij het zonneveld zoveel mogelijk aan het zicht wordt onttrokken.

Begrenzing van de zonnevelden wordt gerealiseerd door natuurlijke elementen zoals struweel, hagen en of watergangen. Naast voorwaarden is er dus ook ruimte om tot een eigen plan te komen, maar dan wel binnen de gestelde kaders. Het uiteindelijke plaatje zal in de planvorming meer duidelijk moeten worden. Daarin geeft het beleidskader een duidelijke richting: het dorp moet hierbij betrokken worden en ontwikkelingen vinden bij voorkeur van onderop plaats via een energiegemeenschap. Er is niet op voorhand bekeken of er draagvlak onder eigenaren is om zonnepanelen op hun terrein te plaatsen. De reden is dat het beleidskader vooral een ruimtelijk ordeningsdocument is. Ongeacht de eigendomssituatie is gekeken of een gebied geschikt is als zoekgebied voor zonnevelden. Nadat het beleidskader is vastgesteld, kunnen concrete plannen worden gemaakt voor zonnevelden in die zoekgebieden. Het is aan de eigenaren en ontwikkelpartijen om te bekijken of dat interessant voor ze is. Uiteindelijk is het aan de grondeigenaar om hierin een besluit te nemen. Er is daarbij géén sprake van onteigening; het is op vrijwillige basis.

In hoeverre is bekeken of er draagvlak is bij de eigenaren van de betreffende gebieden? Voor zover mij bekend zijn deze niet benaderd. Als er geen draagvlak is, leidt dit hele proces nergens toe of bereikt het niet het beoogde resultaat. Er wordt gesproken over lokaal eigendom maar er wordt niet ingegaan op wat de mogelijke voordelen zijn voor de daadwerkelijke eigenaren.

Het voordeel voor de eigenaren kan zijn dat er een huurprijs wordt overeengekomen voor een recht van opstal, of dat de eigenaar meeprofiteert van de opbrengsten van een zonneveld. Dit is afhankelijk van de afspraken die hierover gemaakt worden. Ook als sprake is van lokaal eigendom kan een financiële regeling met de eigenaar worden overeengekomen. In het beleidskader staat in paragraaf 5.7: Een bijzondere vorm van een omgevingsregeling betreft het model voor sociale grondvergoeding. In dat model wordt niet alleen een grondretributie afgesproken met de grondeigenaar die een vergoeding krijgt voor het verlenen van het recht van opstal op zijn grond maar ontvangen ook eigenaren van aangrenzende percelen een vergoeding. Dit maakt duidelijk dat er zeker voordelen te behalen zijn voor de daadwerkelijke eigenaren.

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

Geen aanpassing

Geen aanpassing

12

Inhoudelijke reacties van stakeholders Ontwikkelpartij 1 Onder 3.3.1 lijkt het dat uitzonderingsgronden cumulatief worden opgesomd. Dit kan niet het geval zijn met hoe de minister dit heeft toegelicht. Kunnen (ook om verwarring te voorkomen) de uitzonderingsgronden met dezelfde letter aangegeven worden? Nu agripv (grond A) eruit is, loopt dit niet gelijk met eerder aangegeven. We onderschrijven het idee achter de Green Deal en de energiegemeenschap. We vragen de gemeente wel om te kijken naar de onzekerheden die hieraan verbonden zijn. Is dit niet té idealistisch voor de situatie nu?. We vragen een praktischere benadering met oog op de ontwikkeltijd. We snappen dat de gemeente vooral een garantie wil voor het lokale eigendom. Een tender kan dit bieden. Het uitgangspunt is dat we gezamenlijk deze intentie uitspreken, maar wel het ontwikkelproces al starten, en pas tot concrete afspraken komen als voorwaarden ook zeker zijn. (Binnen de participatie valt ook de omwonersregeling waarin o.a. lokale stroom afgenomen kan worden, een korting voor zon-op-dak voor particulieren wordt geregeld voor omwonenden en er is een omgevingsfonds. Let wel: een omwonersregeling communiceert met de financiële voorwaarden van eigendom).

Ontwikkelpartij 2 In hoofdstuk 5 wordt vermeld; "Wanneer een zonneveld iets groter (5 á 10%) uitvalt dan de contouren van het zoekgebied, dan zal de gemeente voor dat deel een separate belangenafweging maken". Door een procentuele overschrijding van het zoekgebied toe te staan loopt de gemeente het risico dat de grenzen van zeer grote zonneinitiatieven ver buiten de zoekgebieden zullen treden. In tegenstelling tot een percentage (5 a 10%) zien wij graag een absolute afstand in meters in het beleidskader verwerkt die als maximale afstand dient tot waar het initiatiefnemers is toegestaan buiten zoekgebieden te treden.

Reactie Gemeente Dat is inderdaad niet consistent. Deze zetten we er alsnog bij.

Aanpassingen in Beleidskader Toevoegen in paragraaf 3.3.1 en 3.3.2: a. AgriPV: combinatie van een substantiële agrarische functie met een zonneveld.

De gemeente heeft een sterke wil om zaken samen verder te brengen en naar mogelijkheden te kijken. Daarbij beseffen wij ons dat er obstakels te overwinnen zijn, dat het proces tijd nodig heeft en veel belanghebbenden kent. We begrijpen ook dat regels en wetten onze gewenste ontwikkeling moeilijk maakt. Daarom is in dit beleidskader aandacht geschonken aan de manier hoe zonnevelden georganiseerd kunnen worden. Er is gezocht naar wegen om samen tot een gebiedsgerichte aanpak te komen waar zonnevelden deel van uit maken. Het beleidskader zien we als een hulpmiddel om een stap verder te zetten richting ontwikkeling met daarbij ruimte voor lokaal eigendom en/of financiële participatie. We beseffen dat dat tijd kost, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de doorlooptijd van een gemiddeld woningbouwproject.

Geen aanpassing

Reactie Gemeente Zo is het niet bedoeld, maar kan het wel gelezen worden. Het gaat erom dat een andere situering nodig kan zijn om het zonneveld goed in te passen. We willen deze flexibiliteit behouden. Het moet niet zo zijn dat ontwikkelpartijen dan de kans aangrijpen om het zoekgebied fors te vergroten. Daarop passen we het beleidskader aan. We halen het percentage weg. Tegelijkertijd is het ook lastig om aan te geven hoeveel vierkante meter buiten de contouren nodig zijn om tot een goed ontwerp te komen. Dat kan per situatie verschillen. Aangepaste tekst: Wanneer een bepaalde opstelling vereist dat een zonneveld - qua situering - iets groter uitvalt dan de contouren van het zoekgebied, en dit tot een aantoonbaar betere landschappelijke inpassing leidt, zal het college voor dat deel een separate belangenafweging maken.

Aanpassingen in Beleidskader Verwijderen percentage in paragrafen 2.2.2, 3.1 en 5.1 en toevoegen: Wanneer een bepaalde opstelling vereist dat een zonneveld - qua situering - iets groter uitvalt dan de contouren van het zoekgebied, en dit tot een aantoonbaar betere landschappelijke inpassing leidt, zal het college voor dat deel een separate belangenafweging maken. 13

Ontwikkelpartij 3 Gebied 1: Waarom behoort de optie Agri-PV niet tot de mogelijkheden (en alle zoekgebieden)? Hoofdstuk 5.5. Een maximale hoogte van 1.5 meter is erg laag. Je wilt de panelen graag hoog laten beginnen (circa 70cm boven de grond). Dit is enerzijds noodzakelijk wegens veiligheidsoogpunt. Hoe lager de panelen bij de grond staan hoe minder groen er mag groeien voor het geval dit in de brand vliegt. Anderzijds is een hogere opstelling beter voor het bodemleven onder de panelen. Een hogere opstelling laat meer licht tot de bodem toe. Wanneer de hoogte van de panelen op 1,50 m wordt gemaximaliseerd, kunnen er slechts 2 panelen boven elkaar worden geplaatst in een vlakke hellingshoek. Dit in plaats van het gebruikelijke 3, met een steilere hellingshoek met hogere zoninstraling per paneel. Een lagere opstelling resulteert in minder energie opwek per hectare. Kan de maximale hoogte gesteld worden op 2.20 meter. Hoofdstuk 5.6.3. Hoe verhoudt de ‘een sterk verdicht zonneveld’ zich tot de in hoofdstuk 5.4 aangewezen maximale bedekkingsgraad van 75%?

Reactie Gemeente Dat is inderdaad niet consistent. Deze zetten we er alsnog bij. Dat hoeft niet in haar geheel aangepast te worden, omdat het ontwerpprincipes zijn, waarbij er uitgegaan wordt van een hoogte van 1,5 m+mv (zoals ook in figuur 9 staat in paragraaf 5.5). De ontwerpprincipes geven enige vrijheid aan de initiatiefnemer om, rekening houdend daarmee, tot plannen te komen. Wel is de voorwaarde uit paragraaf 5.4 van toepassing: Elk plan dient vergezeld te gaan met een ontwerp hoe het zonneveld in het betreffende gebied ingepast kan worden in het landschap (paragrafen 5.4 t/m 5.6). Er dient rekening te worden gehouden met de typerende landschapselementen, verkavelingsstructuren en zichtlijnen, waarbij het zonneveld zoveel mogelijk aan het zicht wordt onttrokken. Begrenzing van de zonnevelden wordt gerealiseerd door natuurlijke elementen zoals struweel, hagen en of watergangen. Het is wel in deze geschetste situatie realistisch om uw argument mee te nemen in de afweging om af te wijken van de 1,5 meter hoogte in dit gebied. Daarom zal het aandachtspunt hierover verwijderd worden in paragraaf 5.6.1. De overige principes over het uit het zicht houden van een zonneveld in het gebied blijft staan. Dat is een terechte vraag, want op de voormalige stortplaats zelf is een maximale verdichting van panelen gewenst. Dit punt wordt in het beleidskader verwerkt.

Aanpassingen in Beleidskader Toevoegen in paragraaf 3.3.1 en 3.3.2: a. AgriPV: combinatie van een substantiële agrarische functie met een zonneveld. Verwijderen (paragraaf 5.6.1): De zonnepanelen krijgen een lage opstelling (maximaal 1,5 meter). De combinatie van overjarig riet, natuurvriendelijke oevers en lage opstelling zorgt ervoor dat de zonnepanelen grotendeels aan het zicht worden onttrokken zonder dat dit ten koste gaat van de openheid van het landschap.

Toevoegen als voetnoot bij maximaal 75% bebouwd oppervlak, paragraaf 5.4: Het maximaal bebouwde oppervlakte van 75% is niet van toepassing op objecten in het landelijk gebied (trede 3), waaronder de voormalige stortplaats bij Woerdense Verlaat. En toevoegen onder paragraaf 5.6.3: Ten aanzien van het gestelde maximaal bebouwde oppervlakte van 75% is deze niet van toepassing op de voormalige stortplaats bij Woerdense Verlaat. Dit wordt beschouwd als een object in het landelijk gebied (trede 3) waar een grotere dichtheid aan panelen, meer dan 75% bebouwd oppervlak, op de stort en taluds mogelijk is. 14

Pagina 40, onderaan staat: “Initiatiefnemer treedt in contact met pachters en huurders om uit te sluiten dat ze niet onevenredig geschaad worden door de komst van het zonneveld. Initiatiefnemer treedt ook aantoonbaar in contact met omliggende grondeigenaren om gezonde agrarische bestemde grond zoveel mogelijk te behouden voor agrarische doeleinden door middel van eventuele grondruil.” Hoe wordt dit precies bedoeld?

Met dit punt wordt voorkomen dat een pachter/huurder wordt gedwongen zijn bedrijf te beëindigen omdat de grondeigenaar op de gepachte gronden zonnevelden ontwikkelt. Als het agrarisch bedrijf van de pachter daardoor niet meer levensvatbaar is, zorgt de initiatiefnemer ervoor dat de pachter vervangende grond kan pachten of op een andere manier compensatie krijgt. Echter is deze uitleg duidelijker dan in de huidige tekst staat. De laatste zin wordt verwijderd en vervangen door bovenstaand.

“Initiatiefnemer treedt ook ... grondruil” (paragraaf 5.7.1) vervangen door: Als het agrarisch bedrijf van de pachter daardoor niet meer levensvatbaar is, zorgt de initiatiefnemer ervoor dat de pachter vervangende grond kan pachten of op een andere manier compensatie krijgt.

15

LTO Noord, afdeling Groene Hart (reactie via brief)

Reactie Gemeente

In het beleidskader wordt gesproken over, voor de 'Polder Nieuwkoop', relatief productieve landbouwgrond. Er is geen onderbouwing gegeven van de afweging wanneer landbouwgrond productief is of niet en waar dan de keuze wordt gemaakt om gronden in een zoekgebied op te nemen. Belangrijk is dat de gronden waarover gesproken wordt particulier bezit zijn. En ongeacht de verschillende parameters om landbouwgrond op waarde te zetten en te vergelijken is de persoonlijke perceptie van groot belang is. Een landbouwkundig laagwaardig economisch perceel kan voor de grondeigenaar van noodzakelijke waarde zijn. Of ondanks een tegenvallende productie een specifiek doel dienen zoals het weiden van schapen of jongvee. In de zonneladder waarnaar wordt verwezen is geen volgtijdelijkheid opgenomen. Toch geeft de zonneladder wel een beeld weer, maatschappelijk een groeiende zorg tegen de omzetting van gronden naar energielocaties voor de opwek van zonne-energie. Vanwege de maatschappelijke gevoeligheden rondom dit thema is het wenselijk dat de potentie van treden wel volgordelijk wordt benut. Belangrijk is dat grondgebonden zonneparken, met veel opgesteld vermogen, zorgen voor extra congestie in een bepaald vlak van het netwerk.

Hierdoor is de capaciteit van het regionale netwerk sneller bereikt waardoor potentie van meer maatschappelijk gewenste vormen van energieopwekking (op daken, parkeerplaatsen enz.) minder tot niet meer mogelijk is. Aanvullend is geen definitie gegeven voor multifunctioneel ruimtegebruik als aanspraak wordt gemaakt op ontwikkeling van grondgebonden zonneparken, dat volgens de nieuwe Nota Ruimte alleen mogelijk is als het multifunctionele installaties betreft. De definitie van multifunctioneel wordt door vele partijen en organisaties geladen maar een eenduidige en nationale definitie is niet bekend. LTO Noord ziet multifunctioneel ruimtegebruik als de toepassing van zonneenergie op een perceel waarbij het bestaande hectaresaldo hoger wordt door inkomsten vanuit energieproductie. Het bestaande hectaresaldo blijft gehandhaafd en opgewerkt met extra inkomsten, niet vervangen door een hoger saldo vanuit alleen energieproductie.

Er bestaat niet echt een definitie voor productieve landbouwgrond. We zijn uitgegaan van de ervaringen van agrariërs die in de polder Nieuwkoop werkzaam zijn. Tijdens de participatieavonden over de oriëntatiegebieden in polder Nieuwkoop gaven zij aan dat het noordelijk deel van de polder als productievere grond gezien kan worden dan het meer zuidelijk gelegen gebied. En dat het gebied ten oosten van De Olm beschouwd kan worden als relatief arme landbouwgrond. In het beleidskader staat uitgelegd waarom we ervoor hebben gekozen om het noordelijke deel te laten vervallen.

Zonneladder en hoe de gemeente omgaat met de voorkeursvolgorde zon staat in het beleidskader beschreven.

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

Geen aanpassing

Ten aanzien van capaciteit net en netcongestie wordt verwezen naar de tabel Reacties inwoners, Geuite zorgen en suggesties van inwoners.

Definitie voor meervoudig ruimtegebruik is opgenomen in de begrippenlijst. Daar is inderdaad geen landelijke definitie voor. De gemeente respecteert het meervoudig ruimtegebruik door grootschalige zonnevelden op te nemen in een gebiedsgericht spoor waar tegelijkertijd wordt gewerkt aan andere opgaven (zoals klimaatadaptatie, biodiversiteit en perspectieven voor agrariërs). Om voldoende energie lokaal op te kunnen wekken zal de hoofdfunctie van grootschalige zonnevelden wel energielevering zijn (trede 4 zonneladder)

Geen aanpassing

16

In het beleidskader is opgenomen dat de realisatie van zonneparken een nieuwe ruimtelijke claim kan opleveren op gebiedsniveau. Deze ruimtelijke claim komt boven op de bestaande claims rondom natuurontwikkeling, woningbouw, bodem & water en tal van andere thema's. Het is de vraag of voor de oriëntatiegebieden, en daaropvolgend focusgebieden, een optelsom van ruimtelijke claims beschikbaar is. Het is onduidelijk hoeveel grond in de focusgebieden in de toekomst noodzakelijk is voor verdere ontwikkeling van de landbouw de komende jaren. En bij verdwijnen van landbouwgronden een prijsopdrijvend effect te verwachten is. LTO Noord staat voor het perspectief van een land- en tuinbouwsector in de toekomst en de beschikbaarheid van grond is essentieel. Wij vragen om de zoekgebieden te beperken tot gronden zonder agrarische functie. LTO Noord zal indien nodig per locatie een bezwaar indienen het gaat over ontwikkeling op agrarische gronden Liander We zijn blij om te lezen dat jullie in de algemene ontwerp principes/ voorwaarden en uitgangspunten inzetten op (1) vraag en aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar brengen en (2) korte afstand tot het onderstation vanwege de financiële haalbaarheid. Zoekgebied 1, 2a en 2b voldoen hier heel aan. Dit geldt in veel mindere mate voor zoekgebied 4 en 5 v.w.b. afstand tot het onderstation.

Voor Liander betekent dit meer engineering, meer materiaalkosten en meer werkzaamheden en daardoor ook hoge aansluitkosten voor de klanten maar uiteindelijk is het, zoals je terecht aangeeft, aan de klanten zelf om de business case rond te krijgen. ‘Vanwege de verkavelingsstructuur, kleinschaligheid van de percelen, en vooral ook de huidige beperkingen van het elektriciteitsnet (netcapaciteit en netcongestie) zijn grootschalige zonnevelden (tot 2030) moeilijk te realiseren in de Noordrand’. Er is wel vermogen maar er zijn onvoldoende vrije velden (‘stopcontacten’) beschikbaar om projecten > 2 MW aan te sluiten. Netcongestie op teruglevering (opwek) speelt dus geen rol.

Het is inderdaad zo dat voor veel opgaven, waar Nederland voor staat, ruimte nodig is. Dat geldt voor landbouw, maar ook voor woningbouw, industrie, mobiliteit, waterhuishouding, natuur en energieopwekking. Landbouw is binnen het hele palet aan belangen één van de sectoren waar een belang ligt.

Geen aanpassing

Geen aanpassing

Reactie Gemeente

Aanpassingen in Beleidskader Geen aanpassing

Tijdens het RES 1.0 traject gaf Liander aan dat voor het gebied Noordrand een capaciteit beschikbaar is van circa 4 ha. Liander (geciteerd): “Het E-net in dit gebied is puur gebouwd op de vraag naar energie. Omdat het zo ver weg ligt van het onderstation is het huidige net niet gebouwd op het terugleveren van grootschalige opwek. De afstand tot het onderstation bemoeilijkt dit. Als er echt veel opwek in dit gebied komt moeten we denken aan een nieuw onderstation. Momenteel ligt de kans in dit gebied rond de 4 ha aan zonneveld afhankelijk van de locatie.” Dit is voor ons leidend. Wel goed om daar de kanttekening bij te plaatsen dat voldoende vrije velden (stopcontacten) nodig zijn om projecten > 2 MW aan te sluiten.

Toevoegen in paragrafen 3.2.2 en 4.6: In de huidige situatie zijn er onvoldoende vrije velden (‘stopcontacten’) beschikbaar om projecten > 2 MW aan te sluiten.

17

Provincie Zuid Holland

Reactie Gemeente

Par 3.3.1. “In dit beleid staat ook dat voor realisatie van nieuwe natuur en recreatiegebieden een uitzondering geldt op de compensatie, zoals in artikel 4 lid 3b van de Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap.” In de bewoording van deze zin zit de suggestie dat er niet gecompenseerd hoeft te worden voor zonnevelden in weidevogel-, natuur- of recreatiegebieden. Dit is niet aan de orde, er moet wel gecompenseerd worden. Onderaan pagina 17, voetnoot 11: De Kamerbrief is niet meer in concept, maar is definitief. Paragraaf 5.4: “Indien gelegen in een weidevogelgebied met beschermingscategorie 2 dienen alternatieven onderzocht te worden ter compensatie voor verloren gegane weidevogelgebied.” Dit suggereert dat dit slechts een inspanningsverplichting betreft. Voorstel toevoeging”… en afspraken worden gemaakt over de instandhouding van de populatie over het totale weidevogelgebied.”

De gemeente handelt ernaar om haar RES 1.0 bod in 2030 te halen. Tegelijkertijd werkt de gemeente aan natuur en het vergroten van de biodiversiteit door bijvoorbeeld ruimte te geven aan het creëren van nieuwe natuurgebieden (Ruygeborg 1 en 2, Groene Jonker). In paragraaf 3.3.1 staat dat het gebied zich goed leent voor een zonneveld, mits het natuurwaarde creëert voor een natuurlijke overgang naar het aangrenzende NNN gebied. Een zonneveld zelf creëert weinig natuurwaarde, behalve de randen eromheen. Het ontwerp dient dus meer natuur toe te laten. Voorbeelden daarvoor zijn aangereikt door de landschapsarchitect. Voor de ontwikkeling van het hele gebied zou bekeken kunnen worden hoe nieuwe natuur ingepast kan worden. Dat is in lijn met de manier waarop de provincie omgaat met het creëren van nieuwe natuur op gronden waar voorheen weidevogels zaten (Ruygenborg 1 en 2 en Groene Jonker).

Aanpassingen in Beleidskader Het artikel 4 lid 3b is geciteerd. Er zit geen verhullende tekst in. Geen aanpassing.

Aanpassen naar definitief Het alternatief moet ervoor zorgen dat een gebied zo wordt ingericht dat de weidevogel daar wil nestelen, foerageren etc. Het doel daarbij is dat de weidevogelstand op peil blijft. Dat kan door uitbreiding van het weidevogelbeheer bij veehouders, bijvoorbeeld op plekken waar (vrijwel) geen weidevogels zitten maar die wel in beschermingscategorie 2 vallen. De gemeente beschouwt dit als een werkbaar alternatief, omdat areaalcompensatie in de beschermingscategorie 2 gebieden niet door de provincie wordt toegestaan. Areaalcompensatie buiten de beschermingsgebieden is in gemeente Nieuwkoop ingewikkeld. De provincie heeft bevestigd dat het totale weidevogelgebied ook buiten de gemeentegrenzen ligt. Areaalcompensatie kan dus ook in aangrenzende gemeenten plaatsvinden. Het is onwerkbaar om daarbovenop ook nog afspraken te maken over de instandhouding van de populatie over het totale weidevogelgebied. Indien er sprake is van het één of het ander; dan kan de toevoeging overgenomen worden. In dit geval doet de provincie een voorstel voor het één en het andere. Daar gaat de gemeente niet in mee.

Geen aanpassing

18

Par 5.4 “Ingediende plannen dienen te beschikken over opslagmogelijkheden voor stroom. Bij het maken van het ontwerp heeft afstemming plaatsgevonden met de netbeheerder. Initiatiefnemer maakt inzichtelijk hoe het plan past qua netcapaciteit (inclusief aftoppen en opslag). “Opslag is alleen noodzakelijk als het systeem er om vraagt. Dit is afhankelijk van de beschikbare netcapaciteit op invoeding; in combinatie met andere plannen kan worden bezien of opslag van toegevoegde waarde is op dit moment of in de toekomst. Dit dient vanuit een groter geheel te worden bezien dan alleen op planniveau. Ook voor opslag geldt namelijk dat deze ruimtelijk ingepast dienen te worden Par 5.5 toevoeging: “De begrenzing van de zonnevelden wordt gerealiseerd door natuurlijke en gebiedseigen elementen zoals struweel, hagen en/of watergangen met natuurvriendelijke oevers. Wanneer hekwerken nodig zijn dan worden deze landschappelijk ingepast.” Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de habitatvoorwaarden voor weidevogels. Hierbij kan ook de uitzondering worden gemaakt voor de delen die grenzen aan weidevogelgebied.

Par 5.6.1: “Voor de landschappelijke inpassing is oog voor natuurwaarden (riet/moerasvogels, weidevogels); er wordt gestreefd naar een geïntegreerd natuurlijk perspectief…Met de ontwikkeling van een zonneveld worden natuurwaarden nagestreefd die een bijdrage leveren aan de natuurwaarden van het gebied als geheel.” Deze formulering is nog te vrijblijvend; in het provinciaal beleid is een goede landschappelijke inpassing en biodiversiteit op peil houden in de verordening opgenomen.

Voldoende duidelijk geformuleerd. Het Rijk stelt opslag verplicht bij grootschalige zonnevelden. De verplichting van batterijen bij zonnevelden wordt vastgelegd in bestaande subsidieregelingen, zoals de SDE++. Het beleidskader anticipeert hierop door opslag als verplichting op te nemen bij grootschalige zonnevelden.

Geen aanpassing

Waar het weidevogelgebied specifiek van toepassing is, wordt al bij de beschrijving van de deelgebieden rekening mee gehouden (gebied 2a grenzend aan weidevogelgebied 2b). Het is niet nodig dit apart te benoemen.

Overnemen: “en gebiedseigen” Het overige blijft gelijk

Deze tekst staat onder gebiedsspecifieke aandachtspunten waar de initiatiefnemer rekening mee moet houden. De bijbehorende formulering is tot stand gekomen na participatie met inwoners en ondernemers uit het gebied. Daarbij is er niet alleen oog voor weidevogels maar ook voor andere soorten die zich in een nieuwe habitat thuis voelen; zoals destijds nieuwe natuur is gecreëerd met de aanleg van het moerasachtige NNN gebied Ruygeborg. Inwoners willen graag dat er gestreefd wordt naar een geïntegreerd natuurlijk perspectief. Dit zien we graag in de plannen van initiatiefnemers terug.

Geen aanpassing

19

Par 5.6.3: “De provincie beschouwt deze voormalige stortplaats als laag op de zonneladder.” Tekstvoorstel: Deze locatie als voormalige stortplaats is een voorkeurslocatie volgens de provinciale zonneladder. Par 5.7.2 onder financiële deelneming: wanneer is lokaal eigendom niet haalbaar en kan aan ‘terugvaloptie’ financiële deelneming worden gedacht. Waar vinden we de selectiecriteria in de bijlagen? Vanuit bijlage H worden we naar bijlage A verwezen, die kunnen we niet vinden. Dat is bij ons de begrippenlijst.

In het beleidskader hanteren we de zonneladder van het Rijk (voorkeursvolgorde zon).

Geen aanpassing

Het is genoeg om de terugvaloptie in het beleidskader op te nemen. De gemeente gaat voor lokaal eigendom, lukt dat om wat voor een reden niet, dan zijn er nog genoeg andere financiële regelingen denkbaar. Het is uiteindelijk aan de initiatiefnemer om hierin een constructie te vinden.

Geen aanpassing

Dat is een fout. Die moet eruit gehaald worden. De selectiecriteria gaan we nu niet vaststellen, maar pas op het moment als we een tender uit willen laten doen

Gebied 2b is tot 2030 afgevallen vanwege de aanwezigheid van weidevogels. Wij zien dat voor gebied 1 ook een groot deel in weidevogelgebied valt. Zou hier niet ook een dergelijke splitsing tussen 1a en 1b kunnen worden gemaakt?

Dat is niet aan de orde omdat er voldoende grond beschikbaar moet zijn om een zonneveld in het gebied te realiseren. Het is namelijk wel afhankelijk of grondeigenaren interesse hebben. Daarbij biedt het hele gebied 1 goede mogelijkheden: vanuit agrariërs is het een logisch gebied vanwege de veel minder productieve landbouwgrond dan meer noordelijke gronden in de polder, de ondernemers en gebiedscoöperatie zijn op het aanliggende bedrijventerrein bezig om uitwisseling van warmte en elektriciteit mogelijk te maken (vraag en aanbod bij elkaar brengen) en er zit een onderstation op het bedrijventerrein. In vergelijking met andere gebieden kwam dit gebied als meest kansrijke naar voren uit de participatie met inwoners en lokale ondernemers. Daarbij komt dat weidevogeltellingen van Agrarische Natuurvereniging de Hollandse Venen uitwijzen dat op grote delen in het beschermingscategorie 2 gebied (ter hoogte van gebied 1) er vrijwel geen weidevogels zitten. Al die bovengenoemde redenen pleiten ervoor om het zoekgebied 1 te handhaven en open te stellen voor duurzame energieopwekking.

Verwijderen: De criteria voor beoordeling van de inschrijvingen zijn eveneens al bekend en in de vorm van een selectieleidraad opgenomen in bijlage A. Geen aanpassing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=ab56106f-b396-4ac4-b547-5a406b9c4284