CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Deel 1 - Set bijlagen (geanonimiseerd)

Besluitvormende raadsvergadering 25 september 2025, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Instemmen met verklaring van geen bedenkingen voor aanleg natuur op een aantal agrarische percelen in noordelijk deel Polder Westveen te Woerdense Verlaat (2025-071)27.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

schraalland en/of vochtig hooiland. Vernatting (met name in de zomerperiode) van de fosfaatrijke toplaag zal leiden tot fosfaatmobilisatie (interne eutrofiëring), en daarmee tot ongewenste verruiging, doordat ijzergebonden fosfaat wordt

gemobiliseerd. Maatregelen om de fosforconcentraties in de bodem te verlagen zijn: verschralingsbeheer (maaien en afvoeren), uitmijnen (maaien en afvoeren in combinatie met toedienen van specifieke meststoffen of

mineralen) en het afgraven (plaggen) van de fosfaatrijke toplaag. Het is afhankelijk van de fosforgehalten te verwachten dat verschraling door maaibeheer of uitmijnen lokaal erg lang zal duren. Het dient te worden voorkomen dat de nu permanent natte, nog intacte, veenbodem (onder, maar deels ook boven, de huidige gemiddeld laagste grondwaterstand) in de toekomstige situatie door bijvoorbeeld het instellen van een flexibe! peilbeheer kan droogvallen. Door het afgraven van de toplaag verliest het perceel aan draagkracht waardoor een maaibeheer alleen plaats kan vinden met speciale machines. Het geforceerd aflaten van water in de zomer om een maaibeheer mogelijk te maken kan Ieiden tot ernstige mineralisatie van het veen (Van de Broek et al., 2018) en moet worden voorkomen. Deze veenafbraak/mineralisatie kan leiden tot verruiging (fosfaat en nitraatmobilisatie) en verzuring. Dit kan op termijn leiden tot een slechte vegetatieontwikkeling/verruiging. De mineralisatie kan worden beperkt door zo snel mogelijk een dichte vegetatieontwikkeling te realiseren, middels maaisel opbrengen na afgraving. De veengronden dienen zo nat mogelijk te worden gehouden met beperkte (maximaal 10-20 cm) droogval in de zomerperiode.

12 B.WARE, 2018. Bodemchemisch onderzoek voormalige landbouwgronden Polder Westveen — onderzoek naar de natuurontwikkelingsmogelijkheden, concept rapportage.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

RP-18.073.18.62

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

24

ì«\’Royal

HaskoningDHV

Figuur 2-13 Fosfaatgehalten in de toplaag (links) en op enkele decimeters diepte (rechts).

2.4.5

Bron:

rapportage B-WARE

(2018)

Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven

Op 6 oktober 2023 heeft REASeuro het rapport van een historisch vooronderzoek m.b.t. niet gesprongen explosieven (NGE) geleverd voor de locaties Westveen en Noordse Buurt (RO-230142 v1.0). Uit het onderzoek is gebleken dat er binnen de projectlocatie geen aanwijzingen zijn voor het achterblijven

van NGE. Om deze reden is geen NGE-Verwachtingsgebied afgebakend. In de projectlocatie kunnen grondroerende werkzaamheden regulier doorgang vinden. Wel wordt geadviseerd om het ‘Protocol spontaan aantreffen NGE' in acht te nemen.

2.5

_ Kabels en leidingen

In het projectgebied van Westveen zijn met name langs de randen van het plangebied kabels en leidingen aanwezig. De raakvlakken met het schetsontwerp zijn in opdracht van het programmabureau door Syntax medio 2022 in beeld gebracht. De relevante raakvlakken zijn in navolgende figuren geduid.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

25

ì‘%Royal

HaskoningDHV

Figuur 2-14 Middenspanningskabel in noordoosthoek van het plangebied

Onder de watergang waar het inlaatwater vanuit de Kromme Mijdrecht het gebied instroomt is een gezinkerde middenspanningskabel aanwezig.

Figuur 2-15 Rioolpersleiding en waterleiding aan oostzijde

Aan de oostzijde van het plangebied zijn een rioolpersleiding (63 mm) van de gemeente Nieuwkoop en drinkwaterleidingen (50 mm PE en 40 mm PVC) van Vitens aanwezig. Daarnaast loopt er een laagspanningskabel door het perceel noordelijk van Westveensekade 11.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

2

ìäîoyal

HaskoningDHV

Een rioolpersleiding (90 mm) van de gemeente Nieuwkoop (gestuurde boring op een diepte van ca. 6,5 m) raakt aan de zuidzijde het plangebied. Langs de Uitweg aan de westzijde van het plangebied kruisen diverse huisaansluitingen de watergang langs de Uitweg. Deze watergang ligt echter buiten de scope van het werk en de betreffende kabels en leidingen worden verder buiten beschouwing gelaten. 26

Recreatie

Er zijn in en direct rondom de Polder Westveen enkele paden en voorzieningen aanwezig ten behoeve van recreatie:

e

wandelpaden: 0,. het Marskramerpad (langs de Kromme Mijdrecht) en het Pietersenpad, dat momenteel west-oost loopt tussen de Uitweg en de kade van de Kromme Mijdrecht;

e

enkele bankjes;

e … een informatiebord aan de westelijke toegang tot het Pietersenpad. Er is geen openbare parkeergelegenheid. geparkeerde auto's langs de Uitweg.

Er wordt overlast ervaren door omwonenden als gevolg van

Het pad aan de zuidkant van de Noordse Buurt is openbaar toegankelijk en is onderdeel van de ontwikkeling van het ‘rondje Noordse Buurt’. Hier zullen een aantal parkeerplaatsen worden gerealiseerd in het kader van het project Noordse Buurt die ook gebruikt kunnen worden om vandaar uit via het Pietersenpad Westveen te betreden.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

27

î«_Royal

HaskoningDHV 3

Randvoorwaarden

31

Beleidskader

3.1.1

Europees beleid

en

Polder Westveen maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck!? (Figuur 3-1). Voor dit Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor een aantal habitattypen die karakteristiek zijn voor het laagveengebied (onder andere Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), Blauwgraslanden (H6410), Ruigten en zomen (H6430) en Hoogveenbossen (H91D0), en daarnaast voor het leefgebied van een aantal diersoorten, waaronder de smient, purperreiger, grote zilverreiger, zwarte stern, noordse woelmuis en gestreepte waterroofkever.

m v

Nieuwkoopse Piassen

&

De Haeck

Figuur 3-1 Begrenzing Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (geel).

* httos:/www.natura2000. nl/gebieden/zuid-holland/nieuwkoopse-plassen-de-haeck

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

28

ì‘%Royal

HaskoningDHV 3.1.2

Provinciaal

beleid

Tevens is Westveen deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, zie Figuur 3-2). Het NNN is verankerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. In het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2023 is voor de hele provincie aangeven waar nieuwe natuur moet

komen, waar welk (agrarisch) natuurbeheer mogelijk is en welk type landschap waar gewenst is. Het plan wordt jaarlijks herijkt. De subsidieverlening voor natuurbeheer in de provincie Zuid-Holland vindt plaats op

basis van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer (SNL). In het Natuurbeheerplan staan de doelen en ambities beschreven die als basis dienen voor deze subsidieregeling.

5

$

lam Korr, ‚ Woerdense Verlaat Figuur 3-2 Begrenzing Natuumetwerk Nederland. Bron: provincie Zuid-Holland'®

** https:/www.zuid-holland.nl/onderwerpen/natuur-landschap/natuurrijk-zuid/ontwikkeling

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

2

ì‘ Royal HaskoningDHV Op de beheertypenkaart (Figuur 3-3) staat de actuele natuursituatie voor het (agrarisch) natuurbeheer. Op deze kaart staat het bestaande natuurgebied in Westveen. De beheertypenkaart geeft aan voor welk natuur- of landschapsbeheertype er in dit natuurgebied momenteel subsidie voor natuurbeheer kan worden verstrekt. Voor Polder Westveen betreft het zoete plas (N04.02), vochtig hooiland (N10.02) (buiten het plangebied), kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) en hoog- en laagveenbos (N14.02). De rest van de polder staat op de ambitiekaart van de provincie aangegeven als ‘Nog om te vormen naar natuur’. +

E

no4.02: zoete plas

E

N10.02: vochtig hooitand

-

N12.02: kruidenen faunarijk grasland

-

N14.02: hoog- en laagveenbos

Figuur 3-3 Beheertypenkaart uit Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2023. Bron: Provincie Zuid-Holland

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

30

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV 3.2

Gemeentelijk beleid

3.2.1

Structuurvisie Nieuwkoop 2040

Het plangebied Westveen valt volgens de Structuurvisie Nieuwkoop 2040 in de zogenaamde “levendige groene zone” van het gemeentegebied van Nieuwkoop. Het deelgebied Nieuwkoopse Plassen van de gemeente kenmerkt zich door de aanwezigheid van (water-)natuur, recreatie, en wonen aan het water. De gemeente beschouwt het wonen en werken in dit gedeelte als verknoopt met recreatie en toerisme (wandelen, fietsen, vissen, kanoën). Voorwaarde is dat het gebruik de natuur niet verstoort en het gebied voor de recreatie passend ontsloten wordt en er voldoende parkeergelegenheid is. De Nieuwkoopse Plassen zijn in 2040 een natuurgebied van formaat waar ook sommige passende vormen van extensieve recreatie plaatsvinden.

3.2.2

Landschapsontwikkelingsplan Rijn- en Veenstreek

In 2009 hebben de gemeenten Alphen aan den Rijn, Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Rijnwoude, gezamenlijk een Regionaal Landschaps Ontwikkelings Plan (LOP) opgesteld. Het LOP is een beleidskader voor het behoud van bestaande landschappelijke kwaliteiten. Samengevat komt dat neer op: “Wees zuinig op de karakteristieke landschappen en waarborg de kwaliteit ervan voor de toekomst”.

3.2.3

Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP)

Vanuit het Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan is n de afgelopen periode ingezet op onder andere uimte voor recreatieverkeer door verbetering en uitbreiding van recreatieroutes, routeaanduiding en het realiseren van transferpunten.

3.2.4

Bestemmingsplan

Voor Polder Westveen is nu van kracht het bestemmingsplan Landelijk Gebied Nieuwkoop (2016). Het beleid op de gronden met de bestemming 'Natuur' is zoveel mogelijk gericht op het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden. Daarom zijn gronden met deze bestemming hiertoe hoofdzakelijk bestemd. Op gronden met de bestemming ‘Natuur is ook ondergeschikt extensief agrarisch beheer, bestaande uit het weiden van vee, mogelijk. Voorts is eveneens ondergeschikt extensief recreatief medegebruik, zoals wandelen en fietsen, op deze gronden toegestaan. De natuur- en landschapswaarden in deze zones worden beschermd door gebruiksverboden en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Het beleid op de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' staat beperkt specifieke agrarische activiteiten toe, maar is daarnaast ook gericht op het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden. De natuur- en landschapswaarden worden ook in deze zones beschermd door gebruiksverboden en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

Er zijn n het plan geen mogelijkheden opgenomen om nieuwe individuele of grootschalige (intensieve) verblijfsrecreatieve voorzieningen te kunnen ontwikkelen. Uitzondering vormen nieuwe kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen (zoals kamperen en kleinschalige logiesaccommodaties). Vanuit het bestemmingsplan gelden daarnaast planologische regels voor de molenbiotoop van de Westveense Molen in Polder Westveen. Deze leggen beperkingen op aan de hoogte van zowel de bebouwing als de beplanting binnen de molenbiotoop (zie ook paragraaf 2.1.3.1).

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

E

> Royal HaskoningDHV 3.3

Eisen standplaatsen en leefgebieden

Hieronder

volgt een beschrijving van de van toepassing zijnde natuur(beheer)typen en hun kenmerken

Het betreft:

laagveenbos,

kruiden- en faunarijk grasland,

3.3.1

Natuur(beheer)typen

3.3.1.1

Laagveenbos

Laagveenbos

(N14

) is bos op (Zur invloed

plekken,

moerasplanten.

internationaal

word

Laagveenbos

kenmerkt

mossen

22

april2

en

van

Bij veel

opi

venig

odem.

ervlaktewater

invloed

c

0.a.

door:

els,

Water

veenmoeras en zoete plas

bepaalt hier voor een groot deel ater

is, domineren

zwarte

van neerslag domineert de zachte berk.

n laagveenbossen bedreigd door v zich

nat schraalland,

zachte

WESTVEEN

DEFINITIEF

els en,

op

open

Nationaal en

ng, versnippering en eutrofiering ilg, wilde gagel en katwilg,

kranswieren.

DO

de

8574

RP-Z0

maar ook

> Royal HaskoningDHV 3.3.1.2

Kruiden- en faunarijk grasland

Het natuurtype kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) kan voorkomen op diverse bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk karakter. of gehooid en niet bemest'5.

Het grasland wordt meestal extensief bew

Er worden geen strenge eisen gesteld aan fosfaatgehalten van de bodem

meestal kan middels maaien en afvoeren worden gezorgd voor voldoende openheid waarin kruiden en insecten kunnen gedijen. e

koekoeksbloem, e

Dit natuurtype kenmerkt zich 0.a.

door

verschillende grassoorten en bloeiende planten in grasland met als specifieke soorten 0.a. grote ratelaar en egelboterbloem

vlinders zoals oranje tipje,

argusvlinder en kleine vuurvlinder zijn gebaat bij de variatie in structuur

(hoge en lage vegetatie),

DO

echte

WESTVEEN

DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZXX-RP-Z-0

id

> Royal HaskoningDHV 3.3.1.3

Nat

schraalland

Nat schraalland (N10.01) is eveneens een zeldzaam natuurtype dat erg gevoelig is voor milieuvervuiling. Dit natuurtype heeft een hoge natuurwaarde. vochtige en natte bodems.

Het is een grazige,

laagproductieve graslandbegroeiing op

Deze hebben een hoge soortenrijkdom, vooral wat betreft de flora.

voortbestaan ervan is afhankelijk van jaarlijks maaien en afvoeren van het maaisel. kenmerkt zich door diverse flora en fauna, ver

hillende soorten orchideeën,

(moeras- en gouden sprinkhaan),

0.a.

klokjesgentiaan, blauwe knoop,

wulp en veldleeuwerik,

Spaanse ruiter,

vlinders (zoals de zilveren maan),

uitzakken in de droge periode (Figuur 3-7).

in de natte periode nodig zijn, die (ondiep)

In vergelijking met vochtig hooiland gedijen natte

schraallanden onder iets minder natte omstandigheden;

in de zomerperiode mag het grondwater wat

dieper uitzakken en in de winterperiode hoeft het water niet per se boven maaiveld streefconcentratie voor Olsen-P ligt tussen 200-350 micromol

WESTVEEN

sprinkhanen

bijen en andere soorten insecten

Ook voor nat schraalland geldt dat hoge grondwaterstanden

DO

Het

Nat schraalland

DEFINITIEF

per

liter bodem

BIS747-RHD-Z

te staan.

(B-WARE

De

2018)

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV nat schraalland

14

99 -99

12

-

g

14

e

kuel

00 000

025

030

075

100

125

150

175

200

mmidag

Figuur 3-7 Standplaatseisen met betrekking tot grondwaterpeilen en kwel voor nat schraalland (Gebaseerd op Bijf2-normen voorts aangepast op basis van gebiedskennis)

3.3.1.4

Veenmoeras

Veenmoerassen (N05.03) zijn gelegen in historisch laag- en eventueel hoogveengebieden. Veenmoeras omvat open begroeiingen van riet, isdodde en biezen in water, rietlanden en rietruigten. Hierin weerspiegelt zich de overgang van water naar land. Aan de waterkant vormen losgeslagen planten drijfilen met waterscheerling, zeggen, galigaan en slangenwortel. Veenmoeras is van groot belang voor vogels, libellen, vissen, amfibieën en enkele zoogdieren als otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Goed ontwikkelde moerassen behoren tot de meest soortenrijke levensgemeenschappen in Nederland, en zijn daarom van groot belang voor de Nederlandse natuur. De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 m. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en -20 em.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

35

ì‘ Royal HaskoningDHV

Figuur 3-8 Streefbeeld veenmoeras (voorbeeld uit De Wieden)

3.3.1.5

Zoete plas

Het open water binnen het projectgebied omvat alle watergangen en petgaten en valt samen met het

natuurtype zoete plas (N04.02). Een natuurtype met van nature (matig) voedselrijk, helderen vrijwel stilstaand neutraal tot basisch water waarin waterplanten (breed- en smalbladige fonteinkruiden, smalle waterpest, krabbenscheer en planten met drijfbladbladeren zoals gele plomp) maar ook een soort als zwanenbloem groeien en verlanding vanaf de oever plaatsvindt. De variatie in vegetatie hangt af van factoren als wind, stroming, diepte, helderheid, de aanwezigheid van slib of baggeren het aanbod aan voedingsstoffen. Ook planten en dieren hebben een grote rol: watervlooien en algen waardoor het water helder blijft, bodemwoelende vis vertroebelt het water en waterplanten verminderen de golfslag waardoor de begroeiing uitbundiger is. Langs de oever groeien soorten als riet, mattenbies, grote egelskop en grote lisdodde.

Figuur 3-9 Streefbeeld zoete plas

De waterkwaliteit heeft bij voorkeur de volgende kenmerken: e hoog doorzicht en zuurstofgehalte; e

zwak (totaal-nitraat max. 0,6 mg/l, totaal-fosfaat max. 0,06 mg/l) tot matig eutroof (totaal-nitraat max. 10 mg/l, totaal-fosfaat max. 0,08 mg/!);

e _ zuurgraad (pH) neutraal tot basisch.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

3

ì\ Royal HaskoningDHV 3.3.2

Soorten

3.3.2.1

Purperreiger en grote zilverreiger

Foerageergebied voor deze twee reigersoorten bestaat uit plas-dras-oevers, moeras, graslanden met voorjaarsinundaties en andere natte structuurrijke graslanden. vis, grote insecten,

muizen en amfibieën.

Het voedsel dat wordt gezocht zijn kleine

De wateren waarin wordt gefoerageerd moeten een goede

kwaliteit hebben; een goed doorzicht is hierin vooral van belang omdat het zichtjagers zijn en de prooien in dergelijk water voorkomen

Figuur 3-10 Purperreiger en grote zilverreiger

3.3.2.2

Smient

De smient gebruikt voornamelijk grotere watergangen als slaapgebied en graast op wat voedserrijkere (vochtige) graslanden

Figuur 3-11 Smient

22 april 2024

DO

WESTVEEN

DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

37

kï\&Royal HaskoningDHV 3.3.2.3

Zwarte

stern

De foerageerbiotoop van de zwarte stern bestaat uit open water al dan niet met waterplantenvegetaties, randen van brede helofytenzones,

ruigtevegetaties en vochtige/natte graslanden.

name uit kleine vis, regenwormen

en grote (water)insecten (afhankelijk van het seizoen);

worden ook amfibieën gevangen.

Hij foerageert ook hoog in de lucht op grote en kleine insecten.

open wateren, jachtgebied.

maximaal

Het voedsel bestaat met in mindere mate Brede

1,5 meter diep, met waterplanten en helofytenrijke oevers vormen dan ook goed

De soort is verstoringsgevoelig en mijdt hoogopgaande elementen als bomen,

bosschages

en gebouwen

Figuur

3-12 Zwarte

3.3.2.4

stern (bron:

Ryan Shaw)

Otter

De otter zoekt voedsel in open wateren en natte ruigten (moerassen, bestaat hoofdzakelijk uit vis, amfibieën,

watervogels,

plas-dras-oevers).

Het voedsel

kleine zoogdieren en grote ongewervelden.

De soort

is gevoelig voor verstoring

DO

WESTVEEN

DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

3

î«’Royal

HaskoningDHV 3.3.2.5

Noordse

woelmuis

Deze soort voedt zich met plantaardig materiaal, met name zeggen en biezen. De biotoop bestaat uit natte en incidenteel overstroomde riet- en ruigtevegetaties en structuurrijke graslanden. In drogere omstandigheden wordt de noordse woelmuis meestal verdreven door veldmuis of aardmuis. Intensieve beweiding is ongunstig. De soort kan enkele kilometers overbruggen als er geen barrières zijn in de vorm van akkers, bebouwing, bos of andere drogere vegetatie.

Figuur 3-14 Noordse woelmuis

3.3.2.6

Gestreepte waterroofkever

Deze insectensoort komt voor in sloten met een redelijk tot goed ontwikkelde (en soortenrijke) submerse (ondergedoken) vegetatie en een meestal slecht ontwikkelde drijvende laag met waterplanten (zowel vrij drijvend als in de bodem). De waterkwaliteit moet goed zijn: helder, onvervuild, voedselarm tot matig voedselrijk (totaal-N max. 1,0 mg/| totaal-P max. 0,04 - 0,08 mg), pH 6,5-7,5. De diepte van de wateren ligt meestal tussen 40 en 160 om.

s

\

Figuur 3-15 Gestreepte waterroofkever (bron: Bureau Biota)

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

39

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV 4

Opmaat naar het definitief ontwerp

41

Vanuit schetsontwerp

In bijlage 1 en 2 zijn de relevante aspecten vanuit de fase van het schetsontwerp opgenomen die de basis hebben gevormd voor het proces en de inhoud van het definitief ontwerp. De meest relevante wijziging ten opzichte van het schetsontwerp betreft die van de waterscheidingen langs de Uitwegsloot. Deze zijn in het definitief ontwerp niet meer opgenomen.

42

Het proces en de route naar nieuwe inrichtingsmaatregelen

421

Omgeving betrokken

Als gangbaar onderdeel van de fase waarin een definitief ontwerp wordt opgesteld heeft een intensief omgevingsproces plaatsgevonden. Keukentafelgesprekken In de maanden juni en juli 2022 hebben keukentafelgesprekken plaatsgevonden met grondeigenaren en direct aanwonenden. Tijdens de keukentafelgesprekken is, gerelateerd aan het definitieve schetsontwerp, met name ingegaan op de planning van uitvoering, het baggeren van de watergangen, raakvlakken van de inrichtingsmaatregelen met het eigendom van de betreffende grondeigenaren en direct aanwonenden en indien aan de orde de gedachten over grondverkoop en/of particulier natuurbeheer. Naar aanleiding van de keukentafelgesprekken is op 30 juni 2022 door een aantal eigenaren/bewoners van Westveen een brief aan het Programmabureau gestuurd. In deze brief wordt de verbazing en ergernis beschreven over de gang van zaken rondom de vaststelling van het definitief schetsontwerp en wordt verzocht om een bijeenkomst met de adviesgroep Westveen te organiseren en de meningen en adviezen vanuit de eigenaren en bewoners serieus te nemen. Op 7 september 2022 is vervolgens door de eigenaren/bewoners een inhoudelijke reactie gegeven op het definitief schetsontwerp.

Adviesgroepbijeenkomsten Door het programmabureau zijn vanaf 19 september 2022 tot en met 13 februari 2023 zes bijeenkomsten georganiseerd waarin onder andere de standpunten uit de brief van 7 september 2022 gezamenlijk met de adviesgroep Westveen zijn behandeld. De bijeenkomsten met de adviesgroep Westveen waren de aanleiding voor met name: e

een heroverweging van het definitief schetsontwerp. Deze heeft geleid tot de beschouwing en afstemming van nieuwe inrichtingsvarianten (zie paragraaf 4.2.2);

e _ het uitvoeren van aanvullende hydrologische berekeningen door Waternet (zie paragraaf 4.2.3.5); e _ een analyse en advies met betrekking tot beheer en onderhoud (en verantwoordelijkheden daarin). Op 8 december 2022 is tijdens de adviesgroepbijeenkomst specifiek ingegaan op beheer en onderhoud;

e

onderzoek en advies over nut en noodzaak van plaggen ten behoeve van de ontwikkeling van nat schraalland;

e _ een toelichting op het proces en de besluitvorming vanuit de Provincie Zuid-Holland aangaande zelfrealisatie, minnelijke verwerving, onteigening in samenhang met het /provinciaal inpassingsplan (PIP)projectbesluit.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

“0

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV Op 6 maart 2023 is een adviesgroepbijeenkomst georganiseerd waarin nader is ingegaan op de noodzaak van het plaggen van percelen ten behoeve van de ontwikkeling van nat schraalland. Tevens is tijdens deze bijeenkomst nader ingegaan op broeikasgassen en stikstof. Het concept definitief ontwerp is 20 maart 2023 gepresenteerd aan de adviesgroep Westveen en naar aanleiding van het concept heeft de adviesgroep Westveen een advies uitgebracht dat op 11 april 2023 nader is toegelicht aan het programmabureau. De adviesgroep Westveen heeft daarnaast op 12 april het advies nader toegelicht tijdens een stuurgroepvergadering. Het advies van de adviesgroep Westveen was aanleiding voor: e _ aanvullend bodemchemisch onderzoek op percelen in het middengebied van Westveen (zie paragraaf 4.2.3.6); e _ herbeschouwing van een aantal maatregelen zoals opgenomen op de inrichtingskaart van het concept definitief ontwerp, met name beheerrouting (en de noodzaak van toepassen halfverharding) en omgang met verlande watergangen. In afstemming met Natuurmonumenten en adviesgroep Westveen zijn ten opzichte van het concept definitief ontwerp daarop een aantal wijzigingen doorgevoerd.

Projectgroepbijeenkomsten n de periode waarin het definitief schetsontwerp s uitgewerkt tot een definitief ontwerp is een aantal malen de projectgroep Westveen betrokken en meegenomen in het ontwerp- en omgevingsproces. Relevante

°

momenten:

variantenafweging uitvoeringswijze/bestemming vrijkomende bagger;

« _ afstemming nieuwe inrichtingsvarianten naar aanleiding van de weerstand vanuit de omgeving op het definitieve schetsontwerp; e _ bespreking conceptversie definitief ontwerp; e _ bespreking advies van de adviesgroep Westveen over het definitief ontwerp:

e _ bespreking resultaten aanvullend bodemchemisch onderzoek (zie paragraaf 4.2.3.6) voorafgaand aan de stuurgroepvergadering van 5 juli 2023.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

“

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV 4.2.2

Afweging inrichtingsvarianten watersysteem

Vanuit de omgeving was er met name weerstand tegen de waterscheidingen die in het definitieve schetsontwerp langs de Uitweg waren voorzien. Gezamenlijk met het projectteam van het programmabureau zijn daarom door RHDHV

een aantal inrichtingsvarianten van het watersysteem in

beschouwing genomen waarbij deze omgevingskwestie in acht is genomen. Daarbij

is onderscheid

gemaakt tussen varianten waarbij de inrichting in één keer zou worden gerealiseerd en varianten die in

twee fasen zouden worden uitgevoerd. Deze varianten en de afweging daarvan zijn vervolgens met de projectgroep Westveen

besproken en tijdens de adviesgroepbijeenkomst van 18 oktober 2022 zijn de

varianten zoals die zijn weergegeven

Defintief schetsontwerp Scenario optimaal inclusiefzuideljke percelen, Natuurwater gescheiden van water bebouwd gebied (blauwe viakken). Wateraanvoer via verlengde aanvoerroute. Fysieke scheiding langs Uitweg Vanwege diverse bezwaren en inbreng vanuit omgeving aanleiding voor vartantenafweging

in Figuur 4-1 aan de adviesgroep Westveen voorgelegd.

oosteijke

Natuurwater gescheiden van water bebouwd gebied. Wateraanvoer via Uitwegsloot difuus door Westveen. Afvoer eveneens via Uitwegsloot Fysieke scheiding overstortwater kern Woerdense Verlaat via teensloot aan oostzijde. Bij nadere beschouwing als iet realistisch ‘beoordeeid vanwege complex e realiseren gescheiden watersysteem aan oostzijde.

definitief

onwerp

Natuurwater tp.u Uitweg nietgescheiden van water bebouwd gebied kern Woerdense Verlaat, wel gescheiden van noordelijke recreatiezone. Wateraanvoer via noordoostzijde (preferent) en

Uitwegsloot dilfuus door Westveen. Afvoer eveneens via Uitwegsloot en noordoostzijde. Randvoorwaardelijk is echter dat geen bemesting meer plaatsvindt in Westveen en dat eventuele

bronnen vanuit de kern Woerdense Verlaat geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit

Figuur 4-1 Variantenbeschouwing watersysteem Westveen

Het voorstel voor het definitief ontwerp betreft een variant met een uitvoering in twee fasen. In dit definitief ontwerp zijn geen waterscheidingen meer aanwezig langs de Uitwegsloot. Randvoorwaardelijk is echter dat geen bemesting meer plaatsvindt in Westveen en dat eventuele bronnen vanuit de kem Woerdense Verlaat geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Voor de tussenfase zijn twee varianten mogelijk, zoals geduid in navolgende Figuur 4-2 en Figuur 4-3. Deze zijn aan de adviesgroep Westveen toegelicht. Uitgangspunt is dat de tussenfase met waterscheidingen aan de noordzijde zal worden gerealiseerd; volgens het waterschap zal als gevolg hiervan de huidige waterhuishoudkundige situatie niet verslechteren.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

42

ì‘ Royal HaskoningDHV Natuurwater deels gescheiden van water bebouwd

gebied en percelen waar bemesting plaatsvindt * Met aangepaste routing aanvoer en dammen op grond van Natuurmonumenten en eigenaren d geen bezwaar hebben tegen dammen (mogelijke loeaties dammen/waterscheidingen aangegeven

als rode lijn). Het betreft een definitieve situatie,

*

tenzij‘dode' slooteinden problematisch blijken, dan zullen deze bij realisatie eindsituatie verwijderd worden. Uitweg door gebied is grotendeels scheiding ‘tussen water noord en zuid (één aansluiting voor percelen Natuurmonumenten).

Feit s dat er nog uitwisseling zal plaatsvinden tussen “bemest’ water (dat via Uitwegsloot afvoert naar noorden) en afgedamde zijsloten in de Uitweg.

Natuurwater tpy Uitweg niet gescheiden van water ‘bebouwd gebied en zone waar bemesting plaatsvindt * Zonder fysieke scheiding langs Uitweg + Inlaatwater verspreidt zich via de noord-oostzijde

n via de Uitwegsloot diffuus door Westveen. +

Uitweg door gebiedis grotendeels scheiding tussen water noord en zuid (één aansluiting voor percelen Natuurmonumenten)

Randvoorwaardelij is dat riooloverstort en eventuele andere bronnen vanuit kern Woerdense Verlaat geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Feitis dat er nog uitwisseling zal plaatsvinden tussen “bemest’ water (dat via Uitwegsloot afvoert naar noorden) en natuurwater. Gevolg: geen verbetering van de waterkwaliteit

Figuur 4-3 Voorstel definitief ontwerp watersysteem,

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

n deze tussenfase

ussenfase zonder waterscheidingen

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

43

ì«\‚Royal

HaskoningDHV 42.3

Speci

4.2.3.1

Toepassing ijzerhydroxide

ke studies

en onderzoeken

In de fase van het schetsontwerp is reeds bepaald dat het niet-kosteneffectief en doelmatig is om alle bagger uit de watergangen te verwijderen. Als alle bagger zou worden verwijderd, dan is er een reëel risico aanwezig van weer snel optredende verweking van vaste bodem en afkalvende oevers. Niet-verwijderen van alle bagger resulteert in een blijvende fosfaatbelasting van het water vanuit de

resterende bagger!®. Uit een deskundigenoverleg tijdens de fase van het schetsontwerp volgde dat toepassing van ijzerhydroxide (goedbeschouwd ‘roest’) zeer zeker een effectieve maatregel zou kunnen zijn om dit fosfaat te binden.

Het gebruik van ijzerhydroxide (ook wel waterijzer genoemd, een bijproduct van de drinkwaterwinning) is in Nederland in het verleden al enkele maken succesvol gebleken. Om te bepalen of de beijzering ook in Westveen kan slagen en geen negatieve gevolgen zal hebben en ook om te bekijken in welke hoeveelheden waterijzer het best kan worden gebruikt, is er in de periode van begin 2021 tot en met september 2023 wetenschappelijk experiment uitgevoerd, zowel met behulp van laboratoriumproeven als in het veld in Westveen (waaronder in het laatste jaar met name een experiment, speciaal met het oog op de invloed van ijzerhydroxide op de groei van waterplanten). Voor de uitvoering van de experimenten zijn en worden deskundigen van Universiteit Utrecht, Deltares en het waterschap geraadpleegd. Voor de experimenten in het veld zijn en worden twee (tijdelijk afgedamde) sloten gebruikt, een proefsloot en een controlesloot. Voorafgaand aan de experimenten zijn verscheidene sloten onderzocht op fysische en chemische kenmerken. Hieruit kwam naar voren dat de sloten onderling weinig verschillen. Daarom mag worden gesteld dat de resultaten van de proefnemingen met twee sloten voldoende representatief zijn voor alle te behandelen sloten in Westveen.

De belangrijkste conclusies van de studie: e _ het toedienen van waterijzer leidt ook tot twee jaar na toediening tot een fors lagere beschikbaarheid van fosfaat n de waterbodem en een fors lagere nalevering naar de waterlaag ten opzichte van de niet beijzerde sloot; e _ toediening van waterijzer leidt niet tot verhoging van zware metalen in het oppervlaktewater; « waarschijnlijk is de aanwezigheid van blauwalg in de in 2021 beijzerde sloot de oorzaak voor de beperkte ontwikkeling en lage vitaliteit van de ingebrachte waterplanten. Deze blauwalg is overigens nog nergens anders binnen Westveen gevonden; e toepassing van waterijzer (en daardoor een beperkte nalevering van fosfaat naar de waterkolom) heeft een zeer positief effect op de vermeerdering en vitaliteit van krabbenscheer in het in 2022 beijzerde traject van de controlesloot ten opzichte van de beide andere behandelingen. Dit resultaat laat zien dat de toegediende dosis waterijzer niet toxisch/ beperkend was voor de groei en vermeerdering van waterplanten (in de kooien); ° _ IJzer-toxiciteit als oorzaak voor het niet vestigen van waterplanten is daarmee uitgesloten; e

omdat er wel waterplanten n de kooien zijn aangetroffen en niet vrijdrijvend aan de stokken, kan vraat van waterplanten door exotische rivierkreeften als belangrijke oorzaak voor het nauwelijks voorkomen van waterplanten in de watergangen in Polder Westveen worden aangemerkt.

Er is al veel bekend over chemische reacties als gevolg door de toediening van ijzerhydroxide en deze zijn ook meerdere malen beschreven in de vakliteratuur. Mogelijke (schadelijke) effecten die nog niet ’® Ook baggeren tot op de vaste waterbodem zal de nalevering van fosfaat niet geheel stoppen. De concentratie totaal-fosfor n de vaste waterbodem is wel veel lager dan in het slib, zodat de nalevering zeer waarschijnlijk wel zal afnemen.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

aa

ì«\‚Royal

HaskoningDHV bekend zijn, zijn op de lange(re) termijn niet te verwachten, zeker niet in de geringe concentraties waarin zij zullen voorkomen in het water of de bagger. Het waterschap acht voor beijzering daarom ook geen vergunning of melding nodig. De beijzering van sloten is geen enkel beletsel voor het daarna deponeren van bagger op het naastgelegen perceel voor zover er in de bagger geen andere componenten aanwezig zijn die het deponeren van de bagger op het naastgelegen perceel milieuhygiënisch beperken (zie paragraaf 2.4.3.2).

4.2.3.2

Studies baggerscenario’s

De vrijkomende vrij toepasbare, verspreidbare en niet-verspreidbare bagger uit Westveen wordt hergebruikt als onderdeel van de inrichtingsmaatregelen in de noordelijk van Westveen gelegen Noordse Buurt. In het eerste halfjaar van 2021 is door Royal HaskoningDHV een eerste studie uitgevoerd m.b.t. baggerscenario's voor Westveen, vooral met als doel om inzicht te krijgen in de (on)mogelijkheden, de voor- en nadelen van verschillende activíteiten en maatregelen en de daarmee samenhangende kosten (bandbreedte). Voorafgaande daaraan is een analyse van de baggeropgave en een omgevingsbeschouwing uitgevoerd op basis van beschikbare informatie en de kennis en ervaring van Royal HaskoningDHV van de materie. Naar aanleiding van afstemming tussen het Programmabureau Veenweiden Gouwe Wiericke met de gemeente Nieuwkoop over de in 2021 uitgewerkte scenario's was er de behoefte aan een aanvullend advies over het opslaan, verspreiden, toepassen of afvoeren van de bagger uit Westveen. Hierbij ging het om de niet-verspreidbare bagger in fase 1 en 2 en de verspreidbare bagger in fase 2. Eind oktober 2022 is het resultaat van de aanvullende studie van Royal HaskoningDHV opgeleverd.

Naar aanleiding van de aanvullende studie heeft het ambtelijk apparaat van de gemeente Nieuwkoop aan de wethouders van de gemeente geadviseerd om zowel de verspreidbare als niet-verspreidbare bagger uit Westveen toe te passen in het project Noordse Buurt. Voor wat betreft de niet-verspreidbare bagger zal dit na rijping een functionele toepassing betekenen in kades (grootschalige bodemtoepassing). Met de vaststelling van het schetsontwerp van Noordse Buurt is de toepassing geregeld.

4.2.3.3

Slibmetingen

De baggerhoeveelheden zoals die in de fase van het definitief schetsontwerp zijn bepaald zijn gebaseerd op een relatief beperkte verzameling van gegevens.

In de uitgevoerde studie naar baggerscenario's voor

Westveen (zie ook paragraaf 4.2.3.3) is geconcludeerd dat met de beperkt beschikbare meetdata geen goed oordeel kon worden gegeven over de te verwachten afwijkingen van de baggervolumes eerder bepaalde baggervolumes.

In 2022 zijn middels een door ATKB

uitgevoerde slib(radar)meting met meer

nauwkeurigheid de baggervolumes bepaald. Met name de overgang van de sliblaag naar de vaste veenbodem

is met de radarinformatie goed te

onderscheiden (daarbijis de interpretatie van de radarbeelden gecontroleerd met handmatige zuigerboringen (beeker-sampler). Daarnaast heeft ATKB ook de begrenzing van het wateroppervlak opnieuw bepaald op basis van de meest recente topografische gegevens, luchtfoto's en bevindingen in het veld. De begrenzingen wijken licht af van de watervlakken die eerder zijn gebruikt bij de bepaling van baggervolumes. ATKB heeft de door hem uitgevoerde metingen omgezet in een volumebepaling gerelateerd aan de milieuhygiënische kwaliteit zoals die eerder door Sweco is bepaald (zie paragraaf 2.4.3.2) en vervolgens vergeleken met de hoeveelheden zoals bepaald in de fase van het definitief schetsontwerp. Er blijkt slechts sprake van een beperkte afwijking van die eerder bepaalde hoeveelheden (ordegrootte 3%).

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

45

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV 4.2.3.4

Nat schraalland: hoogteligging en drooglegging

De potenties voor nat schraalland is ten tijde van het schetsontwerp bepaald aan de hand van enerzijds de gemeten fosfaatgehalten in de bodem, op verschillende diepten (B-WARE, 2016) en anderzijds de eisen die dît graslandtype aan het grondwaterregime stelt (zie ook paragraaf 3.3.1.3). Er is steeds voor elk perceel gezocht naar afgraafdiepten waarbij zowel het fosfaatgehalte als de grondwaterpeilen overeenkomen met de randvoorwaarden van dît beheertype. In paragraaf 2.2 is aangegeven dat de daadwerkelijke hoogteligging van het maaiveld gemiddeld 7 cm lagerigt dan de AHN4 aangeeft. Dit betekent dat de onderzijde van een schralere bodemlaag ook 7 om dieper ligt dan voorzien bij de beschouwing van het bodemchemisch onderzoek van B-WARE. Daamaast is vanuit de adviesgroep Westveen tijdens de bijeenkomsten in 2022 het risico geduid op onbetreedbare en daarmee niet te beheren percelen als te diep zou worden geplagd; deze zouden te nat worden. Als diepste punt van de maaiveldverlaging in het definitief ontwerp is het hoogste waterpeil volgens het peilbesluit aangehouden, NAP-1,85 m. Dit diepste punt is steeds gelegen aan de zuidzijde van een perceel. Daarnaast is uitgegaan van een mindere ontgraving aan de zijde van het beheerpad (noordzijde perceel), zodat richting het diepste punt altijd sprake s van een afschot (zie ook paragraaf 5.1.2.3).

Op basis van voorgaande heeft een heranalyse plaatsgevonden van het plagontwerp zoals dat in het schetsontwerp is opgenomen. Er is opnieuw voor elk perceel beoordeeld of het fosfaatgehalte op het niveau van het nieuwe maaiveld voldoende laag zal zijn voor de potentie voor nat schraalland. Deze beoordeling is ook gedaan voor een verruigd perceel achter Westveensekade 11 In Figuur 4-4 is het resultaat weergegeven van de heranalyse. Behoudens het perceel achter Westveensekade 11 en een perceel direct zuidelijk daarvan is middels de heranalyse voor de overige percelen de potentie als nat schraalland bevestigd. Het perceel achter Westveensekade 11 wordt in de toekomst beheerd als veenmoeras. Het perceel direct zuidelijk daarvan is op basis van de resultaten van het aanvullend bodemchemisch onderzoek (zie paragraaf 4.2.3.6) alsnog geschikt bevonden voor de ontwikkeling van nat schraalland (na beperkt plaggen).

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

“

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV

Nieuwe maaiveld hoogtes (m t.0.v. NAP)

n E

A = afgevallen t.ox. definitief schetsontwerp /(/ 6 g

SAE Z ge id elde pagdiegein n n k 7!

Figuur 4-4 Resultaat heranalyse potenties nat schraalland

4.2.3.5

Hydrologische berekeningen

Uitgangspunt voor de realisatie van de inrichtingsmaatregelen is dat de waterhuishoudkundige situatie in Westveen niet verslechtert ten opzichte van een situatie waarbij geen maatregelen worden uitgevoerd. Waternet heeft de meest kritische situatie van het voorstel van het definitief ontwerp zoals die is beschreven in paragraaf 4.2.2, namelijk de tussenfase met tijdelijke waterscheidingen (zie Figuur 4-2), hydrologisch beoordeeld i.r.t. eerder uitgevoerde berekeningen met overal dammen langs de Uitweg. Waternet concludeert dat de wijzigingen gering zijn en er geen noemenswaardige verschillen en effecten optreden. Het omkeren van het zomeren winterpeil leidt tot iets lagere peilstijgingen bij zomemeerslag maar weer iets grotere stijgingen in de winter ten opzichte van de huidige situatie. De maaiveldverlagingen hebben een beperkt positief effect op de waterberging, het aanbrengen van scheidingen een beperkt negatief effect Door Waternet is tevens gerekend aan de wenselijke dimensionering van het watersysteem (duikers en watergangen) om inlaatwater uit de Kromme Mijdrecht zo veel mogelijk direct naar het zuiden het gebied te laten instromen in plaats van een routing via de watergang aan de noordzijde van Westveen en vervolgens via de Uitwegsloot. De output van de berekeningen is in paragraaf 5.1.1.2 gebruikt voor de verdere detaillering van het ontwerp.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

a

‘

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV 4.2.3.6

Aanvullend

bodemchemisch

onderzoek

Op 12 april 2023 is tijdens de vergadering van de stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke besloten tot een aanvullend

bodemchemisch

onderzoek

in Westveen.

Het doel van dit aanvullend

bodemchemisch

onderzoek is om na te gaan of er potentie is voor de ontwikkeling van nat schraalland op percelen of delen ervan, waar op basis van de tot nu toe beschikbare informatie deze potentie niet aanwezig werd geacht. Een en ander komt voort uit de wens van de adviesgroep Westveen om nat schraalland meer te concentreren in het deel van het projectgebied ten noorden van de dwarse Uitweg en om de plagopgave te minimaliseren.

Op basis van het eerder uitgevoerde bodemchemisch onderzoek en het gegeven dat de grondwaterstand (na plaggen) binnen een bepaald bereik moet staan, is vastgesteld waar nat schraalland kan worden gerealiseerd. Hierbij zijn ook de volgende inzichten verkregen: e Voor het overgrote deel van de destijds onderzochte percelen geldt dat de bodemchemische condities vanaf 20 cm beneden maaiveld gunstig zijn. De voedselrijkdom zit dus met name binnen de eerste 20 cm. Dat maakt dieper plaggen vanuit dit oogpunt niet noodzakelijk. e _ Vanwege het grote verschilin fosfaatbeschikbaarheid tussen de bemonsterde lagen 0-20 cm en 20-30 sm is, het zeer waarschijnlijk dat de afname niet precies rond die 20 cm zit maar dat in de bovenste 20 om ook een verloop van hoge naar lagere beschikbaarheid zal zitten. Inzicht hierin is relevant omdat dit kan leiden tot een geringere plagdiepte maar mogelijk ook een ruimere potentie omdat de grondwaterstanden nu eerder binnen een preferent bereik komen (plaggen van 20 cm of meer geeft op veel locaties te natte condities). Het aanvullend bodemchemisch onderzoek kent de volgende uitgangspunten: °

Percelen waar de potentie voor de ontwikkeling van nat schraalland is onderkend (en die opgenomen zijn op de plankaart van dit DO) worden niet opnieuw onderzocht.

e _ De percelen waar aanvullend onderzoek wordt gedaan liggen ten noorden van de dwarse Uitweg of binnen het eigendom van Natuurmonumenten ten zuiden van de dwarse Uitweg. e _ Alleen die percelen worden nader onderzocht welke bij een maximale ontgravingsdiepte van 20 cm een grondwaterstand hebben die binnen of nabij het preferente bereik ligt. Dit sluit percelen waar dus dieper dan 20 cm zou moeten worden geplagd (om een gunstige grondwaterstand te realiseren) uit. Dit geidt ook voor percelen waarbij 10 cm plaggen leidt tot water op maaiveld, in dat geval i nat schraalland

niet maakbaar

omdat

het niet te beheren

is.

Op basis van een GIS-exercitie voor de percelen zoals hiervoor bedoeld zijn de percelen geselecteerd voor aanvullend bodemchemisch onderzoek. Deze percelen zijn in onderstaande Figuur geduid. Het betreft in totaal een tiental percelen.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

48

î1’Royal

HaskoningDHV

Figuur 4-5 Percelen aanvullend bodemchemisch onderzoek

Op elk van deze tien percelen zijn paralle! aan de sloot aan de zuidzijde van het perceel, drie raaien uitgezet tussen sloot en voorzien beheerpad (aan de noordzijde). Doorte bemonsteren in raaien kan inzicht worden verkregen of de potentie voor een heel perceel geldt, of voor een strook van beperkte breedte. Binnen elke raai is op zes locaties een bodemprofiel tot 25 cm maaiveld verzameld met een bodemguts of edelmanboor waarbij eerst de vegetatie is weggekrabd (de bovenste 5 cm); de bodemlaag van 5 tot 12 cm en van 12 tot 20 cm is apart verzameld. Vervolgens zijn de bodemlagen op de locaties met een even nummer samengevoegd, wat ook geldt voor de locaties met een oneven nummer. De analyses zijn daarmee gebaseerd op mengmonsters: dit geeft een veel representatiever beeld dan een bemonstering op basis van puntmonsters. Op de bodemmonsters zijn de volgende analyses uitgevoerd: e

Destructie voor het bepalen van de totalen van macro-ionen en fosfor.

e

Olsen-P

e

Organisch stof percentage.

als maat

voor beschikbaar

fosfaat.

De analysetechnieken die gebruikt zijn hebben een zeer brede toepassing binnen de wereld van universiteiten, onderzoeksinstituten, terreinbeherende organisaties. Daarmee achten we deze technieken als meer dan voldoende bewezen op hun functionele toepassing ten behoeve van dit project. De resultaten van het veldwerk en het laboratoriumonderzoek zijn in juni 2023 geïnterpreteerd17 en separaat gerapporteerd. De resultaten van dit aanvullend bodemchemisch onderzoek zijn verwerkt in 7? ten opzichte van referentiewaarden uit gebieden met een goed ontwikkeide nat schraallandvegetatie zoals die ook hier wordt beoogd

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

49

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV deze versie 2.1 van het definitief ontwerp: de verdeling van nat schraallanden is gewijzigd. Op alle tien de aanvullend onderzochte percelen is na (beperkt) plaggen de potentie voor ontwikkeling van nat schraalland aanwezig. Door de stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke is de voorgestelde wijziging positief beoordeeld en als zodanig vastgesteld op 5 juli 2023 (zie nader geduid in paragraaf 5.1.2.3).

4.2.4

Noodzaak plaggen nat schraalland

Tijdens de diverse adviesgroepbijeenkomsten en ook tijdens de procedure in Provinciale Staten van het ‘onteigeningsbesluit' voor Westveen

is door adviesgroep of eigenaren meermalen

ingegaan op nut en

noodzaak van plaggen in Westveen. De betrokken gedeputeerde van de provincie Zuid-Holland heeft op 9 november 2022 in een vergadering van Provinciale Staten toegezegd de afwegingen van afplaggen ten behoeve van natuurontwikkeling te delen (inclusief de mogelijke klimaateffecten). In een adviesgroepbijeenkomst van 6 maart 2023 is specifiek ingegaan op de afweging van plaggen voor natuurontwikkeling (zie ook paragraaf 4.21). De inhoud van het memo

‘Afwegingen plaggen voor

natuurontwikkeling’ zoals dat 6 maart 2023 is ingebracht bij Provinciale Staten van de provincie ZuidHolland is die avond door de provincie gepresenteerd (Link memo:

https://pzh.notubiz.nl/document/12478303/1). Daarnaast i door Royal HaskoningDHV op 6 maart 2023 ingegaan op de afweging van plaggen voor nat schraalland in Westveen. Navolgend is deze afweging concreet nader toegelicht. Standplaatseisen nat schraalland De standplaatseisen voor nat schraalland zijn in het kort de volgende. °

Fosfaat (P) op venige klei, venige en sterk humeuze bodems: o

minder dan 500 umol Olsen-P per liter bodem;

o

minder dan 10 mmol totaal-P per liter bodem;

e Hoge calcium waarden en basenverzadiging; « _ Optimale grondwaterstanden (zie hiervoor paragraaf 3.3.1.3). Maaien en afvoeren/uitmijnen Voor het verschralen van percelen ten behoeve van de ontwikkeling van een beheertype middels maaien en afvoeren, dan wel uitmijnen, wordt door de provincie Zuid-Holland een termijn van 10jaar als een redelijke termijn beschouwd.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

50

ì«\’Royal

HaskoningDHV Jaren maaien/afvoeren voor bereiken van 300 umol/l Olsen-P e

888

a

g

E

vevreesn

i

5

Sm

Figuur 4-6 Termijnen maaien en afvoeren/uitmijnen in Westveen

Uit de resultaten van het bodemchemisch onderzoek van B-WARE (zie paragraaf 2.4.4.2) blijkt dat in de toplaag van de percelen in Westveen dermate veel fosfor aanwezig is, dat bodemchemisch gezien slechts op een beperkt aantal percelen het verschralen middels maaien en afvoeren/uitmijnen een optie is binnen een termijn van 10 jaar. Juiste grondwaterstanden zijn cruciaal

Naast bodemchemie zijn de juiste grondwaterstanden cruciaal (zie hiervoor paragraaf 3.3.1.3). In navolgende Figuur zijn de locaties die in beginsel voor maaien en afvoeren/uitmijnen in aanmerking komen geduid op een kaart waar de gemiddelde voorjaars grondwaterstanden in Westveen zijn aangegeven. Tevens is geduid bij welke grondwaterstanden de huidige maaiveldhoogte toereikend zou

zijn voor de ontwikkeling van nat schraalland (met andere woorden, waar plaggen niet nodig zou zijn als verschraling mogelijk is binnen een redelijke termijn). Geen van de percelen blijkt de juiste maaiveldhoogte te hebben: er dient dan ook geplagd te worden om dichter bij het grondwater te komen.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

s1

ì1’Royal

HaskoningDHV

À

E | e

n

t

0402

oo

e

or

maaiveldhoogte

1-045

voldoet (los van

16-02

bodemchemie}

21-03

31-04

Huidige

4105

maaiveldhoogte

e

voldoet niet (los van

_

bodemchemie),

plaggen noodzakelijk

Locaties potentieel geschikt voor maaienen

©

0

128

afvoeren/uitmijnen op ‘basis van bodemchemie; overige locaties NIET geschikt

260

Fiquur 4-7 Grondwaterstanden en bodemchemie in Westveen gecombineerd

Peilopzet als alternatief voor plaggen Als alternatief voor plaggen is peilopzet beschouwd.

In navolgende Figuur zijn de percelen die op basis

van de fosfor-gehalten (Olsen-P en Totaal-P) geschikt zijn voor peilopzet gemarkeerd met een rode cirkel.

3

G

>

E

e

oo v

(E

7

Figuur 4-8 Percelen in Westveen geschikt voor peilopzet (gerelateerd aan fosfor)

Strikt genomen

is gerelateerd aan het Totaal-P gehalte slechts één perceel in Westveen (waar ook

maaien en afvoeren binnen een redelijke termijn mogelijk is) geschikt voor peilopzet.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

52

ì«\‚Royal

HaskoningDHV Echter, bij peilopzet in Westveen treedt ongewenste sulfaatuitspoeling op. Daarnaast zal continu inlaat van gebiedsvreemd water aan de orde zijn, dit is een waterkwaliteitsissue voor het gehele plangebied en is bovendien geen duurzame oplossing. Conclusie noodzaak plaggen Het bodemchemisch onderzoek van B-ware (2018) laat zien dat bij het opzetten van het peil zonder te plaggen het risico op het vrijkomen van fosfaat erg groot is. Dit zal leiden tot vestiging van snelgroeiende soorten zoals lies- en mannagras en pitrus. Op slechts drie van de 52 bemonsterde locaties is de fosfaatbelasting van de bodem voldoende laag om binnen 10 jaar onder de streefwaarde voor nat schraalland voor plantbeschikbaar fosfaat te komen. Op veel van alle andere locaties gaat het ook dan nog steeds om een periode van tientallen jaren. Met peilopzet wordt derhalve niet een vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke standplaats gerealiseerd. Het bodemchemisch onderzoek van B-ware (2018) laat voorts zien dat met het plaggen er een veel minder fosfaatrijke bodemlaag aan maaiveld wordt gebracht met een veel hoger organisch stofpercentage (veen tot kleiig veen) dan dat in de (te plaggen) toplaag (veelal venige klei). In het (kleiig) veen is fosfaat veel meer vastgelegd in en gebonden aan organisch materiaal waar dit in de venige kleibodem veel meer aan ijzer is gebonden.

Vernatting van de venige kleibodem (toplaag) Ieidt juist tot vrijkomen van fosfaat omdat sulfaat — dat over het hele bodemprofiel in vergelijkbare mate in vergelijkbare (hoge) concentraties voorkomt — veel sterker bindt aan ijzer dan fosfaat en fosfaat dus verdringt. Waar de toplaag bestaat uit sterk veraard veen, speelt hetzelfde probleem. Vanwege irreversibele processen n de veenlaag als gevolg van verlaagde grondwaterstanden, is de organische fractie daar sterk verlaagd en de adsorptiecapaciteit van fosfaat aan het organisch materiaal, sterk labiel waardoor het fosfaat makkelijk vrijkomt. Hoewel sulfaat du ook in de (kleiige) veenbodem (met een hogere organische fractie en sterkere adsorptiecapaciteit omdat in deze laag het negatieve effect van een verlaagde grondwaterstand veel minder speelt) voorkomt, speelt hier concurrentie met fosfaat om de bindingsplaats aan ijzer veel minder omdat fosfaat voornamelijk in en aan het organisch materiaal is opgeslagen c.q. gebonden. Plaggen leidt tot zowel een voldoende lage beschikbaarheid van fosfaat als voldoende hoge grondwaterstanden en heeft voorts als groot voordeel dat dit — in combinatie met het inzetten op goed ontwikkelde oevers — tot vermindering van uitspoeling van sulfaat naar het oppervlaktewater (wat leidt tot interne eutrofiëring) en het afglijden van de oevers.

Broeikasgassen Binnen Nederland loopt het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOB Veenweiden (nobveenweiden.nl). De eerste resultaten laten zien dat het verhogen van het slootwaterpeil een reducerend effect heeft op de COz-uitstoot. Daarnaast blijkt dat bij een slootwaterpeil tussen de grofweg -20 cm en de -50/60 cm beneden maaiveld onderwaterdrainage verdere reductie oplevert. Dat het verhogen van het grondwaterpeil Ieidt tot reductie is in ljn met diverse onderzoeken die ook binnen het NOBV worden gebruikt. Bij lage grondwaterstanden komt veel CO: vrij, bij erg hoge grondwaterstanden tot inundatie kan juist veel methaan (NH+) vrijkomen. Omgerekend naar COzequivalent ligt de optimale grondwaterstand (dus die waarbij de emissie het laagst is) tussen 0 en 20 cm beneden maaiveld (zie onderstaande figuur). Deze waterstand komt overeen met het preferente bereik van de grondwaterstand in het voorjaar voor nat schraalland. Door hierop n te richten wordt de emissie zo laag mogelijk gehouden. Van inundatie (waarbij de methaan-emissie fors toeneemt) zal in Westveen geen sprake zijn omdat dat waar geplagd zal worden, dit niet onder het oppervlaktewaterpeil gebeurt.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

53

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV

Pigur 21: Verband en 95 % betrouwbaarheidsinteral (*brune Wpen) tussen de gemiddeide grondwaterstand en uitstoot van de

verschilende broekasgassen (CO, N,O en CH

utgednt in CO,-

eqvaienten op veen Uurasinsid € 2, 2016}

Figuur 4-9 Relatie broeikasgassen en grondwaterstanden

Onder anaerobe situaties, waarbij het maaiveld dus onder water staat (zoals in moerassen, slootbodems) kan de emissie van methaan hoog zijn. Nat schraalland heeft maar een beperkt deel van het jaar zo’n hoge grondwaterstand en dan ook alleen in de winterperiode waarin micro-organismen (die uiteindelijk zorgen voor de uitstoot) vanwege de lage temperatuur nauwelijks actief zijn. De rest van het jaar ligt de grondwaterstand zoals die zich zal voordoen na plaggen zodanig hoog dat deze binnen het bereik in bovenstaande figuur valt waarbij de emissie uitgedrukt in CO-equivalent het laagst is. Figuur 4-9Error! Reference source not found. (Bron: NOBV / VIPNL Webinar Boeren bij een hoog grondwaterpeil - YouTube) laat ook zien dat de emissie toeneemt bij lagere grondwaterstanden, standen die juist nodig zijn om de percelen agrarisch te kunnen gebruiken. 42.5

Recreatie

Tijdens de afstemming met stakeholders in 2022 over de verdere invulling van het definitief ontwerp van Westveen zijn ook de recreatieve aspecten beschouwd. Met Natuurmonumenten is de wijziging van de huidige routing van het Pietersenpad zoals opgenomen in het schetsontwerp besproken. Natuurmonumenten heeft erop gewezen dat realisatie van het wandelpad door het laagveenbos gezien de slecht draagkrachtige ondergrond lastig te realiseren en te beheren zal zijn. Het vervolg van de route ten oosten van het trekpontje valt dan ook samen met de beheerrouting over de graslandpercelen (en dus niet door het bos).

4.2.6

Beheeraspecten

De beheeraspecten die relevant zijn voor de invulling van het definitief ontwerp en losstaan van de eisen en randvoorwaarden die ten grondslag liggen aan het beheer van de diverse natuurtypen in Westveen, zijn de volgende: e

een logische beheerrouting gebaseerd op de visie op ontsluiting zoals eerder door

Natuurmonumenten is ingebracht en tijdens het opstellen van het definitief ontwerp nader afgestemd met Natuurmonumenten en adviesgroep Westveen; e

de mogelijkheid van gecoördineerd en gezamenlijk uitgevoerd beheer door de verschillende eigenaren: met name mogelijkheden voor bereikbaarheid van percelen anders dan via de smalle toegangen langs de Uitweg en de Westveensekade;

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

s

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV de mogelijkheid van bereikbaarheid van de percelen van Natuurmonumenten aan de zuidzijde van de dwarse Uitweg rechtstreeks vanaf deze weg en niet meer via de huidige ongewenste routing over particulier terrein van de molen (via een smalle toegang over de daar aanwezige brug). Natuurmonumenten wenst een andere oplossing, namelijk een dam (met duiker) in de ‘molensloot’. Van belang is echter dat een dam niet in de directe nabijheid van de molen wordt gerealiseerd, dit is

landschappelijk en cultuurhistorisch onwenselijk. Als er een dam wordt aangelegd'® zal deze meer westelijk gepositioneerd moeten zijn (in ieder geval voorbij de ‘knik’ in de perceelverkaveling, bij voorkeur op 150 m afstand van de molen). NB. indien deze dam niet in het kader van de inrichting van Westveen wordt gerealiseerd, dan zal Natuurmonumenten die autonoom gaan realiseren; er is niet voorzien in bereikbaarheid via zuid- dan wel noordzijde van het tussen recreatiepark ‘De Visotter en het eigendom van Natuurmonumenten als natuur ingericht particulier eigendom; de noodzaak voor het toepassen van een halfverharding (betongranulaat op een geotextiel, afgestrooid met grond en ingezaaid) op een deel van de beheerrouting (afgestemd met Natuurmonumenten en adviesgroep Westveen): © Door de adviesgroep Westveen is een altematieve beheerrouting voorgesteld die deels, met goedkeuring van Natuurmonumenten, is opgenomen in dit definitief ontwerp. Het traject waar halfverharding is voorzien is daardoor met ruim 600 m verminderd ten opzichte van het voorstel van Natuurmonumenten.

©

©

o

De noodzaak van het toepassen van halfverharding wordt door de diverse betrokkenen bij dit project (programmabureau, stuurgroep, adviesgroep Westveen en externe deskundigen) betwijfeld en is meermalen bediscussieerd; een thans goed functionerende zode moet gekoesterd worden, daamaast is de ervaring dat met het aanbrengen van een halfverharding er ongelijkmatige zettingen optreden. De daadwerkelijke locaties waar halfverharding wordt toegepast zullen voorafgaande aan de uitvoering in overleg met Natuurmonumenten bepaald moeten worden; voorwaarde is dat beheerbaarheid gegarandeerd moet zijn en daar maakt een goede beheerontsluiting deel van uit. Tijdens de beheerfase kan de eigenaar/beheerder alsnog halfverharding aanbrengen als die dat noodzakelijk vindt;

’® Vanuit het project Westveen wordt geen dam aangelegd in de eerste fase van de uitvoering. Dat geeft meer tijd om te zoeken naar een mogelijk alternatief voor een dam.

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

55

ìì’Royal

HaskoningDHV

Figuur 4-10 Locatie waar halfverharding voorzien ís door Natuurmonumenten

e

aandacht voor constructief functionele toegangs-/beheerdammen. Het principe van een toegangsIbeheerdam is weergegeven in Figuur 4-11. Er wordt in afwijking van wat in de Figuur is aangegeven geen gebruik gemaakt van grond uit het werk om de dam op te bouwen, behoudens de afdekking van de bermen: er worden licht gewicht ophoogmaterialen toegepast (bijvoorbeeld Bims).

opnoognatras geeroken pun 25072m 9R Sovenste SOm g n verwenen a

eeuee gorong. v

1000ts0n

t

Ui

RVE

o

178 ve:240

f

+3x

% ï

oosenonenwaggeren onae aam

r v

p

an 0E g

S rgeoes

PEameroemwosonm || i8 m. vezniinon.

- opgeramp soot s0onm reog.

s

n

5

100m

Figuur 4-11 Principe constructie en opbouw toegangs-/beheerdam (bron: Natuurmonumenten)

22 apri 2024

DO WESTVEEN DEFINITIEF

BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

6

ì‘\kRoyal

HaskoningDHV 5

Inrichting Westveen

51

Definitief ontwerp

5.1.1

Inrichting watersysteem

Het oppervlaktewater is te beschouwen als zoete plas. Binnen het plangebied van de natuurinrichting betreft dit ruim 23 ha. De maatregelen die aan de orde zijn met betrekking tot de inrichting van Westveen betreffen enerzijds baggeren en anderzijds aanpassing van het watersysteem.

5.1.1.1

Baggeren

Uit het waterbodemonderzoek van B-WARE

(zie paragraaf 2.4.4.1) volgde dat — hoewel daarmee de

nalevering van fosfaat naar het oppervlaktewater waarschijnlijk niet in zijn geheel zou stoppen — er tot op de vaste bodem zou moeten worden gebaggerd (en afvoer van deze nutriëntenrijke bagger uit het projectgebied) ten einde een zo goed mogelijke waterkwaliteit te realiseren. In de fase van het schetsontwerp zijn naar aanleiding van een kostenafweging alternatieven voor het baggeren beschouwd. In een deskundigenoverleg is nagedacht over de toepassing van ijzerhydroxide als maatregel, het toevoegen van een overmaat aan ijzer aan de bagger

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=92f39a07-6d7e-4c5e-af5b-4a12649a98b1