CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan IKC Woerdense Verlaat (2024-013)17.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

26

wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide NO2 en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het voorliggende plan maakt gevoelige bestemmingen mogelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 300 m van een rijksweg. Het plangebied is wel gelegen binnen een afstand van 50 m van een provinciale weg. Echter worden de grenswaarden voor fijnstof PM 10 en NO2 niet overschreden. Daarnaast is de verkeersintensiteit op de provinciale weg N463 laag (circa 3.000 mt/etmaal). Het plan is uitvoerbaar in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen en onderwijsvoorzieningen zijn geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is vereist wanneer woningen binnen de wettelijke onderzoekszone van een weg, spoorweg en/of geluidgezoneerd industrieterrein liggen. Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Korte Meentweg, maar buiten de onderzoekszone van het geluidgezoneerde industrieterrein van Woerdense Verlaat. Derhalve is er een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, 22-235r3, d.d. 17 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Woerdense Verlaat binnen de geluidzone van de Korte Meentweg op 30 m uit de as van de weg. Alle overige wegen in de omgeving zijn niet-gezoneerde 30 km/uurwegen. De geluidbelasting door wegverkeer op woningen langs de Korte Meentweg bedraagt op de zuidgevels ten hoogste 60 dB na aftrek van 5 dB ex artikel 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de woningen overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden.

De geluidbelasting door wegverkeer op het IKC bedraagt op de zuidgevels ten hoogste 50 dB na aftrek van 5 dB ex artikel 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op het IKC overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op alle 30 km/uurwegen samen bedraagt ten hoogste 45 dB na aftrek van 5 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt derhalve door geen van de 30 km/uurwegen overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op elk van de overige wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de Korte Meentweg is niet mogelijk vanuit financieel en civieltechnisch oogpunt. Afscherming van alle woonlagen is stedenbouwkundig ongewenst. Voor de woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 60 dB door wegverkeer op de Korte Meentweg. Voor het IKC dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 50 dB door wegverkeer op de Korte Meentweg.

27

De beoogde woningen worden gebouwd als vervanging van bestaande bebouwing, waarmee voldaan wordt aan voorwaarde 4 uit de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder”. Onderstaand wordt op de voorwaarden 8 tot en met 13 ingegaan:

•

Conform voorwaarde 8 uit het geluidbeleid moet bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB akoestische compensatie te worden toegepast. Deze compensatie zal bestaan uit het verbeteren van de geluidwering van de woningen tot een binnenwaarde van 28 dB. De geluidwering is dan 5 dB beter dan de minimumwaarde uit het Bouwbesluit. De akoestische compensatie kan bij het ontwerp van de woningen verder worden uitgewerkt.

•

Conform voorwaarde 9 uit het geluidbeleid dient bij een hogere waarde dan 53 dB voldoende verzekerd te zijn dat verblijfsruimten en ten minste één buitenruimte niet aan de gevel zijn gesitueerd waar de hoogste geluidbelasting optreedt, tenzij overwegingen van stedenbouw of volkshuisvesting zich daartegen verzetten. Deze voorwaarde dient bij het ontwerp van de woningen verder worden uitgewerkt. De buitenruimte wordt aan de geluidluwe noordzijde gesitueerd.

•

Omdat de noordgevels van de woningen en het IKC geluidluw zijn, kan worden voldaan aan het streven naar een stille gevel met een geluidbelasting van minder dan 48 dB (voorwaarde 10). Verblijfsruimten dienen zoveel mogelijk aan de minder geluidbelaste zijde te worden gesitueerd.

•

De voorwaarden 11 en 12 zijn niet relevant, omdat er geen dove gevels worden toegepast en er geen bestaande woningen worden vervangen.

•

Er kan voor de woningen niet worden voldaan aan voorwaarde 13, daar de hogere waarde in principe niet meer mag bedragen dan 58 dB. Bij hoge uitzondering kan echter een hogere waarde tot 63 dB worden verleend. Afwijken van het beleid is noodzakelijk, omdat maatregelen aan de bron stuiten op financiële en civieltechnische bezwaren. De woningen kunnen niet op grotere afstand van de weg worden gerealiseerd, omdat de ruimte op de kavel dat niet mogelijk maakt. De woningen worden gerealiseerd in de rooilijn met de bestaande bebouwing.

Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het geluidbeleid van de gemeente. Daaraan kan (na ontheffing) worden voldaan, met uitzondering van voorwaarde 13. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen sprake is van voldoende geluidwering. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex artikel 110-g Wgh. Een aantal gevels van de woningen en het IKC ondervinden een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek. Voor deze gevels zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 65 dB. In het onderhavige geval wordt akoestische compensatie toegepast (binnenwaarde ten hoogste 28 dB). De geluidwering is dan 5 dB beter dan de minimumwaarde uit het Bouwbesluit. De benodigde karakteristieke geluidwering voor de hoogst belaste gevels bedraagt GA;k 37 dB. In toelichting paragraaf 4.2.4 is aandacht voor het aspect geluid in relatie tot miliebelastende activiteiten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving.

Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven

28

komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Woningen en het integraal kindcentrum worden gezien als een gevoelige bestemming. De planlocatie ligt aan de provinciale weg N463 met verschillende functies, zoals wonen en maatschappelijke voorzieningen. Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kan de omgeving van het plangebied daarmee aangemerkt worden als een 'gemengd gebied'. De richtafstanden worden hierdoor verlaagd met één afstandstap. De volgende bedrijven en milieubelastende activiteiten zijn gevestigd rondom het plangebied. Bedrijven en milieubelastende activiteiten in de omgeving Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich de Gereformeerde Kerk Woerdense Verlaat. Kerken behoren tot milieucategorie 2 met een richtafstand in gemengd gebied van 10 m. De afstand van de kerk tot aan de nieuwe bebouwing is minimaal circa 20 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Ondanks dat aan de richtafstand wordt voldaan, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een nadere beschouwing benodigd. Een kerkgebouw veroorzaakt geluid vanwege de kerkklokken, de kerkdienst, de voertuigbewegingen en het parkeren. De kerkdiensten vinden hoofdzakelijk in het weekend plaats. Op de momenten van de kerkdiensten zal er mogelijk sprake zijn van een lichte geluidhinder, met name als gevolg van de voertuigbewegingen en het parkeren. De bijeenkomsten zijn relatief kleinschalig en van korte duur.

Het geluid van de kerkklokken ten behoeve van de kerkdiensten is op basis van artikel 2.18 lid 1 onder c van het Activiteitenbesluit milieubeheer uitgesloten van toetsing. Voor het geluid van de kerklokken voor niet-religieuze doeleinden zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit wel van toepassing. Echter wordt het nieuwe IKC niet dichter bij de kerk gebouwd dan bestaande woningen, die alle geluidgevoelige functies zijn. Er kan dan ook gesteld worden dat er in de huidige situatie ook al voldaan moet worden aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Daarvan uitgaande is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens kan gesteld worden dat er slechts sprake zal zijn van minimale geluidhinder. Deze minimale geluidhinder wordt als passend beschouwd in een dorpse omgeving in een dorpscentrum. Een goed woonen leefklimaat is hierbij niet het geding. Aan de Lange Meentweg is een aantal bedrijven gevestigd. Volgens het bestemmingsplan mogen hier bedrijven tot en met categorie 3.2 en een betonwarenfabriek gevestigd zijn. Voor een betonwarenfabriek is maximaal milieucategorie 5.2 van toepassing, met een richtafstand van 500 m in een gemengd gebied. Het betreft echter een geluidgezondeerd industrieterrein. Het plangebied ligt (ruimschoots) buiten de geluidzone, waarmee het aspect geluid geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat.

De afstand van het plangebied tot aan deze locatie is minimaal 280 m, waarmee voor de aspecten stof, gevaar en geur aan de richtafstand wordt voldaan.

29

Integraal kindcentrum Met het voorliggende plan worden zowel nieuwe woningen als een integraal kindcentrum mogelijk gemaakt. Om de effecten van het IKC op de gevoelige bestemmingen (woningen) in het plangebied en in de omgeving inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek benodigd. Een onderwijsvoorziening is een inrichting die geluid produceert, door buitenspelende kinderen. Het is daarom belangrijk om aan te tonen dat er geen overlast optreedt door deze voorziening. Om deze reden is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, 22-236r3, d.d. 17 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Het onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999, methode II.2, II.3, II.7 en II.8). Om de geluidbelasting op de omgeving te bepalen is een rekenmodel opgesteld waarin de activiteiten bij het IKC zijn opgenomen. - Resultaten en toetsing Volgens stap 2 van het toetsingskader voor geluid is inpassing mogelijk indien het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger is dan de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode. Deze richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt onder de gebruikte uitgangspunten in twee punten bij bestaande woningen (Merelstraat 1/5) met hooguit 2 dB(A) overdag (op 1,5 m hoogte) overschreden.

Op de nieuwe woningen ligt de geluidbelasting op 50-58 dB(A) dagwaarde (op 1,5, 5 en 8,5 m hoogte). De richtwaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) wordt onder de gebruikte uitgangspunten met hooguit 8 dB(A) overschreden in de punten 1, 3, 4 en 8 t/m 11. De geluidbelasting door de (maatgevende) spelende kinderen en verkeer is onvoldoende laag om voor de meeste woningen een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat te garanderen. De overschrijdingen op de bestaande woningen zijn echter gering. Het IKC zal niet worden belemmerd in haar bedrijfsvoering, aangezien stemgeluid bij toetsing aan het Activiteitenbesluit is uitgezonderd van toetsing aan de grenswaarden. - Maatregelen en binnenniveaus Met een 2 m hoog scherm aan de zuid- en oostzijde van de speelplaats neemt de geluidbelasting op de punten 7-11 af tot onder de 50 dB(A) overdag (op 1,5 m hoogte). Het scherm dient goed gesloten te zijn met een massa van minimaal 10 kg/m² (staal, hout, steen, glas, etc.). Afscherming heeft voor de nieuwbouwwoningen en de bestaande woningen aan de Merelstraat 1 en 5 op de begane grond effect. Op verdiepingsniveau kan eventueel extra gevelwering worden toegepast. Daarbij dient opgemerkt te worden dat bij de gevels met een geluidbelasting >53 dB vanwege wegverkeer op de Korte Meentweg akoestische compensatie (binnenniveau van ten hoogste 28 dB) wordt toegepast.

Bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevel kunnen de binnenniveaus met maatregelen worden gegarandeerd. Conform het Activiteitenbesluit mogen de (maatgevende) maximale geluidniveaus binnen overdag niet hoger zijn dan 55 dB(A); dat vergt een geluidwering van de hoogst belaste gevel (punt 10) van minimaal 79 – 55 = 24 dB(A), hetgeen haalbaar is zonder bijzondere geluidwerende voorzieningen (goede beglazing en kierdichting). Uitgaande van een goede geluidwering zal dan sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Onder de Omgevingswet zullen (ook voor piekgeluiden) nieuwe grenswaarden gelden. Voor piekgeluiden ‘veroorzaakt door aanrijdgeluid van transportmiddelen’ gelden dan grenswaarden in de avond en nacht van 70 dB(A). Voor ‘andere geluiden’ gelden 5 dB(A) lagere grenswaarden (65 dB(A)). Er geldt geen standaardwaarde meer voor piekgeluiden in de dagperiode. - Verkeersaantrekkende werking De 50 dB(A)-contour ligt dan op minder dan 2 m van de wegas. Daarmee ligt de geluidbelasting ten gevolg van de verkeersaantrekkende werking op de woningen lager dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) en kan (dus) aan het vereiste binnenniveau worden voldaan.

Conclusie Gelet op het voorgaande is er ter plaatse van het beoogde intergraal kindcentrum, de beoogde woningen in het plangebied en de bestaande woningen in de omgeving sprake van een goed woon- en leefklimaat, indien de benodigde maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen bestaan uit het plaatsen van een

30

geluidscherm en voldoende gevelwering bij de beoogde woningen. Daarnaast zijn er geen beperkingen voor de mogelijkheden van het integraal kindcentrum en de bestaande bedrijven in de omgeving. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

31

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: atlasleefomgeving.nl)

Buisleidingen en risicovolle inrichtingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen aanwezig zijn. Tevens zijn er in de omgeving in een straal van 450 m geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Gezien deze ruime afstand en aard van de risicovolle inrichtingen zijn er geen beperkingen voor het voorgenomen plan. Vervoer van gevaarlijke stoffen De planlocatie ligt nabij de provinciale weg N463, waarover (incidenteel) gevaarlijke stoffen worden vervoerd, daar de provincie Zuid-Holland alle provinciale wegen heeft vrijgegeven voor het transport van gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat er bij het onderhavige plan rekening gehouden moet worden dat bij een calamiteit met het transport van gevaarlijke stoffen over de N463 effecten (zoals warmtestraling, overdruk en/of een gifwolk) kunnen optreden die tot de planlocatie kunnen reiken. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet, ondanks een kleine kans, ingegaan worden op het effect van een ongeval met gevaarlijke stoffen ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. - Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.

Hierbij kan gedacht worden aan geschikte uitvalswegen, bluswatervoorzieningen en de aanbevolen opkomsttijd.

32

Het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten via van elkaar onafhankelijke uitvalswegen. Voor hulpdiensten is het plangebied (indirect) bereikbaar via de Korte Meentweg (oost- en westzijde). Voor bluswatervoorzieningen kan gebruik worden gemaakt van het oppervlaktewater in de omgeving. - Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. In geval van een calamiteit is vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen, zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie. In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Binnen het plangebied zijn functies voorzien voor beperkt zelfredzame personen. Kinderen worden in het kader van externe veiligheid gezien als beperkt zelfredzame personen.

De beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Nieuwkoop bevat de eis dat woon- en verblijfsgebouwen voor beperkt zelfredzame personen in de woongebieden geplaatst dienen te worden en buiten de invloedsgebieden van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beoogde integraal kindcentrum is binnen het woongebied van Woerdense Verlaat voorzien, op een grotere afstand tot de provinciale weg dan de huidige basisschool. De kinderen zullen met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht. Het is mogelijk om in noordelijke richting, van de risicobron af, te vluchten in het geval van een calamiteit. Bij een calamiteit met een giftige gaswolk zijn, gezien de intensiteit en de aard van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de afstand tot de weg, maatregelen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en het uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Er wordt geadviseerd om bij nieuwbouw ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties centraal en eenvoudig uitschakelbaar en afsluitbaar te laten zijn, waarvoor in de planregels een bepaling is opgenomen. Daarmee kunnen personen voldoende beschermd worden in geval van een incident in de omgeving met een giftige gaswolk.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.

33

Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling van een nieuw integraal kindcentrum (IKC), 14 nieuwe woningen en de herinrichting van de planlocatie mogelijk. De in de huidige situatie aanwezige bebouwing wordt gesloopt ten behoeven van de ontwikkeling. Het is mogelijk dat er met het voorliggende plan gevolgen zijn voor beschermde flora en fauna en beschermde natuurgebieden. Om deze reden is er een ecologische quickscan uitgevoerd (Blom ecologie, 2022-0927, d.d. 14 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen, huismus en gierzwaluw. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten die niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli, maar ook buiten deze periode).

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Een ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot Natura 2000gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels AERIUS Calculator. Overige effecten als geluid, trillingen, licht en visuele aspecten op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uitgesloten, gelet op aard en de omvang van de werkzaamheden en de aanwezigheid van tussengelegen verstorende functies en bebouwing. Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening (Buro SRO, SR220205, d.d. 16 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) uitgevoerd, gebruik makend van AERIUS-Calculator versie 2022. Er zijn drie berekeningen uitgevoerd: twee berekeningen voor de bouwfase, die uit twee bouwjaren bestaat, en een berekening voor de gebruiksfase.

34

Met de berekening voor de gebruiksfase is de toekomstige situatie in beeld gebracht. Met de beoogde situatie is er sprake van een verkeersgeneratie van 302 voertuigbewegingen in licht verkeer en 0,28 voertuigbewegingen in zwaar verkeer per etmaal. Het nieuwe kindcentrum en de nieuwe woningen worden gasloos uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx-emissie van 7,1 kg/j en een NH3-emissie van <1 kg/j. Uit de verschilberekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. De berekeningen voor de bouwfase zijn uitgevoerd op basis van de uitstoot van de mobiele werktuigen en voertuigbewegingen die tijdens de bouwfase in de bouwjaren 2024 en 2025 plaatsvinden. Uit de AERIUSberekening blijkt dat er voor het rekenjaar 2024 sprake is van NOx-emissie van 27,3 kg/j en een NH3emissie van 1 kg/j. Voor het rekenjaar 2025 blijkt dat er sprake is van NO x-emissie van 28,8 kg/j en een NH3-emissie van 1 kg/j. Uit de verschilberekeningen blijkt dat er in de bouwfase voor beide rekenjaren geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde sloop van een dorpshuis en schoolgebouw is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (zie navolgend). Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de vleermuis, de huismus en de gierzwaluw (soortenbescherming). Dit onderzoek zal gereed zijn voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan het bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus en gierzwaluw: er zijn belangen vanuit volksgezondheid klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Te treffen maatregelen

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke

35

•

verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Ook buiten de periode medio maart tot medio juli kunnen broedsels voorkomen. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen, dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

4.4 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De oostelijke gronden in het plangebied beschikken in het geldende bestemmingsplan over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen voor het behoud en bescherming van archeologische waarden. Bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is opgenomen voor het westelijke deel van het plangebied, waarvoor bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. In het kader van het voorliggende plan worden de vrijstellingsgrenzen overschreden en is archeologisch onderzoek vereist. In dit kader is er een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, 22080038, d.d. 7 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied tijden de Prehistorie deel uitmaakte van een veengebied dat doorgaans te nat was voor bewoning. Voorbeelden van bewoonbare delen binnen het veengebied ontbreken in de omgeving van het plangebied. De top van het dekzand in het plangebied bevindt zich op 7 tot 8 m -Mv en ligt daarom buiten bereik van de civiele werkzaamheden. Voor de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting vanwege de aanwezigheid van stroomgordels in de Formatie van Echteld, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland. Deze stroomgordels vormden hogergelegen gebieden die aantrekkelijk waren voor bewoning en kunnen worden aangetroffen vanaf 3 m -Mv.

Voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting. Afhankelijk van de aanwezigheid van een veraarde top in het veen kunnen resten uit deze periode worden aangetroffen. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat tot de maximaal geboorde diepte van 400 cm -Mv (circa 5,50 m -NAP) een moderne ophoging op een toemaakdek op veen ligt. In het noordwesten van het plangebied heeft deze veenlaag een dikte van circa 70 cm. Onder het veen is een humeuze kleilaag met houtfragmenten aangetroffen dat als veenkreek geïnterpreteerd is. In het zuiden en oosten van het plangebied is het veen tot de maximale boordiepte aanwezig. Er zijn in de boringen geen afzettingen met betrekking tot de verwachte stroomgordel aangetroffen, waardoor er geen verwachting op resten uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen meer geldt. De top van het veen is afgetopt of omgewerkt, waardoor

36

het archeologisch relevante niveau in de top van het veen niet meer in het plangebied aanwezig is. In het bovenliggende toemaakdek zijn enkele fragmenten aardewerk aangetroffen, maar op basis van geraadpleegde historische kaarten kan worden aangenomen dat deze niet duiden op de aanwezigheid van een cultuurlaag. Derhalve geldt er geen verwachting meer op resten uit de periode Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Eventuele sporen van ontginning zullen verstoord zijn geraakt door het dempen en verleggen van sloten en de realisatie van beide gebouwen. Conclusie en advies In het plangebied is op basis van uitgevoerde onderzoek een lage verwachting op archeologische resten vastgesteld. In het kader van de ruimtelijke procedure wordt geadviseerd geen dubbelbestemming voor het plangebied op te nemen, aangezien in het plangebied geen archeologisch relevante niveaus zijn aangetroffen. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft de archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet om deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Nieuwkoop). Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2', zoals die toegekend zijn met het geldende bestemmingsplan, komen te vervallen.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.6.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet

37

krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.6.2 Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Op grond van de Waterwet is AGV als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. De Keur kent een flink aantal bepalingen die bedoeld zijn om het goed functioneren van de waterkeringen te beschermen. Ook de bepalingen die betrekking hebben op het beschermen van de aan- en afvoer van water zijn van belang om droge voeten te houden én van betekenis in tijden van waterschaarste. Maar ook de bescherming van de ecologische toestand van het watersysteem neemt een belangrijke plaats in. Het hoogheemraadschap streeft een goede ecologische toestand na van de watersystemen in zijn beheergebied, conform de Europese Kaderrichtlijn Water en conform nationaal en provinciaal beleid. Een goede ecologische toestand betekent dat water, oever en waterbodem voldoende leefmogelijkheden bieden aan de daar van nature thuis horende planten en dieren. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld water wil lozen, moet een watervergunning aanvragen bij AGV.

Vergunningaanvragen worden getoetst aan beleidsregels. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. 4.6.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

38

Planspecifiek Watercompensatie Op de planlocatie is in de huidige situatie relatief veel bebouwing aanwezig en bestaat een deel van het plangebied uit verharding. Met de beoogde ontwikkeling worden een nieuw IKC en nieuwe woningen gebouwd, waarbij erfverharding aangebracht ten behoeve van het buitenterrein, het parkeren en de ontsluiting. In de navolgende tabel is de waterbalans weergegeven, waarbij een vergelijking is gemaakt tussen de huidige en de toekomstige situatie. De waterbalans is tevens gevisualiseerd met tekeningen (Vollmer & Partners, d.d. 5 mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8).

Bebouwing Overige verharding Water Onverhard (groen en water) Totaal verharding

Huidige situatie 1.446,2 m² 3.268,6 m² 451,1 m² 1,661,7 m² 4,714,8 m²

Toekomstige situatie 2.069,9 m² 2.610,2 m² 1 208,0 m² 2 1.696,4 m² 4.680,1 m²

Toename verharding 623,7 m² -658,4 m² -34,7 m²

1 verharding is als volgt berekend: parkeren, wegen, voetpaden 100% verharding, nader in te richten gebied (zoals kavels en het schoolplein) 50% verharding 2 50% van het nader in te richten gebied (zoals kavels en het schoolplein) is toegekend aan groen en water

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de verhardingsafname 34,7 m² bedraagt. Hiermee is watercompensatie in de vorm van oppervlaktewater vanwege het verhardingsoppervlak niet noodzakelijk. Het is echter onbekend of er (per saldo) oppervlaktewater gedempt wordt. Als dit het geval is, dient dit oppervlak in de verhouding 1:1 gecompenseerd te worden. Riolering en afkoppeling De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Voor de nieuw bouw van het IKC en de woningen geldt dat het hemelwater afgekoppeld wordt en het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht blijkt dat het plangebied gedeeltelijk is binnen de beschermingszone van een (secundaire) waterkering. Binnen deze beschermingszone is de bouw van de woningen beoogd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Duurzaamheid Het algemene kader voor het milieubeleid van de gemeente Nieuwkoop is vastgelegd in de Duurzaamheidagenda 'Samenwerken en Verbinden'. Dit beleid kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing. Voor kleinere projecten (minder dan 10 woningen) geldt dat de gemeente initiatiefnemers informeert over duurzaam bouwen via de Infobladen Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen.

39

Planspecifiek Op het gebied van duurzaamheid heeft het voorliggende plan als doel een positieve bijdrage te leveren aan de doelstelling van de gemeente om in 2050 een vrijwel energieneutrale gemeente te zijn. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de BENG-normen. Dit houdt in dat er zeer energiezuinige woningen met een geringe warmtebehoefte worden gerealiseerd. Qua duurzaamheid van het gebouw waarin het IKC wordt gehuisvest wordt aansluiting gezocht bij de ambities uit het geactualiseerde strategisch plan onderwijs en huisvesting. Dit betekent dat gestreefd wordt naar een duurzaam gebouw volgens de norm ‘BREEAM very good’, dat minimaal ‘BENG’ (bijna energieneutraal) is en goed scoort op gezondheid/binnenklimaat en duurzaam onderhoud. Waar mogelijk wordt circulair gesloopt en gebouwd. Ten aanzien van de buitenruimte wordt gedacht aan een groen schoolplein met in het bijzonder aandacht voor klimaatadaptie en biodiversiteit.

4.8 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.8.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de verkeersgeneratie die de ontwikkeling van een nieuw IKC en 14 woningen met zich meebrengt in kaart te brengen is CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Voor de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van 'niet stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.

In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde woningbouwontwikkeling uiteengezet. Soort woning Huur, appartement, midden / goedkoop Koop, huis, tussen / hoek Totaal

Aantal woningen 8 6

CROWverkeersgeneratie 4,5 7,8 -

Totale verkeersgeneratie 36,0 46,8 82,8

De totale verkeersgeneratie van de nieuwe woningen bedraagt circa 83 voertuigbewegingen per etmaal. Het nieuwe kindcentrum vervangt de bestaande school en wordt slecht beperkt uitgebreid. Het is de verwachting dat de verkeersgeneratie niet toeneemt. De totale verkeersgeneratie van het plan is gering. Het is de verwachting dat de huidige wegen dit extra verkeer goed kunnen verwerken. De aanrijdroute loopt via de parallelweg van de Korte Meentweg (N463) en de Leeuwerikstraat. Gezien het beperkte aantal verkeersbewegingen richting het IKC worden geen problemen verwacht. Mocht in de praktijk blijken dat er zich toch problemen voordoen op de Leeuwerikstraat kan onderzocht worden of er eenrichtingsverkeer ingesteld kan worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

40

4.8.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Op 8 juli 2021 is de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 vastgesteld. De gemeente Nieuwkoop zet met deze nota in op meer flexibiliteit in de toepassing van parkeernormen door meer doelgroep specifieke normen toe te passen voor zowel de auto als de fiets. Verder is er de mogelijkheid om deelauto’s in te zetten om de parkeernorm te verlagen. Planspecifiek Parkeerbehoefte Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021. In de navolgende tabel staat de parkeerbehoefte weergegeven. Soort woning/functie Gestapelde woning, 50 - 80 m² Grondgebonden woning, 80 130 m² Basisonderwijs (per lokaal) Kinderdagverblijf (100 m²) Totaal

Aantal woningen / eenheden / oppervlakte m² bvo 8 6

Parkeernorm

4 90 m²

0,9 1,5

1,8 2,3

Aantal parkeerplaatsen 14,4 13,8 3,6 1,35 33,15

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er 34 parkeerplaatsen nodig zijn om te voldoen aan de ongewogen parkeerbehoefte. Kiss & Ride Bij scholen is er sprake van het brengen en halen van kinderen. Op basis van de locatie van de school in het dorp en de bereikbaarheid van de school per fiets en voet kan een lager percentage kinderen dat gebracht wordt per auto worden gehanteerd. Dit wordt gedaan aan de hand van de onderstaande tabel.

Doelgroep Groep 1-3 (onderbouw) Groep 4-8 (bovenbouw) Kinderdagverblijf Totaal

Aantal leerlingen 25 30 12

Berekening 25*0,3*0,5*0,75 30*0,2*0,25*0,85 12*0,65*0,25*0,75

Aantal parkeerplaatsen 2,8 1,3 1,5 5,6

Op het drukste moment, tijdens het brengen van de kinderen is de parkeervraag 6 parkeerplaatsen. Parkeervraag auto's Voor een goede berekening van de totale parkeervraag kan er gekeken te worden naar de mogelijkheid van dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Daarvoor zijn de aanwezigheidspercentages aangehouden van het CROW. Er wordt ervan uitgegaan dat sportfuncties alleen beschikbaar zijn buiten schooltijden. Door het dorpse karakter van de kern Woerdense Verlaat wordt ervan uitgegaan dat 75% van de bezoekers van de

41

buurt-, sport-, en andere verenigingen die gebruik gaan maken van de gymzaal lopend of met de fiets komen. De andere 25% komt met de auto omdat deze van buiten de kern komen. Wat betreft het aanwezige personeel is het aannemelijk dat er meer personeel aanwezig is dan conform de CROW gehanteerd kan worden, omdat het personeel van het kinderdagverblijf van buiten het dorp komt. Voor 12 kinderen wordt uitgegaan van drie begeleiders en één parkeerplaats per begeleider. Voor het IKC komt de parkeervraag daarmee op (3 + 3,6 =) 6,6. Voor het piekmoment moet daarbij de parkeervraag tijdens het halen en brengen opgeteld worden, wat een totaal van 12,2 parkeerplaatsen maakt. Onderstaande tabel toont de aanwezigheidspercentages per dagmoment.

Maatgevend moment voor de school is de werkdagochtend. Dan is het spitsuur rondom het halen en brengen van de basisschool en kinderopvang. Voor het IKC zijn er dan 12 parkeerplaatsen benodigd en op basis van de hierboven getoonde aanwezigheidspercentages is 50% van de bewoners nog thuis met een aandeel bezoek van 10%. Dit houdt in dat er 15 parkeerplaatsen voor bewoners nodig zijn op dit moment. Op basis van dubbelgebruik zouden er voor het hele plan 27 parkeerplaatsen nodig zijn. Met het voorliggende plan worden minimaal 31 parkeerplaatsen gerealiseerd aangevuld met twee kiss & ride plekken. Daarmee worden er voldoende parkeerplaatsen mogelijk gemaakt ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling. Fietsparkeren Tevens dient ook naar de parkeervraag voor fietsen gekeken te worden. Onderstaande tabel geeft de parkeernorm voor fietsen weer. De parkeernorm voor het kinderdagverblijf is indicatief, hier is geen officiële norm voor. Functie

Parkeernorm

Programma

Aantal parkeerplaatsen

basisonderwijs leerlingen

5 per 10 leerlingen

55 leerlingen

27,5

basisonderwijs medewerkers

0,4 per 10 leerlingen

55 leerlingen

2,2

kinderdagverblijf

1,5 per 100 m² bvo

90 m² bvo

1,35

Totaal

31,05

De benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen voor fietsen kan in de buitenruimte bij het nieuwe schoolgebouw worden gerealiseerd. Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

42

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

43

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Maatschappelijk De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn primair aangewezen voor educatieve voorzieningen met bijbehorende onderwijs en opvoeding gerelateerde voorzieningen (inclusief voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang), zorggerelateerde voorzieningen, een bibliotheek, alsmede ondergeschikt sociale en verenigingsactiviteiten. Voorts zijn de gronden aangewezen voor bijkomende voorzieningen ten behoeve van de ontsluiting, de inpassing, het parkeren, het spelen, etc. Binnen deze bestemming is een bouwvlak aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw moet worden gerealiseerd. Het bouwvlak mag in het middendeel volledig bebouwd worden. Het westelijke en oostelijke deel van het bouwvlak mag voor 50% bebouwd worden. Dit is middels maatvoeringsvlakken op de verbeelding aangegeven. De maximale goot- en bouwhoogten voor een hoofdgebouw met een plat dak (7,5 m) en een kap (6 en 10 m) zijn opgenomen in de planregels. Buiten het bouwvlak mogen bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd tot een oppervlakte van 150 m² en een maximaleen goot- en bouwhoogte van respectievelijk 5,5 en 3 meter, alsmede overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale hoogte van 3 meter (behalve voor vlaggenmasten en verlichtingsarmaturen die 8 meter hoog mogen zijn en terreinafscheidingen die niet hoger mogen zijn dan 1 of 2 meter). Ook is bepaald dat moet worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing onder meer ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken, ter waarborging van de verkeersveiligheid en de parkeergelegenheid en ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding. Verkeer - Verblijfsgebied De parkeerterreinen en de centrale ontsluitingsweg zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De gronden zijn bestemd ten behoeve van parkeren voor het IKC en de woningen en daarnaast voor de ontsluiting van het plangebied. Ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein', die net als in de huidige planologische situatie is opgenomen voor de westzijde van het plangebied, is een evenemententerrein mogelijk. Daarnaast zijn de gronden onder andere bestemd voor wandel- en fietspaden en groenvoorzieningen. Water Het in het reeds aanwezig plangebied oppervlaktewater is als zodanig bestemd.

Binnen de bestemming 'Water' is het niet toegestaan om te bouwen, behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor het wonen, met de mogelijkheid van de uitoefening van beroepen aan huis. Daarnaast zijn de gronden onder andere bestemd voor wandel- en fietspaden, erven, tuinen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Hoofdgebouwen (woningen) mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogten (respectievelijk 6 en 10 m) en het maximum aantal woningen (14) zijn aangegeven op de verbeelding. Naast de hoofdgebouwen zijn bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

44

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=f2b46d91-9c34-4c87-a62b-eeb9c8581688