Geconsolideerde verordening sociaal domein 2015 23-4
Tekst van het document
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 5. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 sub e van de IOAW of IOAZ.
Artikel 42. De hoogte en duur van de maatregel 1. In geval belanghebbende zich niet houdt aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 40 of 41 van deze verordening wordt de maatregel vastgesteld op: a. eerste categorie:10% van de norm gedurende één maand; b. tweede categorie:20% van de norm gedurende één maand; c. derde categorie:50% van de norm gedurende één maand; d. vierde categorie:100% van de norm gedurende één maand. 2. De beoordeling van een maatregel vindt bij gehuwden voor de partners afzonderlijk plaats. 3. Als er sprake is van een gedraging van de eerste categorie kan eenmalig worden volstaan met het geven van een waarschuwing als gedurende twee voorafgaande jaren geen andere waarschuwing of maatregel op grond van deze paragraaf of op grond van artikel 18 lid 4 Participatiewet is opgelegd
Artikel 43. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren volgens artikel 20 van de IOAW of IOAZ naar de mate en naar de periode waarin belanghebbende inkomen had kunnen verwerven of heeft verloren.
Paragraaf 3.2 Niet of onvoldoende meewerken aan verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling zoals in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet. Artikel 44. De hoogte en duur van de maatregel Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de norm gedurende één maand.
Artikel 45. Verrekenen maatregel Als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, wordt het bedrag van de verlaging als bedoeld in artikel 44 van deze verordening, verrekend in drie gelijke delen over de maand van oplegging van de maatregel en de twee volgende maanden.
Paragraaf 3.3. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel 46. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Voor zover nog niet genoemd in artikel 40 van deze verordening, wordt indien belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond als bedoeld in artikel 18 lid 2 van de Participatiewet, de uitkering verlaagd: a. met 100% van de norm gedurende één maand, indien belanghebbende verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft op een uitkering krachtens een sociale verzekering of een andere voorliggende voorziening; b. met 100% van de norm gedurende de periode, dat de belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken zou hebben aangewend. 2. Indien belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont in de zin van het niet verkrijgen, aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaand aan de melding wordt de uitkering met 100% gedurende één maand verlaagd. 3. Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aangemerkt.
De uitkering wordt gedurende drie maanden verlaagd. 4. De verlaging op grond van het tweede lid bedraagt de eerste maand 100% en de tweede en derde maand 20% van de norm. 5. In afwijking van artikel 51 kan de verlaging direct bij aanvang van de uitkering ingaan.
Artikel 47. Zeer ernstige misdragingen 1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet en de IOAW/IOAZ zoals bedoeld in de artikelen 9 lid 6 Participatiewet en 37 lid 1 onder g IOAW/IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van 50% van de norm gedurende een periode van één maand.
Artikel 48. Niet nakomen van overige verplichtingen 1. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt anders dan een verplichting gericht op arbeidsinschakeling, wordt voor zover deze gedraging niet valt onder een verplichting van artikel 18 lid 4 van de Participatiewet een verlaging toegepast van 20% van de norm gedurende één maand. 2. Als een belanghebbende de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17 lid 2 of 4 van de Participatiewet of artikel 13 lid 2 of 4 van de IOAW of IOAZ niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast van 10% van de norm gedurende één maand. 3. Als er sprake is van een gedraging zoals genoemd in lid 2 kan eenmalig worden volstaan met het geven van een waarschuwing.
Paragraaf 3.4. Het besluit tot opleggen van een maatregel Artikel 49. Horen van belanghebbende
1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende mondeling of schriftelijk in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Als betrokkene dit heeft aangegeven, kan hiervan worden afgeweken.
Artikel 50. Individuele beoordeling en afzien van een maatregel 1. Het college ziet af van een maatregel als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een maatregel als: a. het daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of b. als dit naar oordeel van het college gelet op bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de voortgang van het integraal plan. 3. Als het college afziet van een maatregel op grond van lid 2, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Artikel 51. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel 1. Een maatregel wordt toegepast op de uitkering over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm. 2. Indien een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan deze met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. 3. Voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald kan de maatregel worden uitgevoerd in de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden in afwijking van lid 1 en 2. 4. Als de maatregel niet op de wijze zoals hiervoor vermeld kan worden uitgevoerd, kan de maatregel op een volgende uitkeringsperiode worden uitgevoerd, waarbij artikel 50 lid 1 onder b van deze verordening in acht wordt genomen.
Artikel 52. Berekeningsgrondslag 1. De maatregel wordt toegepast over de norm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend op grond van artikel 12 van de Participatiewet; of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. De maatregel kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop belanghebbende recht zou hebben gehad, gedurende de periode waarop de maatregel betrekking heeft, indien er geen grond voor een maatregel zou zijn geweest.
Artikel 53. Samenloop van gedragingen 1. Indien een belanghebbende zich tegelijk schuldig maakt aan verschillende gedragingen, wordt uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. 2. In afwijking van lid 1 wordt een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoveel mogelijk afzonderlijk van een andere maatregel toegepast.
Artikel 54. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 van de IOAW of artikel 20 lid 2 van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.
Artikel 55. Recidive 1. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan verwijtbaar gedrag van dezelfde of hogere categorie of verwijtbaar soortgelijk gedrag als bedoeld in de artikelen 40, 41, 43, 46, 47 en 48 van deze verordening.
Dit geldt ook als er sprake is van recidive door een gedraging als genoemd in dit lid na een eerdere verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet bedraagt de verlaging 100% van de uitkering gedurende twee maanden. 3. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen gelijkgesteld.
Artikel 56. Het besluit tot opleggen van een maatregel 1. In het besluit tot het opleggen van een maatregel van de uitkering worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de maatregel; b. de duur van de maatregel; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging; e. ingangsdatum van de maatregel. 2. De maatregel die is opgelegd wegens het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet wordt afgestemd op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven als gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 57. Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Vervallen
Paragraaf 4 Handhaving Artikel 58. Preventie Het college draagt zorg voor vroegtijdige en duidelijke voorlichting aan inwoners en belanghebbenden. Hier valt tevens onder dat duidelijke afspraken onderdeel zijn van de dienstverlening gedurende de periode van uitkering.
Artikel 59. Controle 1. Het college controleert op afspraken, signalen en (anonieme) meldingen en anticipeert op gedrag van de belanghebbende of zijn huisgenoten. De dienstverlening is daarbij gericht op vroegtijdige detectie en afhandeling. Daarnaast voert het college nadere onderzoeken op maat uit. 2. Het college kan voor de controle- en opsporingstaken opdracht geven aan de sociale recherche.
Artikel 60. Opsporing en sanctionering 1. Indien belanghebbende zich, zonder dat er sprake is van een dringende reden, niet of onvoldoende houdt aan afspraken en/of verplichtingen op grond van de wet, dan heeft dit consequenties. 2. Indien het fraudebedrag boven de aangiftegrens uitkomt, wordt proces verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie volgens de regels van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude.
Hoofdstuk 7 Inburgering Artikel 61 Nadere regels Inburgering Voor de Wet Inburgering heeft de gemeente geen bepalingen in deze, of een andere, Verordening opgenomen aangezien de uitvoeringsbevoegdheden van het college aangaande de inburgering, in de Wet Inburgering 2021 zijn opgenomen. De nadere uitwerking van de wettelijk vastgelegde uitvoeringsbevoegdheden zijn, conform artikel 1:3 lid 4 Awb, opgenomen in de Nadere Regels Inburgering gemeente Nieuwkoop 2022.
Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Artikel 62 Vervallen Artikel 62a. Verhouding prijs en kwaliteit levering diensten door derden op grond van de Wmo
1. Voor de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f.
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren hulpmiddelen en woonvoorzieningen voor de Wmo, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de diensten van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1°. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2°. instructie over het gebruik van de voorziening; 3°. onderhoud van de voorziening.
Artikel 62b. Opvragen gegevens voor het besluit tot het verlenen van schuldhulp Het college kan gebruik maken van de bevoegdheden als genoemd in artikel 3 lid 2 en 3 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening bij het opvragen van gegevens.
Artikel 63. Beschikkingstermijn schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 4a, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, dan wel de afwijzing of beëindiging ervan, wordt door het college gegeven binnen maximaal acht weken na het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Artikel 63a. Vroegsignalering schulden 1. De gemeente heeft overeenkomsten met (tenminste) de vaste lasten partners zoals genoemd in de wet op grond waarvan deze vaste lasten partners betalingsachterstanden melden aan gemeente.
2. Bij een melding van een vaste lasten partner zoals bedoeld in lid 1 neemt het college contact op met de inwoner die een betalingsachterstand heeft om een eerste aanbod voor een gesprek te doen. 3. Afhankelijk van het aantal meldingen per huishouden of de hoogte van de betalingsachterstand vindt het contact schriftelijk, telefonisch of door middel een huisbezoek plaats.
Artikel 64. Toepassen verordening en stellen nadere regels 1. Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de Wmo en Participatiewet opgenomen begrippen en bepalingen leidend. 2. Vervallen 3. Het college kan in aanvulling op deze verordening nadere regels stellen.
Artikel 65. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening op het gebied de Wmo, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 66. Overgangsrecht Vervalt.
Artikel 67. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo. 2. Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthoudende ambtenaar. 3. De toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Hoofdstuk 9 Betrekken van ingezetenen bij het beleid, cliëntenparticipatie en klachten.
Artikel 68. Betrekken van ingezetenen bij het beleid /Cliëntenparticipatie 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende deze verordening. 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en andere beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen 3. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg van de Wmo adviesraad, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
Artikel 69. Klachtenregeling Het college behandelt klachten van inwoners die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 70. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Participatiewet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Nieuwkoop 2015
Artikel 71. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 onder gelijktijdige intrekking van: de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Nieuwkoop 2013. de re-integratie verordening WWB gemeente Nieuwkoop 2014, de Afstemmingsverordening WWB en Bbz gemeente Nieuwkoop 2013 de Maatregelen verordening IOAW en IOAZ gemeente Nieuwkoop 2013 de verordening Langdurigheidstoeslag WWB gemeente Nieuwkoop 2012 verordening participatie schoolgaande kinderen gemeente Nieuwkoop 2012 Vastgesteld door de raad van de gemeente Nieuwkoop op 16 oktober 2014 E.R. van Holthe, griffier
F.Buijserd voorzitter