Bijlage 11 Toetsing Wet Natuurbescherming_16-2-22_met_bijlagen__pdf
Tekst van het document
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 24
7 Conclusie Op basis van deze Quickscan worden de onderstaande samenvattende conclusies getrokken.
Bescherming soorten Overige soorten waarvoor vrijstellingen zijn opgesteld De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Zuid-Holland vrijstellingen opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er geen leefgebied verloren gaat en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.
Inventariseren op geschikt habitat van Noordse woelmuis voortplantingslocaties van Noordse woelmuis moet worden voorkomen. Dit kan door: 1. Werken buiten de kwetsbare voortplantings- en nestperiode en/of winterperiode Op plekken waar geschikt zomer- en/of winterhabitat aanwezig is, kunnen werkzaamheden alleen ontheffingsvrij worden uitgevoerd als buiten de periode wordt gewerkt dat dergelijk habitat in gebruik is. Voor voortplantingslocaties is de periode april tot en met september het meest kwetsbaar voor winterhabitat de periode november tot en met maart. De maand oktober is de enige maand waarin ontheffingsvrij werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Doordat ook buiten de aangeven kwetsbare maanden per zomeren winterhabitat rekening moet worden gehouden met Noordse woelmuis, is werken in deze maanden in geschikt biotoop ontheffingsplichtig. 2. Maatwerk: inventariseren aanwezig biotoop ter plaatse op geschiktheid Door per (deel)gebied de locaties waar werkzaamheden zijn gepland te inventariseren op aanwezig geschikt habitat, bijvoorbeeld de plek waar een dam of duiker is gepland, kan maatwerk worden geleverd.
Als ter plaatse geschikt zomer- of winterhabitat aanwezig is, kunnen de werkzaamheden of alleen in de maand oktober worden uitgevoerd, of de werkzaamheden moeten worden verplaatst naar een locatie waar geen geschikt habitat aanwezig is (voorbeeld de duiker 10 meter verderop plaatsen). Deze inventarisatie kan alleen worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige (Kader hoofdstuk 4). Bij afwezigheid van geschikt habitat worden negatieve effecten op Noordse woelmuis op voorhand uitgesloten en is geen sprake van een ontheffingsplicht. Met het oog op Noordse woelmuis, kunnen werkzaamheden kunnen dan jaarrond worden uitgevoerd. Werkzaamheden zijn gepland vanaf augustus. Dit is alleen mogelijk op werklocaties waar geen geschikt zomeren/of winterhabitat aanwezig is.
Rekening houden met waterspitsmuis Doordat verspreid door de plangebied stukjes oever voorkomen waar watervegetatie aanwezig is en sprake is van begroeide oevers, moeten werkzaamheden ter plaatse: of worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode uit te voeren. De maanden september tot en met maart zijn het meest geschikt.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 25
-
Of voorafgaand aan de werkzaamheden moet de werklocatie geïnventariseerd op aanwezig geschikt habitat. Bij afwezigheid worden negatieve effecten op waterspitsmuis op voorhand uitgesloten en is geen sprake van een ontheffingsplicht. Met het oog op waterspitsmuis, kunnen werkzaamheden kunnen dan jaarrond worden uitgevoerd.
Rekening houden met vogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen 1 mogen worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Men dient dan alert te zijn op eventueel aanwezige broedende vogels. Dit geldt ook voor broedende vogels in de groenstructuur rondom het plangebied. De werkzaamheden mogen er niet toe leiden dat deze broedende vogels worden verstoord en hun nest (broedsel/ jongen) verlaten. De zorgplicht is te allen tijde van kracht.
Zorgplicht bij werkzaamheden watergangen Voor de werkzaamheden in de watergangen wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen maatregelen te nemen met betrekking tot vissen en deze maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol.
Alert zijn op rugstreeppad Met het afgraven/ plaggen kunnen rugstreeppadden worden aangetrokken. In de voortplantingsperiode van de rugstreeppad, welke is van april tot en met juli, wordt aanbevolen alert te zijn op aanwezigheid van de rugstreeppad om vestiging van de soort voor of tijdens de werkzaamheden te voorkomen (§5.5). Indien een rugstreeppad wordt aangetroffen, neem dan direct contact op met een ecoloog. Indien de soort zich (nog) niet heeft gevestigd, mag de ecoloog als ter zake kundige het dier verplaatsen naar geschikt, alternatief terrein.
Bescherming gebieden Niet – stikstof-gerelateerde effecten Het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. De werkzaamheden worden in het kader van het beheerplan van het natuurgebied uitgevoerd om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Indien de aangegeven voorwaarden uit het beheerplan worden nageleefd, is een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk (Provincie Zuid-Holland, 2015). Stikstof-gerelateerde effecten Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt materieel ingezet. Echter, doordat de maatregelen worden uitgevoerd in het kader van het beheerplan en daarin zijn opgenomen, is het inzichtelijk maken van de stikstofdepositie tijdens de ontwikkelingsfase of een vergunning voor deze niet nodig.
Bescherming houtopstanden In het plangebied staan geen bomen waardoor een nadere toetsing voor de bescherming van houtopstanden niet van toepassing is.
1
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 26
Natuurnetwerk Nederland Voorgenomen is de bestemming van de deelgebieden, die samen het plangebied vormen, te wijzigen van Enkelbestemming agrarisch naar Natuur. Het plangebied ligt in NNN gebied dat tevens onderdeel is van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De natuurdoelen voor dit Natura 2000-gebied zijn gericht op behoud en uitbreiding van de omvang en kwaliteit van het leefgebied van habitattypen en soorten. Met het wijzigen van de bestemming is geen sprake van aantasting van de kernopgave en instandhoudingsdoelstellinen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Er vindt geen afname plaats aan areaal; deze blijft gelijk. Kwalitatief worden de deelgebieden verbeterd; met de omvorming van agrarisch naar natuur wordt de bodem niet meer geroerd en kan deze ontwikkelen tot de natuurdoelen die voor het Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Ook wordt voor deelgebied 1 invulling gegeven aan de ambitie deze om te vormen tot natuur. Ook wordt de samenhang van het NNN en omliggende NNN niet aangetast, maar wordt deze robuuster door de omvorming naar natuur. Op basis van bovenstaande onderbouwing worden met de bestemmingswijziging van Enkelbestemming agrarisch naar Natuur, negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het NNN gebied uitgesloten.
Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Voor onderzoeken waar alleen algemeen voorkomende soorten, de overige beschermde soorten van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn, mag worden volstaan met een geldigheid van 5 jaar. Waarbij ook geldt dat er in die periode weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen optreden. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 27
Literatuurlijst • •
•
• • • •
• • •
• • • • •
BIJ12 (2017). Kennisdocument Noordse wolemuis Microtus oeconomus arenicola. Versie 1.0, juli 2017. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Koninklijke Vermande (1999-2009). Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3 , 4 en 5. SDU Uitgeverij, Den Haag Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3.
Natuurbeheerplan Zuid-Holland, 2020 https://atlas.zuid-holland.nl/GeoWeb54/index.html?viewer=Natuurbeheerplan Omgevingsverordening (2019). Verordening van provinciale staten van Zuid-Holland van 20 februari 2019 (PZH-2019-677696264) houdende de regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsverordening Zuid-Holland) Provincie Zuid-Holland (2015). Beheerplan Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Periode 2015 – 2021. Juni 2015. 272704. Spoelstra, K. et al. (2017). Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat presence is affected by white and green, but not red light. Proc. R. Soc. B 284, 20170075 (2017). Synbiosys Alterra. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN. Visie ruimte en mobiliteit (2018). Provincie Zuid-Holland. Geconsolideerde versie. Provinciale Staten, 30 mei 2018.
Soortinformatie: • www.zoogdiervereniging.nl • www.ravon.nl • www.sovon.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.nioo.knaw.nl/nl/licht-op-natuur • Soortenprotocol waterspitsmuis – STOWA waterspitsmuis.pdf (stowa.nl) Waarnemingen:
- ndff-ecogrid.nl
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.
2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
www.eelerwoude.nl
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
www.eelerwoude.nl
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.
De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
www.eelerwoude.nl
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
www.eelerwoude.nl
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Programmatische aanpak
www.eelerwoude.nl
De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
www.eelerwoude.nl
Bijlage 2 Overzicht deelgebieden en profielen
www.eelerwoude.nl
1424 1297 1539
1541
2508
1430
2627
1458 1588
oppervlak: 36.005m2
1379
1550
1672
1552
2820 1383 1403 2691
2818 1400 2821
1537
2819
2252 2693 2692
599
14
1344
1561 103
806
10
1382
9 288 222
659 1414 77
1402
5 14
1523
14 5
807
1758 1590
1401
8
2222 66
808 809
1414 11
14 3
222 222
1425
1465
1252
1249
7
r
1542
128
3 14
2222 44
810
1251 6 1426
5
1121 1042
4 1536
1528
1674
1427
2509
5
1246
3 131399
2
1915
216 216
1460 1912
2722 2721 1872 214 214 1871 1848
101
210 210
208a
1554
2047
1324 131377
1782
1463
1535
2248
1895 1327
2009
1543 1793
r
2027
1534 2065 1729
172 172
663
207
111155
208
637
668
MeM ijeeije
111133
1624
1661
181800
1623
2064
1209
677
2201
2044
2043 1569
213 r
11111 1
2235
2711
1837
1939
194 194
6 19196
202 202
1715
1709
1752
121299
1718
1977
1867
1868
2228 2229
9005 9005
2171
1719
204 4 20
717
2510
1852
192 192
2066 20
1712
718
1593
2234
188 188
1570
641
640
10109 9
r
186 186
1556
2511
2386
2712
111177
2732
2566
2567 2547
2028
oppervlak: 55.573m2 2017
1881
1204
2249
190 190
1597
1538
244
r
2548
181844
676
636
198 198
2733
1548
1559
1662 22
809
2462 2349
674 1818
1625
1412 245
171788 1234
1622
1834
r
1642
1959
2246
97
277
1205
98
1833
1701
1466
1544 d pa ijead Mijeep Me
171766
2200
r r
243
1917
r
1744
2066
13131 1
2461
1545
174 174
r
r
1879
1533
100
r
1918
1010
2049
1958
MeMe ijeije
r
217
2142
13133 3
1914
r r
2143
1464
1171
126
r
2048 1636
1791
1913
1530
218
1865
1794
1641
276
1005
131355
1529 r
1591
1212 -14-14
1976
1770 1325
2247
1318
1616
2046
1464
2350
1673
1610
2199
2823 127
2045
208 208
r
Ha H zeaz kaek dead e 1818
1608
2198
2822
r
1873
212
1849 212
2390
123
r
1248
212188
1428
1629
1678
657
1250
122
1521
1792
12127 7
12125 5
2155
1851
2154
N
1838 1758
121 121
119 119
642 1951
733 12123 3
1915
1952 643
211
1414
212
728 10107 7
1938 1745 r
1953
1338 614
620
727
1933
1747
1996
2444 24
2366 23
2344 23
2300 23
1757
102
2422 24
805 1381
1429
1916 1913
600
1345
1380
Verklaring Bestaand Perceelsgrens
Maten in meters Materiaalmaten in millimeters Hoogtematen t.o.v. N.A.P.
Ontwerp Project
Opdrachtgever
Kruiden- en faunarijk grasland Vochtig hooiland
Eelerwoude
Meijegraslanden
Onderdeel
Nieuw
2172 2213
Kleurt het landelijk gebied
Oppervlakte tekening deelgebied 5
Projectnummer
Formaat
Natuurmonumenten
Schaal
Inventarisatiedatum
Tekeningnummer
Bijlagenummer
Getekend
Datum aanmaken
Versie
Wijziging
Datum
D1
oppervlaktes
10-03-2021
9020
Getekend
Gezien
RZ
CP
-
CP
A3
08-03-2021
Filenaam: P:\9020 Ing.diensten Meije Graslanden, ontwikkelen van broedbiotoop voor de Roerdomp en Blauwgrasland\AutoCad\210308_CP_9020_oppervlaktes deelgebied5.dwg