CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan IKC Woerdense Verlaat (2024-013)17.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

IKC Woerdense Verlaat Gemeente Nieuwkoop

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0569.bpWVikcwoerdensev-on01

Datum:

2023-08-24

Contactpersoon Buro SRO:

Dhr. R. van der Made | Dhr. T.B. Wilde

Kenmerk Buro SRO:

SR220205

Opdrachtgever:

Gemeente Nieuwkoop

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 14 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 16 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 20 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 22

4 Omgevingsaspecten .............................................................................................................................. 24 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 24 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 24 4.3 Ecologie ............................................................................................................................................................. 33 4.4 Archeologie ....................................................................................................................................................... 36 4.5 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 37 4.6 Water ................................................................................................................................................................ 37 4.7 Duurzaamheid ...................................................................................................................................................

39 4.8 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 40

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 43 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 43 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 43 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 43 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 43 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 44

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 45 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 46 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 46 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 46 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 46

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Nieuwkoop en de maatschappelijke partners zijn voornemens om op de planlocatie aan de Korte Meentweg 13 en Leeuwerikstraat 2-4 in Woerdense Verlaat een Integraal Kindcentrum (IKC) en woningbouw te realiseren. De gemeente en de maatschappelijke partners in Nieuwkoop hebben de ambitie om in alle dorpskernen waar basisonderwijs gegeven wordt, toe te werken naar Integrale Kindcentra. Zo ook in Woerdense Verlaat. Het huidige gebouw van de Protestants Christelijke Basisschool de Meent, evenals het Beatrixgebouw, is verouderd. Er is behoefte aan nieuwe huisvesting. Het Integraal Kind Centrum Woerdense Verlaat biedt onderdak aan onderwijs, kinderopvang en peuteropvang voor alle kinderen van Woerdense Verlaat en omgeving. Daarnaast heeft het Integraal Kindcentrum een sociale en dorpshuisfunctie en vormt het gebouw dorpshart van de kern Woerdense Verlaat. Naast het IKC is er binnen het plangebied ruimte voor de realisatie van woningen. De planlocatie is gelegen binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, 1e herziening' uit 2016. In dit bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Het plan past niet geheel binnen de mogelijkheden van het geldende plan.

Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan vastgesteld te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan de Korte Meentweg 13 en Leeuwerikstraat 2-4 in Woerdense Verlaat. Het plangebied wordt aan de noord-, oost- en westzijde begrensd door bebouwing (woningen). Aan de zuidzijde liggen de Korte Meentweg (N463) en de Kollensloot. Het plangebied maakt deel uit van de kadastrale gemeente Nieuwkoop, sectie H, percelen 42 (deels), 134 (deels), 137 (deels), 1127, 1374 en 1445 (deels).

5

De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

Globale begrenzing plangebied, wit omkaderd (bron: Google Maps)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan De planlocatie ligt binnen de plangrenzen van het geldende 'Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, 1e Herziening', vastgesteld door de raad van de gemeente Nieuwkoop op 21 april 2016. Dit bestemmingsplan is een herziening van het bestemmingsplan 'Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker' (vastgesteld op 30 mei 2013). De gronden in het plangebied zijn voorzien van de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' en de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Geldend bestemmingsplan 'Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, 1e Herziening', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Onder maatschappelijke voorzieningen worden verstaan functies als scholen, bibliotheken, verenigingsleven en zorginstellingen. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor water, groenvoorzieningen, wegen en paden, parkeervoorzieningen en voorzieningen van algemeen nut. Voor twee delen van het bestemmingsvlak zijn bouwvlakken opgenomen. Hierbinnen mogen gebouwen met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 m en 10 m worden opgericht. Het noordelijke bouwvlak heeft de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 2'. Hier zijn, uitsluitend op de begane grond, horecafuncties toegestaan. Daarnaast zijn er twee delen van het plangebied die bestemd zijn als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Beide bestemmingsvlakken hebben de aanduiding 'evenemententerrein', waar een evenemententerrein mogelijk is, Binnen de bestemming zijn verder wegen met een functie voor verkeer en verblijf, groenvoorzieningen, langzaam verkeersroutes, parkeervoorzieningen, waterpartijen en watergangen, voorzieningen van algemeen nut, speelterreinen, waterhuishoudkundige voorzieningen, bruggen ten behoeve van de

7

ontsluiting van woonkavels en openbaar gebied en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming toegestaan. Voor de gronden aan de oostzijde is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen voor het behoud en bescherming van archeologische waarden. Bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Voor de westzijde van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De realisatie van een Integraal Kindcentrum en woningen op de planlocatie is niet toegestaan binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken moet een nieuw bestemmingsplan vastgesteld worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk zal in hoofdstuk 2 het initiatief worden toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planbeschrijving beschreven. Hoofdstuk 6 omvat de economische uitvoerbaarheid. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Planlocatie Voor de ontwikkeling van het IKC is de keuze gemaakt om de locatie van de huidige Protestants Christelijke Basisschool de Meent te transformeren. Het schoolgebouw staat aan de zuidzijde van het plangebied, op de hoek van de Korte Meentweg (N463) en de Merelstraat. De gronden rondom het schoolgebouw zijn in gebruik als speelterrein. Ten noorden van de school, aan de Leeuwerikstraat, staat een tweede gebouw. Dit gebouw staat bekend als verenigingsgebouw Beatrix, waar onder andere het gelijknamige café in is gevestigd. Rondom het verenigingsgebouw, aan de zuid- en westzijde, ligt een parkeerterrein. De navolgende afbeeldingen tonen een situatietekening en foto's van de huidige situatie in en rondom het plangebied.

Situatietekening huidige situatie (bron: Vollmer & Partners)

9

Impressie huidige situatie schoolgebouw vanaf zuidoostzijde (bron: Google streetview)

Impressie huidige situatie schoolgebouw vanaf zuidwestzijde (bron: Google streetview)

10

Plangebied vanaf de Leeuwerikstraat (bron: Google streetview)

Omgeving Parallel aan de provinciale weg N463 ligt een parallelweg. Via deze parallelweg en de Leeuwerikstraat kan het plangebied bereikt worden. De provinciale weg N463, bestaande uit de Korte Meentweg en de Lange Meentweg, verbindt Woerdense Verlaat met Nieuwkoop (westzijde) en de kernen ten oosten van Woerdense Verlaat. De Korte Meentweg en de Lange Meentweg zijn samen bepalend voor de bebouwingsstructuur van Woerdense Verlaat. Langs deze wegen is het bebouwingslint ontstaan. Ten noorden van het plangebied bevinden zich de naoorlogse uitbreidingen van de kern.

2.2 Toekomstige situatie Op de planlocatie wordt in de toekomstige situatie een nieuw Integraal Kindcentrum en woningbouw gerealiseerd. Om dit te kunnen realiseren zal de bestaande bebouwing volledig gesloopt worden. Dat wil zeggen dat het schoolgebouw en het oude café/verenigingsgebouw in het noorden gesloopt worden. Er is voor de voorgenomen ontwikkeling een ruimtelijke kader opgesteld, waarin de randvoorwaarden zijn opgesteld zijn en vertaald zijn in een bouwenvelop. Het ruimtelijk kader is als bijlage bij de toelichting gevoegd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Het primaire doel van het voorliggende plan is het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting voor het IKC van Woerdense Verlaat, waar er voldoende ruimte is voor het geven van basisonderwijs, buitenschoolse opvang en dagopvang voor 0-4 jarigen. Daarnaast moet het kindcentrum ook geschikt zijn voor medegebruik, voor aanbieders van diensten en activiteiten voor kinderen en buiten schooltijden voor bredere verenigingen en maatschappelijke organisaties. Zo moet de gymzaal bijvoorbeeld geschikt zijn om te verhuren aan derden voor sportactiviteiten.

In totaal wordt er beoogd om een IKC te realiseren dat voorziet in 427 m² bvo aan basisonderwijs (één school met 55 leerlingen) met 300 m² aan buitenruimte, circa 90 m² bvo aan kinderopvang met 36 m² aan buitenruimte en 450 m² bvo aan sport (gymzaal en toebehoren). Naast deze voorzieningen voor het IKC zijn er maatschappelijke ruimten beoogd: een ruimte van 100 m² bvo voor vereniging Beatrix en nog 150 m² bvo aan gemeenschappelijke ruimten. Totaal komt dit neer op circa 1.217 m² bvo en minimaal 423 m² aan benodigde buitenruimte. Naast de ontwikkeling van het IKC wordt er woningbouw gerealiseerd in het plangebied. Het aanbod van voldoende en geschikte woningen is een belangrijke voorwaarde voor de leefbaarheid en vitaliteit van het

11

dorp. De huidige bebouwing in het plangebied is langgerekt opgezet en maakt niet optimaal gebruik van de ruimte in het plangebied. Door het nieuwe kindcentrum compacter te maken en te combineren met andere maatschappelijke voorzieningen komt er ruimte vrij in het plangebied om woningen te realiseren. De navolgende afbeeldingen tonen visualisaties van de bouwenvelop met mogelijke invullingen van de toekomstige situatie.

Kaart bouwenvelop woningbouwlocatie en IKC (bron: Vollmer & Partners)

Mogelijke invulling woningbouw aan de Korte Meentweg (bron: Vollmer & Partners)

12

Mogelijke invulling IKC aan de Leeuwerikstraat (bron: Vollmer & Partners)

Er wordt beoogd om de nieuwe woningen aan de Korte Meentweg te realiseren in dezelfde lijn als de andere woningen aan het lint van de Korte Meentweg. Er is ruimte voor het realiseren van maximaal 6 grondgebonden woningen en een gebouw met appartementen. In totaal kunnen er maximaal 14 wooneenheden worden gebouwd. De woningen zijn betaalbare koopwoningen, waarvan 35% uit goedkope koop (tot € 325.000) bestaat. Naast ruimte voor de woningen is er in dit deel van het plangebied (zuidwestzijde) ook ruimte om te voorzien in de benodigde parkeerplaatsen bij de woningen en een deel voor het IKC. De nieuwbouw van het IKC is voorzien ter plaatse van het verenigingsgebouw in het noorden van het plangebied. Het volume van dit gebouw wordt grotendeels op dezelfde locatie voorzien, met daaromheen ruimte voor de speelplaatsen en andere gemeenschappelijke buitenruimten. De locatie voor parkeren wordt op dezelfde plek als in de huidige situatie gerealiseerd (noordwestzijde, Leeuwerikstraat).

13

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van nieuwe woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied raakt niet aan een van de nationale belangen van het Barro. Deze belangen zijn niet specifiek van toepassing. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

14

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van een nieuw Integraal Kindcentrum ter vervanging van de bestaande school. Daarnaast worden er ten hoogste 14 nieuwe woningen gerealiseerd in het plangebied. Derhalve wordt het plan gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dient het plan getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Behoefte Uit de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017, die in toelichting paragraaf 3.3.2 wordt behandeld, blijkt dat er in de gemeente Nieuwkoop een behoefte aan 810 nieuwe woningen is in de periode 20172030. Uit het meer recente Integraal Woningbouwprogramma Nieuwkoop (zie toelichting paragraaf 3.4.2) blijkt dat er in de gemeente Nieuwkoop in de periode 2019-2029 een woningbouwbehoefte van 1.910 nieuwe woningen is. Met de realisatie van 14 woningen wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte in de gemeente en regio.

De woningen zijn betaalbare koopwoningen, waarvan 35% uit goedkope koop (tot € 325.000) bestaat. Deze woningen zijn geschikt voor starters, (jonge) gezinnen en senioren. Tevens is er behoefte aan nieuwe huisvesting voor de basisschool en andere maatschappelijke voorzieningen in de kern Woerdense Verlaat. In deze behoefte wordt voorzien met de ontwikkeling van een nieuw IKC, waarin ook ruimte is voor andere maatschappelijke voorzieningen. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied is gelegen in de kern Woerdense Verlaat en daarmee in het bestaand stedelijk gebied. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan gerealiseerd wordt in het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast voorziet het plan in de regionale en lokale behoefte aan woningbouw en de behoefte aan huisvesting ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen.

15

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

2.

Ambities en sturing

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'

•

16

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in een veencomplex. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast zijn hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen te vinden. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. In het plangebied bestaat de ondergrond uit oude zeeklei. In een aantal droogmakerijen treedt verzilting op en wordt het waterbeheer steeds lastiger. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/ of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Ontwikkelingen in de droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding. De voorgenomen ontwikkeling levert een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich aan de Korte Meentweg. Dit gebied is gelegen in een veen(weide)landschap.

De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Richtpunten voor dit type landschap zijn het bewaren van de diversiteit aan verkavelingspatronen, ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen en nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd binnen de bestaande kern van Woerdense Verlaat. Dit sluit aan bij een het laatst genoemde richtpunten. De kenmerkende landschapselementen zijn daarnaast niet aanwezig in het plangebied. Laag van stedelijke occupatie Op de kaart 'laag van stedelijke occupatie' is het plangebied gelegen in binnen het dorp. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap.

Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld.

17

Het plangebied is gelegen in de kern van Woerdense Verlaat. Met de ontwikkeling wordt qua bebouwing, architectuur en inrichting van de openbare ruimte aangesloten op de karakteristieken van het dorp. De aansluiting wordt gezocht bij de omliggende bebouwing in de opzet van het plan. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Herkenbaar waterrijk veen(weide) Het plangebied is gelegen in de strokenlanden. Ten noorden van de Oude Rijn overheerst de opstrekkende, waaiervormige strokenverkaveling vanaf de Oude Rijn die als ontginningsbasis diende. De kavels steken ver het landschap in, doordat ontgonnen is met recht van ‘vrije opstrek’ zonder achtergrens. Tot de strokenverkaveling behoren ook de cope-ontginningen rond Nieuwkoop en Achttienhoven, die aan de achterzijde worden begrensd door een waterloop of hakhoutkade. Verre zichten worden zo ingekaderd door beplante kades of de achterkanten van bebouwingslinten. Kenmerk van deze gebieden is het contrast tussen de lager gelegen polders en de hoger gelegen boezem met kades.

Het voorliggende plan wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied en heeft daardoor geen nieuwe verstoring van de strokenlanden. Droogmakerij als herkenbare eenheid Het plangebied is gelegen in bodemdalinggevoelig gebied. Het veenweidegebied en een deel van de droogmakerijen met veen in de ondergrond zijn gevoelig voor bodemdaling. Enkele gebieden in het Hollands Plassengebied zijn zelfs zeer sterk gevoelig vanwege een dik onderliggend veenpakket. De ambitie voor dit gebied is het afremmen van bodemdaling. Daar waar bodemdaling het sterkst optreedt is het wenselijk in te zetten op vernatting bijvoorbeeld door de aanleg van infiltrerende drainage. Dit voorkomt dat bij droogte het nog onveraarde veen droogvalt. Dit betekent een extensivering voor het agrarisch gebruik. De herontwikkeling van het plangebied biedt mogelijkheden om extra infiltrerende drainage aan te leggen in een gebied dat nu grotendeels versteend is. Kwaliteit stads- en dorpsgebied De planlocatie is gelegen in het dorp Woerdense Verlaat. De dorpen in het Hollands Plassengebied verschillen in oorsprong, stedenbouwkundige opzet en grootte. Deze verscheidenheid is nog herkenbaar. Het grootste oppervlak van de dorpen bestaat uit uitbreidingen die na 1950 zijn gerealiseerd.

Deze uitbreidingswijken kennen een stratenpatroon en verkaveling die meestal primair is gebaseerd op een kwaliteit op wijkniveau met veel aandacht voor een goede auto-ontsluiting en eisen van de moderne woning. Het originele verkavelingspatroon van het landschap is in deze wijken in de regel niet meer zichtbaar in de opzet van de wijk en het directe contact met de omgeving is soms verloren gegaan. Een dorp is geen stad en aan iedere ontwikkeling gaat een grondige analyse vooraf. Nieuwe ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij de maat en schaal van het dorp, sluiten aan bij de typologie aan bebouwingsvormen en functies. De dorpskernen functioneren daarnaast waar mogelijk als locatie voor kleinschalige voorzieningen die ook van betekenis zijn voor de omringende linten. Het voorliggende plan sluit hierop aan door een maatschappelijke voorziening in het dorpshart te herontwikkelen, zodat het toekomstbestendig is en nog voor een langere periode van betekenis is voor het dorp en de linten in de omgeving. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

18

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2023 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a). De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een locatie in de kern van het dorp Woerdense Verlaat waar nu een basisschool en een verenigingsgebouw staan. De locatie wordt herontwikkeld en er worden een nieuw IKC en nieuwe woningen opgericht. De herontwikkeling van het plangebied past bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de planlocatie niet groter dan 3 hectare is. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Klimaatverandering In artikel 6.27a 'risico's van klimaatverandering' is opgenomen dat in een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a.

wateroverlast door overvloedige neerslag;

19

b. c. d.

overstroming; hitte; droogte

Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan voldaan aan richtlijnen met betrekking tot waterberging en er zal ruimte zijn voor het infiltreren van water. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) is op overstroming in het plangebied. Het aspect overstroming is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Hitte Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied warmer is dan in de omgeving. Dit komt zeer waarschijnlijk omdat het plangebied grotendeels bebouwd en verhard is. De sloop en nieuwbouw in het plangebied zal mogelijk leiden tot een lichte daling van de temperatuur, doordat de verharding ligt afneemt. Er wordt verondersteld dat hittestress geen probleem wordt in het plangebied. De manier waarop het onbebouwde deel van het plangebied wordt ingericht is daarbij van belang. Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. In de concrete uitwerking van de bouwplannen is het belangrijk om hier extra aandacht aan te schenken zodat infiltratie geborgd wordt. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Holland-Rijnland als een topwoonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Met de ontwikkeling wordt een integraal kindcentrum (IKC) gerealiseerd. Daarnaast voorziet het plan ook in de ontwikkeling van maximaal 14 nieuwe woningen, in de vorm van grondgebonden woningen en/of appartementen. De ontwikkeling is voorzien aan het dorpslint van de Korte Meentweg in de kern Woerdense

20

Verlaat, binnen het stedelijk gebied. Hiermee wordt aangesloten op het kernpunt 'concentratie stedelijke ontwikkeling'. Tevens wordt er aangesloten bij het kernpunt 'Holland Rijnland als een topwoonregio', waarbij er met name veel aandacht is voor de kwaliteit van de leefomgeving die passend is in de omgeving. De topwoonregio wordt gestimuleerd door het ontwikkelen van een nieuw integraal kindcentrum die plek moet bieden aan alle kinderen die wonen in de omgeving van de kern Woerdense Verlaat. 3.3.2 Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor de woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1.

2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.

Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 2 en 5. Het plan komt tegemoet aan de vraag naar nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een nieuw integraal kindcentrum (IKC) en maximaal 14 nieuwe woningen. Met de inbreiding wordt er op de planlocatie ruimte geboden aan een nieuw modern IKC en aan nieuwe woningen. Tevens wordt er ingezet op het meer concentreren van de bebouwing ten opzichte van de huidige situatie, zodat er meer ruimte ontstaat voor groen in het plangebied. In de gemeente Nieuwkoop is in de periode 2017-2022 vraag naar 540 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 270 extra woningen. Er is dus in de periode 2017-2030 een behoefte aan 810 nieuwe woningen. Uit de woonagenda komt daarnaast naar voren dat de behoefte aan het type woonmilieu voor Nieuwkoop verdeeld is over meerdere categorieën. Er zijn maximaal 14 woningen voorzien, zowel grondgebonden eengezinswoningen als appartementen voor starters, jonge gezinnen en senioren. Het voorliggende plan voorziet zodoende in woningen in meerdere categorieën en voor meerdere doelgroepen. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Nieuwkoop.

21

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Nieuwkoop De 'Omgevingsvisie gemeente Nieuwkoop' is de toekomstvisie voor de leefomgeving, waar de gemeente, inwoners, ondernemers en organisaties samen aan werken. De gemeente Nieuwkoop heeft gesprekken gevoerd over haar geschiedenis, karakter en identiteit. Hieruit is naar voren gekomen wat belangrijke waarden en kwaliteiten zijn voor het leven in de gemeente Nieuwkoop en voor de leefomgeving. Er zijn 'zeven Nieuwkoopse drijfveren' die de gemeente in de toekomst wil behouden en versterken: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Rust en ruimte; Weids landschap; Bijzondere natuur; Centrale ligging; Dorps karakter; Levendige dorpen; Saamhorigheid.

De Omgevingsvisie helpt antwoord te geven op de belangrijkste opgaven waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De opgaven zijn vertaald in drie ambities; 'gelukkige mensen', 'sterke dorpen' en 'groene toekomst'. Voor het grondgebied van de gemeente geldt dat de betekenis van de visie per gebied anders zal zijn. De visie is dan ook uitgewerkt in drie gebieden, het noorden van de gemeente, het midden van de gemeente en het zuiden van de gemeente. Planspecifiek Het voorliggende plan draagt voornamelijk bij aan de ambitie 'sterke dorpen'. Om de kracht van de dorpen te behouden zijn er tot 2030 ca. 1900 woningen nodig en tot 2040 nog eens 400 woningen. De gemeente Nieuwkoop wil dat iedereen goed en betaalbaar kan wonen, zowel starters en (jonge) gezinnen als senioren. Hierdoor blijft de bevolkingsopbouw gezond en blijven de dorpen in de gemeente levendig. Allereerst dienen de nieuwe woningen binnen de bestaande dorpsgrenzen gebouwd te worden, waardoor het landschap open blijft en niet wordt aangetast. Maar om genoeg woningen toe te voegen moet er soms ook aan de randen van de dorpen gebouwd worden. Het realiseren van nieuwe woningen in de dorpskern is passend bij de ambitie om eerst nieuwe woningen binnen de bestaande dorpsgrenzen te bouwen. Op deze manier zorgt het voorliggende plan voor het versterken van de dorpen in de gemeente Nieuwkoop.

Voor het plangebied geldt dat de bestaande (verouderde) bebouwing de bestaande school en het verenigingsgebouw gesloopt worden. Hiervoor in de plaats worden een nieuw integraal kindcentrum en maximaal 14 woningen gebouwd. De nieuwe woningen dragen bij aan een diverse woningvoorraad in de gemeente. Het integraal kindcentrum zorgt voor een sterk dorp door het behouden en clusteren van maatschappelijke voorzieningen. Gesteld kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Omgevingsvisie van de gemeente Nieuwkoop. 3.4.2 Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop De gemeente Nieuwkoop heeft met het integraal woningbouwprogramma de focus op het bouwen voor diverse doelgroepen. Het nieuwe woningbouwprogramma legt de nadruk op het specifiek bouwen van betaalbare woningen voor de doelgroepen starters, ouderen en jonge gezinnen en op het bouwen voor doorstroming. Het programma ziet op minder grondgebonden woningen en meer tweekamer- en driekamerappartementen. De startdatum van het woningbouwprogramma is 1 januari 2019. Volgens de provinciale woningbehoeftecijfers geldt voor de gemeente Nieuwkoop vanaf deze datum voor een periode van 10 jaar een woningbehoefte van 1.910 woningen.

22

Het Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop biedt een kader op basis waarvan tempo gemaakt kan worden met het bouwen van de juiste woningen op de juiste plek. Planspecifiek De bouw van maximaal 14 woningen levert een bijdrage aan de woningbehoefte van 1.910 nieuwe woningen voor de periode 2019-2029. De navolgende afbeelding toont de gewenste woningbouwprogrammering in deze periode.

Gewenste woningbouwprogrammering gemeente Nieuwkoop 2019-2029 (bron: Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop)

Een deel van de woningen valt in de categorie 'koop grondgebonden > € 200.000', waaruit 35% van het gemeentelijk woningbouwprogramma bestaat. Daarnaast zijn er kleinere koopappartementen (< € 200.000) en grotere koopappartementen (> € 200.000) voorzien. Met de realisatie van het voorliggende plan kan voor een deel in voorzien worden in de gemeentelijke woningbouwbehoefte. Er kan daarmee geconcludeerd worden dat het voorliggende initiatief past binnen het woningbouwprogramma en dat er woningen mogelijk worden gemaakt voor doelgroepen waar de focus op ligt. In de gemeente Nieuwkoop is tevens de Verordening woonfonds van kracht. Deze verordening heeft als doel de toegankelijkheid van de woningmarkt te bevorderen. Bij nieuwe ontwikkelingen waarbij niet voldaan wordt aan het vastgestelde percentage sociale woningbouw uit het woningbouwprogramma is de ontwikkelende partij een storting aan het woonfonds verschuldigd. Mogelijk is er een storting in het woonfonds benodigd voor deze ontwikkeling. Ook geldt er de Beleidsregel Nieuwkoop anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht. Op nieuwbouwwoningen met een vrij-op-naamprijs tot aan de NHG-grens past de gemeente Nieuwkoop het antispeculatiebeding en de zelfbewoningsplicht toe. Deze bepalingen gelden gedurende de eerste vijf jaar vanaf de eerste bewoning. De beoogde woningen vallen in deze categorie.

In dit geval zullen privaatrechtelijk eisen worden gesteld aan anti-speculatie en zelfbewoning. 3.4.3 Verordening doelgroepen woningbouw Nieuwkoop 2022 In de Verordening doelgroepen woningbouw Nieuwkoop 2022 zijn voor de categorieën sociale huurwoning, middeldure huurwoning en sociale koopwoning de maximum prijsgrenzen, de bijbehorende doelgroepen (op basis van inkomen) en instandhoudingstermijnen bepaald. Via de doelgroepenverordening kan in bestemmingsplannen worden aangegeven hoeveel procent van de woningen een bepaalde woningbouwcategorie moet zijn. Daarvoor gelden dan ook de overige bepalingen in de verordening zoals de instandhoudingstermijn. Planspecifiek De Verordening doelgroepen is in dit geval niet van toepassing. Het voorliggende bestemmingsplan maakt (betaalbare) koopwoningen mogelijk.

23

4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn voor de in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit jurisprudentie volgt dat vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie D11.2 uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet alleen afhankelijk is van de vraag of (per saldo) negatieve milieugevolgen kunnen ontstaan. Naast de omvang van de activiteit spelen ook de ligging van het project en de bestaande planologische mogelijkheden een rol bij het bepalen of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Gelet op de ligging van de planlocatie, het feit dat er sprake is van een herontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied en de aard en de omvang van het project, is het project niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 uit de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Daarmee valt het voorliggende plan onder mogelijkheid d. Verdere toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage is dan ook niet aan de orde.

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.

24

Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er een bestemmingswijziging plaats en worden er nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Bij een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (o.a. wonen). Om deze reden is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 22-2238-R01MP, d.d. 28 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:

• •

Het sterk kleiige veen met sporen baksteen op het oostelijke terreindeel (0,3 – 0,8 m-mv, boring 116) is licht verontreinigd met diverse zware metalen. Het sterk zandige veen met een zwakke bijmenging met baksteen op het noordelijk terreindeel (0,4 – 0,8 m-mv, boring 119) is matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met diverse zware metalen en PCB.

•

De zintuiglijk onverdachte zandige bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv, MM01 t/m MM03) is niet tot licht verontreinigd met enkele zware metalen.

•

De zintuiglijk onverdachte zwak zandig venige ondergrond op de locatie (0,8 – 1,0 m-mv, MM04) is licht verontreinigd met enkele zware metalen.

•

De zintuiglijk onverdachte venige ondergrond op de locatie (1,0 – 2,0 m-mv, MM05) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.

•

De sterk zandig venige ondergrond met resten plastic, afval en textiel ter plaatse van de slootdemping (0,8 – 1,5 m-mv, MM06) is licht verontreinigd met zware metalen en PAK. Er is geen asbest verdacht materiaal aangetroffen in of op de bodem van de locatie.

• •

Het grondwater centraal op de locatie en in de slootdemping (peilbuis 109) is matig verontreinigd met barium (regionaal verhoogde achtergrondconcentratie).

Wat betreft de overige onderzochte verontreinigingen zijn er (licht) verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater aangetoond. Ter plaatse van boring 119 (achter het noordelijke gebouw, nabij de sloot) zijn voor PAK de 'tussenwaarde' overschreden. Derhalve is aanvullend onderzoek na de sloop van het gebouw noodzakelijk. De matige verontreiniging kan veroorzaakt zijn door de mogelijke aanwezigheid van een toemaakdek, zodat verontreinigingen hierdoor in diverse mate in de omgeving kunnen voorkomen. Vooral de Korte Meentweg wordt aangegeven als een mogelijke locatie van een toemaakdek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein nog niet geschikt voor de toekomstige bestemming. Hiervoor dient een aanvullend onderzoek ter plaatse van het beoogde integraal kindcentrum uitgevoerd te worden. Het aanvullend onderzoek wordt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en na sloop van de bestaande bebouwing uitgevoerd. Na afronding van het aanvullend onderzoek en het treffen van de eventueel benodigde maatregelen (sanering) vormt het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’.

De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en

25

stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.

Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling van een IKC en maximaal 14 woningen is een ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 15,5 µg/m³, 8,4 µg/m³ en 11,9 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=f2b46d91-9c34-4c87-a62b-eeb9c8581688