Bijlage 1 - toelichting
Tekst van het document
Soortenbescherming
Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd door Eceau Ecologisch adviesbureau (Bijlage 5). Dit verkennend onderzoek zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Het verkennend veldwerk in uitgevoerd op 18 januari 2023. De belangrijkste conclusies zijn de volgende: Het herontwikkelen van het perceel en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Voor vleermuizen is het voldoende als er rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezigheid in de omgeving. Voor rugstreeppad is het voldoende als voorkomen wordt dat de locatie gekoloniseerd kan worden ten tijde van de uitvoering. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is aanvullend onderzoek niet benodigd.
Ten aanzien van de verschillende soorten gelden de volgende maatregelen ter voorkoming van de Wet natuurbescherming: Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren. In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals winterkoning, turkse tortel, merel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het
Geerweg 61-63 Ter Aar
29
broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Om te voorkomen dat de rugstreeppad de bouwlocatie koloniseert gedurende het voortplantingsseizoen dienen maatregelen getroffen te worden. Zorgen dat tijdelijke poelen en plassen niet kunnen ontstaan door de locatie regelmatig af te vlakken óf een amfibieënscherm plaatsen waardoor rugstreeppadden de locatie niet kunnen bereiken óf zorg dragen dat zanderig/braakliggend terrein niet aanwezig is in de voortplantings- of migratieperiode van rugstreeppadden (begin april t/m eind juli). Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna. Voor vleermuizen, vogels en overige diersoorten wordt aangeraden zorgplichtmaatregelen te treffen. Voor vleermuizen is dit benodigd om onnodige verstoring te voorkomen in de vorm van eerder genoemd vleermuisvriendlijke bouwverlichting. Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd.
Deze nesten van algemene soorten vogels kunnen niet worden uitgesloten. De Omgevingsdienst wijst er op dat bezette nesten altijd beschermd zijn, ook buiten het broedseizoen. Ook de algemene soorten kunnen niet worden uitgesloten. Het is mogelijk dat rugstreeppad tijdens de uitvoering de locatie koloniseert. Om te voorkomen dat de rugstreeppad in de uitvoeringsfase de bouwlocatie koloniseert gedurende het voortplantingsseizoen van de soort, worden zorgplichtmaatregelen getroffen. 4.1.4
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. Ook vanuit de stikstofdepositieregelgeving zijn er geen belemmeringen voor voorliggend initiatief. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Wettelijk kader
De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.2.2
Resultaten onderzoek
Voorliggend initiatief voorziet in functie verandering van 'Agrarisch' naar 'Wonen' en maakt recreatief gebruik van de gronden mogelijk. Ten aanzien van het initiatief zullen mogelijk graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. De planologisch geldende functie van de locatie in de toekomst betreft een milieugevoeligere functie. Er is derhalve een verkennen bodemonderzoek uitgevoerd door Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. Het veldwerk heeft plaatsgevonden op 17, 18 en 24 januari 2023. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. De onderzoekslocatie is in het bodemonderzoek in twee delen onderverdeeld: Deellocatie A: Zuidelijk deel (rond de te slopen woning achter nummer 61); Deellocatie B: Noordelijk deel (braakliggend perceel waar de nieuwe woning en trekkershutten zullen worden gebouwd). De belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn als volgt:
Geerweg 61-63 Ter Aar
30
Conclusie deellocatie A: Zuidelijk deel Op basis van het vooronderzoek is ten aanzien van de bovengrond aangenomen dat deze mogelijk diffuus verontreinigend is met bestrijdigingsmiddelen en asbest met een heterogeen karakter op schaal van monsterneming en daarom de hypothese 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' geldt. Ten aanzien van de overige parameters, de ondergrond en het grondwater luidt de hypothese 'onverdacht'. Uit de resultaten van het verkeend onderzoek blijkt het volgende: Zintuigelijk zijn geen bijzonderheden waargenomen; De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PDK (10 VROM) en een enkele OCB. In de ondergrond op het achterterrein is een licht verhoogd gehalte aan molybdeen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Geen van de overige geanalyseerde parameters is aangetroffen in een gehalte boven de achtergrond-/streefwaarde. Tot slot is in de grove en fijne fractie geen asbest aangetoond. De lichte verhogingen met zware metalen en PAK (10 VROM) in de grond duiden waarschijnlijk op een toemaakdek (zoals aangegeven in de bodemkwaliteitskaart). De concentraties aan OCB zijn waarschijnlijk het gevolg van het vroegere gebruik van de onderzoekslocatie als boomgaard.
Geconcludeerd wordt dat de hypothese voor de bovengrond 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' voor de bovengrond formeel wordt bevestigd, echter geven de resultaten geen aanleiding tot nader onderzoek. Ten aanzien van de ondergrond en het grondwater wordt de hypothese 'onverdacht' formeel verworpen door de aanwezigheid van lichte verhogingen. Echter geven deze wederom geen aanleiding tot verder onderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend. Conclusie deellocatie B: Noordelijk deel Op basis van het vooronderzoek is ten aanzien van de bovengrond aangenomen dat deze mogelijk diffuus verontreinigd is met bestrijdingsmiddelen en asbest met en heterogeen karakter op schaal van monsterneming en daarom de hypothese 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' geldt. Ten aanzien van de overige parameters, de ondergrond en het grondwater luidt de hypothese 'onverdacht'. Uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt het volgende: Zintuigelijk zijn geen bijzonderheden waargenomen. De bovengrond is (plaatselijk) licht verontreinigd met voornamelijk kwik, lood, PAK (10 VROM) en bestrijdingsmiddelen (OCB). In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan nikkel aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en nikkel.
Geen van de overige geanalyseerde parameters is aangetroffen in een gehalte boven de achtergrond-/streefwaarde. Tot slot is in de grove en fijne fractie geen asbest aangetoond. De lichte verhogingen met zware metalen en PAK (10 VROM) in de grond duiden waarschijnlijk op een toemaakdek (zoals aangegeven in de bodemkwaliteitskaart). De concentraties aan OCB zijn waarschijnlijk het gevolg van het vroegere gebruik van de onderzoekslocatie als boomgaard. Geconcludeerd wordt dat de hypothese voor de bovengrond 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' voor de bovengrond formeel wordt bevestigd, echter geven de resultaten geen aanleiding tot nader onderzoek. Ten aanzien van de ondergrond en het grondwater wordt de hypothese 'onverdacht' formeel verworpen door de aanwezigheid van lichte verhogingen. Echter geven deze wederom geen aanleiding tot verder onderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend.
Geerweg 61-63 Ter Aar
31
4.2.3
Conclusie
De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor verlening van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en een omgevingsvergunning (bouwen). Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief. 4.3
Cultuurhistorie en archeologie
4.3.1
Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.3.2
Cultuurhistorie
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook worden de omgeving en het landschap niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.3.3
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De planlocatie heeft een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie (Waarde - Archeologie - 3). Op basis van deze dubbelbestemming geldt dat een onderzoek noodzakelijk is tenzij er niet meer dan 50 centimeter de grond in wordt gegaan bij bouwwerkzaamheden of wanneer het totale oppervlakte niet meer bedraagt dan 10.000 m2. Het plan voorziet niet in een uitbreiding groter dan deze grens. Archeologisch onderzoek is op basis hiervan niet noodzakelijk. Voorts zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. 4.3.4
Conclusie
Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. De gewenste ontwikkeling vindt plaats op beschermd archeologisch gebied. De projectlocatie heeft een dubbelbestemming Archeologie. Doordat de ontwikkeling geen uitbreiding betreft die leidt tot een oppervlakte van 10.000 m2, is nader onderzoek in het kader van de archeologie niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van voorliggend plan. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief.
Geerweg 61-63 Ter Aar
32
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. 4.4.2
Beoordeling
Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid. Stof
Jaar 2019
Jaar 2020
Grenswaarde
Advieswaarde
NO2
16.5 µg/m3
13.7 µg/m3
40 µg/m3
10 µg/m3
PM 10
17 µg/m3
15.6 µg/m3
40 µg/m3
15 µg/m3
PM 2,5
9.5 µg/m3
8.2 µg/m3
20 µg/m3
5 µg/m3
Tabel: Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie aan de Geerweg liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden en in het geval van PM10 rond de advieswaarde. Voor wat betreft NO2 en PM2,5 geldt dat er net niet wordt voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De advieswaarden liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. 4.4.3
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
Geerweg 61-63 Ter Aar
33
4.5
Parkeren en verkeer
4.5.1
Parkeren
Landelijk geldt voor de verkeersgeneratie en de parkeernormen de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. De gemeente Nieuwkoop heeft de parkeernormen ook vastgesteld in de 'Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021'. Dit beleid is vastgesteld door de gemeenteraad op 8 juli 2022. De verkeersgeneratie is niet te bepalen aan de hand van dit beleid. Hierin wordt de gemeente aangeduid als in niet stedelijk gebied. De parkeersituatie ter plaatse van de Geerweg 61 verandert niet. Hier moet conform de gemeentelijke parkeernota 2,5 parkeerplaatsen per woning beschikbaar zijn. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm voor een grondgebonden woning met een oppervlakte groter dan 130 m2. Daarbij geldt dat ervan de 2,5 parkeerplaatsen minimaal 0,3 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn. Er is voldoende ruimte om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Voor de Geerweg 63 moeten eveneens conform de gemeentelijke parkeernota 2,5 parkeerplaatsen per woning beschikbaar zijn, waarvan minimaal 0,3 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn. Ook hier is voldoende ruimte om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Bij de woning worden dan ook drie parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit is weergegeven in onderstaand figuur.
Het benodigd aantal parkeerplaatsen voor de trekkershutten kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Het plangebied wordt gekenmerkt als buitengebied in niet stedelijk gebied. Voor de trekkershutten is voor de parkeerbehoefte gekeken naar de functie 'Camping (kampeerterrein)'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,1 tot 1,3 per standplaats. Voor drie trekkershutten komt de parkeerbehoefte dan uit op 3,3 4,4 tot 5,2 parkeerplaatsen. Onderstaand figuur toont dat er ten behoeve van de trekkershutten vijf parkeerplaatsen binnen het plangebied gerealiseerd worden.
Geerweg 61-63 Ter Aar
34
iguur: Overzicht parkeerplaatsen gewenste situatie (Bron: MD2A) 4.5.2
Verkeer
Het plangebied wordt voor de woning Geerweg 61 ontsloten via de Geerweg. De woning Geerweg 63 en de trekkershutten worden ontsloten via de Reigersbos. De maximaal toegestane rijsnelheid op de Geerweg en de Reigersbos is voor alle voertuigcategorieën 60 km/uur. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige en toekomstige situatie bevinden zich twee woningen op het perceel. Voor een vrijstaande woning in buitengebied niet stedelijk gebied geldt een verkeersgeneratie van max. 8,6 mvt per woning. Voor de twee woningen gelden in de huidige en toekomstige situatie een verkeersgeneratie van 17,2 mvt per etmaal. Voor de trekkershutten is voor de verkeersgeneratie gekeken naar de functie 'Bungalow (huisjescomplex)'. De verkeersgeneratie voor een 'Camping (kampeerterrein)' liggen een stuk lager. Met het berekenen van de verkeersgeneratie is daarmee uitgegaan van een worst case scenario. Voor de functie 'Bungalow (huisjescomplex) geldt een verkeersgeneratie van 2,6 tot 2,8 mvt/etmaal per bungalow. Voor vier trekkershutten komt de verkeersgeneratie daarmee neer op 10,4 tot 11,2 mvt per etmaal. De verkeersgeneratie neemt met het realiseren van vier trekkershutten toe met maximaal 11,2 mvt per etmaal.
Dit is een beperkte toename, wat een gering en verantwoord effect zal hebben op de omliggende onsluitingswegen.
Geerweg 61-63 Ter Aar
35
4.5.3
Conclusie
Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts zeer beperkt toe. 4.6
Geluidhinder
4.6.1
Wettelijk kader
Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2
Onderzoek
Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Geerweg en de Reigersbos. Ook heeft het vliegverkeer vanwege Schiphol een lichte invloed op de geluidbelasting in dit deel van Ter Aar. Voor de vervangende woning is door SPA WNP Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuwe woning en is de situatie beoordeeld aan de hand van de Wet geluidhinder en het gemeentelijke geluidbeleid. Het complete onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe woning een geluidbelasting zal ondervinden van maximaal: 41 dB vanwege het verkeer op de Geerweg; 36 dB vanwege het verkeer op de Reigersbos. Vanwege het verkeer op zowel de Geerweg als op de Reigersbos, zal de geluidbelasting op de nieuwe vervangende woning ruim lager zijn dan de voorkeurswaarde. De gemeente hoeft daarom geen hogere waarden vast te stellen. Volgens Bouwbesluit 2012 hoeft bij de bepaling van de geluidwering van de gevels, alleen rekening gehouden te worden met de vastgestelde hogere grenswaarde. Bij de bepaling van een vereiste waarde van de geluidwering mag de aftrek, volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder, niet in rekening worden gebracht en moet worden uitgegaan van alle geluidbronnen waarvoor een hogere waarde vastgesteld moet worden.
In de voorliggende situatie zou niet getoetst hoeven te worden aan de eisen uit het Bouwbesluit.Vanuit een goed woon- en leefklimaat is het aan te bevelen om uit te gaan van de totale gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle relevante wegen en het luchtvaartlawaai. De gecumuleerde geluidbelasting (inclusief luchtvaartlawaai) bedraagt maximaal 60 dB, zonder aftrek 5 dB ex. art. 110g Wgh. 4.6.3
Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Geerweg 61-63 Ter Aar
36
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Tabel: Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. Voor de wijziging/oprichting van de inrichting (de 4 trekkerswoningen) moet een melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan. De melding is een indieningsvereiste voor de aanvraag om omgevingsvergunning en moet elektronisch worden gedaan via http://aimonline.nl.
Geerweg 61-63 Ter Aar
37
4.7.2
Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Wonen wordt gezien als een gevoelige bestemming. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich woningen, agrarische gronden, een caravanpark en enkele bedrijven welke mogelijk hinder kunnen veroorzaken voor of ondervinden van de nieuwe woning. Het plangebied bevindt zich in een gebied met het omgevingstype 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij direct naast woningen bedrijven voorkomen. De richtafstanden worden hierdoor verlaagd met één afstandsstap. Rond de beoogde nieuwe woning zijn er een aantal bedrijven aanwezig. Te zien op onderstaande afbeelding.
Figuur: Overzicht nabijgelegen bedrijvigheid (bron: Google Maps) 1. Reigersbos 13; Rick Fransen Kwekerij - Kweker van o.a. Hydrangea, Overig snijbloemen en Viburnum trekheesters Voor de kassen (met of zonder verwarming) geldt een milieucategorie 2 waarbij een richtafstand van 30 meter moet worden aangehouden. In gemengd gebied is dit 10 meter. De afstand tussen de boogde woning en de kassen is circa 40 meter, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand. 2. Reigersbos 1; Könst Elektrotechniek - specialist en totaalinstallateur in elektrotechniek Voor elektrotechnische industrie geldt een milieucategorie 2 waarbij een richtafstand van 30 meter moet worden aangehouden. In gemengd gebied is dit 10 meter. De afstand tussen dit bedrijf en de plaats van de nieuwe woning betreft minimaal 50 meter, waardoor ook hier wordt voldaan aan de beoogde richtafstand. 3. Reigersbos 5; Kwekerij HCJ Hoogeveen Voor de kassen (met of zonder verwarming) geldt een milieucategorie 2 waarbij een richtafstand van 30 meter moet worden aangehouden. In gemengd gebied is dit 10 meter. De afstand tussen de boogde
Geerweg 61-63 Ter Aar
38
woning en de kassen is circa 25 meter, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand. 4. Reigersbos 10; Bon Yachts B.V. Bon Yachts B.V. is gevestigd op dit adres met bijbehorende schuren. Deze schuren zijn echter in 2022 afgebrand en gesloopt. Voor deze locatie is geen nieuwe vergunning aangevraagd en hierdoor gelden er vanuit deze locatie dan ook geen verdere milieu-eisen. 5. Geerweg 57; Berkshire Butcher Voor het fokken en houden van varkens geldt milieucategorie 4.1. In gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 100 meter. Op onderstaande afbeelding is te zien dat er ongeveer aan de 100 meter wordt voldaan. Hierdoor is hinder van de de varkenshouderij beperkt. Overigens is het een kleinschalig bedrijf. Daarbij heeft het een winkel aan huis waar het Berkshire varkensvlees opgehaald kan worden. Voor detailhandel in vlees, wild of gevogelte geldt een milieucategorie 1, met in gemengd gebied een richtafstand van 0 meter.
Figuur: afstand woning en bestaande caravanstalling (Bron: Ruimtelijke Plannen) De huidige caravanstalling op het plangebied blijft bestaan. Conform de VNG richtlijnen behoort een caravanstalling/opslaggebouw tot de milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtstafstand van 10 meter voor gemengd gebied. Tussen de huidige caravanstalling op het plangebied en de beoogde nieuwe woning zit een afstand van zo'n 100 meter. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand. Achter de beoogde woning zal een nieuwe inrit gerealiseerd worden naar de bestaande caravanstalling. Een caravanstalling heeft een zeer kleine verkeersaantrekkende werking aangezien caravans voor lange periode in de stalling blijven staan en ze dus niet veel verkeersbewegingen plaatsvinden. Dit maakt de invloed van de inrit achter de woning op de woning dan ook zeer gering en vormt dit geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat. Voor de beoogde woning worden vijf parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de vier trekkershutten. Gezien de kleinschaligheid en de beperkte verkeersaantrekkende werking wordt bij de nieuwe woning en andere bestaande woningen in de omgeving geen strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening verwacht als gevolg van de trekkershutten. De trekkershutten hebben een categorie van 3.1, met een minimale afstand van 30 meter.
De trekkershutten bevinden zich op het zelfde perceel als de woning en liggen op een afstand groter dan de minimale afstand van 30 meter. Hierdoor vormen de trekkershutten geen belemmering voor dit plan.
Geerweg 61-63 Ter Aar
39
Overige bedrijvigheid aan de Geerweg vindt plaats op voldoende afstand van het plangebied waarop de nieuwe woning wordt gebouwd. Hierdoor zijn alleen bovenstaande bedrijven van belang. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling van de vrijstaande woning. 4.7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Alleen de meest noordelijke trekkershut staat minder dan 30 meter van de nieuwe reguliere woning, dit vormt vanwege de geringe omvang geen belemmering op de beoogde realisatie. Andersom leidt ontwikkeling van de woning en de vier trekkershutten niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca.
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.
Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn
Geerweg 61-63 Ter Aar
40
ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2
Beoordeling
Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Geerweg 61-63 Ter Aar
41
Figuur: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. Transport door de lucht Het plangebied ligt binnen de 20Ke-contour van Schiphol. Op de Risicokaart geeft de kaartlaag luchtvaartongeval geen signalering boven het plangebied. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Desondanks is wel gekeken naar de risico's omtrent de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval. Voorliggend initiatief betreft de verplaatsing van een woning op hetzelfde perceel. Daarnaast worden er maximaal vier trekkershutten gerealiseerd. Onderliggend bestemmingsplan heeft niet direct tot gevolg dat het gebied significant intensiever wordt gebruikt dan in de huidige situatie. Als het gebied al intensiever wordt gebruikt, dan is dit marginaal. Bij een intensiever gebruik kunnen bij een vliegtuigongeval meer slachtoffers vallen.
Dit wordt echter om de volgende redenen aanvaardbaar geacht. De kans op een dergelijke ramp binnen het plangebied is zeer klein te noemen. Het is in ieder geval kleiner dan 1 op de miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten zone 3. Een kans van 1 op de miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) al zo gering gezien dat het risico als aanvaardbaar wordt geacht. De kans op het optreden van dergelijk incident is verwaarloosbaar klein. Er zijn geen gevaarlijke of ontplofbare objecten in de omgeving van het plangebied waardoor vervolgschade (kettingreactie of domino-effect) zou kunnen ontstaan. De gemeente kan geen maatregelen treffen om dergelijk ongeluk te voorkomen (bronmaatregel). Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten lopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en
Geerweg 61-63 Ter Aar
42
luchtvaartmaatschappijen. De eisen zijn zowel ten aanzien van vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De overheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. De mogelijkheden voor het treffen van effectmaatregelen om de gevolgen te beperken, zijn zeer gering. Daarnaast is er in de nieuwe situatie sprake van geen tot een zeer beperkt intensiever gebruik van het perceel dan in de huidige situatie. De hulpdiensten treden in het geval van een ramp volgens het hiervoor geldende protocol op. De kwaliteit van de hulpdiensten wordt door intensieve monitoring steeds verbeterd. Sinds de Bijlmerramp zijn de lokale rampenplannen verbeterd. Lokale bestuurders zijn en worden getraind in het leiding geven tijdens crisissituaties. Dit wordt periodiek herhaald en geëvalueerd. Het aantal woningen in het plangebied blijft gelijk. Middels dit bestemmingsplan worden in het plangebied maximaal vier trekkershutten extra toegestaan. Recreanten kunnen zichzelf en anderen over het algemeen goed redden. In het plangebied worden geen zeer kwetsbare objecten toegestaan. Dat zijn gebouwen voor minder redzame groepen, zoals kinderen, zieken en andere zorgbehoevenden.
Als het gaat om maatregelen om zelfredzaamheid te vergroten is de conclusie dat er geen realistische maatregelen zijn te treffen die de effecten van een vliegtuigongeval beperken. In het geval van calamiteiten worden burgers door de overheid zo snel mogelijk geïnformeerd hoe ze moeten handelen (bv. via NL-Alert). De (rijks)overheid adviseert burgers in geval van een vliegtuigongeval het volgende: 1. Ga niet kijken. 2. Houd afstand bij brand vanwege de hitte en de giftige rook. 3. Houd afstand vanwege gevaarlijke stoffen die kunnen vrijkomen; 4. Bel 112 als dat nog niet gebeurd is. Tenslotte maakt voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelig gebouwen en terrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder mogelijk. Daarmee is het plan niet in strijd met de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - lib' en zijn er geen belemmering wat betreft externe veiligheid. 4.8.3
Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Glastuinbouw' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
Geerweg 61-63 Ter Aar
43
4.10
Water
4.10.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld.
Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
Geerweg 61-63 Ter Aar
44
4.10.3
Watertoets
Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 8). Op basis van de watertoets moet de korte procedure worden gevolgd. Er is contact met het waterschap Hoogheemraadschap van Rijnland. In elk geval zal een waterparagraaf moeten worden opgesteld waarin wordt beschreven hoe er met het water wordt omgegaan. Op het plangebied is er aan de noord- en zuidzijde van het perceel sprake van een verandering in de verharding en halfverharding. Onderstaand toont een overzicht van de bestaande verharding en de toekomstige verharding. Verharding in bestaande situatie: Bestaand (2 woningen en bedrijfsbebouwing) 1. 200 m2 verharding (voetprint van twee woningen totaal); 2. 340 m2 verharding (middels stelconplaten); 3. 420 m2 halfverharding (420 m2 grind); Totale verharding bestaande situatie: 540 m2. Totale halfverharding bestaande situatie: 420 m2. In de gewenste situatie blijft één woning aan de Geerweg behouden. Aan de Reigersbos wordt een nieuwe woning gebouwd. Als gevolg hiervan wijzigt de inrichting van het perceel en mogelijk ook de verharding. Een overzicht van de verharding in gewenste situatie is onderstaand berekend. Verharding in gewenste situatie: Ter plaatse van perceel aan de Geerweg (bestaande woning): 1. 55 m2 verharding (voetprint van bestaande woning) 2.
190 m2 halfverharding (190 m2 halfverharding) Totale verharding aan de Geerweg gewenste situatie: 140 m2. Totale halfverharding aan de Geerweg gewenste situatie: 190 m2. Ter plaatse van perceel aan de Reigersbos (nieuwe woning en trekkershutten): 1. 149 m2 verharding (voetprint van te realiseren woning incl. terras-verharding); 2. 54 m2 verharding (voetprint garage bij te realiseren woning); 3. 96 m2 verharding (voetprint vier trekkershutten met een oppervlakte van 24 m2 per trekkershut); 4. 560 m2 halfverharding (560 m2 halfverharding van Reigersbos tot aan de caravanstalling, incl. parkeerplaatsen) Totale verharding aan de Reigersbos gewenste situatie: 299 m2. Totale halfverharding aan de Reigersbos gewenste situatie: 560 m2. Bereking verharding In de gewenste situatie is de totale verharding Geerweg en Reigersbos samen: 439 m2. De totale oppervlakte van de halfverharding is in de gewenste situatie 750 m2. Daarmee is er per saldo een afname van de verharding van 101 m2. Er is een toename van de halfverharding van 140 m2. Deze toename in de halfverharding leidt niet tot problemen in de waterhuishouding. Er is immers ook een afname in verharding van ruim 100 m2. Deze afname in verharding compenseert de toename in halfverharding. De halfverharding zorgt ervoor dat het hemelwater gemakkelijker geinfiltreerd kan worden in de bodem. 4.10.4
Conclusie
Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het waterschap adviseert positief over het voornemen.
Geerweg 61-63 Ter Aar
45
4.11
M.e.r.-beoordeling
4.11.1
Wettelijk kader
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.11.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Kenmerken van het project Het planvoornemen betreft de nieuwbouw van een woning en vier trekkershutten op het perceel aan de Geerweg 61. Plaats van het project Het plangebied bevindt zich op 6 km afstand van de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (2.008 ha). Kenmerken van het potentiële effect Met de beoogde ontwikkeling nemen de verkeersbewegingen op de planlocatie licht toe. 4.11.3
Conclusie
De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.
Geerweg 61-63 Ter Aar
46
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' en 'Glastuinbouwgebieden' (inclusief 1e herzieningen). Het bestemmingsplan 'Geerweg 61-63 Ter Aar' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.
Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Geerweg 61-63 Ter Aar' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2
Inleidende regels
De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1
Begrippen
In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.
Geerweg 61-63 Ter Aar
47
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2
Bestemmingen
Enkelbestemming - 'Agrarisch - Glastuinbouw' De voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor: de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf en de uitoefening van een vollegronds tuinbouwbedrijf. Ter plaatse van de aanduiding 'Trekkershut' zijn ook trekkershutten toegestaan. Enkelbestemming - 'Tuin' De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofgebouwen; met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, in- en uitritten, groenvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Enkelbestemming - 'Wonen' De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen; al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van die activiteiten maximaal 30% van het vloeroppervlak per woning inclusief de bijbehorende bouwwerken bedraagt, met een maximum van 100 m²; mantelzorg, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van mantelzorg maximaal 100 m² van het vloeroppervlak per woning inclusief de bijbehorende bouwwerken bedraagt; met de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, in- en uitwegen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, steigers en plankieren.
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' Gronden welke de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' kennen, hebben een archeologische verwachtingswaarde. Alvorens hier grondbewerkingen volgens de onderliggende bestemmingen kunnen plaatsvinden, moet er eerst archeologisch onderzoek plaatsvinden om te bezien of er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Als er geen archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen de grondbewerkingen plaatsvinden. Als er wel archeologische waarden worden aangetroffen zal bekeken moeten worden hoe die het beste zeker gesteld kunnen worden. Omdat de kosten van het archeologische onderzoek voor rekening van de initiatiefnemer komen is wel een afweging gemaakt tussen de archeologische belangen en de kosten die daarvoor redelijkerwijs bij een initiatiefnemer kunnen worden gelegd. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’, mag 10.000 m² bebouwing zonder onderzoek worden gebouwd. Verder is geen archeologisch onderzoek nodig als uit documenten
Geerweg 61-63 Ter Aar
48
blijkt dat de grond ter plaatse reeds eerder is verstoord op een diepte van meer dan 50 centimeter. 5.4
Algemene regels
5.4.1
Anti-dubbeltelregel
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.4.2
Overige algemene regels
Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 5.5
Overgangs- en slotregels
5.5.1
Overgangsregel
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen. 5.5.2
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
Geerweg 61-63 Ter Aar
49
Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 6.2.1
Overleg met omwonenden
Initiatiefnemers hebben contact gehad met omwonenden van de planlocatie en hen op de hoogte gebracht van de voorgenomen plannen. De omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het voorgenomen plan. Een geanonimiseerd verslag van de gesprekken met de omwonenden is bijgevoegd als Bijlage 9. 6.2.2
Overleg met overheidsinstanties
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren.