Ontwerp wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening omgevingsbeleid 2025
Tekst van het document
Gecombineerde bijlage (motivering, regels en toelichting met renvooi weergave) behorende bij het Ontwerpbesluit van provinciale staten van Zuid-Holland van <dag> <maand> 2026 tot wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in verband met de jaarlijkse herziening voor het jaar 2025 (Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening 2025)
Inleiding Dit is de bijlage behorende bij de wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening 2025 Naast de wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) worden in het kader van de herziening 2025 ook de Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma gewijzigd. Voor de herziening 2025 van het omgevingsbeleid is een algemene Nota van motivering opgesteld waar onder andere meer informatie te vinden is over het proces. In deze specifieke motivering is voor inhoudelijke onderwerpen en technische en kleine onderwerpen van de herziening 2025 aangegeven waarom de wijziging noodzakelijk is. In de kopjes bij de motivering is aangegeven op welke onderdelen (artikelen, paragrafen van de regels of toelichting) de motivering betrekking heeft. In deze bijlage zijn de motivering, wijziging van de regels en wijziging van de toelichting per onderwerp voor de ZHOV samengevoegd zodat het overzichtelijk bij elkaar staat. Voor de regels en toelichting is in renvooi (met onderstreepte groene toegevoegde tekst en rode doorgestreepte verwijderde tekst) aangegeven welke zaken gewijzigd zijn ten opzichte van de huidige vigerende teksten (de teksten zoals inwerking zijn na de wijziging van de herziening 2024). Het definitieve ontwerpbesluit wordt in een andere vorm opgesteld in verband met de publicatie in het provinciaal blad voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet.
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Inhoud Inleiding ..................................................................................................................................1 Inhoudelijke onderwerpen .......................................................................................................4 Hernormering regionale waterkeringen .................................................................................4 Klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen .................................................................................8 Waterpeil veenweidegebieden i.vm. bodemdaling en CO2 uitstoot (ZHPLG) .........................13 Bodem en ondergrond (open bodemenergiesystemen) ........................................................19 Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling .....................................................................22 Stedelijke ontwikkelingen (wijzigingen i.v.m.
toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling) ..32 Ruimtelijke kwaliteit...........................................................................................................45 Groenblauwe netwerk ........................................................................................................54 Herijking grote buitenstedelijke bouwlocaties .....................................................................58 Bedrijventerreinen (maximale benutting milieugebruiksruimte en campusontwikkeling) .......79 Greenportwoningen bollenstreek .....................................................................................103 Belangrijk en kansrijk weidevogelgebied ...........................................................................110 Duurzaam energiesysteem (energietoets) .........................................................................122 Richtpunten ruimtelijke kwaliteit over energie ...................................................................127 Windenergie ....................................................................................................................129 Bijlage II Locatiewijzigingen/aanvullingen – Locaties voor windenergie ...............................134 Zonne-energie .................................................................................................................136 Technische en kleine onderwerpen
......................................................................................141 Grondwaterbeschermingsgebieden ..................................................................................141 Regionale waterkeringen ..................................................................................................150 Grondwaterkwaliteit en wateronttrekkingsactiviteiten .......................................................156 Kort verblijf in de vaarweg toelaten ...................................................................................158 Vrijwaringszone provinciale vaarwegen uit uitzondering voor toepassen instructieregels halen .......................................................................................................................................160 Tekstuele verbetering artikel 7.18 – weghalen “opstellen en wijzigen van het omgevingsplan” .......................................................................................................................................165 LiB-5 contour Schiphol, begrenzing streekplannen 2003 kan vervallen ...............................167 Wonen (huisvesting arbeidsmigranten en toekomstbestendig bouwen)..............................170 Natuurnetwerk Nederland – kleine aanscherping wezenlijke kenmerken en waarden..........
182 Natuurnetwerk Nederland – aanpassingen begrenzingen................................................... 183 Bedrijfsgebonden kantoren ..............................................................................................188 Tuinbouw.........................................................................................................................189 Verplichte metingen zwemwaterkwaliteit ..........................................................................198
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Bijlage II Locatiewijzigingen/aanvullingen – Beperkingengebieden gesloten stortplaatsen ... 199 Bijlage II Locatiewijzigingen/aanvullingen - Groene buffer en recreatiegebied .....................200 Bijlage II Locatiewijzigingen/aanvullingen – Recreatiegebieden .......................................... 202 Bijlage II Locatiewijzigingen/aanvullingen – Recreatietoervaartnet .....................................203 Bijlage II Locatiewijzigingen/aanvullingen - Molenbiotopen ................................................ 204 Bijlage II Locatiewijzigingen/aanvullingen – Landgoedbiotopen .......................................... 205 Lijst verblijfsrecreatieparken uitzondering permanente bewoning en functiewijziging ......... 206 Nieuwe versie kwaliteitscriteria VTH .................................................................................208 Overhevelen lijst met aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (voor advies van GS) naar de ZHOV ...........................................................................................209
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Inhoudelijke onderwerpen Hernormering regionale waterkeringen Motivering [aanpassing bijlage II Geometrische begrenzingen (en omgevingswaarde), gerelateerd aan artikelen 5.1, 5.3 en 5.2.] Zuid-Holland bestaat voor een zesde deel uit water en heeft in de veengebieden te maken met een daling van de bodem. Waterveiligheid is dus van groot belang in de provincie Zuid-Holland. Zeker wanneer door klimaatverandering de zeespiegel stijgt, rivierafvoeren extremer worden en er meer regen valt. Een overstroming kan grote gevolgen hebben. Het is dus belangrijk om te zorgen voor de veiligheid van de inwoners en gebruikers van de provincie. Naast de primaire waterkeringen gelegen langs de zee en rivieren spelen ook de regionale waterkeringen (bijvoorbeeld boezemkades) een belangrijke rol. De Omgevingswet verplicht de provincie om waterkeringen die van regionaal belang zijn als zodanig aan te wijzen en hiervoor in de omgevingsverordening een omgevingswaarde (voorheen veiligheidsnorm genoemd) vast te stellen. Dit doet de provincie in samenwerking met het waterschap. Voor primaire waterkeringen gebeurt dat in de landelijke wetgeving (Besluit kwaliteit leefomgeving). De waterschappen moeten periodiek controleren of de regionale waterkeringen nog aan de omgevingswaarden voldoen en dit rapporteren aan de provincie.
Als de waterkering niet aan de omgevingswaarde voldoet, moet het waterschap maatregelen nemen om het beschermingsniveau weer op orde te brengen. Dat kan zijn een dijkversterking, maar ook een aanpassing in het stelsel van boezemwateren kan soms helpen. De voorbereiding van de aanwijzing en normering van regionale waterkeringen gebeurt in een gezamenlijk proces met de waterschappen. De omgevingswaarden zijn ingedeeld in vijf klassen, oplopende van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar tot een overschrijdingskans van 1/1000 per. De normering is in overeenstemming met de richtlijnen die het IPO heeft opgesteld voor boezemkaden en andere dan primaire waterkeringen in beheer bij de waterschappen. Hierin is het benodigde veiligheidsniveau mede gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering is te verwachten. Op basis daarvan zijn de regionale waterkeringen naar gelang de mogelijke optredende schade in een aantal normklassen ingedeeld. Deze aanpak resulteert in een normering die strenger is naarmate de gevolgen van een mogelijk falen groter zijn. Aanpassing omgevingswaarden regionale waterkeringen Alblasserwaard (waterschap Rivierenland) Waterschap Rivierenland werkt samen met de provincie Zuid-Holland en andere betrokken partijen aan de waterveiligheid in de Alblasserwaard.
Dankzij nieuwe kennis en technieken kunnen het waterschap en de provincie nu beter rekenen aan overstromingsrisico’s dan voorheen. Daarnaast werkt het waterschap aan verbeteringen van het regionaal watersysteem waardoor waterstanden beter zijn te beheersen. Bovendien zijn in het verleden de veiligheidsnormen soms vastgesteld op basis van inmiddels deels achterhaalde bestuurlijke afwegingen. Op basis van het voorgaande is geconcludeerd dat de omgevingswaarde een aantal regionale waterkeringen minder streng hoeft te zijn dan voorheen noodzakelijk werd geacht. Het gevolg hiervan is dat er minder regionale waterkeringen versterkt hoeven te worden en het waterschap niet onnodig geld uitgeeft. Daarom wordt voor de betreffende regionale waterkeringen de omgevingswaarde nu in de omgevingsverordening aangepast. Samen met de
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
voorgenomen aanpassingen aan het watersysteem van de Alblasserwaard, zorgt dit ervoor dat de waterveiligheid in het gebied toekomstbestendig is. In 2021 heeft het waterschap samen met de provincie een start gemaakt met een onderzoek naar de herwaardering van een groot deel van de regionale waterkeringen langs het boezemsysteem in het gebied. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat de norm voor een deel van de boezemkades in de Alblasserwaard gewijzigd kan worden van IPO-klasse III (1/100 per jaar) of IV (1/300 per jaar) naar IPO-klasse I (1/10 per jaar) of II (1/30 per jaar). Ook blijkt uit het onderzoek dat een deel van een bestaande boezemkade (tussen de hoge boezem Nederwaard en polder Blokweer) als regionale waterkering moet worden aangewezen en daaraan een omgevingswaarde toegekend moet worden. Als gevolg van de herwaardering wordt de omgevingswaarde van de betreffende regionale waterkeringen aangepast in de omgevingsverordening. Een aantal overwegingen die ten grondslag liggen aan de wijzigingen van de omgevingswaarden zijn: • In het verleden hebben verschillende bestuurlijke overwegingen een rol gespeeld bij de normering van de boezemkades in de Alblasserwaard, waarvan een deel met de kennis van vandaag niet meer is te handhaven.
Het betreft de destijds gemaakte bestuurlijke keuze om voor de waterveiligheidsnorm van de boezemkades in dit gebied een ondergrens te hanteren die getalsmatig gelijk gesteld is aan de norm voor wateroverlast door zware neerslag in stedelijk gebied (1/100 per jaar). Deze keuze heeft tot een veel grotere versterkingsopgave geleid dan oorspronkelijk werd voorzien; • De gevolgen van een doorbraak van boezemkades zijn beperkt; • Door de voorgenomen maatregelen in het watersysteem van de Alblasserwaard kan het waterschap de waterstanden voor de boezemkades beter beheersen waardoor het risico op wateroverlast en de kans op overstroming afneemt; • Risicobeheersing wordt goed geborgd door het waterschap; • Ook vanuit andere maatschappelijke belangen, zoals verantwoord omgaan met publieke gelden, is deze herwaardering goed uitlegbaar. Naast de herwaardering van bestaande regionale waterkeringen is het waterschap ook bezig met de voorbereiding van een besluit tot de aanleg van een nieuw boezemgemaal en boezemkanaal bij Hardinxveld. Langs dit nieuwe boezemkanaal komen ook regionale waterkeringen te liggen. Hiervoor vraagt het waterschap aan de provincie om de aanwijzing en normering van deze regionale waterkeringen in de omgevingsverordening te regelen.
Herwaardering waterkeringen Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft een verzoek gedaan tot aanpassing van omgevingswaarden van enkele regionale waterkeringen. Uit onderzoek van het hoogheemraadschap is gebleken dat voor een aantal waterkeringen de omgevingswaarde kan worden bijgesteld. Daarbij heeft het hoogheemraadschap gebruik gemaakt van de vigerende systematiek van de ‘IPO-richtlijn ter bepaling van het veiligheidsniveau van boezemkaden’ (1999) en de ‘Handreiking beoordelen mate van maatschappelijk belang bij niet-primaire keringen’ (2018). Het betreffen de regionale waterkeringen rondom een drietal polders in de Kagerplassen die nu als omgevingswaarde IPO-klasse III hebben. Voorgesteld wordt om deze waterkeringen omgevingswaarde IPO-klasse I te geven. Verder wordt voorgesteld om de omgevingswaarde van de regionale waterkering langs de zuidkant van de Stompwijkse Vaart (langs de Drooggemaakte Grote Polder) aan te passen van IPO-klasse V naar IPO-klasse III, waarbij het deel van de
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
waterkering rond de kern Stompwijk wel IPO-klasse V behoudt. Daarvoor is nodig de bestaande waterkering langs de Limietsloot als regionale waterkering op te nemen in de omgevingsverordening en daaraan de omgevingswaarde IPO-klasse III toe te kennen. Daarnaast vraagt Rijnland om wijzigingen door te voeren in de ligging van een aantal waterkeringen als gevolg van wijzigingen in de legger van het hoogheemraadschap. De omgevingswaarde van de betreffende waterkeringen wijzigt niet. De geometrische begrenzingen in bijlage II (en bijbehorende omgevingswaarden) worden gewijzigd. Regels Aanpassen geometrische begrenzing “regionale waterkeringen” in bijlage II: regionale waterkering handhaven (theoretisch) profiel legger /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_c44bb07d3d6b4e8dbc99d635c997d9a0 ################################/nld@2024-12-182025-10-14;12 regionale waterkering klasse I (gemiddelde overschrijdingskans 1/10 jaar) /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_a7a7dab244104e4ab543c4b7d5d2b32f ################################/nld@2025-02-172025-10-14;23 regionale waterkering klasse II (gemiddelde overschrijdingskans 1/30 jaar) /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_d844c15220e54d99a7a54c86102d739a ################################/nld@2024-12-182025-10-14;12 regionale waterkering klasse III (gemiddelde overschrijdingskans 1/100 jaar)
/join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_99d418ded28d4f6690636d8b14512f9a ################################/nld@2025-02-172025-10-14;23 regionale waterkering klasse IV (gemiddelde overschrijdingskans 1/300 jaar) /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_2ba66a52a00b4ffdbcd5085a93d910fd ################################/nld@2024-12-182025-10-14;12 regionale waterkering klasse IVa (gemiddelde overschrijdingskans 1/500 jaar) /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_c14c81661e2a4a4cbcce46c9ad6a4562 ################################/nld@2024-12-182025-10-14;12 regionale waterkering klasse V (gemiddelde overschrijdingskans 1/1000 jaar) /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_aaa20efed9904638a569f4bbef9305d3 ################################/nld@2024-12-182025-10-14;12 regionale waterkeringen /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_9b85d80f83694b5887ef1976d8143a47 ################################/nld@2025-02-172025-10-14;23
En de omgevingswaarde:
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
gemiddelde overschrijdingskans per jaar /join/id/regdata/pv28/2024/norm_2431aad10e4646b4a0f42478d33271fa################## ##############/nld@2025-02-172025-10-14;23 Toelichting n.v.t.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen Motivering [verplaatsen artikel 7.41a en toevoegen artikel 7.41ff in paragraaf 7.3.6a] In Zuid-Holland lopen we tegen de grenzen van het water- en bodemsysteem aan. Het blijkt niet meer maakbaar om met het huidige systeem de risico’s die zijn verbonden aan water te veel, water te weinig en overstromingsrisico’s op te lossen. Bodemdaling en lage waterstanden zorgen voor veel schade aan funderingen van gebouwen en extra onderhoud aan wegen en spoorwegen. Voldoende goed drinkwater is niet langer vanzelfsprekend. Het voortbestaan van planten- en diersoorten staat onder druk. De kwaliteit en beschikbaarheid van water en bodem hebben grote invloed op de scheepvaart, landbouw, energievoorziening, industrie en natuur. Er is uitgewerkt hoe water en bodem richtinggevend kunnen zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast aanpassingen van de omgevingsvisie en het omgevingsprogramma, leidt dit ook tot aanpassing van de omgevingsverordening. De titel van paragraaf 7.3.6a wordt aangepast in “toekomstbestendig ruimtelijk ontwikkelen”. Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) wordt verplaatst naar paragraaf 7.3.3 Risico’s voor klimaatverandering, en vernummerd naar 7.23 (waar dit artikel eerder ook heeft gestaan). Ingevoegd wordt artikel 7.41ff (klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen) met bijbehorende toelichting.
Regels § 7.3.3 Risico’s van klimaatverandering Artikel 7.41a23 (risico’s van klimaatverandering) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2 Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.
§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ruimtelijk ontwikkelen … Artikel 7.41ff (klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen) Een omgevingsplan laat alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toe met een totale oppervlakte
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
aan bebouwing en verharding van meer dan 1000 m2, als deze ontwikkelingen in voldoende mate bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Toelichting § 7.3.3 Risico’s van klimaatverandering Artikel 7.41a23 (risico’s van klimaatverandering) Met dit artikel verzoekt de provincie in lijn met de Omgevingsvisie aan gemeenten om bij het toelaten van nieuwe activiteiten in de fysieke leefomgeving in omgevingsplannen de risico’s ten aanzien van klimaatverandering in beeld te brengen op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis. Met deze formulering wordt aangesloten op de bewoording zoals opgenomen in artikel 7 van het akkoord van Parijs. In de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie is vastgelegd dat de overheden regelmatig de klimaatadaptatiecyclus zullen doorlopen en de beschikbare wetenschappelijke kennis zullen toepassen in de uitvoering van een klimaatstresstest. Door minimaal zesjaarlijks te toetsen of de stresstest nog actueel is wordt de actualiteit van wetenschappelijke kennis gegarandeerd. De te beschrijven risico’s kunnen risico’s zijn voor de activiteiten zelf, maar ook voor de omgeving. Klimaatverandering kan ten gevolge van de vier genoemde risico’s ook effecten hebben op o.a. bodemdaling, biodiversiteit en waterkwaliteit. Indien relevant moeten deze effecten ook worden beschreven. Ook zal de gemeente moeten aangeven of en welke adaptieve maatregelen en voorzieningen getroffen worden, en welke afweging gemaakt is voor de implementatie van deze maatregelen en voorzieningen.
Bijvoorbeeld dat op basis van kostenbeheersing een afweging wordt gemaakt om maatregelen of voorzieningen niet te treffen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Dit in aansluiting op artikel 5.37 (weging van het waterbelang) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook kan de gemeente andere partijen om advies vragen (mogelijk de GGD of veiligheidsregio). § 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ruimtelijk ontwikkelen [N.B. hieronder staan niet alle aanpassingen van de toelichting over § 7.3.6a, de andere aanpassingen zijn te vinden bij het onderwerp “toekomstbestendig ruimtelijk ontwikkelen”] Artikel 7.41ff (klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen) Nederland en dus ook de provincie Zuid-Holland staat voor een grote (woning)bouwopgave. Het is de ambitie van de provincie dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen klimaatbestendig zijn, ook op een slappe ondergrond waar zetting en autonome bodemdaling plaatsvindt. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied bijdraagt aan een klimaatrobuust functionerend wateren bodemsysteem en dat de omgeving goed blijft functioneren wanneer er door klimaatverandering meer drogere, nattere en hetere weersomstandigheden voorkomen. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland.
Wateropgaven worden niet afgewenteld op toekomstige generaties, naar andere gebieden of functies, en niet van privaat naar publiek terrein. Er zijn landelijke instrumenten ontwikkeld die helpen bij de locatiekeuze en inrichtingsmaatregelen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, en er gelden landelijke en gemeentelijke bouwregels. Vanuit het provinciaal belang van de gebiedsgerichte coördinatie van de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen en in lijn met de beleidsdoelen ‘Ruimtelijke en economische ontwikkelingen houden rekening met water en
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
bodem’ en ‘Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering’ wil de provincie met deze instructieregel sturen op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zodat al in de planvormingsfase van bepaalde bouwactiviteiten nagedacht wordt over klimaatadaptatie en een klimaatbestendig water- en bodemsysteem. De grootste impact voor het incorporeren van klimaatadaptatie in het ontwikkelproces is te maken in de initiatieffase. Deze fase biedt kansen om het water-, bodem- en ecosysteem mede sturend te laten zijn voor nieuwe ontwikkelingen, zowel bij de locatiekeuze als het ontwerp van de inrichting. Ten aanzien van het ontwerp van de inrichting stuurt de provincie met deze instructieregel op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die worden gereguleerd in het omgevingsplan. De instructieregel ziet op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met een bebouwd en verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2. Ten aanzien van de locatiekeuze heeft de provincie als hulpmiddel de Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten opgesteld, waarop de hoeveelheid klimaatrisico’s per gebied is weergegeven. Deze signaleringskaart is opgenomen in het omgevingsprogramma, maatregel 6.2.4.1.
Wanneer de hoeveelheid klimaatrisico’s lager is, zullen er op de betreffende locatie waarschijnlijk minder maatregelen nodig zijn om aan de doelstellingen voor klimaatadaptatie, water en bodem te voldoen. Als een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met een totale oppervlakte aan bebouwing en verharding van meer dan 1.000 m2 mogelijk maakt, dan moet de gemeente in de regels borgen dat de ontwikkeling in voldoende mate bijdraagt aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem en daarmee aan een toekomstbestendige leefomgeving. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling kan ook de uitbreiding inhouden van een bestaande functie met bebouwing en verharding. De provincie Zuid-Holland heeft de ambitie om water en bodem randvoorwaardelijk te laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen van kleinere omvang zijn negatieve effecten op het water- en bodemsysteem overigens niet uitgesloten. De provincie laat het aan de gemeente over om te bezien of het nodig is aan die kleinere ontwikkelingen ook voorwaarden te stellen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed van de grote rivieren en het kustfundament zijn instructieregels voor het omgevingsplan opgenomen in de artikelen 5.42 tot en met 5.47 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Die regels gaan voor de provinciale instructieregel voor klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen. Om te beoordelen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling bijdraagt aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem kan de gemeente de concrete prestatie-eisen uit het Omgevingsprogramma Zuid-Holland (maatregel 6.2.4.1) gebruiken. Deze prestatie-eisen zijn gebaseerd op de leidraad Klimaatadaptief Bouwen 2.0 (maart 2022) en de website https://bouwadaptief.nl/. De doelen zijn gericht op het effect op de lange termijn en de eisen zijn ingestoken als systeemeisen die het functioneren of de prestatie van het gebied, gebouw of systeem beschrijven. Deze zijn waardevolle input voor keuzes bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voorbeelden van maatregelen zijn onder andere te vinden op https://bouwadaptief.nl/maatregelen/. De meest relevante prestatie-eisen voor omgevingsplannen zijn hieronder beschreven als concretisering voor de omgevingsplanopsteller. Wateroverlast De prestatie-eis in het omgevingsprogramma beschrijft om bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ervoor te zorgen dat, met het oog op het thema wateroverlast 1, er door de nieuwe ontwikkeling in het plangebied geen waterschade aan bebouwing of infrastructuur optreedt bij
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
neerslag die 1 keer per 100 jaar voor kan komen. De intensiteit van neerslag met een herhalingstijd van 1 keer per 100 jaar kan worden afgeleid uit STOWA-onderzoek naar de neerslagstatistiek en neerslagreeksen voor het waterbeheer, die zijn afgeleid van de KNMI’23 2100-Hoog klimaatscenario’s. De intensiteit van neerslag met een herhalingstijd van 1 keer per 250 jaar kan worden afgeleid uit STOWA-onderzoek naar de neerslagstatistiek en neerslagreeksen voor het waterbeheer, die zijn gebaseerd op de KNMI’23 2100-Hoog klimaatscenario’s. Uitgaande van de levensduur van investeringen en het zichtjaar 2100 betekent dit in de praktijk een neerslag van tenminste 70 millimeter in een uur, 120 millimeter in 24 uur of 130 millimeter in 48 uur. De prestatie-eis in het omgevingsprogramma beschrijft om bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ervoor te zorgen dat, met het oog op het thema wateroverlast 2, vitale en kwetsbare functies in de directe aangrenzende omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling blijven functioneren bij neerslag die 1 keer per 250 jaar voor kan komen. Uitgaande van de levensduur van investeringen en het zichtjaar 2100 betekent dit neerslag van tenminste 90 millimeter in een uur, 145 millimeter in 24 uur of 150 millimeter in 48 uur.
Onder vitale functies wordt in ieder geval verstaan: de hoofdinfrastructuur, waterkeringen en openbare nutsvoorzieningen zoals energievoorziening, drinkwatervoorziening en communicatienetwerken. Onder kwetsbare functies wordt in ieder geval verstaan: gezondheidszorg en laboratoria waar met infectueuze organismen wordt gewerkt. Daarbij bestaat er naast het risico op schade en slachtoffers en problemen met evacuatie, ook een kans op keteneffecten of grote economische schade als deze belangrijke functies lange tijd stil komen te liggen. Op grond van thema wateroverlast 3 is het de bedoeling dat minimaal 50 millimeter van de neerslag die direct valt op privaat terrein op het private terrein zelf of in daarvoor bestemde voorzieningen in de directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling of binnen de watersysteemgrenzen worden vastgehouden en geborgen, zodat het niet direct in het regionale watersysteem terecht komt. Met privaat terrein wordt het eigen erf of terrein bedoeld, niet zijnde openbaar terrein. Om het stedelijk watersysteem te ontlasten moet het water geleidelijk afgevoerd worden in een periode vanaf 24 uur na de neerslag. De berging moet 60 uur na de neerslag weer beschikbaar zijn om opnieuw minimaal 50 millimeter van de neerslag op te kunnen vangen.
De ledigingstijden gelden niet voor gestuurde waterbergingssystemen die bijvoorbeeld weersvoorspellingen gebruiken; hierbij moet wel aangetoond worden dat de gestuurde berging effectief ingezet kan worden voor het opvangen van de 50 millimeter neerslag. Voorzieningen voor waterberging kunnen divers zijn. Voorbeelden van voorzieningen zijn watergangen, wadi’s, verlaagde groengebieden, ondergrondse regenwateropslag, waterpleinen en waterdaken. Het vasthouden en bergen van neerslag op privaat terrein mag ook in de directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling zolang dit geen negatief effect heeft op het watersysteem. Dit houdt verband met thema wateroverlast 4, dat inhoudt dat de ontwikkeling niet mag leiden tot versnelde afvoer naar het oppervlaktewater ten opzichte van de huidige situatie. Droogte Thema droogte 1 houdt in dat een gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt zo zou moeten worden ingericht dat er in droge perioden geen extra aanvoer van oppervlaktewater naar het plangebied hoeft plaats te vinden om het waterpeil in watergangen te behouden. Vasthouden van neerslag binnen het plangebied draagt daaraan bij. Met ‘extra aanvoer’ wordt gedoeld op
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
aanvoer van oppervlaktewater, die er voor de ontwikkeling nog niet was. De bedoeling van het thema droogte 2 is om ervoor te zorgen dat de sponswerking van de bodem gelijk blijft of in enige mate verbetert. Voldoende sponswerking zorgt voor een grondwatervoorraad voor begroeiing in droge tijden en kan bodemdaling en verzilting verminderen. De term infiltratieneutraal betekent dat de infiltratie van neerslag in de bodem bij een ontwikkeling buiten bestaand stads- of dorpsgebied (uitbreidingslocatie) tenminste vergelijkbaar moet zijn met de situatie voorafgaand aan de ruimtelijke ontwikkeling. De term infiltratiepositief betekent dat de infiltratie van neerslag in de bodem na transformatie door sloop, renovatie en nieuwbouw binnen bestaand stads- of dorpsgebied (herontwikkelingslocatie) groter moet zijn dan voorafgaand aan de herontwikkeling. Hitte De prestatie-eis uit het omgevingsprogramma over hitte 1 zorgt ervoor dat er voldoende koele schaduwrijke plekken bij ruimtelijke ontwikkelingen aanwezig zijn. Met de term schaduwrijke plek wordt gedoeld op een gebied van minimaal 200 m² met een gevoelstemperatuur van minder dan 35°C op een dag met een temperatuur van meer dan 30 °C. Schaduw kan afkomstig zijn van volgroeide bomen, gebouwdelen of zonneschermen.
De plek is openbaar toegankelijk, ligt niet direct aan een doorgaande weg en biedt verblijfsvoorzieningen als zitgelegenheid en speelplekken. Bodemdaling De prestatie-eis voor bodemdaling 1 is gericht op een restzettingseis die aangeeft dat de het maaiveldpeil maximaal 20 centimeter mag zakken in 30 jaar tijd nadat de grond bouwrijp gemaakt is. Schade door bodemdaling blijft op deze manier beheersbaar en betaalbaar. Overstromingen De prestatie-eis voor overstromingen 1 om schade als gevolg van overstromingen en wateroverlast te beperken. In het geval van een overstroming van neerslag en/of overstroming van oppervlaktewater met een waterdiepte van minder dan 20 centimeter mag de ruimtelijke ontwikkeling niet leiden tot schade van de overstroming aan gebouwen en technische installaties in de openbare ruimte. Als er sprake is van een overstroming of wateroverlast met een waterdiepte van minder dan 20 centimeter mag de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling niet leiden tot het onbegaanbaar worden van hoofdwegen zodat bijvoorbeeld calamiteitenroutes begaanbaar blijven.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Waterpeil veenweidegebieden i.vm. bodemdaling en CO2 uitstoot (ZHPLG) Motivering [artikel 7.5 en toevoegen artikel 2.12a, 7.5a, 7.92] Uit recent onderzoek blijkt dat het verhogen van de grondwaterstand noodzakelijk is om de emissie van CO2 en bodemdaling te verminderen. Door recente studies zoals de “impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden”, is het kennisniveau over CO2 en bodemdaling in veengebieden toegenomen. Dit onderzoek biedt een duidelijker beeld van de noodzakelijke maatregelen voor doelrealisatie. Hoewel er nu meer inzicht is in de oorzaken, gevolgen, mogelijkheden en benodigde inzet, is het halen van de gestelde doelen nog ver weg en vereist het veel extra of andere inzet. In de Omgevingsverordening worden voor dit moment regels gesteld voor het waterpeil in veenweidegebieden. Het doel is een status quo vastleggen waardoor het huidige tempo en de omvang van de CO2-emissies uit veen tenminste niet toenemen en er geen extra bodemdaling wordt veroorzaakt. Ook dient het waterpeil een bijdrage te leveren aan het behoud van weidevogels en natuur. Regels Artikel 2.12a (aanwijzing en geometrische begrenzing peilbesluitgebieden) Peilbesluitgebieden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.5 (aanwijzing regionale wateren peilbesluit) 1 Het waterschapsbestuur stelt één of meer peilbesluiten als bedoeld in artikel 2.41 , eerste lid, van de Omgevingswet vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2 Peilbesluiten moeten actueel zijn. Artikel 7.5 (peilbesluiten regionale wateren) 1 Het waterschapsbestuur stelt één of meer peilbesluiten als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden als bedoeld in artikel 2.12a. 2 Het peilbesluit bevat een kaart met de begrenzing van het peilgebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam gelegen is waarop het peilbesluit betrekking heeft. 3 Het peilbesluit bevat een motivering waarin ten minste is opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en de uitkomsten van onderzoeken die zijn verricht;
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
b. een duiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; c. een duiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de in het peilgebied aanwezige maatschappelijke functies en belangen. 4 Het waterschapsbestuur draagt er zorg voor dat een peilbesluit actueel is. Artikel 7.5a (peilbesluit: hydrologische condities veenweide- en weidevogelgebied) 1 Dit artikel is van toepassing op een peilbesluit in een peilbesluitgebied als bedoeld in artikel 2.12a, dat voor meer dan 10% bestaat uit veenweidegebied, waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II of uit belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid. 2 Het peilbesluit houdt ook rekening met de invloed van de vastgestelde waterstanden of de bandbreedten waarbinnen de waterstanden kunnen variëren op: a. de dragende functie van het watersysteem; b. het terugdringen van bodemdaling; c. het terugdringen van broeikasgasemissies door veenoxidatie; d. de hydrologische invloedgebieden in en rond natuurgebieden; e. het behoud of de versterking van de hydrologische condities van weidevogelgebieden; en f. de vervulling van overige maatschappelijke functies van het watersysteem. 3 In geval van bodemdaling voorziet het peilbesluit in een verlaging van de waterstand tot maximaal het niveau van de opgetreden bodemdaling.
4 Het derde lid is niet van toepassing als sprake is van zwaarwegende belangen die het waterschapsbestuur dient te behartigen gelet op het aan het bestuur toegedeelde beheer van het watersysteem. (…) Artikel 7.92 (peilafwijkvergunning in veenweide- en weidevogelgebied) 1 De waterschapsverordening bepaalt dat in een peilbesluitgebied dat voor meer dan 10% bestaat uit veenweidegebied als bedoeld in artikel 7.5a, eerste lid of uit belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, het is verboden om zonder omgevingsvergunning de waterstand te verlagen ten opzichte van de in het peilbesluit voorziene waterstanden of bandbreedten waarin de waterstanden mogen variëren. 2
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
De waterschapsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er in ieder geval niet toe mag leiden dat de in artikel 7.5a, tweede lid, genoemde maatschappelijke functies en belangen nadelig worden beïnvloed. 3 De waterschapsverordening bepaalt dat het bevoegd gezag in afwijking van het tweede lid een omgevingsvergunning kan verlenen als: a. sprake is van zwaarwegende belangen die het waterschapsbestuur dient te behartigen gelet op het aan het bestuur toegedeelde beheer van het watersysteem; b. in de motivering van de omgevingsvergunning wordt verwezen naar het peilbesluit, waarbij inzicht wordt gegeven in de nadelige gevolgen van de afwijkende waterstand voor de in het gebied aanwezige maatschappelijke functies en belangen, alsmede in de afwenteling van deze gevolgen op aangrenzende gebieden; en c. aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die erop gericht zijn om de nadelige gevolgen en de afwenteling daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 4 De waterschapsverordening bepaalt dat bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma en het regionaal waterprogramma.
Toelichting Artikel 2.12a (aanwijzing en geometrische begrenzing regionale wateren peilbesluit) Op grond van artikel 2.41 van de Omgevingswet stelt de beheerder van watersystemen voor de bij omgevingsverordening aangewezen oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan die deel uitmaken van die watersystemen, peilbesluiten vast. In dit artikel is daarin voorzien. Artikel 5.7 (toepassingsbereik gemiddelde kans op overstroming per gebied) (…) Tweede lid In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming gelden op peilgebiedsniveau. Een peilgebied is een gebied waarin de waterbeheerder hetzelfde waterpeil handhaaft. Het waterschapsbestuur bepaalt het gewenste waterpeil in een gebied en legt dit vast in een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de Omgevingswet. Dit doet het waterschapsbestuur voor de oppervlaktewateren in de peilbesluitgebieden die in artikel 7.52.12a indicatief zijn aangewezen. Met een peilbesluit geeft het waterschapsbestuur uitvoering aan het waterkwantiteitsbeheer van het watersysteem, waarbij het onder andere rekening houdt met het landgebruik in het gebied en de daarvoor geldende omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming. Het waterschapsbestuur stelt het besluit vast nadat alle belangen in het gebied zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen.
In het peilbesluit worden de waterstanden of de bandbreedten
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
opgenomen waarbinnen een gewenst waterpeil - zoveel als redelijkerwijs mogelijk is - wordt gehandhaafd. Het peilbesluit levert een inspanningsverplichting op voor de waterbeheerder om het gewenste waterpeil onder de normale omstandigheden te handhaven. Het tweede lid is opgenomen, omdat onduidelijk was op welk detailniveau de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9, van toepassing zijn. In de praktijk heeft dit er toe geleid dat de waterbeheerders hier verschillend mee omgingen. Waar de ene waterbeheerder de omgevingswaarde toepast op het gehele beheersgebied (ongeacht of daarin een afwijkend peil is vastgesteld), past de andere waterbeheerder de omgevingswaarde niet toe op het gedeelte van het beheersgebied waarvoor een afwijkend peil is toegestaan. Met een dergelijke vergunning krijgt een belanghebbende de mogelijkheid zijn gebied af te scheiden van het peilgebied en af te wijken van het voor dat gebied vastgestelde gewenste waterpeil. Met deze bepaling wordt duidelijk gemaakt dat een omgevingswaarde geldt op peilgebiedsniveau. Aanvullend is in artikel 5.11 een bepaling opgenomen over de toepassing van een omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming als het waterschapsbestuur binnen een peilgebied een afwijkend peil heeft toegestaan.
(..) Artikel 7.5 (aanwijzing regionale wateren peilbesluit) Op grond van artikel 2.41 van de Omgevingswet stelt de beheerder van watersystemen voor de bij omgevingsverordening aangewezen oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan die deel uitmaken van die watersystemen, peilbesluiten vast. In dit artikel is daarin voorzien.De waterbeheerder stelt voor de in de omgevingsverordening aangewezen oppervlaktewaterlichamen peilbesluiten vast. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Bij het nemen van een peilbesluit is de functie van de betrokken oppervlaktewateren van groot belang. In het licht van die functie moet een afweging plaatsvinden van alle bij de waterhuishouding betrokken belangen. Bij de afweging kunnen belangen betrokken zijn die niet primair door de waterbeheerder worden behartigd. De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze omgevingsverordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn opgenomen in bijlage II bij deze omgevingsverordening, welke gebieden een globale begrenzing kennen.
De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald. In het verleden hadden waterschappen de verplichting om iedere tien jaar hun peilbesluiten te herzien. De provincie heeft in 2012 besloten vooral op doelen te willen sturen (het ‘wat’) en minder op werkwijzen (het ‘hoe’). Volgens deze sturingsfilosofie is daarom in het tweedevierde lid opgenomen dat het aan het waterschap is om te zorgen voor een ‘actueel’ peilbesluit. De beheerder toetst periodiek (ambtelijk) of het peilbesluit nog actueel is. De provincie ziet toe op de actualiteit van de peilbesluiten via de jaarlijkse voortgangsrapportages en voortgangsgesprekken. Artikel 7.5a (peilbesluit: hydrologische condities veenweide- en weidevogelgebied)
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Dit artikel gaat over peilbesluiten die betrekking hebben op peilbesluitgebieden die voor ten minste 10% bestaan uit veenweidegebied of belangrijk weidevogelgebied, laatstgenoemde als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid. In het eerste lid worden de veenweidegebieden in Zuid-Holland indicatief geometrisch begrensd. Dit zijn gebieden bestaande uit landbouwgronden, natuurgronden en overige gronden die voor ten minste 50% zijn beteeld met gras voor het beweiden van dieren of voor het gebruik als voer voor dieren, en die gelegen zijn op percelen waarvan blijkens representatieve grondmonsters ten minste de helft van de oppervlakte voor meer dan de helft van de dikte van de grondlaag tot een diepte van 80 centimeter onder het maaiveld bestaat uit veen. Deze locaties worden gebruikt om het toepassingsbereik van de instructieregels in artikel 7.5a en 7.92 te bepalen. Op basis van deze regels moet het waterschap in de waterschapsverordening regels opnemen over de vaststelling van een peilbesluit in veenweidegebied en belangrijk weidevogelgebied. De veenweidegebieden kennen een grote overlap met de belangrijke weidevogelgebieden, die in artikel 7.42, vijfde lid, zijn aangewezen en geometrisch begrensd.
Omdat ook voor deze gebieden geldt dat het behoud en de versterking van de hydrologische watercondities van groot provinciaal belang is, zijn ook deze gebieden opgenomen in het toepassingsbereik van dit artikel. In dit artikel is verder opgenomen dat het waterschapsbestuur in ieder geval rekening dient te houden met de hierin opgenomen maatschappelijke functies en belangen die afhankelijk zijn van het watersysteem. Het gaat hierbij onder andere om de dragende functie van het watersysteem, het terugdringen van bodemdaling en de hydrologische condities van de invloedgebieden in en rondom natuurgebieden of voor het gebied van weidevogels. Deze belangen passen binnen de taakuitoefening van het waterschap, die mede is gericht op het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, het beschermen van de ecologische en chemische kwaliteit van watersystemen en de vervulling van bij wet aan het watersysteem toegekende maatschappelijke functies. De hiergenoemde maatschappelijke functies van het watersysteem worden in het regionaal waterprogramma vastgelegd. Indien het waterschapsbestuur in geval van bodemdaling besluit de waterstanden in het peilbesluit aan te passen, dan wordt van het bestuur verwacht dat de huidige drooglegging (ofwel slootpeil ten opzichte van het maaiveld) wordt gehandhaafd.
Dit gebeurt door ‘het volgen van de maaivelddaling’, waarbij de verlaging van de waterstand wordt beperkt tot maximaal het niveau van de gemeten of de te verwachten bodemdaling. Dit wordt ook wel peilindexatie of peilaanpassing genoemd. Daarmee wordt weliswaar de oxidatie van de veenbodem en de emissie van broeikasgassen niet geremd, maar wordt wel een toename daarvan vermeden. Het waterschapsbestuur heeft evenwel de mogelijkheid om hier gemotiveerd van af te wijken als er sprake is van zwaarwegende waterbelangen die verband houden met hun taakuitoefening. Van het waterschapsbestuur wordt verwacht dat zij in dat geval inzichtelijk maakt welke belangen zijn afgewogen en wat de gevolgen zijn van een verdergaande verlaging van de waterstand. Artikel 7.92 (peilafwijkvergunning in veenweide- en weidevogelgebied) In de praktijk komt het regelmatig voor dat de waterstand in een peilgebied kunstmatig wordt verlaagd om bepaalde vormen van grondgebruik te faciliteren die gebaat zijn bij een lagere waterstand dan de waterstand van het peilbesluit. Het kunstmatig verlagen van de waterstand wordt ook wel onderbemaling genoemd.
In dit artikel wordt het waterschapsbestuur verplicht om een vergunningplicht in het leven te roepen voor afwijkingen van de in het peilbesluit opgenomen waterstanden (ook wel peilafwijking genoemd) ten behoeve van onderbemalingen in veenweidegebied of in belangrijke weidevogelgebied. Van het waterschapsbestuur wordt
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
verlangd dat vooraf wordt getoetst wat de mogelijke effecten zijn van de peilafwijking op de in het gebied aanwezige maatschappelijke functies en belangen. Het gaat hierbij in ieder geval om de maatschappelijke functies en belangen genoemd in artikel 7.5a, tweede lid. Te denken valt bijvoorbeeld aan eventuele nadelige gevolgen voor bodemdaling en de emissie van broeikasgassen door toenemende veenoxidatie. Uitgangspunt is dat het waterschap voor onderbemalingen het standstill-beginsel hanteert, waarbij de huidige drooglegging, afgemeten aan het slootpeil ten opzichte van het maaiveld, zoveel als mogelijk wordt gehandhaafd. Dit kan worden bereikt door geen nieuwe peilafwijkingen toe te staan. Daarmee wordt de huidige afbraak van veen en de emissie van CO2 niet geremd, maar wordt wel een toename daarvan vermeden. Evenwel wordt het waterschapsbestuur ruimte gelaten om een eigen afweging te maken als er sprake is van zwaarwegende belangen die samenhangen met beheer van het watersysteem. In dat geval worden er voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden om vast te kunnen stellen wat de gevolgen zijn van de peilafwijking afgezet tegen de in het peilbesluit voorziene waterstanden. Ook worden er maatregelen voorgeschreven die de nadelige effecten en de afwenteling daarvan op aangrenzende gebieden zoveel mogelijk moeten voorkomen en beperken.
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt in ieder geval rekening gehouden met de maatregelen of beoordelingskaders die in het waterbeheerprogramma van het waterschap en/of in het regionaal waterprogramma zijn opgenomen.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Bodem en ondergrond (open bodemenergiesystemen) Motivering [artikel 7.76b] De provincie is op basis van de Omgevingswet het bevoegd gezag voor open bodemenergie (warmte-koudeopslag). De provincie faciliteert het gebruik ervan, omdat het hier gaat om een techniek die weinig milieubelasting met zich meebrengt. Niet alleen wordt hierdoor geen fossiele brandstof meer gebruikt, maar door de ondergrondse opslag van warmte en koude is voor gebouwen relatief weinig elektriciteit voor verwarming of koeling nodig. Ruim dertig jaar geleden werden de eerste systemen in de ondergrond van binnensteden geplaatst. Hierbij werd vanuit de overheid via vergunningverlening gestuurd op het voorkómen van negatieve onderlinge beïnvloeding van de systemen (negatieve interferentie), waarbij werd bekeken of de locaties van de gewenste installaties op voldoende afstand van al bestaande bodemenergiesystemen waren gelegen. Voor de ontwikkeling van bodemenergiesystemen zijn de afgelopen tien jaar voor gebieden waar qua bodemenergie drukte wordt verwacht, door de betreffende gemeente samen met de provincie, en met behulp van de Omgevingsdienst Haaglanden en een technisch adviesbureau, inrichtingsplannen (bodemenergieplannen) gemaakt. Hierbij werd ook contact gezocht met het waterschap dat in het betreffende gebied actief is.
In deze plannen werd door de betreffende gemeente (zijnde het bevoegd gezag voor gesloten systemen) samen met de provincie op basis van de bovengrondse warmte-koudevraag een ordening voor gesloten èn open bodemenergiesystemen gepland. Hierbij werd ook rekening gehouden met het bodem-grondwatersysteem èn bestaande en geplande andere ondergrondse functies in het gebied. Het beleid ten aanzien van deze plannen is in 2023/2024 geëvalueerd. Uit deze evaluatie bleek dat met de groei in de vraag naar bodemenergie behoefte blijft aan bodemenergieplannen, maar dat de samenwerking tussen gemeenten en provincie onder de Omgevingswet in een nieuwe vorm moet worden voortgezet. Uit de evaluatie van het beleid ten aanzien van bodemenergieplannen bleek dat de benodigde kennis en kunde voor het maken van een bodemenergieplan bij de gemeenten in het algemeen weinig aanwezig was. Bijgevolg voldeden de conceptplannen vaak niet aan een zorgvuldig ruimtegebruik door bodemenergiesystemen. Aangezien de provincie het bevoegd gezag is voor open bodemenergiesystemen is het niet wenselijk dat de gemeente regels kan stellen die de bevoegdheden van de provincie kan doorkruizen. Daarom wordt deze instructieregel gesteld. Er wordt een artikel 7.76b in paragraaf 7.3.21 toegevoegd en bijbehorende toelichting.
Regels 7.3.21 Energie Artikel 7.76b (voorkomen belemmeringen voor open bodemenergiesystemen) In een omgevingsplan worden voor bodemenergie geen regels gesteld die het aanleggen en het gebruik van open bodemenergiesystemen belemmeren, behalve als hier bestuurlijke afspraken tussen de gemeente en provincie over zijn gemaakt. Toelichting Artikel 7.76b (voorkomen belemmeringen voor open bodemenergiesystemen)
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Met dit artikel geeft de provincie in lijn met de omgevingsvisie aan, dat de gemeenten geen regels (waaronder maatwerkregels) mogen stellen die het aanleggen en het gebruik van open bodemenergiesystemen belemmeren, behalve als hier bestuurlijke afspraken tussen de gemeente en provincie over zijn gemaakt. Het aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen belast de omgeving in zekere mate, bijvoorbeeld door lozingen. Daarom kunnen gemeenten hier op basis van het Besluit Activiteiten Leefomgeving maatwerkregels over stellen. Hierbij zijn geen beperkingen opgenomen. Als de gemeente dit doet, is zij zelf bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op die regels. Dit kan de bevoegdheid van de provincie doorkruisen, bijvoorbeeld als gemeenten een absoluut verbod voor open bodemenergiesystemen zouden instellen, en onvoldoende acht slaan op artikel 2.2 van de Omgevingswet (‘overheid stemmen met elkaar af en werken samen’). Dit is in het licht van de energietransitie ongewenst. De provincie wil het toepassen van open bodemenergiesystemen zoveel mogelijk stimuleren. Dit komt de energietransitie ten goede. Een eventuele lokale maatwerkregel voor bodemenergie dient door de gemeente dus zo gesteld te worden, dat deze het aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen niet belemmert, zonder dat hier een bestuurlijke afspraak tussen provincie en gemeente aan ten grondslag ligt.
Bestuurlijke afspraken over bodemenergie kunnen worden vastgelegd in zogeheten bodemenergieplannen. Gemeenten kunnen voor (een deel van) hun grondgebied een bodemenergieplan vaststellen op basis van afdeling 3.2 van de Omgevingswet als een zogenoemd programma. Dit is juridisch gezien een vrijwillig en inhoudelijk vormvrij programma. Het vaststellen van bodemenergieplannen als programma heeft als voordeel dat het een officiële status krijgt als besluit onder de Omgevingswet en het meteen de beleidsmatige basis voor verdere uitvoering en vergunningverlening kan zijn. In dergelijke bodemenergieplannen kan worden beschreven dat in een bepaald deelgebied of bodemlaag aan initiatiefnemers wel of geen vergunningen voor open bodemenergiesystemen worden verleend en of wel of geen gesloten bodemenergiesystemen worden toegestaan. Na vaststelling van het bodemenergieplan door de gemeente en instemming daarmee (of mede vaststelling daarvan als gezamenlijk programma) door de provincie, kan dit als een bestuurlijke afspraak tussen beide overheden worden beschouwd. In bodemenergieplannen wordt door de betreffende gemeente (zijnde het bevoegd gezag voor gesloten systemen) samen met de provincie in gebieden waar drukte in de ondergrond wordt verwacht, op basis van de bovengrondse warmte-koudevraag een ordening voor gesloten èn open bodemenergiesystemen gepland.
Hierbij wordt ook rekening gehouden met het bodemgrondwatersysteem èn bestaande en geplande andere ondergrondse functies in het gebied. Zo kan er in het betreffende gebied een dijklichaam aanwezig zijn, waar bij de plaatsing van bodemenergiesystemen rekening mee moet worden gehouden. Het waterschap hanteert dan een afstandsnorm voor de plaatsing van een bodemenergiesysteem ten opzichte van het dijklichaam. Ook wordt vóór het plaatsen van de bodemenergiesystemen, rekening gehouden met mogelijke optredende zetting aan het maaiveld, zodat aanwezige bovengrondse gebouwen geen schade oplopen. Het opstellen van een dergelijk bodemenergieplan is veel werk. Voor bodemenergieplannen voor gebieden vanaf een grootte van 25-30 hectare is het de moeite om als gemeente, samen met de provincie, een plan voor ordening van bodemenergiesystemen op te stellen. Het zal doorgaans
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
gaan om gebieden met stedelijke (her)ontwikkeling. Hierbij gaat het om woningen, bedrijventerreinen, kantoren en andere utiliteit. Daarnaast kan het gaan om (her)ontwikkeling van glastuinbouwgebieden. Waar volgens de provincie rekening mee moet worden gehouden om in een gebied doelmatig ruimtegebruik van bodemenergie te bewerkstelligen, met inachtneming van andere belangen zoals het bodem-grondwatersysteem, wordt beschreven in de beleidsregel ‘open bodemenergiesystemen in bodemenergieplannen’, die is opgenomen in het Omgevingsprogramma/Regionaal Waterprogramma 2022-2027 (bijlage C).
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling Motivering [toevoegen artikelen 7.41aa t/m 7.41ee en 7.41hh in paragraaf 7.3.6a + begripsbepaling in bijlage I] De provincie streeft naar een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling waarbij de beperkt beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk wordt benut. In de afgelopen 50 jaar is het ruimtegebruik in Zuid-Holland sterk veranderd. Daarbij is veel ruimte geboden aan ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken. Dit heeft geresulteerd in een verdubbeling van de totale oppervlakte voor woon- en werkmilieus, terwijl het aantal inwoners in diezelfde periode met ‘slechts’ 25% is toegenomen en het aantal banen per hectare bebouwd gebied met 35% is gedaald. Daarmee wordt de bebouwde ruimte in Zuid-Holland relatief gezien dus steeds minder intensief benut terwijl de sterk afgenomen onbebouwde ruimte steeds meer onder druk komt te staan. Daarnaast is de fysieke leefomgeving in zowel het bebouwd als het onbebouwd gebied kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende weersextremen, verzilting, bodemdaling en zeespiegelstijging. Ook zijn er in Zuid-Holland uitdagingen op het gebied van onder andere (drink)water beschikbaarheid, energievoorziening, natuur en recreatie. Daarom heeft de provincie in 2024 een nieuwe koers voor een toekomstbestendig Zuid-Holland vastgesteld.
Deze koers wordt sindsdien stapsgewijs uitgewerkt en in het provinciale Omgevingsbeleid doorgevoerd. Door de onbebouwde ruimte beter tegen stedelijke ontwikkelingen te beschermen blijft er voldoende ruimte beschikbaar voor de realisatie van prioritaire opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendig Zuid-Holland en met het beter en efficiënter benutten van de bebouwde ruimte zet de provincie verder in op het versterken van lokale gemeenschappen en het bevorderen van de brede welvaart. In de omgevingsvisie is het beleid uitgewerkt in de volgende drie beleidslijnen: • • •
Uitgangspunten voor een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling;| Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen; Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte.
De provincie wil dat nieuwe bebouwing en verharding voor alle opgaven zoveel mogelijk in bestaand stads- en dorpsgebied wordt gerealiseerd. Alleen als dat niet mogelijk is, kan hiervoor ruimte worden gezocht in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte. In deze verordening leidt het nieuwe beleid tot aanpassing en aanvulling van de regels en toelichting in paragraaf 7.3.6a, waarvan de titel wordt gewijzigd in ‘toekomstbestendige ruimtelijk ontwikkelen. In deze paragraaf worden nieuwe regels opgenomen over: • • • • •
de aanwijzing en begrenzing van het beschermingsgebied onbebouwde ruimte; de prioritaire ontwikkelingen binnen het beschermingsgebied; zuinig en meervoudig ruimtegebruik; beperkingen voor stedelijke ontwikkelingen binnen het beschermingsgebied; de mogelijkheid om een ‘straatje erbij’ te ontwikkelen binnen het beschermingsgebied.
Deze regels en de toelichting daarbij zijn hieronder opgenomen. Tevens wordt het begrip ‘stedelijke functies’ toegevoegd aan bijlage I.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Naast bovengenoemde wijzigingen, zijn er ook aanvullingen en aanpassingen van regels en toelichting in paragraaf 7.3.7 (ruimtelijke kwaliteit) en paragraaf 7.3.8 (stedelijke ontwikkelingen). Deze wijzigingen zijn in dit wijzigingsbesluit bij die onderwerpen opgenomen. Regels § 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen enruimtelijk ontwikkelen [N.B. andere aanpassingen in deze paragraaf vinden plaats in het kader van het onderwerp ‘Water en bodem sturend’] Artikel 7.41aa (aanwijzing en geometrische begrenzing beschermingsgebied onbebouwde ruimte en grote buitenstedelijke bouwlocaties) 1 Het beschermingsgebied onbebouwde ruimte is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2 Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn de locaties, genoemd in bijlage IX, onder B, en waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.41bb (prioritaire opgaven en regionale afstemming in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte) 1 Een omgevingsplan voor het beschermingsgebied onbebouwde ruimte houdt rekening met het beschikbaar houden van voldoende ruimte voor prioritaire ontwikkelingen en maakt een significante nieuwe ontwikkeling uitsluitend mogelijk indien die ontwikkeling regionaal en gebiedsgericht is afgestemd.