Bijlage 11 Toetsing Wet Natuurbescherming_16-2-22_met_bijlagen__pdf
Tekst van het document
Toetsing Wet natuurbescherming Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop
Opdrachtgever: Natuurmonumenten Stationsplein 1 3818 LE Amersfoort
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Aangepast: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
9020 12-11-2019 16-2-2022 N. Otten M. Oomen en J. Marchal J. Marchal en M. Leenen Definitief 1
© 2022 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding ...............................................................................................................................................5
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 7 Huidige situatie .......................................................................................................................................7 Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................7
3
Natuurwetgeving en -beleid........................................................................................................................ 9 Inleiding ..................................................................................................................................................9 Bescherming van soorten .......................................................................................................................9 Bescherming van gebieden .....................................................................................................................9 Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................10 Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................11
4
Methode.................................................................................................................................................... 12 Bureauonderzoek .................................................................................................................................12 Terreinbezoek .......................................................................................................................................12
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 13 Planten en mossen ...............................................................................................................................13 Zoogdieren ............................................................................................................................................13 Vogels ...................................................................................................................................................17 Reptielen...............................................................................................................................................18 Amfibieën .............................................................................................................................................19 Vissen ....................................................................................................................................................20 Ongewervelden ....................................................................................................................................21
6
Natuurbeleid ............................................................................................................................................. 22 Natuurdoelen en -kwaliteit...................................................................................................................22 Beschrijving en effecten wezenlijke kenmerken en waarden ..............................................................23 Eindconclusie NNN ...............................................................................................................................24
7
Conclusie ................................................................................................................................................... 25 Bescherming soorten ............................................................................................................................25 Bescherming gebieden .........................................................................................................................26 Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................26 Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................27 Geldigheid onderzoek ...........................................................................................................................27
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 3
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 29 Bijlage 2 Overzicht deelgebieden en profielen ..................................................................................................... 35
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 4
1 Inleiding Aanleiding Natuurmonumenten is voornemens werkzaamheden te verrichten in de Meijegraslanden binnen het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’ voor het ontwikkelen van graslanden alsmede ter verbetering van de instandhoudingsdoelen (blauwgrasland en broedbiotoop van de roerdomp). Het plangebied is verdeeld in deelgebieden (Afbeelding 1 & Bijlage 2). Voor het realiseren van instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck heeft de Provincie Zuid-Holland aan Natuurmonumenten opdracht gegeven voor het ontwikkelen van blauwgrasland en broedbiotoop voor de roerdomp, alsmede in samenhang daarmee ontwikkelen van graslanden binnen het Natuurnetwerk Nederland. In verband met deze voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden of, en zo ja hoe, de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Middels een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van de aanwezige terreintypen en waarnemingen van soorten beoordeeld welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn.
Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 5
4
4A
4B
5 2 1
2B
2A
1A 12B 1 2A A Afbeelding 1. Ligging van het plangebied Meijegraslanden verdeeld in deelgebieden A, B en C. Bron: Natuurmonumenten / Eelerwoude, maart 2021.
.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 6
2 Huidige situatie en ontwikkeling Huidige situatie Het plangebied betreft de Meijegraslanden, gelegen in het zuidelijk deel van het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’, in de provincie Zuid-Holland, ten noorden van het veenriviertje en de weg Meije. Het plangebied is verdeeld in deelgebieden (Bijlage 2). In de omgeving zijn aan de zuidzijde bij Meije woonhuizen en boerderijen aanwezig, delen met riet, bosschages en al dan niet begraasde graslanden (Afbeelding 2). De deelgebieden zijn momenteel voornamelijk in agrarisch gebruik met vee (koeien en schapen). Het plangebied bestaat uit grasland met daar doorheen watergangen. Binnen de grenzen van het plangebied is geen bebouwing aanwezig of verlichting. Verharde wegen ontbreken, al zijn in sommige deelgebieden half verharde paden aanwezig.
Afbeelding 2. Impressie van het plangebied Meijegraslanden met watergangen en weiden. Opname: oktober 2019.
Voorgenomen ontwikkeling Er worden verspreid over de deelgebieden werkzaamheden uitgevoerd ter ontwikkeling van het gebied (graslanden) alsmede ter verbetering van de instandhoudingsdoelen (blauwgrasland en broedbiotoop van de roerdomp). Een overzicht is in onderstaande tabel weergegeven (Tabel 1).
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 7
Tabel 1. Overzicht van de voorgenomen maatregelen in de Meijegraslanden.
Gebied A
Deelgebied 1 en 1A
B
2, 2A, 2B en 5
C
4, 4A, en 4B
Uit te voeren werkzaamheden Aanbrengen gronddam, verwijderen gronddam, aanbrengen klepstuw, watergang graven, aanbrengen NVO, realiseren rietmoerassen, realiseren natuurdoeltype door aanbrengen greppelstructuur, aanbrengen duiker, realiseren peilscheiding, te plaggen kleirug t.b.v. grondwinning (diepte tot 2.10 m – NAP). Aanbrengen gronddam, aanbrengen klepstuw, watergang graven, aanbrengen NVO, realiseren rietmoerassen, realiseren natuurdoeltype door aanbrengen greppelstructuur, aanbrengen inlaatduiker, realiseren peilscheiding, realiseren gemaal. Aanbrengen gronddam, verwijderen gronddam, aanbrengen stuw, watergang graven, plaggen, ophogen perceel met vrijkomende grond, aanbrengen duiker.
De genoemde werkzaamheden vinden verspreid door de deelgebieden plaats. Dat betekent dat niet het hele deelgebied op de schop gaat, maar gericht ingrepen worden uitgevoerd. Dit zijn zowel puntlocaties, als het plaatsen van een gronddam of duiker, als lijnvormig zoals de aanleg van een natuurvriendelijke oever (NVO) of rietmoerassen. In Bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van het deelgebied en de bijbehorende profielen.
Uitvoeringsperiode De doorlooptijd is afhankelijk van de weersomstandigheden. De werkzaamheden moeten in een vrij droge periode worden uitgevoerd om schade aan het gebied te voorkomen dan wel te beperken. Voor de uitvoering wordt rekening gehouden met de start in augustus, na het broedseizoen.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 8
3 Natuurwetgeving en -beleid Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 9
Gevolgen plangebied Niet – stikstof-gerelateerde effecten Het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. De werkzaamheden worden in het kader van het beheerplan van het natuurgebied uitgevoerd om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Indien de volgende voorwaarden uit het beheerplan worden nageleefd is een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk (Provincie Zuid-Holland, 2015). •
Maatregelen vinden plaats conform de Gedragscode Natuurbeheer en de gedragscode Unie van Waterschappen. • Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande infrastructuur. • Het gebruik van kunstmatige lichtbronnen is gedurende het gehele project niet toegestaan. Er mag uitsluitend licht worden gevoerd door het ingezette werkvoertuig gericht op het werk. • Materiaal en materieel mogen niet in het beschermde natuurgebied worden geplaatst, tenzij dat noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. • De voorwaarden gekoppeld aan de natuurbeheermaatregelen zoals opgenomen in dit beheerplan. Met ‘noodzakelijke natuurbeheermaatregelen’ worden in het beheerplan en het bijlagenrapport naast ‘beheermaatregelen’ ook ‘(natuur)herstelmaatregelen’ bedoeld. Stikstof-gerelateerde effecten Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt materieel ingezet. Echter, doordat de maatregelen worden uitgevoerd in het kader van het beheerplan en daarin zijn opgenomen, is het inzichtelijk maken van de stikstofdepositie tijdens de ontwikkelingsfase of een vergunning voor deze niet nodig.
Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.
De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen;
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 10
• •
• • •
o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.
De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied In het plangebied staan geen bomen waardoor een nadere toetsing voor de bescherming van houtopstanden niet van toepassing is.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Provincie Zuid-Holland heeft de benaming Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangehouden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer een ontwikkeling een wijziging van het bestemmingsplan betreft en er zijn mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren. Ligging plangebied De deelgebieden liggen in gebied dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Doordat de percelen met huidige bestemming Enkelbestemming agrarisch wijzigen naar bestemming Natuur, is een NNN-toetsing noodzakelijk. Deze wordt nader uitgewerkt in Hoofdstuk 6.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 11
4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd.
Terreinbezoek Op basis van twee veldbezoeken is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. De veldbezoeken zijn overdag door Marielle Oomen, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (Kader – ecologisch deskundige), uitgevoerd. Het eerste veldbezoek is uitgevoerd op 22 oktober 2019 bij 14ºC, half bewolkt en windkracht 3 Bft. Het tweede veldbezoek is uitgevoerd op 25 oktober 2019 bij 16ºC, licht bewolkt en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd. Daar waar de percelen niet toegankelijk was, is geïnventariseerd vanaf naastliggende percelen met een verrekijker. Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 12
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Planten en mossen Voorkomen en functie Het plangebied betreft graslanden met algemene plantensoorten zoals akkerdistel, ridderzuring, duizendblad, gewone smeerwortel, brandnetel, scherpe boterbloem, gele lis, grote en kleine lisdodde, watermunt, krabbenscheer, zwanenbloem, kikkerbeet en diverse grassoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde planten- of mossoorten aangetroffen. Gezien de periode van het jaar (najaar) lag dit ook niet in de verwachting. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aangetroffen plantsoorten die een voedselrijk tot matigvoedselrijke bodem indiceren, het intensieve beheer en vee dat op de graslanden graast maakt dat het niet waarschijnlijk is dat beschermde planten als groenknolorchis, tevens een doelsoort van het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, of geelschorpioenmos in de deelgebieden voorkomen. Ook zijn in recente verspreidingsgegevens geen waarnemingen bekend van beschermde planten in de deelgebieden. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plant- en mossoorten aangetroffen.
Op basis van de aanwezige biotoop, de functie en het beheer van het plangebied kunnen beschermde plantensoorten worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde plantensoorten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde flora niet noodzakelijk.
Zoogdieren Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en rosse vleermuis. Meervleermuis is tevens een doelsoorten van het natuurgebied. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben (zie ook kader – vleermuisverblijfplaatsen): kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats;
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 13
-
paar- en/of baltsverblijfplaats; winterverblijfplaats.
Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuizen bewonen zowel bomen als gebouwen. Rosse vleermuis is een boombewonende soort. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
In het plangebied is geen bebouwing aanwezig waar gebouwbewonende vleermuissoorten, als gewone dwergvleermuis, laatvlieger of meervleermuis gebruik van kunnen maken voor hun verblijfplaats. Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig waar boombewonende vleermuissoorten als rosse vleermuis of ruige dwergvleermuis gebruik van kunnen maken voor hun verblijf. Rondom de deelgebieden, met name deelgebied 4, staan wel bomen die geschikt zijn als potentieel verblijf voor boombewonende vleermuizen. Foerageergebied en vliegroutes De watergangen in en tussen de percelen maken dat de deelgebieden voor vleermuizen geschikt zijn om te foerageren. Met name door de verspreid aanwezige begroeiing, dat insecten aantrekt en de afwezigheid van verlichting. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen zoals watergangen of bomenrijen om zich langs te verplaatsen, zie ook kader ‘foerageergebieden en vliegroutes’. In de deelgebieden ontbreken bomenlanen en de watergangen binnen het plangebied zijn te beperkt qua grootte om te dienen als vliegroute voor soorten als meervleermuis die grote rivieren gebruiken als vliegroute. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt.
Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 14
de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen afwezig Door de afwezigheid van bebouwing en bomen in het plangebied kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuissoorten worden uitgesloten. De bomen en bosschages grenzend aan het plangebied bieden wel potentiële verblijfplaatsen. Geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, met name de watergangen met ruigten. Gezien de ligging van het plangebied in open gebied, tegen het goed ontwikkelde, waterrijke gebied van de Nieuwkoopse Plassen aan en het huidige biotoop (korte vegetatie) kan essentieel foerageergebied worden uitgesloten. Daarnaast zijn de werkzaamheden van tijdelijke aard, worden deze overdag uitgevoerd en blijft verlichting afwezig, waardoor het plangebied ook in de nieuwe situatie geschikt is als foerageergebied en wordt deze functie zelfs verbeterd. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een (essentiële) vliegroute door het ontbreken van een bomenlaan of (brede) laanstructuren die verblijven verbindt met foerageergebied. Conclusie: Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor vleermuizen niet noodzakelijk.
Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder meer de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: haas, ree, vos en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen van het plangebied gebruik maken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast kunnen een aantal van deze soorten het plangebied gebruiken als migratieroute. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en behoren tot het beschermingsregime andere soorten. In de provincie Zuid-Holland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Andere beschermde soorten, zoals steenmarter en kleine marterachtigen zoals wezel, bunzing en hermelijn kunnen van het plangebied gebruik maken als foerageergebied. Vooral de watergangen die voorzien zijn van een randruigte (hogere vegetatie) zijn geschikt om te schuilen. Vaste rust- en verblijfplaatsen waar (kleine) marters gebruik van kunnen maken, zoals (konijnen)holen, holle boomstronken, houtstapels, schuurtjes en tuinhuisjes, zijn binnen de grenzen van het plangebied afwezig. Het feit dat de grond van de meeste percelen wordt begraasd maakt het ook ongeschikt als foerageergebied voor kleine marterachtigen.
De omgeving van het plangebied, vooral de boerderijen en de aangrenzende bosschages, biedt wel geschikt leefgebied met verblijfplaatsen voor steenmarter, boommarter en kleine marters. Mogelijk dat de soorten zich alleen verplaatsen tussen boerderijen en bosschages langs de watergangen met hogere vegetaties in het plangebied, waardoor het plangebied gebruikt kan worden als onderdeel van hun leefgebied. Noordse woelmuis De beschermde soort ‘Noordse woelmuis’ heeft de voorkeur voor natte terreinen zoals rietlanden, moeras, drassige hooilanden en zeer extensief gebruikte weilanden. De Noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie van andere woelmuissoorten. Daardoor trekt hij naar natte terreinen en is hij goed in zwemmen zodat hij eilandjes kan bereiken waar hij vaak als enige woelmuis voorkomt. Hij is waargenomen in het noordelijk deel van de Nieuwkoopse Plassen (ten noorden van het deelgebied 4).
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 15
Waterspitsmuis De waterspitsmuis is een nationaal beschermde soort die voorkomt in schoon, niet al te voedselrijk, stilstaand tot vrij snel stromend water met een goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Voorkomen van de soort is bekend aan de noordoostzijde van deelgebied 4, 4a/4b dat grenst aan de zuidkant van natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Ter plaatse van de deelgebieden zijn geen waarnemingen bekend van waterspitsmuis. Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting tijdelijk leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime andere soorten. In de nieuwe situatie kunnen algemene grondgebonden zoogdieren wederom van het plangebied gebruik maken. Voor deze overig beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Verblijfplaatsen van beschermde soorten grondgebonden zoogdieren als kleine marters, boommarter of steenmarter kunnen in het plangebied worden uitgesloten. Verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen en kunnen op basis van de veldbezoeken en de aanwezige biotoop worden uitgesloten. De omgeving biedt wel geschikt leefgebied. Het is mogelijk dat soorten het plangebied doorkruisen tijdens het foerageren.
Deze functie blijft behouden en wordt met de ontwikkeling van de deelgebieden versterkt. Noordse woelmuis De Noordse woelmuis komt in de directe omgeving van met name deelgebied 4 voor. In de deelgebieden zelf zijn geen waarnemingen bekend van de soort. Gezien de ligging van de deelgebieden nabij natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, kan de soort in de deelgebieden niet geheel op voorhand worden uitgesloten, als is marginaal geschikt leefgebied (met name zomerhabitat) aanwezig ter plaatse van de geplande werkzaamheden. De soort profiteert mee met het resultaat van de werkzaamheden, doordat het gebied natter wordt en meer leefgebied ontstaat voor de soort: marginaal leefgebied wordt omgevormd naar optimaal leefgebied. Doordat verspreid door de deelgebieden en verspreid langs het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck werkzaamheden worden uitgevoerd, is sprake van fasering in ruimte. Er blijft voor Noordse woelmuis daarmee voldoende geschikt leefgebied behouden waardoor geen sprake is van lange termijn effecten op de soort of tijdelijke effect op de staat van instandhouding van de soort. Van april tot en met september is de voortplantingsen nestperiode wat de meest kwetsbare periode is voor de soort en veel andere soorten. Aantasting van voortplantingslocaties moet worden voorkomen. Dit kan door: 1.
Werken buiten de kwetsbare voortplantings- en nestperiode en/of winterperiode Op plekken waar geschikt zomer- en/of winterhabitat aanwezig is, kunnen werkzaamheden alleen ontheffingsvrij worden uitgevoerd als buiten de periode wordt gewerkt dat dergelijk habitat in gebruik is. Voor voortplantingslocaties is de periode april tot en met september het meest kwetsbaar voor winterhabitat de periode november tot en met maart. De maand oktober is de enige maand waarin ontheffingsvrij werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Doordat ook buiten de aangeven kwetsbare maanden per zomeren winterhabitat rekening moet worden gehouden met Noordse woelmuis, is werken in deze maanden in geschikt habitat ontheffingsplichtig. 2. Maatwerk: inventariseren aanwezig biotoop ter plaatse op geschiktheid Door per (deel)gebied de locaties waar werkzaamheden zijn gepland te inventariseren op aanwezig geschikt habitat, bijvoorbeeld de plek waar een dam of duiker is gepland, kan maatwerk worden geleverd. Als ter plaatse geschikt zomer- of winterhabitat aanwezig is, kunnen de werkzaamheden of alleen in de maand oktober worden uitgevoerd, of de werkzaamheden moeten worden verplaatst naar een locatie waar geen geschikt habitat
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 16
aanwezig is (voorbeeld de duiker 10 meter verderop plaatsen). Deze inventarisatie kan alleen worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige (Kader hoofdstuk 4). Bij afwezigheid van geschikt habitat worden negatieve effecten op Noordse woelmuis op voorhand uitgesloten en is geen sprake van een ontheffingsplicht. Met het oog op Noordse woelmuis, kunnen werkzaamheden kunnen dan jaarrond worden uitgevoerd. Werkzaamheden zijn gepland vanaf augustus. Dit is alleen mogelijk op werklocaties waar geen geschikt zomeren/of winterhabitat aanwezig is. Waterspitsmuis Waterspitsmuis is niet bekend in het plangebied. Door uitvoering van de werkzaamheden zal in het gebied juist geschikt leefgebied worden gevormd. Doordat verspreid door de deelgebieden en verspreid langs het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck werkzaamheden worden uitgevoerd, buiten bekend leefgebied, is sprake van fasering in ruimte. Er blijft voor waterspitsmuizen daarmee voldoende geschikt leefgebied behouden waardoor geen sprake is van lange termijn effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort of tijdelijke effect op de staat van instandhouding van de soort. Doordat verspreid door de plangebied stukjes oever voorkomen waar watervegetatie aanwezig is en sprake is van begroeide oevers, moeten werkzaamheden ter plaatse: of worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode uit te voeren.
De maanden september tot en met maart zijn het meest geschikt. Dit komt ook overeen met de Gedragscode Unie van Waterschappen waar het beheerplan (Provincie Zuid-Holland, 2015) van natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck naar verwijst. Of voorafgaand aan de werkzaamheden moet de werklocatie geïnventariseerd op aanwezig geschikt habitat. Bij afwezigheid worden negatieve effecten op waterspitsmuis op voorhand uitgesloten en is geen sprake van een ontheffingsplicht. Met het oog op waterspitsmuis, kunnen werkzaamheden kunnen dan jaarrond worden uitgevoerd. Conclusie: De werkzaamheden moeten of plaatsvinden in de maand oktober, of de werklocatie moet vooraf worden geïnventariseerd op aanwezig geschikt habitat. Is dit afwezig, is geen sprake van negatieve effecten en is geen sprake van een ontheffingsplicht.
Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten, komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dus ook niet buiten het broedseizoen worden verwijderd. Broedvogels In het plangebied komen diverse broedvogels voor van bos- en rietlanden en open tot half gesloten gebied, alsmede soorten die te vinden zijn in en rond watergangen. Het plangebied is geschikt voor buizerd, bruine kiekendief, blauwe kiekendief, torenvalk, ekster, zwarte kraai, kauw, houtduif, vinken, staartmees, koolmees, zwanen, diverse ganzen, diverse reigers - met name ook purperreiger, diverse meeuwen en de zwarte stern. In de watergangen komen wilde eend, krakeend, meerkoet en waterhoen voor. Binnen het plangebied zijn nesten in de watergangen aangetroffen. De aanwezigheid van grondbroeders, als ganzen, is in de deelgebieden wel mogelijk gedurende de broedperiode.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 17
Vogels met jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken, zoals buizerd of ransuil, zijn door het ontbreken van bomen en schuren niet aangetroffen binnen het plangebied. Vaste rust- en verblijflocaties van huismussen en gierzwaluwen zijn jaarrond beschermd. Als nestlocatie wordt gebruik gemaakt van bebouwing; met name kruipen zij onder dakpannen, achter goten en onder nokpannen. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig, waar huismussen en gierzwaluwen gebruik van kunnen maken voor hun nestlocatie. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen.
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De bescherming van nesten geldt daarom ook buiten de genoemde periode. Daarbij dient er, wanneer de vogel klaar is met broeden en de jongen het nest hebben verlaten, ook rekening te worden gehouden met jongen die nog in het gebied kunnen voorkomen. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Door het ontbreken van bebouwing en bomen kunnen verblijfplaatsen van vogels, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn, worden uitgesloten in het plangebied. Ook zijn geen sporen aangetroffen of nesten in bomen nabij het plangebied. Conclusie: bij de start en tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels, met name de grondbroeders en watervogels. De zorgplicht is te allen tijde van kracht.
Reptielen Beschermde reptielen, als ringslang, zandhagedis en levendbarende hagedis zijn gebonden aan specifieke terreinen. Geschikt biotoop voor zandhagedis en levendbarende hagedis, onder andere bestaande uit open, zanderige terreinen en heidevelden, zijn in de deelgebieden afwezig. De watergangen zijn in potentie geschikt voor ringslang om te foerageren. Echter, ontbreken verspreidingsgegevens van de soort. Ook zijn (potentiële) broedhopen afwezig. Effecten en ontheffing Binnen het plangebied ontbreekt geschikt biotoop voor zandhagedis en levendbarende hagedis, waardoor de soorten worden uitgesloten. De watergangen zijn voor ringslang geschikt om te foerageren. Van deze nationaal beschermde soort zijn vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschermd. Deze zijn niet aangetroffen in het
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 18
plangebied waardoor negatieve effecten op ringslang, en andere beschermde soorten, worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor reptielen niet noodzakelijk.
Amfibieën Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop en voortplantingslocatie. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en behoren tot het beschermingsregime andere soorten. In de provincie Zuid-Holland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. In de omgeving van het plangebied komen beschermde amfibieën zoals heikikker en rugstreeppad voor. Met name in de buurt van deelgebied 1a richting Zwammerdam. Er ontbreken geïsoleerde waterplassen of armen van watergangen waar geen vissen voorkomen. De aanwezige watergangen hebben goed ontwikkelde waterplanten met vis, wat de watergangen matig geschikt/ ongeschikt maakt als voortplantingsbiotoop voor amfibieën. Heikikker Heikikker heeft de voorkeur voor iets lagere pH-waarden in de watergangen en komt in niet al te intensief beheert agrarisch gebied voor. Rugstreeppad De rugstreeppad is een zeer mobiele soort en wordt aangetrokken door gemakkelijk vergraafbare bodem en geïsoleerde, snel opwarmende wateren/ plassen. De soort is in de omgeving van het plangebied waargenomen.
Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Amfibieën kunnen na de geplande werkzaamheden weer gebruik maken van de graslanden en watergangen als onderdeel van hun leef- en voortplantingsgebied. In het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën zoals heikikker en rugstreeppad. Echter, met het afgraven/ plaggen van het deelgebied 4, kunnen rugstreeppadden worden aangetrokken. De rugstreeppad betreft een mobiele soort die wordt aangetrokken door open gebieden met goed vergraafbare bodem. In de voortplantingsperiode van de rugstreeppad, welke is van april tot en met juli, wordt aanbevolen alert te zijn op aanwezigheid van de rugstreeppad om vestiging van de soort voor of tijdens de werkzaamheden te voorkomen (Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Vestiging van de soort kan worden voorkomen door: Het voorkomen van ondiepe waterplassen op het bouwterrein waar rugstreeppadden eiersnoeren in kunnen leggen (voortplanten). Vergraven terrein niet voor langere tijd open en ongebruikt laten liggen. Rugstreeppadden nemen deze graag in gebruik. Vergraven terrein, of delen ervan, kan tijdens de werkzaamheden worden omheind of afgedekt.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 19
Indien een rugstreeppad wordt aangetroffen, neem dan direct contact op met een ecoloog. Indien de soort zich (nog) niet heeft gevestigd, mag de ecoloog als ter zake kundige het dier verplaatsen naar geschikt, alternatief terrein. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet noodzakelijk. Doordat de werkzaamheden rugstreeppadden kunnen aantrekken, wordt aanbevolen alert te zijn op rugstreeppadden in de actieve periode van de soort.
Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn diverse watergangen waarvan een aantal met goed ontwikkelde waterplanten en verlandingsprocessen. De watergangen binnen het plangebied worden intensiever beheerd (geschoond) dan de aangrenzende watergangen buiten het plangebied. De watergangen zijn geschikt voor algemene vissoorten zoals zeelt, blankvoorn en snoek. Daarnaast is het biotoop ook geschikt voor de beschermde soort grote modderkruiper. Echter, uit verspreidingsatlassen en recente gegevens blijkt deze niet voor te komen in het plangebied. Het dichtstbijzijnde bekende populaties zijn ten zuiden van Gouda en ter hoogte van Loosdrecht. Daarnaast is bittervoorn een aangewezen doelsoort voor het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Effecten en ontheffing In de watergangen in het plangebied komen algemene vissoorten voor. De watergangen in het plangebied worden regelmatig geschoond waardoor geschikt biotoop voor beschermde vissen als de grote modderkruiper ontbreekt. Wel zijn rondom het plangebied goed ontwikkelde watergangen aanwezig waar grote modderkuiper kan voorkomen, al zijn geen recente verspreidingsgegevens bekend van de soort ter plaatse van het plangebied.
Doordat grote modderkuiper nabij het plangebied kan voorkomen, in watergangen die in verbinding staan met watergangen in het plangebied, is het mogelijk dat een exemplaar aanwezig is in de watergangen in het plangebied. Door het intensieve beheer en het ontbreken van diepe delen in de watergangen die kunnen dienen als overwinteringslocatie, ontbreken essentiële functies in het plangebied voor grote modderkuiper. Daarnaast worden geen watergangen gedempt, wel worden duikers verwijderd en nieuwe geplaatst; de werkzaamheden in de watergangen zijn lokaal en tijdelijk van aard. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde vissen niet noodzakelijk. Bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad zijn doelsoorten van het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Doordat de werkzaamheden in het kader van het geldende beheerplan (Provincie ZuidHolland, 2015) wordt uitgevoerd, is een ontheffing voor de soorten op voorhand niet noodzakelijk. Wel geldt de zorgplicht. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met het voorkomen van vissen. Dit wordt gedaan door onderstaande maatregelen in acht te nemen. Aanbevolen wordt deze te verwerken in een ecologische werkprotocol.
Maatregelen Om verstoring op vissoorten te voorkomen, wordt aanbevolen de werkzaamheden uit te voeren in voor vissen de meest gunstige periode; bij voorkeur in de periode van 15 juli tot 1 november waarbij september en oktober de voorkeur hebben. Dit is buiten het voortplantingsseizoen en de winterrust van vissensoorten. Bij de uitvoering moet één kant op worden gewerkt zodat vissen de gelegenheid hebben te vluchten. Is dit niet mogelijk, is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk de vissen in de watergangen eerst af te vangen en in vergelijkbaar water in de buurt over te hevelen.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 20
Conclusie: Voor de werkzaamheden in de watergangen wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen maatregelen te nemen met betrekking tot vissen en deze maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) is voor beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel, groene glazenmaker en platte schijfhoren is in het plangebied en in de omgeving geschikt habitat aanwezig. Met name in het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en ter hoogte van deelgebied 4. Zegge-korfslak, gestreepte waterroofkever en platte schijfhoren zijn doelsoorten van het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Doordat de werkzaamheden in het kader van het geldende beheerplan wordt uitgevoerd (Provincie Zuid-Holland, 2015), is een ontheffing voor de soorten op voorhand niet noodzakelijk. Wel geldt de zorgplicht. Effecten en ontheffing In het plangebied ontbreekt door het intensieve onderhoud en beheer van de percelen en de watergangen grotendeels geschikt biotoop voor beschermde ongewervelden als ontwikkelde rietvegetaties voor platte schijfhoren. Verspreid zijn door plukjes vegetatie als riet geschikt biotoop voor beschermde ongewervelden als platte schijfhoren aanwezig, evenals krabbenscheervegetatie aan de rand van deelgebied 4. Deze blijven ongemoeid. De werkzaamheden in de watergangen zijn lokaal en tijdelijk van aard. Met de werkzaamheden worden geen watergangen gedempt, wel worden duikers verwijderd en nieuwe geplaatst.
Ter plaatse van de te verwijderen duikers is geen geschikt biotoop aanwezig voor beschermde ongewervelden als platte schijfhoren, kevers, libellen of kreeftachtigen. Daarnaast wordt met de werkzaamheden en de omvorming van de agrarische percelen tot natuur, het gebied met de watergangen veel meer geschikt als leefgebied voor beschermde ongewervelden. In het kader van de zorgplicht wordt aanbevolen te werken conform een ecologische werkprotocol. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: Voor de werkzaamheden in de watergangen wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen te werken conform een ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 21
6 Natuurbeleid Het Natuurnetwerk Nederland moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De kust (duinen en strand), de rivieren, de deltawateren en de natuurgebieden in het veenweidegebied zijn de grote dragers van de biodiversiteit in Zuid-Holland. Het belangrijkste instrument om de biodiversiteitsdoelen te bereiken is de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de ecologische hoofdstructuur (EHS). De provincie heeft de ambitie om het NNN uiterlijk in 2027 gerealiseerd te hebben. Het NNN bestaat uit een robuust, kwalitatief hoogwaardig en samenhangend netwerk van bestaande bos- en natuurgebieden, landgoederen, nieuwe natuurgebieden, ecologische verbindingen, de grote rijkswateren en de Noordzee. Het NNN wordt goed beheerd en valt onder categorie 1 (gebieden met bijzondere kwaliteit). (Visie Ruimte en mobiliteit, 2018) Het plangebied ligt in NNN gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck.
Voor dit NNN geldt dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogen worden toegelaten die de uiteindelijke realisatie van het NNN onmogelijk maken. (Omgevingsverordening, 2019). De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze zijn te vinden in het Natuurbeheerplan en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden.
Natuurdoelen en -kwaliteit Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken zullen de te beschermen en te behouden wezenlijke waarden en kenmerken voor het plangebied (natuurdoelen) moeten worden gespecificeerd. De wezenlijke waarden en kenmerken zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. Wezenlijke waarden en kenmerken dienen door het bevoegd gezag te worden bepaald. Globaal zijn er enkele doelstellingen voor de totale NNN aangegeven: • Het realiseren van een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden; • het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecosystemen, inclusief de bijbehorende soorten; • het focussen op nationaal en/of internationaal belangrijke soorten; • het duurzaam behouden van ecosystemen: zorg dragen voor de randvoorwaarden voor behoud: de juiste bodem-, water- en beheercondities. Introductie Nieuwkoopse Plassen & De Haeck De Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. De is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn.
Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger, snor, rietzanger). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (zwartkopmeeuw, zwarte stern). Voor de zwartkopmeeuw betreft het de grootste broedkolonie buiten de Delta. (Synbiosys Alterra)
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 22
Natuurdoelen Natuurdoelen voor het gebied zijn weergegeven in doelstellingen en kernopgaven voor de tien aangewezen habitattypen, negen habitatsoorten, zes broedvogelsoorten en vier niet-broedvogelsoorten. Voor zes habitattypen, één habitatsoort en twee aangewezen broedvogels geldt een doelstelling die gericht is op uitbreiding van omvang en kwaliteit van het leefgebied. Voor de overige soorten is de doelstelling gericht op behoud van dit leefgebied. Potentieel aanwezig Het plangebied, met de deelgebieden, ligt in het NNN en zijn in gebruik als agrarische percelen. De bestemming van de deelgebieden is dan ook Enkelbestemming agrarisch. Gezien de ligging van de percelen zijn zij zeer potentierijk om in te richten als leefgebied voor soorten als roerdomp en/ of natte natuur.
Beschrijving en effecten wezenlijke kenmerken en waarden Het uitgangspunt van het NNN is dat er geen nettoverlies aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang mag plaatsvinden. Deze drie kenmerken zijn landelijk aangegeven bij de beschrijving van de kwaliteit van NNN-gebieden (Spelregels EHS, 2007). Op basis van deze drie aspecten wordt een beschrijving gegeven van de huidige waarden in het plangebied en het effect van de ontwikkeling op deze waarden. Aansluitend wordt een effectenbeoordeling gegeven. Kernwaarden De aangewezen beheertype voor de deelgebieden, voor 2022 (Afbeelding 3). Dit betreffen voor de deelgebied 1a, 2, 2a, 2b, 5 en 4 en 4b het beheertypen N12.2 kruiden- en faunarijkgrasland (licht groen). Voor deelgebied 1 is geen aangewezen beheertype, de ambitie is het gebied nog naar veenmoeras om te vormen; beheertype N05.03 (paars).
Afbeelding 3. Kaart beheertypen voor de deelgebieden en de omgeving, voor 2022, bestaande uit N12.02 (licht groen). Rechts een uitsnede van de beheerambitie voor deelgebied 1 N05.03 (paars). Bron: Natuurbeheerplan provincie Zuid-Holland, 2022.
Natuurontwikkeling Meijegraslanden te Nieuwkoop | Eelerwoude | 23
Areaal In de huidige situatie liggen de deelgebieden, die samen het plangebied vormen, in NNN gebied. Met de geplande ontwikkeling, het omvormen van de bestemming agrarisch naar natuur, vindt geen areaal verlies plaats van het NNN gebied; deze blijft gelijk.
Kwaliteit Door het agrarisch gebruik is de toplaag bij de deelgebieden geroerd en veelvuldig bewerkt. Oorspronkelijke natuurwaarden zijn daarmee niet meer aanwezig. Ook wordt geen invulling gegeven aan het beheertype N12.2 kruiden- en faunarijkgrasland. Met het omvormen van de agrarische bestemming naar natuur, vervalt de agrarische functie en de verstoring die optreedt in de bodem door bewerking met en betreding van landbouwmachines. Voor deelgebied 1 wordt invulling gegeven aan de ambitie het perceel om te vormen naar natuur (veenmoeras). De ambitie van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is onder andere de omvang en kwaliteit van het leefgebied van roerdomp te vergroten en meer natte natuur, als kranswierwateren, laagveengebied en veenmosrietlanden te ontwikkelingen. Met het wijzigen van de bestemming naar natuur en het herinrichten van de percelen, worden de deelgebieden kwalitatief verbeterd en wordt invulling gegeven aan deze natuurdoelen.
Samenhang Het NNN gebied is een aaneengesloten gebied, verbonden met andere NNN gebieden ten zuiden daarvan, rond Gouda. Aan het NNN gebied zijn ecologische verbindingen verbonden om zo een netwerk te ontwikkelen. Met het wijzigen van de bestemming van de deelgebieden, agrarisch naar natuur, wordt de samenhang van het NNN gebied en omliggende gebieden niet verbroken of verstoord. Met de omvorming tot natuur en deze als zodanig te beheren, wordt invulling gegeven aan de ambitie van het NNN, het omvormen van percelen tot natuur en daarmee het creëren van een robuust netwerk, en de natuurdoelstelling van het Natura 2000-gebied.
Eindconclusie NNN Voorgenomen is de bestemming van de deelgebieden, die samen het plangebied vormen, te wijzigen van Enkelbestemming agrarisch naar Natuur. Het plangebied ligt in NNN-gebied dat tevens onderdeel is van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De natuurdoelen voor dit Natura 2000-gebied zijn gericht op behoud en uitbreiding van de omvang en kwaliteit van het leefgebied van habitattypen en soorten. Met het wijzigen van de bestemming is geen sprake van aantasting van de kernopgave en instandhoudingsdoelstellinen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Er vindt geen afname plaats aan areaal; deze blijft gelijk. Kwalitatief worden de deelgebieden verbeterd; met de omvorming van agrarisch naar natuur wordt de bodem niet meer geroerd en kan deze ontwikkelen tot de natuurdoelen die voor het Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Ook wordt voor deelgebied 1 invulling gegeven aan de ambitie deze om te vormen tot natuur. Ook wordt de samenhang van het NNN en omliggende NNN niet aangetast, maar wordt deze robuuster door de omvorming naar natuur. Op basis van bovenstaande onderbouwing worden met de bestemmingswijziging van Enkelbestemming agrarisch naar Natuur, negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het NNN gebied uitgesloten.