Omgevingsvisie na vaststelling herziening omgevingsbeleid 2025 (service document)
Tekst van het document
Ontwerpbesluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van {dag} {maand} {jaar}, nr. XXXX tot wijziging van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Herziening Omgevingsbeleid 2025 (Ontwerpbesluit Wijziging Omgevingsvisie Zuid-Holland Herziening 2025) Provinciale Staten van Zuid-Holland, Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van {dag} {maand} {jaar}, met besluitnummer PZH-[kenmerk]; Gelet op artikel 3.1 van de Omgevingswet; Besluiten:
Artikel I De Omgevingsvisie Zuid-Holland wordt gewijzigd zoals is aangegeven in Bijlage A behorende bij dit besluit.
Artikel II [Gereserveerd voor inwerkingtredingsbepaling van het definitieve besluit: Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na uitgifte van het Provinciaal blad waarin dit besluit is bekendgemaakt.]
Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Ontwerpbesluit Wijziging Omgevingsvisie Zuid-Holland Herziening 2025 Den Haag, {dag} {maand} {jaar} Provinciale Staten van Zuid-Holland, drs. B.S.M. Sepers, griffier mr. A.W. Kolff, voorzitter
1
Bijlage A bij Artikel I
Omgevingsvisie Zuid-Holland 1. Inleiding Introductie Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland vindt zijn grondslag in het (juridische) stelsel van de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De Omgevingswet streeft ernaar om al het beleid over de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen en helder weer te geven. Het Omgevingsbeleid van provincie Zuid-Holland bestaat uit drie instrumenten: de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie geeft onder het kopje ‘Hier Staat Zuid-Holland nu’ een beschrijving van de huidige staat van de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Daarnaast wordt onder ‘Hier wil Zuid-Holland naartoe’ de toekomst, zoals de provincie die voor zich ziet, beschreven. Om daar te komen zijn ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes geformuleerd. In de ambities wordt omschreven waar de provincie heen wil, de beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. De provincie werkt hierin zowel thematisch als gebiedsgericht en houdt bij te maken keuzes te alle tijde oog voor de integraliteit van het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsprogramma staat beschreven welke maatregelen de provincie treft (inclusief alle activiteiten die ze uitvoert) om haar visie waar te maken.
Tot slot staan in de Omgevingsverordening de regels over wat wel en niet is toegestaan binnen de provinciegrenzen. Deze regels werken door naar derden en zijn gericht op het in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Het merendeel betreft instructieregels die voorschrijven hoe waterschappen en gemeenten bepaalde onderwerpen in hun plannen moeten opnemen, maar er zijn ook een aantal direct werkende regels waar burgers en bedrijven zich aan moeten houden. Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een toelichting op de sturingsfilosofie die de provincie hanteert om, samen met partners, te groeien van waar Zuid-Holland nu staat naar waar de provincie naartoe wil. Het inleidende hoofdstuk, wordt hieronder afgesloten met een toelichting op de beleidscyclus. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de huidige staat van de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland waarop de provincie richting de toekomst voortbouwt. Het overgrote deel van de Omgevingsvisie landt in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk staan de ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes beschreven. Het hoofdstuk wordt ingeleid met een korte schets van de Ruimtelijke koers voor Zuid-Holland. In de ruimtelijke koers worden strategische keuzes uitgelicht die de provincie voor de toekomst maakt. Deze ruimtelijke koers vormt dan ook het kader voor de ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes die in dit hoofdstuk zijn opgesteld.
Daarnaast vormt het een belangrijk uitgangspunt voor komende herzieningen van het Omgevingsbeleid. Beleidscyclus In figuur 1 wordt de beleidscyclus weergegeven die de provincie Zuid-Holland hanteert. Dat is een modulaire werkwijze, wat betekent dat herzieningen op onderdelen plaatsvinden en alleen wanneer daartoe concrete aanleiding is. Het overzicht van voorgenomen aanpassingen wordt bijgehouden in de Lange Termijn Agenda (LTA) Omgevingsbeleid, die meerdere malen per jaar een update krijgt en vastgesteld wordt door Provinciale Staten. De beleidscyclus omvat de volgende stappen: 0. Signaal Het voornemen voor een beleidsaanpassing begint met een signaal. Een signaal is een kans, probleem of opgave waaraan de provincie mogelijk een bijdrage kan leveren. Dit signaal kan op allerlei manieren binnen komen: gesprekken met derden, onderzoeken van andere partijen, monitoring of evaluaties van beleid, nieuwsberichten, bestuurlijke wensen, bijeenkomsten, enzovoorts. 1. Verkenningen en onderzoeken
2
In deze stap worden signalen verkent en onderzocht. Het gaat hierbij om onderzoeken, participatie trajecten en andere verkennende trajecten die beleidsinhoudelijk van aard zijn, maar (nog) niet leiden tot concrete wijzigingsvoorstellen in het Omgevingsbeleid. Deze documenten zijn vormvrij. Na afronding volgt aanbieding aan Provinciale Staten ter kennisname. Met deze werkwijze kan een beleidsaanpassing worden onderbouwt en beter worden bepaald of de aanpassing gewenst is. 2. Startnotitie (beleidsvoornemens) Een startnotitie wordt opgesteld als beleidsaanpassingen gewenst zijn. Een startnotitie beschrijft in ieder geval: a) de reden waarom een beleidsaanpassing nodig is (wat is het probleem of de kans), b) de reikwijdte waarbinnen naar beleidsopties gezocht gaat worden, c) op welke wijze participatie met andere partijen vorm krijgt en d) de planning voor oplevering van de startnotitie. 3. Beleidsaanpassingen In een beleidsaanpassing wordt beschreven welk beleid wijzigt. Een beleidsaanpassing bevat in ieder geval a) een beschrijving van de voorgestelde wijzigingen in de omgevingsvisie en/of het Omgevingsprogramma en/of de Omgevingsverordening, b) een onderbouwing van de keuze voor deze aanpassing en c) een was/wordt-overzicht van de voorgestelde beleidswijzigingen.
Het vaststellen van een beleidsaanpassing betreft een bevoegdheid van Provinciale Staten voor de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening en een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten voor het Omgevingsprogramma. 4. Beleidsuitvoering Bij de uitvoering van beleid heeft de provincie verschillende instrumenten die benut kunnen worden. Dit staat onder andere beschreven in het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. Het inzetten van die instrumenten kan leiden tot de wens bepaald beleid aan te passen. 5. Evaluaties en monitoring Beleid wordt gemonitord en op gezette tijden geëvalueerd. Monitoring en evaluatie kunnen signalen bevatten die na verdere verkenning en onderzoek kunnen leiden tot beleidsaanpassingen. Participatie en dataverzameling zijn continu en worden in de gehele cyclus toegepast.
3
Figuur 1: De beleidscyclus
2. Sturingsfilosofie Provincie Zuid-Holland 2.1 Veranderende tijden Zuid-Holland staat voor ingrijpende maatschappelijke veranderingen. Klimaatverandering, geopolitieke verschuivingen, demografische trends en nieuwe technologie zorgen voor een verhoogde dynamiek. Een dynamiek die erom vraagt dat mensen hun leven, wonen en werken anders inrichten. Dat is een omschakeling die niet van vandaag op morgen gemaakt is, maar die vraagt om een langere periode van aanpassing. Tegelijkertijd heeft deze provincie een groot reservoir van talent, creativiteit en ondernemerskracht. Daarmee is Zuid-Holland in de geschiedenis telkens sterker uit tijden van grote maatschappelijke veranderingen gekomen. Samen met haar partners zet de provincie daarom vol vertrouwen de stap richting een toekomstbestendig Zuid-Holland.
2.2 Provinciaal belang De Omgevingswet geeft als doelen mee het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur
4
en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Als middenbestuur oefent de provincie taken en bevoegdheden uit met het oog op een provinciaal belang. Deze belangen komen onder andere voort uit onze wettelijke taken, rijkstaken, Europese verplichtingen, ambities en uit onze bovenlokale opgaven, zoals mobiliteit, energienetwerken, natuurgebieden en vestigingsklimaat. Dit is inclusief lokale opgaven die een schakel vormen in of impact hebben op bovenlokale opgaven. De provinciale belangen en bovenlokale opgaven staan beschreven in de ambities en beleidskeuzes van deze Omgevingsvisie. De bovenlokale opgaven kunnen niet alleen worden opgepakt door de besturen van de vijftig gemeenten en de zeven waterschappen in Zuid-Holland, doordat zij de lokale grenzen en aandachtsgebieden overstijgen. Gemeenten en waterschappen sturen op de lokale opgaven. Het Rijk stuurt op de nationale opgaven. De provincie oefent daarbij bevoegdheden uit als dat niet op een doelmatige en/of doeltreffende wijze door een gemeente of waterschap kan worden behartigd.
2.3 Provinciale rolneming en meerwaarde Het werken aan een toekomstbestendig Zuid-Holland is de rol van het provinciaal bestuur. Dat doet de provincie in samenwerking met haar partners. In die samenwerking brengt de provincie de volgende meerwaarde in: • een verbindende positie. Als middenbestuur staat de provincie letterlijk te midden van vele spelers. Zuid-Holland - stevig verbonden met lokale overheden, de rijksoverheid en Europa - brengt die spelers bij elkaar. • fungeren als gebiedsregisseur. De provincie heeft als gebiedsautoriteit en gebiedspartner de rol om in afstemming met medeoverheden en gebiedspartners maatregelen uit te werken en financiële middelen te verdelen waarmee gestelde doelen kunnen worden bereikt. Regie voeren betekent sturen, na afstemming en in overleg, richting een bepaald resultaat. • kennis van zaken om in te brengen en in netwerken een gezaghebbende rol te spelen. • wettelijke bevoegdheden waarmee we keuzes kunnen maken, om ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen tegen te houden. • financiële middelen om bij te dragen aan projecten en investeringen. • democratische legitimatie en daarmee het vermogen om gezaghebbend knopen door te hakken.
2.4 Sturingsprincipes en werkwijze Veranderende tijden vragen van de provincie een ontwikkelingsgerichte houding en bestuursstijl, die gewenste ontwikkelingen mogelijk maakt en ongewenste ontwikkelingen tegenhoudt. Om de kwaliteit daarbij te waarborgen, werkt de provincie in haar omgevingsbeleid vanuit een aantal sturingsprincipes: 1. Een toekomstbestendige leefomgeving is topprioriteit. Een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving vormt de basis voor een toekomstbestendige samenleving en een economie waarin mensen ook in de toekomst hun inkomen kunnen verwerven. Het welzijn van Zuid- Hollandse inwoners staat centraal. Daarom blijft de provincie binnen de grenzen van een klimaatrobuust en gezond bodem-, water- en ecosysteem. Afwentelen op de toekomst past daar niet bij. 2. Sturen op kwaliteit en maximale maatschappelijke toegevoegde waarde. De provincie geeft voorrang aan activiteiten die onze maatschappelijke doelen versnellen en verder helpen. Kwaliteit is leidend. 3. Accepteren dat niet voor alles ruimte is in Zuid-Holland. Er wordt veel ruimte gevraagd voor een klimaatadaptieve inrichting van onze regio, natuurherstel en de transities voor landbouw, energie en grondstoffen. Binnen de grenzen van de maakbaarheid van het bodem-, water- en ecosysteem geven we voorrang aan ruimtelijke keuzes die bijdragen aan gezondheid, kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving.
Woon- en werkfuncties kunnen zich ontwikkelen binnen de ruimte die daarvoor is afgesproken. Dit leidt tot een intensivering van ruimtegebruik en vraagt om een strategie van functiemenging. 4. Rekening houden met de maatschappelijke kosten en baten op de korte en lange termijn. Keuzes moeten nu en voor toekomstige generaties betaalbaar zijn, het oog en respect voor elkaars belang en toekomstbestendig verdienvermogen. Het maatschappelijke rendement op lange termijn staat centraal en wordt afgewogen tegen zakelijke en andere belangen op de korte termijn. Daarbij hanteert de provincie de volgende werkwijzen: • De provincie werkt opgavegericht. De maatschappelijke opgaven en provinciale belangen zijn het vertrekpunt van het provinciaal handelen. Welke opgaven de provincie aanpakt, is afhankelijk van de toegevoegde waarde die zij kan leveren en het provinciaal belang dat in het geding is. Bij het aanpakken van de opgaven werkt de provincie waar mogelijk multischalig en integraal. • De provincie werkt gebiedsgericht. Zuid-Holland bestaat uit verschillende gebieden met elk hun eigen opgaven. Die opgaven ontstaan in interactie met de omgeving en staan niet los van elkaar. Dat vraagt om integrale maatwerkoplossingen en verschillende vormen van sturing.
Zolang er sprake is van een positieve bijdrage aan provinciale belangen, biedt de provincie maatwerkoplossingen om samen met partners te komen tot een samenhangende aanpak voor elk gebied.
5
•
De provincie is een lerende organisatie. De maatschappelijke dynamiek vraagt om een alerte en lerende overheid. Een overheid die de energie en het oplossend vermogen uit de samenleving weet in te zetten en leert omgaan met onzekerheid. De provincie moedigt maatschappelijke initiatieven en participatie aan.2.5 Sturingsstijlen
De provinciale belangen en opgaven zijn de basis voor de provinciale rolneming. De meervoudige sturing is gericht op het leveren van toegevoegde waarde. De sturing kan variëren van het bieden van eigen initiatiefruimte voor partners, samenwerken, maken van afspraken tot afdwingen. Het uitgangspunt is daarbij om bewust te kiezen voor de sturingsstijl die het meeste bijdraagt aan de betreffende opgave. • Presterende provincie: waar overheidsinvesteringen onmisbaar zijn, zelf prestaties leveren. • Samenwerkende provincie: waar (meer) regie nodig is, netwerkend werken. • Rechtmatige provincie: waar normerend optreden noodzakelijk is, wettelijke bevoegdheden inzetten. • Responsieve provincie: zoveel mogelijk overlaten aan initiatieven uit de samenleving.
2.6 Monitoren kwaliteit van de leefomgeving De provincie hanteert sinds 2022 de Monitor Leefomgeving als instrument om de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving te monitoren. Vanuit de vereisten uit de Omgevingswet richt de monitor zich op de daadwerkelijke ontwikkelingen in de leefomgeving ‘buiten’. De monitor brengt de beoogde impact op de leefomgeving in beeld aan de hand van een set van indicatoren. Na verloop van tijd is die impact langjarig gemonitord, zodat trends waarneembaar worden. Binnen de monitor ligt de nadruk op indicatoren die de impact in de leefomgeving in beeld brengen en niet op prestatie indicatoren van het eigen provinciaal beleid. De consequentie hiervan is dat de monitor beleidsrelevante ontwikkelingen in de leefomgeving wel in beeld brengt, maar geen uitspraak doet over de effectiviteit, efficiëntie of legitimiteit van provinciaal beleid. De monitor biedt wel een aanknopingspunt om hierover verder te spreken en kan aanleiding geven om middels (beleids)evaluaties verder onderzoek te doen. De Monitor Leefomgeving brengt de stand van zaken en ontwikkelingen in de leefomgeving in beeld, wat belangrijk kan zijn bij keuzes over provinciaal beleid. De monitor is vooral bedoeld voor het gesprek tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten over deze keuzes.
Richt de provincie zich op de goede dingen en worden deze de goede dingen op een juiste manier uitgevoerd om het gewenste doel te behalen? De indicatoren van de Monitor Leefomgeving kunnen ook benut worden om de gevolgen van beleidsvoornemens in beeld te brengen. De Monitor Leefomgeving is raadpleegbaar via: https://monitorleefomgeving.zuid-holland.nl/ .
3. Participatie 3.1 Werk maken van participatie Bij het aanpakken van grote maatschappelijke opgaven vindt de Provincie Zuid-Holland dat samenwerking met partijen essentieel is. Onderwerpen waar de provincie aan werkt hebben vaak invloed op de directe omgeving van Zuid-Hollanders. Daarom vindt de provincie het belangrijk om Zuid-Hollanders actief en vroegtijdig te betrekken bij de beslissingen die hen aangaan. Inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en medeoverheden hebben waardevolle kennis, creativiteit en expertise. De provincie wil haar beleid en de uitvoering verbeteren en zorgen voor meer wederzijds begrip door samen te werken met Zuid-Hollanders. De Provincie Zuid-Holland gebruikt voor het begrip participatie de volgende definitie: "Participatie is een proces waarbij individuen, groepen en organisaties invloed uitoefenen op collectieve vraagstukken, beslissingen of diensten die hen aangaan." Bovenstaande definitie geeft aan dat participatie draait om invloed uitoefenen en dus verder gaat dan alleen het informeren van de omgeving. De provincie geeft daarom de voorkeur aan andere vormen van participatie. Er kunnen soms provinciale en/of maatschappelijke belangrijke redenen zijn om alleen te informeren. Die redenen moeten dan goed uitgelegd en gemotiveerd worden.
Dit zijn wel uitzonderingen want participatie gaat verder dan het zenden van informatie. Er moet voor deelnemers daadwerkelijk een mogelijkheid zijn om iets te beïnvloeden. De provincie betrekt belanghebbenden waar mogelijk structureel bij élke fase van de beleidscyclus (bij de voorbereiding-, uitvoering- en evaluatie van beleid). Het gaat om de intentie echt te willen weten hoe de omgeving over een onderwerp denkt, om die informatie vervolgens te gebruiken bij vervolgacties waarbij het transparant terugkoppelen over wat er met de input gebeurt van groot belang is. Wat valt buiten dit beleid?
6
De provincie heeft geen verantwoordelijkheid voor participatietrajecten georganiseerd door medeoverheden en initiatiefnemers tenzij de provincie de rol van initiatiefnemer of mede-initiatiefnemer heeft. Het participatiebeleid is zelfbindend en omvat dus geen regels voor medeoverheden. Wel verwacht de provincie dat medeoverheden en initiatiefnemers de eigen verantwoordelijkheid nemen voor het zorgvuldig organiseren van participatie. Daarnaast valt lokaal eigendom bij wind- of zonneparken buiten de reikwijdte van het participatiebeleid. Lokaal eigendom wordt toegepast in het energiedomein en is een bijzondere vorm van participatie omdat participanten financiële risico's dragen. Het energiebeleid van de provincie behandelt deze bijzondere vorm van participatie.
3.2 Pijlers van participatie De participatiedoelen van de Provincie Zuid-Holland zijn omschreven in drie pijlers. 1. Participatie voor beter beleid Door participatie te organiseren wordt het werk van de provincie bij de beleidsvorming, uitvoering beter. Met behulp van participatie wordt de kennis en creativiteit van de maatschappij benut bij het maken van plannen. Daarnaast sluit het beleid zo beter aan op de wensen en behoeften van de maatschappij. De provincie heeft een open houding, is geïnteresseerd in ideeën van buiten en neemt deze serieus. 2. Participatie voor rechtvaardig beleid De provincie betrekt Zuid-Hollanders bij de beslissingen die hen aangaan. Door participatietrajecten op een goede, eerlijke manier te organiseren kan beleid als rechtvaardiger worden ervaren, zelfs als een individu het inhoudelijk niet eens is met uitkomst. De provincie staat hierbij altijd stil bij het betrekken van groepen met verschillende perspectieven en groepen of individuen die om wat voor reden dan ook obstakels ondervinden om mee te doen. Dat betekent ook dat de provincie oog heeft voor de perspectieven en belangen van degenen die zelf geen stem hebben. 3. Participatie voor wederzijds begrip Door Zuid-Hollanders actief te betrekken en met elkaar in gesprek te gaan wil de provincie wederzijds begrip vergroten. Wanneer beiden elkaar beter begrijpen zorgt dat voor een betere relatie.
De provincie probeert continu te leren van participatietrajecten en staat open voor feedback. De provincie evalueert trajecten met betrokkenen, volgt de nieuwste inzichten en doet onderzoek en experimenten.
3.3 Participatieprincipes Bij elk participatietraject georganiseerd door de provincie houden we rekening met vier participatieprincipes. Deze principes zijn tot stand gekomen met behulp van de opbrengsten uit participatiebijeenkomsten met onder andere inwoners, bedrijven, medeoverheden en organisaties. 1. Aanpak bepalen op basis van het vraagstuk 2. Aandacht voor verschillende perspectieven 3. Heldere communicatie en verwachtingsmanagement 4. Samen leren De participatieprincipes zijn verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma. Participatievormen en rollen Er zijn verschillende vormen van participatie met bijbehorende rollen voor de provincie. De vorm en rol van de provincie wordt bepaald op basis van het vraagstuk dat er ligt. Onder andere beïnvloedingsruimte maar ook de wettelijke verantwoordelijkheden van de provincie kunnen hierin meespelen. Het participatiekompas helpt bij het bepalen van de rol van de provincie.
7
•
•
•
•
•
•
Informeren De provincie informeert betrokkenen op tijd wanneer de provincie beslissingen neemt die hen aangaan. Oók wanneer er om wat voor reden dan ook geen actief participatietraject plaatsvindt. Informeren is voorwaarde voor, en onderdeel van, goede participatie, maar is geen participatie op zichzelf. Bij goede redenen kan het informeren van de omgeving voldoende zijn. Wanneer participatie wenselijk is maar er vanwege duidelijk provinciaal en/of maatschappelijk belang redenen zijn om niet verder te gaan dan informeren kan, mits helder en goed gemotiveerd, worden afgeweken van bovenstaande. Informeren kan dan onder participatie worden geschaard. Peilen De provincie vraagt belanghebbenden om meningen en ideeën maar er is geen garantie dat die inbreng ook daadwerkelijk wordt opgevolgd. De provincie bepaalt het onderwerp, de kaders waarbinnen participatie plaatsvindt en hoe de participatieopbrengst wordt opgevolgd. Advies vragen De provincie vraagt betrokkenen actief om advies te geven over bepaalde vraagstukken en neemt dat advies mee in de beleidsontwikkeling, uitvoering en/of evaluatie tenzij er sterke argumenten zijn om dit niet te doen. Wanneer wordt afgeweken van het advies zal onderbouwd worden waarom. De provincie bepaalt (eventueel samen met de omgeving) het gespreksonderwerp, de methoden en kaders waarmee de advisering vorm krijgt.
Samenwerken Plannen worden gezamenlijk met de omgeving opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd. De kaders van de samenwerking worden gezamenlijk bepaald. Er is sprake van een gelijkwaardige samenwerking waarbij de provincie optreedt als partner en beslissingen in principe gezamenlijk worden genomen. Ondersteunen De provincie ondersteunt bij het uitvoeren van plannen van anderen, bijvoorbeeld door het verlenen van subsidie, fysieke ruimte of andere hulpmiddelen. Hierbij is er altijd sprake van een overeenkomst tussen de samenwerkingspartij en de provincie. Deelnemen De provincie kan tot slot ook optreden als deelnemer binnen een participatietraject van een andere organisatie of overheid. De exacte rol van de provincie is afhankelijk van het traject.
3.4 Samenwerken met de omgeving Participatie gaat in essentie over samenwerken met je omgeving. Die samenwerking wil de provincie naar een hoger niveau tillen. Maar uit welke partijen bestaat die omgeving? En hoe gaat de provincie die samenwerking verbeteren?
8
Inwoners De provincie vindt het niet meer dan logisch dat degenen die door beleid geraakt worden ook een stem hebben in de ontwikkeling ervan. Daarom betrekt de provincie Zuid-Hollanders vroegtijdig en op een betekenisvolle manier bij beleidsontwikkeling uitvoering en evaluatie. Soms intensief en soms minder intensief, afhankelijk van het vraagstuk, de beïnvloedingsruimte die er is en de behoefte van participanten. Hierbij staan de participatieprincipes; aanpak bepalen op basis van het vraagstuk; aandacht voor verschillende perspectieven; zorgen voor heldere communicatie & verwachtingsmanagement; en inzetten op samen leren centraal. Ook wil de provincie toegankelijker te worden voor Zuid-Hollanders die zelf een goed idee hebben door heldere én haalbare kaders en voorwaarden te scheppen voor burgerinitiatieven. Verder wil de provincie onderzoek doen naar de toegankelijkheid van de provincie voor onze inwoners en die toegankelijkheid verbeteren. Medeoverheden Onze medeoverheden zijn vaak veel beter dan de provincie op de hoogte van wat er speelt op lokaal niveau. Ook zijn zij vaak het eerste aanspreekpunt van Zuid-Hollanders als het gaat om kwesties waar de overheid bij betrokken is. Misschien wil de provincie een participatietraject starten maar blijkt dat gemeenten in het gebied waar het traject betrekking op heeft al een relevant participatietraject hebben uitgevoerd.
Of de provincie maakt beleid waar simpelweg belangen van een medeoverheid meespelen. Wanneer een onderwerp hen raakt betrekt de provincie haar medeoverheden daarom vroegtijdig. Bovendien kunnen overheden veel van elkaar leren; overheden hoeven niet allemaal zelf het wiel uit te vinden. Gemeenten bijvoorbeeld hebben meestal veel ervaring met participatie en binnen gemeenten zijn vaak allerlei mooie initiatieven te vinden waarin Zuid-Hollanders, medeoverheden, belangenorganisaties en ondernemers met elkaar samenwerken. De provincie zet daarom in op het opbouwen van een sterk (kennis)netwerk op participatiegebied. Maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen Kennisinstellingen zoals universiteiten en onderzoeksinstituten beschikken over wetenschappelijke kennis en onderzoekscapaciteit die essentieel zijn voor het onderbouwen van beleidsbeslissingen. Hun bijdragen zorgen ervoor dat beleid gebaseerd is op actuele en betrouwbare informatie, wat de effectiviteit en legitimiteit ervan vergroot. Maatschappelijke organisaties zoals belangengroepen bieden waardevolle praktijkervaring en inzicht in de behoeften en uitdagingen van verschillende (soms kwetsbare en moeilijk bereikbare) bevolkingsgroepen. Het betrekken van maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen bij beleidsontwikkeling is daarom van groot belang.
Zo maakt de provincie beleid dat innovatief en wetenschappelijk onderbouwd is, waarin verschillende perspectieven zijn meegenomen en dat gedragen wordt door de samenleving. Bedrijven Bedrijven hebben een directe invloed op de leefomgeving, werkgelegenheid en innovatiekracht van ZuidHolland. En ons beleid heeft vaak direct invloed op de bedrijven in Zuid-Holland. Gezien de complexe uitdagingen van deze tijd is het daarom essentieel om ook bedrijven vroegtijdig te betrekken bij de ontwikkeling van beleid. Dat kan beleid zijn dat hen direct aangaat, maar óók ander beleid waarbij zij misschien een meer ondersteunende rol kunnen vervullen. Zuid-Hollandse bedrijven beschikken over enorme hoeveelheden kennis en expertise op allerlei vlakken. Bovendien zetten zij steeds meer stappen richting duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Hierdoor kunnen zij een belangrijke rol spelen bij het inbrengen van innovatieve oplossingen en kennis in participatietrajecten. Daarnaast hebben bedrijven binnen de omgevingswet ook een verantwoordelijkheid als het gaat om participatie wanneer zij activiteiten verrichten die impact hebben op de leefomgeving. De provincie zorgt daarom voor heldere kaders waarmee duidelijk wordt wanneer participatie door bedrijven nodig is en waar die participatie idealiter aan moet voldoen.
4. Dit is Zuid-Holland In dit hoofdstuk wordt allereerst een beknopt beeld geschetst van de provincie met daarbij een verdeling van het ruimtegebruik. Vervolgens wordt Zuid-Holland beschreven aan de hand van de landschapstypen en het concept van de lagenbenadering. Dit is een weergave van de actuele situatie, zonder dat daarbij beleidsconcepten of ambities zijn meegenomen. Daarna worden de grote inhoudelijke uitdagingen toegelicht inclusief de bijbehorende ruimtelijke consequenties. In hoofdstuk 4 ‘Koers van Zuid-Holland' wordt de gekozen koers richting een toekomstbestendig Zuid-Holland beschreven en de uitwerking toegelicht.
9
4.1 Zuid-Holland in vogelvlucht Zuid-Holland is een strategisch gelegen provincie waarin steden en dorpen zijn ingebed in een uniek gevarieerd kust-, veen- en rivierenlandschap. Zuid-Holland is een dynamische provincie waarin verleden en toekomst zichtbaar zijn in steden, dorpen en landschappen. Op de wereld zijn er weinig andere plekken waar je in een kwartiertje fietsen zowel twintig eeuwen geschiedenis tegenkomt, als ook gedurfde oplossingen voor de toekomst van dichtbevolkte delta’s. Zo zie je resten van Romeinse forten, een eeuwenoud polderlandschap, trekvaarten, landgoederen, historische steden, vestingen en bunkers, naast nieuwe compacte en gemengde stedelijke centra rondom hoogwaardige stations, nieuwe getijdenparken en waterpleinen. Molens, pakhuizen en kerken wisselen af met een indrukwekkend havenindustrieel complex, hoogtechnologische land- en tuinbouw, kenniscentra, campussen en innovatiedistricten, en een modern en efficiënt logistiek netwerk. De weerslag van eeuwen van menselijke activiteit en bedrijvigheid. Sterke steden en dorpen hebben in de naoorlogse periode een schaalsprong naar een stedelijk netwerk gemaakt. Er is een internationaal logistiek-industrieel systeem ontstaan waarin het havenindustrieel complex en de intensieve land- en tuinbouw een grote rol spelen.
Daarnaast kent Zuid-Holland waardevolle en iconische landelijke gebieden als de Bollenstreek, de kust, de Zuid-Hollandse eilanden en het Groene Hart. Onderstaande kaarten geven op basis van CBS-data globaal inzicht in het ruimtegebruik in de provincie Zuid-Holland. Eerst naar verdeling over de provincie, daarna verhoudingsgewijs en in vergelijking tot de ruimteverdeling in Nederland.
10
11
4.2 Landschapstypen in Zuid-Holland Zuid-Holland ligt grotendeels onder zeeniveau en is gevormd door het water en de wijze waarop de bewoners van Zuid-Holland door de eeuwen heen het water hebben weten te bedwingen en benutten. Het heeft een landschap opgeleverd waarvan de culturele waarde breed wordt erkend en dat cruciale leefgebieden bevat voor internationaal beschermde plant- en diersoorten. Zuid-Holland is uniek in de combinatie van kust en duinen (zand), veenweiden (veen) en de vruchtbare delta (klei). Deze drie landschapstypen zijn allemaal verbonden met grote waterstructuren: de meren, rivieren, de zee en zeearmen. Het samenspel van natuurlijke omstandigheden en menselijk handelen heeft voor elk landschapstype een eigen, kenmerkend geheel opgeleverd van bodem, water en grondgebruik. Door het huidige gebruik en de verwachte veranderingen in het klimaat spelen er belangrijke opgaven voor waterveiligheid en de kwaliteit van bodem: afremmen van de dalende veenbodem en omgaan met de geleidelijke zeespiegelstijging en de toenemende extremen in rivierafvoer. Tegelijkertijd waarderen mensen het huidige landschap en hebben de culturele en de historische betekenis aan gewicht gewonnen. Door het ontstaan en de ontginningsgeschiedenis zijn de drie landschappen verschillend van aard.
Het kustgebied van Zuid-Holland kent een groot contrast tussen het bebouwde, intensief benutte achterland en de meer natuurlijke, schijnbaar ongerepte duinen en het strand. De duingebieden en stranden zijn onmisbaar voor de kustverdediging en het zoetwaterwingebied. Het unieke kustlandschap bevat grote aaneengesloten natuurgebieden met hoge biodiversiteit, landgoederen, bollenvelden en cultuurhistorisch erfgoed. De oorspronkelijke structuur van strandwallen en strandvlakten is bepalend geweest voor de ontginning en inrichting van het landschap. Badplaatsen en havens wisselen de duingebieden af. De kust is een aantrekkelijke plek om te wonen en recreëren. De stranden vormen de grootse openbare ruimte van Zuid-Holland. Het veenweidegebied van Zuid-Holland kent een door de mens vormgegeven afwisseling van polders, plassen, droogmakerijen en oude veengebieden. Door de oude lintdorpen, dijkstructuren, molens en gemalen is de ontginningsgeschiedenis nog altijd goed afleesbaar. De open, waterrijke graslanden (het slagenlandschap) van de veengebieden en de waarden zijn iconisch voor Nederland. Het plassengebied vormt een aaneengesloten structuur van plassen en brede verbindingen, uitermate geschikt voor de
12
waterrecreatie. Boskoop en omgeving heeft zich ontwikkeld tot centrum van de sierteelt op de kenmerkende smalle en langgerekte tuinkavels. De open en vruchtbare landschappen zijn daarnaast bij uitstek geschikt voor weidevogels. In de rivierdelta van Zuid-Holland is de aanwezigheid van de zee nog voelbaar. Zeekleipolders worden afgewisseld door grote wateren. Vanuit veelal bestaande kleine veeneilandjes zijn eeuwenlang door het proces van aanslibbing en indijking de huidige eilanden ontstaan. Bij een van de zwaarste overstromingsrampen die de provincie heeft gekend, de Sint-Elisabethsvloed in 1421, is de Hollandse Biesbosch ontstaan. De eilanden hebben vruchtbare kleigronden met akkerbouw. De dijkstructuren zijn sterk bepalend geweest voor de bebouwing van de eilanden. Aan de Noordzee, op de ‘koppen’ van de eilanden, is het landschap van strand en duinen aantrekkelijk voor de recreatie. In de Kop van Goeree is het unieke landschap van de schurvelingen te vinden. In de hoogstedelijke gebieden en de grootindustriële gebieden is het menselijk vormgeven van het oorspronkelijke landschapstype zo dominant, dat een andere verschijningsvorm is ontstaan.
In deze gebieden is het van oudsher aanwezige landschap niet langer of nog slechts beperkt waarneembaar, waarbij de monumentale stedelijke bebouwing van bijvoorbeeld Den Haag, Dordrecht, Leiden en Maassluis tot het nationaal erfgoed wordt gerekend. Tot het hoogstedelijk gebied van Zuid-Holland wordt de denkbeeldige as tussen Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht gerekend. Dit gebied is verbonden door middel van het hoogwaardig openbaar vervoernetwerk van trein, metro en lightrail en wordt ook vaak aangeduid als de Zuidelijke Randstad. Deze as kenmerkt zich door hoogstedelijke bebouwingsdichtheden rond stadscentra en stationsomgevingen. Tot het grootindustrieel gebied wordt het havenindustrieel complex Rotterdam en het havengebied van Dordrecht gerekend.
4.3 Opbouw Zuid-Holland in lagen De lagenbenadering is een bestaand ruimtelijk planologisch concept dat in het provinciaal omgevingsbeleid wordt benut om het functioneren van de complexe Zuid-Hollandse fysieke leefomgeving inzichtelijk te maken. Dit concept onderscheidt drie lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de netwerken en de laag van de occupatie.
Bij het maken van keuzes in de fysieke leefomgeving gaat het om de samenhang tussen de drie lagen, de wijze waarop ze op elkaar ingrijpen. Daarbij zijn eerst de laag van de ondergrond en vervolgens de laag van de netwerken randvoorwaardelijk voor de laag van de occupatie. De laag van occupatie is omgekeerd weer van invloed op de kwaliteiten van de lagen van de ondergrond en netwerken. Daarbij wordt iedere laag gekenmerkt door een eigen tijdsaspect. De laag van de ondergrond is het resultaat van veelal eeuwenlange processen en kent een lagere dynamiek en lange hersteltijden. De laag van de netwerken kent een levensduur van veelal 50 tot 100 jaar. De laag van de occupatie kent een levensduur van veelal 10 tot 50 jaar, waarbij >100 jaar evengoed mogelijk is. Laag van de ondergrond
13
De eerste laag bestaat uit de ondergrond en alles wat daar leeft: water, bodem, flora en fauna. In de lagenbenadering is dit de ‘traagste’ laag, die het verste teruggaat in de tijd. Deze is daarom het meest bepalend geweest voor ontwikkelingen en menselijk gebruik. In theorie is de ondergrond vrijwel onveranderlijk, de vraag is echter in hoeverre dit nog het geval is. De hoogtekaart van Zuid-Holland laat zien dat werkelijk iedere vierkante meter beïnvloed is door mensen: het eeuwenlang kunstmatig ophogen van duinen, het droogleggen van meren en tot het graven van sloten en kanalen en de bodemdaling dat hier het gevolg van is zijn slechts enkele voorbeelden van hoe de mens het natuurlijk systeem heeft beïnvloed. Opvallend is dat de natuur zich niet aan de grenzen houdt die wij als mens opleggen. Lokale biotopen zoals de duinen, bossen en weiden en zelfs het stedelijk ecosysteem zijn bepalend voor waar soorten zich ophouden, gevoed door de internationale migratieroutes langs de kustlijn en rivieren. Diepe aardlagen: het oude fundament
Het verhaal van de diepe ondergrond (tientallen tot honderden meters diepte) kent een geschiedenis die vele millennia terug in de tijd gaat. Sporen uit dit verre verleden zijn terug te vinden in de diepste bodemopbouw en de bodemschatten waar we de afgelopen decennia gebruik van maakten, zoals gas en olievelden, aardwarmte en diepe grondwaterlagen. Bronnen die zeer bepalend zijn geweest voor de huidige positie van de provincie als hub in het internationale energiesysteem. Bodem en water: het vormende systeem
14
De bodem (tot enkele meters diepte) is in de afgelopen duizend jaar gevormd door de dynamiek die kenmerkend was voor de delta van Maas en Rijn. Het regelmatig en afwisselend overstromen van de rivieren waardoor klei werd afgezet, van de zee waardoor zand werd afgezet en periodes van rust waarin veen zich kon ontwikkelen resulteren in een gelaagd bodemprofiel dat sterk sturend is voor de ruimtelijke ontwikkeling in de provincie. De meest kenmerkende landschapstypen kust, veenweiden en delta in ZuidHolland zijn hier een direct resultaat van. Het systeem van rivieren en estuaria hangt sterk samen met deze dynamiek, evenals de aanwezigheid van oude (zoute) grondwaterlagen die op een aantal locaties aan de oppervlakte komen. De kaart toont dit aan de hand van bodemgegevens en ondiepe brakke grondwaterlagen. Reliëf en afdekking: menselijk ingrijpen in de bovenste aardlaag
Het huidige water- en bodemsysteem is evident onderdeel van de ondergrond, maar is eigenlijk nauwelijks nog als ‘natuurlijk systeem’ te definiëren. Met de aanleg van kanalen en boezems is het watersysteem naar onze hand gezet. Inpolderingen en ontwatering hebben gezorgd voor de afwisseling tussen droog-
15
makerijen en veenweidegebieden en het ‘omhoogkomen’ van de oeverwallen van rivieren. Zelfs de jonge duinen zijn voor het grootste deel ontstaan door eeuwenlang actief beheer dat duingroei stimuleerde. In de afgelopen decennia is daar nog een ander fenomeen bijgekomen, namelijk afdekking; ofwel door het ophogen van gebieden met slib, klei en zand, bijvoorbeeld voor de havens, ofwel door bebouwing en verharding dat op een aantal gebieden zo sterk afdekkend werkt dat het onderliggende watersysteem hierdoor sterk beïnvloed wordt. Op de kaart is door kleurverloop inzichtelijk gemaakt welke gebieden hoger en lager liggen. Hierdoor wordt het patroon van duinen, havens, polders en dijken zichtbaar. Ook is in kaart gebracht welke gebieden kunstmatig zijn opgehoogd of afgedekt door bebouwing en asfalt. Ecosysteem: kruispunt van internationale routes
De provincie is gevormd door drie natuurlijke landschappen van internationale betekenis: de dynamiek van het estuariene riviersysteem, het langgerekte duin- en kustsysteem met vooroever en binnenduinrand en het laagveen- en moerasgebied dat een ‘blauwe as’ vormt, landinwaarts min of meer parallel aan de kust. Deze landschappen vormen de ruggengraat voor internationale migratieroutes voor vogels en vissen, die met lijnen op kaart zichtbaar zijn. De drie systemen zijn ondanks de versnippering en menselijke invloeden nog duidelijk herkenbaar. Dit is te zien in de aanwezigheid van soorten die dreigen te verdwijnen (zogenaamde rode-lijst-soorten), die zich niet houden aan de grenzen van beschermde natuur. Het is daarom niet makkelijk een harde grens te trekken tussen ‘natuurlijk’ en ‘niet natuurlijk’ landschap. Door menselijk ingrijpen in het landschap zijn namelijk nieuwe habitats ontstaan en bestaande habitats ingrijpend veranderd. Dit heeft gevolgen voor de lokale soortensamenstelling: waar bijvoorbeeld weidevogels van nature voorkomen in een dynamisch deltasysteem met hoogwaters en verschuivende rivierbeddingen, is met de aanleg van dijken hun leefgebied verschoven naar boerenland. Een aantal soorten komt ook (meer) voor in het stedelijk gebied.
Ondanks de invloed van de mens, is het huidige ecosysteem en de biodiversiteit van Zuid-Holland dus nog steeds een afspiegeling van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. De kaart toont de gebieden met natuurwaarden, niet door planologische lagen zoals Natura2000 te tonen, maar door enerzijds condities in beeld te brengen die voortkomen uit het onderliggende bodem- en watersysteem (zoals hoge grondwaterstanden) en anderzijds het voorkomen van rode-lijst-soorten en migratieroutes. Combinatiekaart laag van de ondergrond
16
De combinatiekaart laat zien hoe de ondergrond en het natuurlijk systeem zich tot elkaar verhouden. De wisselwerking tussen de grote migratiestromen langs kust en rivieren en de lokale biotopen van duinen, veenweide, uiterwaarden en zelfs het stedelijk ecosysteem maakt dat ondanks stedelijke karakter van de provincie, er grote natuurwaarden aanwezig zijn. Laag van de netwerken De laag van de netwerken gaat over vervoer, maar ook over energie en drinkwater. Netwerken die zorgen voor de randvoorwaarden van wonen en werken in de occupatielaag. Zuid-Holland heeft een sleutelpositie in twee internationale vervoerssystemen: het systeem van goederenvervoer over zee en van en naar Noordwest-Europa, met bundels van rivieren, snelwegen, sporen en buizen als sterk vervlochten corridors met overslagpunten; en het systeem van personenmobiliteit waarin de provincie onderdeel is van het Stedelijk Netwerk Nederland, maar ook sterk verbonden is met andere metropolen in de omgeving zoals Antwerpen, Brussel, Parijs en Londen. Maar de netwerken gaan niet alleen over (inter)nationale corridors. Dankzij het zeer fijnmazige netwerk van straten, paden, sloten, kabels en leidingen functioneert het stedelijke systeem in Zuid-Holland. Sterker nog, de dominante corridors in de provincie worden gevoed door dit fijnmazige netwerk.
Een goed functionerend haarvatensysteem is instrumenteel voor een leefbare provincie met een goed woon-werk en vestigingsklimaat. De dichtheid van dit netwerk zegt iets over de intensiteit van het stedelijk ruimtegebruik. Wat dit netwerk laat zien is dat vele kleine ingrepen samen grote effecten kunnen hebben. Al met al is er sprake van een zeer dicht, multimodaal en verweven netwerk dat inmiddels sturend is voor hoe de provincie zich ontwikkelt. De grote bewegingen: goederenvervoer
17
Het logistiek-industriële systeem met het havenindustriële complex, de tuinbouw en de agrofood-logistiek is sterk verbonden aan het Europese TEN-T netwerk en het internationale vaarwegennetwerk. Op hoofdlijnen is er sprake van internationale goederencorridors over land richting het Ruhrgebied en Antwerpen, met aftakkingen naar Amsterdam, Hannover en Luik. Zeeroutes lopen min of meer parallel aan de kust tussen Scandinavië en de Middellandse Zee. De corridors strekken zich uit tot Ierland, Italië, Spanje en de Baltische staten. Het grootste volume wordt getransporteerd over water en in mindere mate over weg en spoor. In de provincie zelf is sprake van een regionaal vertakt netwerk van weg en water waardoor kleinere kernen en overslaglocaties aan elkaar verbonden zijn. Overigens speelt buistransport een steeds grotere rol in goederenvervoer, zeker tussen de grote industrieclusters. Grote bewegingen: Personenvervoer
In delen van het systeem is sprake van dubbelgebruik voor personen- en goederenvervoer, toch hebben beide systemen een eigen karakter. Zo bestaat het goederencorridornetwerk uit brede bundels richting Antwerpen en het Ruhrgebied. Het personenmobiliteitsnetwerk heeft meer het karakter van een netwerk van knooppunten. Den Haag en Rotterdam vormen een intensief verweven metropoolregio, met bundels
18
van spoor en snelweg richting Amsterdam, Utrecht, Antwerpen en de Brabantse stedenband. De vele overstappunten, knooppunten en afslagen zijn essentieel in het stedelijk systeem. De kaart toont de fijnmazigheid van het OV-netwerk en de samenhang tussen lokaal, regionaal en nationaal vervoer. Ook is inzichtelijk welke gebieden juist minder goed bereikbaar zijn, doordat ze op grotere afstand van de OV-hubs liggen. Grote bewegingen: Energie en drinkwater
Naast het zichtbare systeem van weg, spoor en water is er het minder zichtbare maar net zo belangrijke systeem van nutsvoorzieningen dat drinkwater en energie naar woningen en bedrijven brengt. Elektriciteitskabels, gas- en drinkwaterleidingen zijn cruciaal voor het functioneren van de leefomgeving. Als gevolg van elektrificatie is het systeem van hoogspanningsleidingen steeds uitgebreider en complexer. Ook het bovenregionale waterleidingennetwerk wordt steeds complexer om voldoende drinkwater naar de zuiveringslocaties te krijgen. Naast gas, elektriciteit en drinkwater speelt warmte een belangrijke rol in delen van de provincie restwarmte en geothermie wordt gebruikt om kassen en woningen te verwarmen. Het fijnmazige Zuid-Hollandse netwerk kent daarbij steeds meer uitdagingen: de netwerken bereiken hun maximale capaciteit, maar er is weinig ruimte voor uitbreiding. De kaart toont de netwerken van groot naar klein. Hiermee wordt zichtbaar in welke gebieden concentratie van infrastructuren plaatsvindt. Fietsen, wandelen en varen
19
In de provincie bevinden zich regionale netwerken voor fietsers en wandelaars, zowel voor recreatie als voor woon-werkverkeer. Er is overlap tussen deze netwerken, maar ook duidelijk onderscheid in doel, gebruiksintensiteit en karakter. Deze netwerken spelen een rol in de leefkwaliteit van de bewoners. Een aandachtspunt is de oversteekbaarheid van infrastructuur zoals wegen, spoorwegen en waterwegen, waardoor sommige gebieden minder goed bereikbaar zijn. De kaart toont de intensiteit van recreatief gebruik in het regionale netwerk. Te zien zijn de bewegingen rond steden en vervolgens langs aantrekkelijke lijnen, zoals de kuststrook en langs waterlopen. Combinatiekaart laag van de netwerken
Als de netwerken van nutsvoorzieningen, personen en goederen gecombineerd worden ontstaat een beeld van een multimodaal ontsloten provincie met grote verschillen in gebruiksintensiteit van de netwerken. Een aantal infrastructuurbundels zijn zowel voor goederen als voor personen belangrijk, zoals die richting Amsterdam, waar op de A15 corridor, vooral rond Rotterdam, goederen dominant zijn. Ook zichtbaar is het grote verschil in fijnmazigheid: personenmobiliteit kent een veel grotere verspreiding
20
over de provincie dan goederen. Opvallend is hoe het nutsnetwerk zich soms buiten de andere corridors beweegt. Buisleidingen liggen vaak op afstand van weg of spoor. Laag van de occupatie De ontstaansgeschiedenis van Zuid-Holland hangt vast aan het deltasysteem van rivieren en havens, met dwars hierop strandwallen en vaarten. Daarbij ontstonden de grafelijke hoven in de binnenduinrand en op de oeverwallen. Hieruit zijn de metropolen Rotterdam en Den Haag ontstaan, evenals oude centrumsteden als Delft, Leiden en Vlaardingen. Deze combinatie van ontwikkelfactoren heeft ertoe geresulteerd dat er geen sprake is van één centrumstad met een economie die hierop gericht is. Er is een variatie van steden, landbouw, industrie, tuinbouw en natuur ontstaan. Een veelzijdig landgebruik dat de rijke schakering van de provincie laat zien. Een mix van wonen, werken, leren en recreëren
De steden en dorpen van Zuid-Holland worden gekenmerkt door gebieden waar wordt gewoond en gewerkt, en waar mensen leren, innoveren en recreëren. Na decennia van functiescheiding raken wonen en werken de laatste jaren weer steeds meer gemengd, de aard van het werk maakt dat ook mogelijk. Het karakter van de gemengde stad is daarmee veranderd, met een sterkere focus op dienstverlening en minder menging van wonen met functies met een hogere milieucategorie. In Zuid-Holland speelt kennis een grote rol, terug te zien in de twee universitaire ziekenhuizen, drie universiteiten en vele hbo's en mbo's. Ook speelt onderwijs en innovatie een grote rol in levendig stedelijk weefsel. In de loop der tijd is de bewonersdichtheid en arbeidersdichtheid in steden afgenomen, zelfs waar het aantal woningen of de economische productiviteit is gestegen. Recreatie is steeds meer een aparte functie geworden met eigen ruimtebeslag. Met meer verdichting stijgt de behoefte aan groen en recreatiegebieden op de juiste plekken en in de juiste kwaliteit. In combinatie met de opgave om een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving te waarborgen wordt deze behoefte alleen maar groter en noodzakelijk voor een goede leefkwaliteit. De kaart toont intensiteiten van inwoners en arbeidsplaatsen, en een menging hiervan.
Hieraan gerelateerd is de aanwezigheid van innovatieclusters rond campussen van onderwijs en gezondheid (health), de stedelijke dienstensector, maar ook rond specifieke sectoren zoals glastuinbouw of de maritieme sector. Het landgebruik als Zuid-Hollands mozaïek
21
Het groenblauwe mozaïek van akkers, weilanden, natuur en water bestaat uit een spectrum van intensief tot extensief landgebruik dat soms dwars door stedelijke en landelijke gebieden loopt. Denk daarbij aan glastuinbouw, bloemen- en bollenteelten, akkerbouw, veehouderij, natuurinclusieve landbouw en natuurgebieden. Richting stad neemt de intensiteit weer toe met recreatie en bewoning. De kaart laat de gebruiks-, natuur- en productiefuncties zien op een manier die inzichtelijk maakt dat landgebruik niet enkelvoudig is en laat zien dat er veel mengvormen tussen landbouwproductie, natuurwaarde en recreatief (mede)gebruik bestaan. Werklandschappen
De industrieclusters, bedrijventerreinen en glastuinbouw zijn gebieden volledig gericht op productie. De arbeidsintensiteit verschilt, evenals de productiviteit en omgevingseffecten. Maar deze indicatoren zijn niet als enige belangrijk om inzicht te krijgen in de rol van (vaak gebouwgebonden) productie in de provincie. Veel bedrijventerreinen spelen bijvoorbeeld een rol in het functioneren van de stad, met detailhan-
22
del, onderhoudsvoorzieningen en lokale distributielocaties. De productiefuncties zijn sterk gekoppeld aan de goederen- en energienetwerken. De kaart toont de productie-intensiteiten en multimodale ontsluiting, waarbij ook bedrijven met een regionale functie zichtbaar zijn. Combinatiekaart laag van de occupatie
De combinatiekaart schetst een kleurrijk beeld van de grote diversiteit aan landgebruik in de provincie. Interessant is dat hier weer zichtbaar wordt waar het allemaal begon: de ondergrond. Kleigronden tekenen zich af met akkerbouw of tuinbouw, in de kuststrook en langs de rivieren zijn natuurgebieden en het veengebied bestaat uit agrarisch en natuurlijk grasland. De steden, ooit ontstaan op wat hoger gelegen en goed ontsloten plekken zoals langs de Schie, de Rotte en in de binnenduinrand, zijn buiten de oorspronkelijke ondergrond doorgegroeid.
4.4 Omgaan met schaarse ruimte In geen enkele andere provincie in Nederland speelt het verdeelvraagstuk om de schaarste ruimte zo’n grote rol als in Zuid-Holland. Ondanks het decennialange beleid van het ruimtelijk accommoderen van wonen en werken is het aandeel van Zuid-Holland in bruto nationaal economie afgenomen van 22,5% in 1995 naar 21,9% in 2022 en behoort de brede welvaart tot de laagste van Nederland. Zuid-Holland is de meest dichtbevolkte provincie van Nederland met 1.410 inwoners per km2 (2023). Ter vergelijking: de gemiddelde bevolkingsdichtheid in Nederland bedraagt 529 inwoners per km2. In heel Nederland groeide de bevolking tussen 1970 en 2023 flink. Het aantal inwoners in Zuid-Holland groeide in die periode met ruim 800.000 inwoners naar ruim 3,8 miljoen inwoners. De bevolking van Zuid-Holland nam in deze periode vooral toe door natuurlijke aanwas (aantal geboorten min aantal sterfgevallen) en buitenlandse migratie. Buitenlandse migratie vertoont een stijgende trend en vanaf eind jaren tien van deze eeuw groeit de bevolking in Zuid-Holland vooral door buitenlandse migratie. De natuurlijke aanwas laat daarentegen juist een dalende ontwikkeling zien. Het geboortecijfer in Nederland is tussen 1970 en 2023 gedaald van 2,6 naar 1,4 kinderen per vrouw.
Het geboortecijfer ligt daarmee al een aantal jaren (fors) beneden het aantal kinderen dat een vrouw gemiddeld moet krijgen om de bevolking op peil te houden zonder rekening te houden met migratie (dit aantal is 2,1 kind per vrouw).
23
Figuur 1: Verdeling van het grondgebruik in Zuid-Holland in 1970 en 2020 In Nederland woonden in 1970 3,2 mensen per woning, anno 2024 zijn dat nog 2,1 mensen. In Zuid-Holland is in 2024 41,7% van de huishoudens alleenstaand en 25,5% van de huishoudens is een stel (samenwonend zonder kinderen). Er zijn ook eenouder huishoudens die uit 2 personen bestaan. Dus minstens 67,2% van de huishoudens is momenteel een 1- of 2-persoonshuishouden in Zuid-Holland. Tussen 1970 en 2020 is het ruimtegebruik voor wonen en werken gegroeid met zo’n 200%. In deze periode is het aantal inwoners met 25% toegenomen en is het aantal banen per hectare bebouwd gebied met 35% gedaald. Wonen en werken zijn dus sterk geëxtensiveerd, met minder bewoners per woning, met minder woningen per hectare en minder banen per hectare. Hoewel het netwerk in deze periode weldegelijk is versterkt, is het ruimtebeslag van mobiliteit ongeveer gelijk gebleven. Inmiddels worden wel veel meer reis-bewegingen gemaakt en is de druk op het bereikbaarheidsnetwerk steeds hoger geworden. In de afgelopen jaren bleef de toename van het aantal woningen achter bij de groei van de bevolking en de toename van het aantal huishoudens. Daardoor is er nu een tekort aan (betaalbare) woningen in ZuidHolland en wordt gesproken van een ‘wooncrisis’.
Het ruimtelijk beleid is er decennia op gericht geweest om vooral de vraag voor wonen en werken te accommoderen, tegelijk daalde de oppervlakte aan landbouwgrond van ongeveer 60% naar ongeveer 40%. Tegelijkertijd werd de landbouw sterk geïntensiveerd, door innovaties meer productie per hectare, waardoor de productie is toegenomen. De uitbreiding van de hoeveelheid ruimte voor wonen en werken heeft als keerzijde dat het areaal open, niet bebouwd landschap is afgenomen. De beschikbare oppervlakte voor de gezamenlijke ‘groene en blauwe’ opgaven (landbouw, natuur, recreatie en water) is daarmee fors minder geworden. Zuid-Holland levert een stevige bijdrage aan het economisch belang en de internationale positie van Nederland. Zuid-Holland heeft er daardoor ook veel druk op ruimte en milieu bijgekregen in de afgelopen decennia. Zo huisvest Zuid-Holland 617 bedrijventerreinen, een industrieel-logistiek systeem bestaande uit een havenindustrieel en maritiem complex van internationaal belang en agrologistieke clusters met intensieve land- en tuinbouw die sterk verweven zijn met Nederland, (Noordwest-)Europa en de wereld. De laatste twee decennia is versterkt ingezet op het groeiende belang van compacte stedelijke ontwikkelingen met goede onderlinge verbindingen.
De stedelijke kennisgedreven economie met toplocaties, innovatiedistricten en campussen is sterk gegroeid en steeds beter verweven in het Zuid-Hollandse netwerk van sterke steden en dorpen. Ondanks de stevige bijdrage aan de Nederlandse economie presteert Zuid-Holland minder in totaal en naar inwoners. De bijdrage van Zuid-Holland met 21,3% van de inwoners aan het bruto nationaal product was in 2022 20,9%, terwijl Noord-Holland met 16,5 % van de inwoners 21,3% bijdroeg. De Zuid-Hollandse economie leunt historisch gezien relatief sterk op sectoren die gebruik maken van fossiele brandstoffen, lineaire productiemethoden en relatief goedkope arbeid en heeft daardoor een grote transitieopgave om ook in de toekomst concurrerend te zijn. Daar wordt door bedrijven en overheden ook al aan gewerkt, mede door de Groeiagenda. In een veranderend geopolitiek krachtenveld is de internationaal georiënteerde én regionale economie van Zuid-Holland kwetsbaar en staat de brede welvaart van inwoners onder druk.
24
Figuur 2: Ontwikkeling van het aandeel toegevoegde waarde in de Nederlandse economie, 1996 -2020, Sander (2023) De brede welvaart is in delen van onze provincie relatief laag en ook significant lager dan elders in ons land (zie figuur 3). Brede welvaart gaat over de kwaliteit van leven in het hier en nu, maar ook over de effecten op de welvaart van latere generaties of van die van mensen elders in de wereld. En die kwaliteit van leven wordt in belangrijke mate beïnvloed door de kwaliteit van de sociale én fysieke leefomgeving. Vanuit het perspectief van brede welvaart worden meer aspecten afgewogen dan het bruto regionaal product en inkomen per hoofd van de bevolking. Ook thema’s als gezondheid, arbeid, wonen, veiligheid, sociale cohesie, onderwijs, natuur, milieu en leefomgeving wegen we mee. In Zuid-Holland zien we dat de werkloosheid hoger is dan gemiddeld in Nederland. Welzijn, gezondheid en veiligheid vragen om aandacht. De verschillen tussen gebieden in Zuid-Holland zijn daarbij groot.
25
Figuur 3: Regionale verschillen in brede welvaart (Universiteit Utrecht, 2023)
4.5 Uitdagingen op veiligheid, gezondheid en kwaliteit van de leefomgeving De geopolitieke situatie in de wereld vraagt aandacht van Europa, Nederland en Zuid-Holland. Ons land wordt steeds vaker geconfronteerd met statelijke actoren die met hybride aanvallen onze samenleving proberen te ontwrichten en te verzwakken. Nederland is een interessant doelwit vanwege de strategische ligging van de Rotterdamse haven, fysieke en digitale verbindingen met het Europese achterland, de windparken en kabels in de Noordzee en huisvesting van belangrijke techbedrijven. Tegelijkertijd is de veiligheidsparaplu die de Verenigde Staten lange tijd Europa boden geen vanzelfsprekendheid meer. Er is sprake van een gefragmenteerde wereldorde. Een speelveld met andere spelers en andere regels. Beslissend wordt de strijd om technologie, arbeidsproductie, grondstoffen, afzetmarkten en energie. Een strijd die de Verenigde Staten en China dominant voeren. Europa en Nederland zal minder afhankelijk moeten worden van andere landen als het gaat om (duurzame) energie, defensie en strategische grondstoffen en sectoren. Als delta die grotendeels onder de zeespiegel ligt is Zuid-Holland kwetsbaar voor klimaatverandering. De zeespiegel stijgt, de bodem daalt, er is vaker extreme neerslag en vaker hitte en droogte en de afvoer van rivieren wordt grilliger.
Zuid-Holland wordt steeds afhankelijker van dijken en het wordt steeds duurder om Zuid-Holland te beschermen tegen overstromingen. Als het een keer misgaat, worden de gevolgen steeds groter: meer slachtoffers en grotere schade. Door toenemende extremen in neerslag en toenemende verstedelijking neemt het risico op schade door wateroverlast toe. Bodemdaling zorgt voor veel schade aan funderingen van gebouwen en extra onderhoud aan rioleringen, wegen en spoorwegen. Door klimaatverandering biedt het water- en bodemsysteem geen garantie meer voor toekomstige welvaart en verdienvermogen. De maakbaarheid daarvan loopt inmiddels tegen de technische, ruimtelijke en financiële grenzen aan. Voldoende zoetwater is van groot belang voor onze drinkwatervoorziening, voor landbouw (voedselzekerheid), industrie, natuur en de leefomgevingskwaliteit. Verwachte langere perioden van droogte en lage rivierafvoeren zetten de beschikbaarheid van zoetwater onder druk. De drinkwatervoorziening is niet alleen kwetsbaar door de afhankelijkheid van de grote rivieren, maar ook door toenemende ruimtedruk in de ondergrond en knelpunten met vergunningverlening. De beschikbaarheid van zoetwater neemt af, maar de watervraag neemt toe door toenemende verzilting vanuit de ondergrond, door maatregelen om bo-
26
demdaling tegen te gaan en door sociaaleconomische ontwikkelingen. Afnemend aanbod en toenemende vraag leidt tot grotere tekorten aan zoetwater. De kwaliteit van ons oppervlakte- en grondwater is nog niet op orde. Goede waterkwaliteit is belangrijk voor het dagelijks leven: voor drinkwaterproductie, landbouw, natuur en recreatie. De grootste knelpunten in de waterkwaliteit zitten in de hoeveelheid meststoffen in het water, chemische verontreinigingen (resten van gewasbeschermingsmiddelen, geneesmiddelen en nieuwe stoffen zoals PFAS) en de inrichting van watergangen. Het halen van de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water staat onder druk. De biodiversiteit in Zuid-Holland is in de afgelopen decennia fors afgenomen. In Nederland was in 1900 nog ruim 40% van de oorspronkelijke biodiversiteit over en in 2010 nog maar 15%. Daarnaast is de natuur in Zuid-Holland onvoldoende robuust. Doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), namelijk dat de natuur in een gunstige staat van instandhouding is, worden grotendeels niet gehaald. Dit vertaalt zich onder meer in de huidige vergunningencrisis rondom stikstof en dit dreigt te ontstaan ten aanzien van waterkwaliteit (KRW) en soortenbeleid (onder andere de boerenlandvogels). Natuurherstel, zowel in kwaliteit als in oppervlak, is noodzakelijk. De Europese Natuurherstelverordening geeft hieraan ook richting.