CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Geconsolideerde verordening sociaal domein 2015 23-4

Besluitvormende raadsvergadering 11 juni 2026, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen verordening regionale jeugdhulp (2026-034)12.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Participatiewet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Nieuwkoop 2015 Verordening Participatiewet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Nieuwkoop 2015 Zoals vastgesteld door de gemeenteraad in zijn vergadering van 16 oktober 2014, nummer 2014-100

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.Toepassing en begrippen 1. Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) en de wet schuldhulpverlening. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekening als in de Awb, de Wmo 2015 of de Participatiewet, IOAW of IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldverlening. 3. In deze verordening wordt verder verstaan onder: a. Algemene voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, en een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet. b. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en bekostigd kan worden met een inkomen op minimumniveau. c. vervalt. d. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwkoop. e.

Integraal plan: het persoonlijk plan, als bedoeld in de Wmo en/of een plan, gerelateerd aan de Participatiewet, voor één of meer personen of volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. f. Inwoner: iemand die woont in de gemeente Nieuwkoop. g. Maatwerkvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, en een voorziening als bedoeld in artikel 7 en artikel 35 van de Participatiewet. h. Norm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW/IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van die wetten. i. Persoonsgebonden budget (pgb): een bedrag waarmee inwoners zelf hun hulp of ondersteuning kunnen inkopen. j. Vervallen k. Team: het integraal ondersteuningsteam dat kan bestaan uit: 1. medewerkers die over verschillende expertises beschikken en samen inwoners begeleiden als zij niet op eigen kracht en binnen eigen mogelijkheden uit de hulpvraag komen. 2. Vervallen l. Serviceplein: Toegang tot de participatiewet. Bij het serviceplein kan men terecht voor vragen op het gebied van werk en inkomen en het aanvragen van een uitkering in het kader van de Participatiewet. De medewerkers werken onder mandaat van het college. m. Uitkering : algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. n.

Werk en inkomen: de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening. o. Sociaal netwerk: Het netwerk om een inwoner heen waar een inwoner een hulpvraag neer kan leggen, bestaande uit bijvoorbeeld familie, vrienden, buren.

p. referentietarief: de tarieven van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) die in de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) werden gebruikt voor vergelijkbare ondersteuning. q. gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. r. [vervallen] s. Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. t. Ondersteuning met wonen: Ondersteuning en huisvesting in de zin van artikel 1.2.1 lid b van de Wmo 2015, met flexibele en oproepbare ondersteuning en/of toezicht voor inwoners die door een psychische of psychosociale of psychiatrisch ziektebeeld behoefte hebben aan een vorm van wonen met ondersteuning en of toezicht. u. Opvang: Bieden van opvang en ondersteuning aan inwoners die dak- en/of thuisloos zijn geraakt als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015.

Hoofdstuk 2 Aanvraag- en beoordelingsprocedure Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Iedere inwoner kan zich rechtstreeks met een hulpvraag, voor zichzelf of voor een ander, richten tot het Team of het serviceplein. 2. Vervallen 3. Het Team verzamelt in overleg met de inwoner(s), en eventueel samen met diens mantelzorger(s) en/of diens vertegenwoordiger, de noodzakelijke gegevens over de inwoner(s) en zijn/hun situatie. 4. Het Team, en het serviceplein informeren de inwoner(s) over de gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt zijn of haar toestemming om diens persoonsgegevens te verwerken. 5. Het Team informeert de inwoner, en/of diens mantelzorger(s) of diens vertegenwoordiger, voorafgaand aan het gesprek over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 6. Een hulpvraag kan enkelvoudig, meervoudig en/of complex zijn. Bij een meervoudige en/of complexe aanvraag vindt afstemming plaats tussen het Team, of het serviceplein. Samen met de inwoner wordt bekeken wat de beste manier is om de hulpvraag te behandelen.

Artikel 3. Het gesprek, verslag en integraal plan (Wmo) 1. In het gesprek over de Wmo hulpvraag tussen het team, de inwoner en mogelijk andere betrokkenen onderzoekt het team: a. wat de hulpvraag is; b. welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; c. welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving; en d. In hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. e. de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening in te zetten; 2. Vervallen 3. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 4. Afhankelijk van de hulpvraag wordt samen met de inwoner een verslag en/of een integraal plan opgesteld vanuit het principe 1 gezin, 1 plan. 5. In dit verslag en/of integraal plan wordt een overzicht opgenomen van de te nemen vervolgstappen.

6. Indien er een integraal plan wordt opgesteld dan wordt onder andere aangegeven van welke voorzieningen gebruik wordt gemaakt en/of voor welke maatwerkvoorzieningen de inwoner een aanvraag bij het college indient. 7. Als er een verslag of een integraal plan wordt gemaakt dat betrekking heeft de Wmo, dan wordt dit toegestuurd aan de betreffende inwoner, tenzij deze heeft aangegeven hierop geen prijs te stellen.

Artikel 4. Aanvraag van een maatwerkvoorziening 1. Inwoners kunnen een aanvraag voor een maatwerkvoorziening (Wmo) indienen bij het college. 2. Het verslag en/of het integraal plan genoemd in artikel 3 gelden als aanvraag, indien dit verslag en/of integraal plan is aangegeven.

Artikel 5.Verstrekken van een maatwerkvoorziening 1. Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het verslag of integraal plan wordt aangegeven dat: a. De eigen mogelijkheden, de inzet van het sociaal netwerk en voor wat betreft de Wmo de mantelzorg en gebruikelijke hulp ontoereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te verlenen, waarbij bij de Wmo-maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële draagkracht wordt meegewogen, en... b. geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening; c. met deze voorziening zelfredzaam wordt of kan participeren; d. geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk is; 2. Vervallen 3. Vervallen 4. Als het college van oordeel is dat de hulpvraag redelijkerwijs te voorzien en te voorkomen was, kan het college besluiten belanghebbende niet in aanmerking te laten komen voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfstandigheid en participatie. 5. Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner. 6. Voor bepaalde voorzieningen kunnen nog aparte voorwaarden van kracht zijn.

Deze staan genoemd in deze verordening, nadere regels of in de betreffende wetten. 7. Het college kan nadere regels stellen over het beoordelen van gebruikelijke hulp en eigen kracht.

Artikel 5a. Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. het een melding of aanvraag betreft van een inwoner die niet eerder een voorziening heeft gehad of met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 3 gevoerd is; b. het een melding of aanvraag betreft van een inwoner die wel eerder een voorziening heeft gehad of met wie wel eerder een gesprek als bedoeld in artikel 3 gevoerd is, maar van wie de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden; c. het college dat overigens gewenst vindt.

Artikel 5b Vervallen Artikel 6 Beschikking maatwerkvoorziening Wmo

1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Voor een maatwerkvoorziening op het gebied van de Wmo wordt altijd een beschikking afgegeven. 3. Vervallen 4. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. de gecontracteerde aanbieder die de voorziening verstrekt 5. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 6. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de belanghebbende daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 7. Maatwerkvoorziening via een pgb 1. a. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo. b. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo kan het college besluiten geen persoonsgebonden budget te verstrekken voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende in een redelijke termijn voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. c. Het college kan nadere regels stellen over de toekenning van een pgb. Deze zijn opgenomen in Het besluit nadere regels Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop. d. Het college verstrekt geen pgb voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV). 2. De hoogte van een persoonsgebonden budget a. Wordt bepaald aan de hand van een door een inwoner opgesteld (budget)plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1. Welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassing en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren een inwoner van het budget wil betrekken, en 2. de omvang en intensiteit van de maatwerkvoorziening die de inwoner bij het budget wil betrekken, en 3. indien van toepassing, welke hiervan een inwoner wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; b. Wordt berekend op basis van een prijs of tarief: 1.

Waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, 2. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken; 3. en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. c. als het tarief voor de aangevraagde maatwerkvoorziening niet toereikend is, dan wordt door of namens het college ter bepaling van de hoogte van het pgb: 1. een nader gesprek gevoerd met de aanbieder van de hulp of ondersteuning; 2. indien nodig één of meerdere offertes opgevraagd. 3. als de inwoner een duurdere voorziening wil inkopen, zijn de meerkosten voor rekening van de inwoner.

d. en als voor de aangevraagde maatwerkvoorziening geen tarief bepaald is, dan bedraagt de hoogte van het pgb maximaal de kosten van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. e. De pgb-tarieven en de referentietarieven worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van prijsindexcijfers en/of loonaanpassingen in de van toepassing zijnde CAO's. 3. Tarieven PGB Wmo regulier Wmo-diensten (begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf) bedraagt maximaal 100% van het referentietarief als de ondersteuning wordt geleverd door een professionele of specialistische aanbieder. Voor begeleiding geldt: a. Maximaal 100% van het referentietarief wanneer het professionele ondersteuning betreft die wordt geboden door een professional in dienst van een zorgaanbieder b. Maximaal 80% van het referentietarief wanneer het professionele ondersteuning betreft die wordt geboden door een professional als zzp’er. 4. Tarieven PGB Ondersteuning met wonen Het tarief voor ondersteuning met wonen worden vastgesteld op basis van het door het college gecontracteerde tarief in natura waarbij wordt uitgegaan van: a. Maximaal 100% van het tarief in natura voor Ondersteuning met wonen wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder. 5. Vervallen 6.

Tarief PGB sociaal netwerk Als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een niet gekwalificeerd persoon uit het sociale netwerk, niet zijnde een onbetaalde vrijwilliger, wordt een maximaal uurtarief gehanteerd dat gelijk is aan het pgb-tarief en/of referentietarief voor het sociale netwerk. 7. Tarief Hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden bedraagt maximaal: a. 100% van het Zorg In Natura tarief wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder b. 70% van het Zorg In Natura tarief wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake kundig gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er) c. 55% van het Zorg in Natura tarief wanneer het niet-professionele/informele ondersteuning betreft. 8. Tarieven PGB van een zaak De hoogte van een persoonsgebonden budget voor een cliënt ten behoeve van een zaak (zoals een hulpmiddel, woningaanpassing en autoaanpassing) wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de zaak die de inwoner zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt waarbij rekening wordt gehouden met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. 9. Voorwaarden voor de besteding van het pgb Het college verstrekt een pgb aan inwoners onder de voorwaarde dat: a.

De inwoner samen met een medewerker van het integraal ondersteuningsteam een verslag of integraal plan opgesteld heeft en een budgetplan, waarin benoemd is: 1. dat een maatwerkvoorziening nodig is; 2. hoe de inwoner het pgb gaat besteden; 3. welke resultaten bereikt worden met het pgb en; 4. hoe de kwaliteit van de geboden hulp gewaarborgd is; 5. wanneer en hoe het plan, inclusief het gebruik van pgb door de inwoner en een medewerker van het team geëvalueerd wordt. b. Voor de aanvraag van een Pgb moet gebruik gemaakt worden van het, door het college beschikbaar gestelde, format budgetplan. c. De inwoner zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen. d. De inwoner naar het oordeel van het team voldoende in staat geacht wordt om, al dan niet met ondersteuning van mensen uit zijn sociaal netwerk, een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, de taken, die aan het pgb verbonden zijn, op een verantwoorde manier uit te voeren conform de checklist pgb-vaardigheid (www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgebonden-budget-pgb)

e. De persoon of organisatie die de inwoner vertegenwoordigt, is niet ook uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, tenzij dit, gezien de situatie van de inwoner, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het team aanvaardbaar is. f. De ondersteuning die met het pgb ingekocht wordt naar het oordeel van het team veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. g. De pgb-beheerder is niet tevens zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatieadviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon, met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen. h. Het pgb is bedoeld om ondersteuning in te kopen. Hierbij gelden een aantal aanvullende voorwaarden: 1. Het pgb mag niet (apart) besteed worden aan reiskosten voor hulpverleners, administratiekosten, bemiddelingskosten of kosten voor belangenbehartiging. 2. Vervoerskosten van de inwoner van en naar dagactiviteiten zijn onderdeel van het pgb. 3. Budgethouders kunnen geen vaste maandlonen afspreken met hun zorgverleners, omdat anders onvoldoende kan worden nagegaan of het pgb doelmatig wordt gebruikt. 4. Een feestdagenuitkering kan niet uit het pgb worden betaald. 5.

Een verantwoordingsvrij bedrag wordt niet bij een pgb gehanteerd. i. Voorwaarden pgb sociaal netwerk De inwoner aan wie een pgb verstrekt wordt, kan alleen hulp of ondersteuning betrekken van personen die tot zijn sociaal netwerk behoren, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: 1. De inzet van het sociaal netwerk geen gebruikelijke hulp en/of mantelzorg betreft, zoals omschreven in de Nadere regels Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2. de inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter of minimaal gelijkwaardig aan professionele ondersteuning; 3. de geboden hulp of ondersteuning is passend, adequaat en veilig; 4. De personen uit het sociaal netwerk die de hulp of ondersteuning gaan bieden, hebben zich voldoende op de hoogte gesteld van de verantwoordelijkheden die hieraan verbonden zijn en; 5. bij de personen uit het sociaal netwerk die de hulp of ondersteuning gaan bieden, is geen sprake van dreigende overbelasting. 6. De inwoner aan wie een pgb wordt toegekend, kan alleen ondersteuning betrekken van personen die tot het sociaal netwerk behoren, wanneer het gaat om huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf. 7.

Inzet van het sociaal netwerk met een pgb wordt in ieder geval aantoonbaar beter geacht, als de hulp en ondersteuning: - vooraf niet goed in te plannen is; - op ongebruikelijke tijden geboden moet worden; - op veel korte momenten per dag geboden moet worden; - op verschillende locaties geboden moet worde n; - 24 uur per dag en op afroep beschikbaar moet zijn; of - vanwege de aard van de beperking geboden moet worden gegeven door een persoon met wie de inwoner vertrouwd is en goed contact heeft. j. Het is niet toegestaan het budget voor professionele begeleiding in te zetten voor begeleiding door een niet gekwalificeerd persoon uit het sociale netwerk. k. Mag uitsluitend worden gebruikt voor de inkoop van de in de beschikking genoemde voorzieningen en ten behoeve van de verwezenlijking van de bij die voorzieningen genoemde doelen. l. Kan gedurende het jaar naar behoefte flexibel worden ingezet.

Artikel 7a .Hoogte en voorwaarden pgb [vervallen]

Artikel 8. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvorderingvoor Wmo

1. Een inwoner doet aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over het gebruik maken van een bepaalde voorziening, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze verordening. 2. In aanvulling op artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing over een maatwerkvoorziening of een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de inwoner(s) onjuiste of onvolledige gegevens heeft/hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner(s) niet langer op de maatwerkvoorziening of op het pgb is/zijn aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is; d. de inwoner(s) niet voldoet/voldoen aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, of het pgb, of e. de inwoner(s) de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt/gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.

Als het college een beslissing op grond van het tweede lid onder a heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene(n) die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft/hebben verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen een half jaar na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is toegekend niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 6. a. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (in natura of pgb) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. b. Het college kan een toezichthouder rechtmatigheid aanwijzen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015. c.

Met het oog op het ontlasten van budgethouders die te goeder trouw zijn en het fraudebestendiger maken van het Pgb, kan de gemeente zorgverleners rechtstreeks aanspreken wanneer de intrekking of herziening het gevolg is van het toerekenbaar handelen van de zorgverlener (zie bijlage: Derdenbeding).

Artikel 8a. Opschorting betaling uit het pgb Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als: a. Er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is van misbruik of oneigenlijk gebruik van het pgb. b. Als een pgb-houder langer dan 2 maanden verblijft in een instelling waarin de zorg (vanuit andere) wetgeving wordt geboden. c. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek aan de SVB

Hoofdstuk 3 Voorzieningen Paragraaf 1 Vervallen Artikel 9. Vervallen Artikel 10. Vervallen

Paragraaf 2 Voorzieningen op grond van de Wmo

Artikel 11 Algemene voorzieningen op de grond van de Wmo 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde of door een particulier initiatief en gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning. 2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve begeleidingsen dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3. De algemene voorziening is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken: a. de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren; b. de inwoner kan deelnemen aan de samenleving; c. de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren; d. de inwoner heeft een structuur/invulling van de dag; e. de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit; f. de inwoner heeft onderdag; g. de materzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast; 4. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 11a Maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en resultaatgebieden

1. Een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp kan toegekend worden om een van de volgende resultaten te bereiken: a. schoon en leefbaar huis; b. belanghebbende beschikt ove goderen voor primaire levensbehoeften; c. belanghebbende beschikt over schone, draagbare en doelmatige kleding en schoon beddegeod; d. kinderen die tot het gezin behoren worden thuis door belanghebbende verzorgd; e. het voeren van een gestructureerd huishouden. 2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 11b Maatwerkvoorziening begeleiding 1. Een maatwerkvoorziening begeleiding kan toegewezen worden wanneer de in artikel 11 genoemde resultaten niet behaald kunnen worden met een algemene voorziening. Dit geldt in ieder geval voor: begeleiding en opvang van inwoners waar gezien de aard van de problematiek en aparte voorziening voor getroffen moet worden.

Artikel 11c Aanvullende voorwaarden voor maatwerkvoorziening Wmo 1. Een inwoner die beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie ondervindt, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie van de inwoner zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, indien: a. de maatwerkvoorziening de inwoner ondersteunt bij het zich handhaven in de samenleving; b. de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang; c. de maatwerkvoorziening een situatie realiseert waarin de inwoner (indien mogelijk) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. [vervallen] 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt, als: a. de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,of; b. de eerder verstrekte voorziening vervroegd technisch is afgeschreven door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of; c. de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning. 4.

Hulpmiddelen en woningaanpassingen worden alleen verstrekt indien deze langdurig noodzakelijk zijn.

5. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 11d Maatwerkvoorziening Ondersteuning met wonen en Opvang 1.

Een maatwerkvoorziening Ondersteuning met wonen en Opvang kan worden toegekend aan een inwoner met psychische of psychosociale of psychiatrisch ziektebeeld en/of een inwoner die dak- en/of thuisloos is geraakt. De maatwerkvoorziening: a. ondersteunt de inwoner bij het zich handhaven in de samenleving; b. levert een passende bijdrage aan de behoefte van de inwoner aan Ondersteuning met wonen of Opvang; c. realiseert een situatie waarin de inwoner (indien mogelijk) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Het college kan Ondersteuning met wonen verstrekken aan inwoners: a. Vanaf minimaal 18 jaar. b. Waar sprake is van diagnostiek rondom een psychische aandoening of een ernstig vermoeden van een psychische aandoening en/of sprake van psychosociale problematiek. Als diagnose niet mogelijk is moet er sprake zijn van aantoonbaar onvermogen om zichzelf staande te houden in een zelfstandige woning. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ of Maatschappelijke opvang. c. Waar geen voorliggende voorzieningen mogelijk zijn (Wlz, Zvw, Jeugdwet, Participatiewet). d. Waar op het moment van onderzoek geen sprake (meer) is van een klinische behandeling (Zvw) of de klinische behandeling zal binnen uiterlijk 60 dagen eindigen. e.

Die stabiliteit en structuur nodig hebben. f. Die tijdelijk of nog niet zelfstandig kunnen wonen. g. Die behoefte hebben aan 24/7 toezicht en/of oproepbaarheid van ondersteuning. 3. Het college kan Opvang verstrekken aan inwoners waar sprake is van: a. Dak- en/of thuisloosheid: als gevolg van psychische problemen, schulden, verslaving en/of werkeloosheid heeft de inwoner geen onderdak en adres om te wonen of te logeren. b. Onvoldoende steunend netwerk: de inwoner heeft geen familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en/of buren die praktische, sociale of emotionele steun kunnen bieden. c. Onvoldoende zelfredzaam zijn: de inwoner heeft onvoldoende vermogen om zichzelf te redden op alle leefgebieden. 4. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit artikel.

Paragraaf 3 Voorzieningen op grond van de Participatiewet en IOAW/IOAZ Artikel 12. Ondersteuning en voorzieningen voor arbeidsinschakeling 1. Het college biedt aan een belanghebbende ondersteuning of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 2. De omstandigheden zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik kan maken van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot 5 jaar; b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. 3. Aan de belanghebbende als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a onder 4 en 7 van de Participatiewet kan het college een bijdrage vragen in de kosten van de voorziening. Deze bijdrage wordt bepaald op basis van de draagkracht bijzondere bijstand die door het college vastgesteld is. 4. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan de inzet van een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 5. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt geen belanghebbende is op grond van de verordening;

b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 6. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt geen belanghebbende is op grond van de verordening; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; d.

de voorziening naar het oordeel van het college niet langer bijdraagt aan een duurzame arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Artikel 13. De voorzieningen 1. Onder de voorzieningen voor arbeidsinschakeling vallen in ieder geval de volgende voorzieningen: a. Werkervaringstraject/stage b. Proefplaatsing c. Scholing en/of opleiding d. Job coaching e. Bemiddeling f. Vervallen g. Vervallen h. Vervallen i. Sociale activering j. Aanpassingen op de werkplek k. Opstapsubsidie l. Loonkostensubsidie 2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel. 3. Het college kan een voorziening in de vorm van een proefplaatsing aanbieden voor de duur van maximaal 2 met de mogelijkheid om deze maximaal 4 maanden te verlengen. Als de proefplaatsing naar het oordeel van het college bijdraagt met het doel om werkervaring op te doen met behoud van uitkering. Het betreft werkervaring in de toekomstige functie bij de werkgever, voorafgaand aan een regulier dienstverband, om daarmee uitval na indiensttreding te voorkomen. 4. Het college biedt een proefplaatsing aan: indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en hierdoor geen verdringing van reguliere arbeid plaatsvindt; a. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, b. of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en

c.

de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 5. Tussen partijen wordt in ieder geval vastgelegd: Het doel en de periode van de proefplaatsing en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 6. Het college weigert de voorziening genoemd in lid 3 als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. 7. Als de werkzaamheden op de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. 8. Het college kan een voorziening in de vorm van Jobcoaching aanbieden als er sprake is van een dienstbetrekking en ondersteuning noodzakelijk is voor het verrichten van taken op de werkplek. Het doel van jobcoaching is het bieden van ondersteuning en begeleiding op de werkplek om ervoor te zorgen dat de werkzaamheden zo zelfstandig mogelijk verricht kunnen worden. 9. Het college kan ambtshalve of op aanvraag persoonlijke ondersteuning in de vorm van jobcoaching aanbieden: a. voor de duur van 12 maanden, tenzij 6 maanden naar het oordeel van het college voldoende is; b.

in de vorm van jobcoaching in natura door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van [(de gemeente) OF (een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht)]. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst OF gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan; c. in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor jobcoaching door een interne of externe jobcoach; 10. Tussen partijen wordt in ieder geval vastgelegd: het doel en de periode van de jobcoaching en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 11. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: a. de jobcoach heeft een HBO-opleiding met succes afgerond of beschikt over (tenminste) HBO werk- en denkniveau; en b. de jobcoach heeft een opleidingsmodule voor jobcoach gevolgd en een diploma of certificaat behaald c. de jobcoach van de organisatie, die de externe jobcoach levert, dient te voldoen aan het erkenningskader van het UWV of aan vergelijkbare eisen. Dit dient naar het oordeel van het college op verzoek voldoende te worden aangetoond met bewijsstukken. 12. De tarieven van jobcoaching zijn afhankelijk van de soort jobcoaching die wordt ingezet. Deze tarieven zijn gebaseerd op de normtarieven van het UWV volgens het begeleidingsregime licht. a.

Voor jobcoaching via een externe of gemeentelijke jobcoach wordt het geldende uurtarief van het UWV gehanteerd b. Voor jobcoaching via een interne jobcoach in dienst van de werkgever wordt een vast bedrag aan de werkgever toegekend. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat UWV hanteert voor de interne begeleiding bij een werkweek van 24 uur of meer. Indien een werknemer minder dan 24 uur werkt of korter dan 12 maanden, wordt het bedrag naar rato naar beneden bijgesteld. c. Voor jobcoaching tijdens de proefplaatsing geldt een vast bedrag dat overeenkomt met het bedrag dat het UWV hiervoor hanteert.

Artikel 13a Voorzieningen belanghebbende met arbeidsbeperking 1. Naast de voorzieningen genoemd in artikel 13, kan het college een voorziening verstrekken ten behoeve van een belanghebbende met een arbeidsbeperking. Het betreft de voorzieningen: a. persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoaching en interne werkbegeleiding) b. vervoersvoorzieningen c. intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap d. meeneembare voorziening

2. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. 3. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

Artikel 13b Voorwaarden en procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet aanbieden ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Het college kan overige voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet aanbieden ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 3. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, de volgende voorwaarden: a. de persoon is minimaal achttien jaar oud, tenzij diegene VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel. 4.

Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. 5. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 6. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 7. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 8. Het college besluit binnen 8 weken op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. 9. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening.

Artikel 13c Voorzieningen belanghebbende met arbeidsbeperking 1. Het college kan voor interne begeleiding een training bieden aan de werkgever indien de belanghebbende met een arbeidsbeperking voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor één medewerker per belanghebbende om hem interne werkbegeleiding te bieden.

Artikel 13d Vervoersvoorziening

1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking op grond van artikel 26 nadere regels niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en is op basis goedkoopst adequaat tarief. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

Artikel 13e Intermediaire activiteit Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.

Artikel 13f Meeneembare voorziening 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

Artikel 14. Scholing 1. De scholing en/of opleiding als bedoeld in artikel 13 onder c van deze verordening moet gericht zijn op arbeidsinschakeling en is gemaximeerd tot het niveau van een startkwalificatie. 2. Het college kan op individuele gronden besluiten de in het eerste lid bedoelde scholing en/of opleiding op een hoger niveau vast te stellen.

Artikel 15. Premie en scholing bij participatieplaats 1. Het college verstrekt aan belanghebbende die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht volgens artikel 10a lid 6 van de Participatiewet een premie van telkens € 200 per zes maanden. 2. De premie kan worden geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden. 3. De scholing en/of opleiding als bedoeld in artikel 10a lid 5 van de Participatiewet moet gericht zijn op arbeidsinschakeling en is gemaximeerd tot het niveau van een startkwalificatie.

Artikel 16. Beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan een belanghebbende die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. 2. Om het in artikel 10b lid 1 van de Participatiewet bedoelde beschut werken mogelijk te maken, kan het college in ieder geval de volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 3. [vervallen] 4. [vervallen] 5. [vervallen]

Artikel 17. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1. Het college stelt vast of een belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:

a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7 lid 1 sub a van de Participatiewet; b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. 4. Het aanvraagproces loonkostensubsidie is beschreven in bijlage 2.

Artikel 18. Vaststelling loonwaarde 1. Het college gebruikt de in bijlage 1 omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 2. Het UWV adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Het UWV neemt daarbij de in bijlage 1 omschreven methode in acht.

Artikel 19. No-riskpolis vervalt

Artikel 20. Sociale activering 1. Het college kan aan een belanghebbende activiteiten aanbieden in het kader van participatie in de maatschappij gericht op arbeidsinschakeling als de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. 2. Het college stemt de activiteiten en duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

Artikel 21. Onkostenvergoeding 1. Het college kan in aanvulling op voorliggende voorzieningen een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten in het kader van re-integratie. Deze vergoeding geldt alleen voor uitkeringsgerechtigden volgens de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Het gaat hierbij in ieder geval om: a. reiskosten b. kinderopvang c. overige kosten 2. Het college stelt nadere regels vast over de toekenning van de in lid 1 bedoelde vergoedingen.

Artikel 21a Reiskosten 1. Het college kan aan de belanghebbende een vergoeding verstrekken voor de gemaakte kosten voor vervoer, voor zover het college dit vervoer noodzakelijk acht voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen die verbonden zijn aan arbeidsinschakeling. 2. In afwijking van lid 1 wordt de belanghebbende binnen een reisafstand van 10 kilometer (enkele reis) geacht te kunnen lopen of fietsen en komen reiskosten niet in aanmerking voor vergoeding. Dit wordt berekend van vertrekadres tot bestemmingsadres via Routenet.nl (kortst mogelijke route met de fiets). 3. Het college kan besluiten van lid 2 af te wijken, als lopen of fietsen vanwege de persoonlijke situatie, redelijkerwijs niet van de belanghebbende verlangd kan worden. 4. Vergoeding van reiskosten vindt plaats op basis van de kosten van openbaar vervoer tweede klasse, waarbij de goedkoopste mogelijkheid vergoed wordt. 5. In uitzonderingsgevallen kan overgegaan worden tot vergoeding van de kosten van eigen vervoer; voor de bepaling van de kosten wordt aangesloten bij de maximale onbelaste vergoedingen volgens de belastingwetgeving, waarbij de kortste reisafstand gehanteerd wordt. 6. De vergoeding wordt periodiek uitbetaald. 7. Gemaakte reiskosten kunnen tot maximaal drie maanden na de periode waarop ze betrekking hebben gedeclareerd worden.

Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Wmo Artikel 22.Vervallen .

Artikel 23. Vervallen Artikel 24. Vervallen Artikel 25.Vervallen. Artikel 26. Regels voor bijdragen in de kosten van Wmo voorzieningen 1. Voor een algemene voorziening wordt door de gemeente geen bijdrage in de kosten gevraagd. 2. Voor maatwerkvoorziening (in natura of pgb) kan een bijdrage in de kosten gevraagd worden overeenkomstig Besluit maatschappelijke ondersteuning, zolang belanghebbende gebruik maakt van de maaatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt en afhankelijk van het inkomen en vermogen van belanghebbende en zijn echtegeno(o)t(e) of partner. 3. Het college vraag geen bijdrage voor: a. voorzieningen voor minderjarigen; b. een rolstoel en het onderhoud hiervan, maar voor voorzieningen die van de rolstoel een vervoersvoorziening maken, wordt wel een bijdrage gevraagd; c. het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV), hiervoor wordt een gereduceerd tarief (ritbijdrage) aan de belanghebbende gevraagd; d. vergoeding voor verhuiskosten , woningsanering, autokosten en sportvoorzieningen. e. woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten. 4. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb is gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura tot ten hoogste het bedrag als bedoeld in artikel 2.1.4a lid 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

5. Vervallen. 6. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb wordt gevraagd zolang de voorziening gebruikt wordt tot de kostprijs bereikt is. 7. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb wordt vastgesteld en geind door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). 8. [vervallen]

Artikel 27. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college bepaalt in nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente bestaat.

Artikel 28. Maatwerkvoorziening inkomensondersteuning 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo op aanvraag aan inwoners die aantoonbaar meerkosten hebben ten gevolge van een langdurige hoge zorgvraag en die in die kosten niet of niet volledig uit eigen inkomen en/of vermogen kunnen voorzien, een maatwerkvoorziening inkomensondersteuning verstrekken ter ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie. 2. Het college stelt nadere regels vast over de toekenning van de in het eerste lid genoemde voorziening.

Artikel 29. Klachtenregeling en medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten en voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen en medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 30. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner;

b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. d. De kwaliteitseisen waar zowel de maatwerkvoorzieningen in zorg in natura als in PGB aan moeten voldoen zijn opgenomen in bijlages 3 en 4 bij deze verordening. 2. In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 3. Het college kan een nader beleidskader voor toezicht en handhaving Wmo (het handhavingskader) vaststellen dat richting geeft aan de wijze waarop toezicht wordt gehouden, overtredingen worden beoordeeld en handhavingsinstrumenten worden ingezet.

Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo [vervallen]

Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Participatiewet en IOAW/IOAZ Paragraaf 1 Tegenprestatie Artikel 31. Inhoud van de tegenprestatie Het college kan naar vermogen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden opdragen die re-integratie niet als doel hebben en worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Artikel 32. Verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie 1. Het college kan in ieder geval een tegenprestatie naar vermogen opleggen aan: a. belanghebbenden met een bijstandsuitkering die na ondersteuning richting werk geen reguliere betaalde baan hebben gevonden; b. belanghebbenden die naar oordeel van het college baat hebben bij het leveren van een tegenprestatie om isolement op te heffen/te voorkomen en het welbevinden te bevorderen. 2. Bij het opleggen van de verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende worden in aanmerking genomen; c. als een belanghebbende al betaalde arbeid, vrijwilligerswerk of mantelzorg (zoals bedoeld in de Wmo)verricht, wordt daarmee rekening gehouden.

Artikel 33. Duur en omvang van de tegenprestatie De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 500 uur per jaar en maximaal 20 uur per week.

Artikel 34. Geen werkzaamheden voorhanden 1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden, als bedoeld in artikel 31 van deze verordening, voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 2. Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college periodiek of op dat moment wel dergelijke werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Paragraaf 2 Individuele inkomenstoeslag en studietoeslag Artikel 35. Indienen verzoek

Een verzoek, als bedoeld in artikel 36 lid 1 en artikel 36b lid 1 van de Participatiewet wordt schriftelijk ingediend.

Artikel 36. Langdurig laag inkomen Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36 lid 1 van de Participatiewet als gedurende een referteperiode van 3 jaar het in aanmerking te nemen inkomen gemiddeld niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 sub c van de Participatiewet.

Artikel 37. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag wordt berekend van de norm genoemd in artikel 21 onderdeel b van de Participatiewet die geldt op 1 januari van het betreffende kalenderjaar en bedraagt per 12 maanden afgerond in hele euro's voor: a. alleenstaanden 30% van deze norm; b. alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar: 35% van deze norm; c. alleenstaande ouders met tenminste 1 kind in de leeftjd van 12 jaar tot 18 jaar: 40% van deze norm; d. gehuwden: 40% van deze norm; e. gehuwden met ten minste 1 kind in de leeftijd van 12 jaar tot 18 jaar : 45% van deze norm; f. gehuwden ten minste 1 kind van 12 jaar en ouder: 45% van deze norm. 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individueleinkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13 van de Participatiewet, komtde rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden met inachtneming van artikel 32 lid 3 van de Participatiewet.

Artikel 38. Voorwaarden individuele studietoeslag [vervallen] Artikel 39. Hoogte en betaling individuele studietoeslag [vervallen]

Paragraaf 3 Afstemming Paragraaf 3.1. Niet of onvoldoende meewerken aan een verplichting tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie met uitzonderingvan de verplichtingen in artikel 18, lid 4 van de Participatiewet Artikel 40. Gedragingen Participatiewet Belanghebbende wordt geacht zich te houden aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9, 9a en 55 van de Participatiewet. Het college legt een maatregel op wanneer een belanghebbende zich schuldig maakt aan een van de onderstaande gedragingen. De gedragingen zijn onderverdeeld in vier categorieën. a. eerste categorie: 1. Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of; 2. Het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering indien dit in het Plan Inburgering en Participatie is bepaald. b. tweede categorie: 1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet of het opstellen van een individueel plan van aanpak; 2.

het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 lid 1 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 van de Participatiewet;

3. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub b van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsverplichting voor een alleenstaande ouder, als bedoeld in artikel 9a lid 1 van de Participatiewet; 4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub c van de Participatiewet. c. derde categorie 1. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren; 2. het niet meewerken aan een nadere verplichting gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet. d.vierde categorie: Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden of te behouden voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet.

Artikel 41. Gedragingen IOAW/IOAZ Belanghebbende wordt geacht zich te houden aan de verplichtingen zoals genoemd in de artikelen 37 en 38 van de IOAW of IOAZ. Het college legt een maatregel op wanneer een belanghebbende zich schuldig maakt aan een van de onderstaande gedragingen. De gedragingen zijn onderverdeeld in vier categorieën. a. eerste categorie: Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. b. tweede categorie: 1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen van een individueel plan van aanpak; 2. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37 lid 1 sub e van de IOAW of IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsverplichting voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid 12 van de IOAW of IOAZ; 3. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37 lid 1 sub f van de IOAW of IOAZ. c. derde categorie: Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. d. vierde categorie: 1. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=48a7aede-06c1-4d73-ae5c-08edf9f6672c