CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 06 Ruimtelijkeonderbouwing_meijegraslanden_pdf

Meningsvormende raad II 29 september 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel VVGB definitief aanvraag omgevingsvergunning Meijegraslanden10.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. In het waterbeheerplan wordt het waterbeleid beschreven voor de primaire taakgebieden van het Hoogheemraadschap. Rijnland wil de komende periode het volgende bereiken: Waterveiligheid: Bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren. Voldoende Water: Er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. Schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken. Meijegraslanden | Eelerwoude | 33

-

Waterketen: Het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt

De vier doelstellingen zijn verder uitgewerkt in het Waterbeheerplan. Deze doelstellingen vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: de Keur, Legger, stimuleringsmiddelen en communicatie. Keur De keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen, behorende bij de regels van de Keur, vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De leggerkaart is geraadpleegd. Een uitsnede hiervan is weergegeven in figuur 17. Er zijn enkele primaire watergangen in het plangebied aanwezig, grotendeels betreffen het watergangen waarin is aangegeven welk percentage begroeiing aan de oevers is toegestaan. Het gaat voornamelijk om oevers waar een begroeiing van 10% langs elke oever is toegestaan. Voor de primaire watergangen, welke in onderhoud zijn van het Hoogheemraadschap geldt dat er een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden is vastgelegd.

Voor de overige watergangen betreft dit 2 meter. De afmetingen van de beschermingszone zijn gebaseerd op de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van onderhoud en/of inspectie aan de watergang. In voorliggend plan blijven de beschermingszones van de primaire watergangen, welke in beheer zijn van het Hoogheemraadschap, bereikbaar voor het Hoogheemraadschap. Het beheer van de overige watergangen ligt bij Natuurmonumenten.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 34

Figuur 157: Uitsnede legger (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)

Digitale watertoets Op woensdag 22 december is de digitale watertoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (kenmerk watertoets: 00002939, zie ook bijlage 9). De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, waaruit blijkt dat de zogenaamde normale procedure wordt doorlopen bij Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit houdt in dat op basis van locatie en gegeven antwoorden blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt. De initiatiefnemer staat in nauw contact met de het Hoogheemraadschap van Rijnland ten behoeve van de watervergunning. Daarnaast wordt met de landschappelijke inrichting rekening gehouden met de aanwezigheid van de watergangen. Zie hiervoor paragraaf 2.3 en de separate technische inrichtingstekeningen. Er is intensief contact met Hoogheemraadschap van Rijnland voor de benodigde watervergunningen. Middels de watertoets worden/is hoogheemraadschap nogmaals op de hoogte gebracht. Voorgenomen inrichtingsplan is opgesteld met behulp van het hoogheemraadschap en haar belangen zijn daar goed in geborgd.

Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante waarden beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen met zich meebrengt.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 35

5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Externe veiligheid • Bedrijven en milieuzonering • Verkeer en parkeren • Vormvrije m.e.r.-beoordeling • Leidingen • Lichtreflectie • Elektromagnetische straling Volledigheidshalve zijn de milieuaspecten voor het gehele plangebied van de Meijegraslanden in beeld gebracht, dus ook het gebied waar enkel de omgevingsvergunningen werk- en werkzaamheden worden aangevraagd.

5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is een historische bureaustudie gedaan en verkennend bodemonderzoek door Greenhouse Advies BV. Uit de historische bureaustudie zijn mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten bekend geworden (zie bijlage 10). Uit het eerder op de locatie uitgevoerde historisch bureauonderzoek (Bureaustudie bodem Meijegraslanden te Nieuwkoop, Greenhouse advies, met kenmerk EEL01118 dd. 15 maart 2019) zijn enkele verdachte locaties naar voren gekomen. Daarnaast heeft op 7 november 2019 een locatie-inspectie plaatsgevonden, waarbij alle deellocaties nauwkeurig zijn beoordeeld en in kaart zijn gebracht. Op basis hiervan is het noodzakelijke verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Naast het noodzakelijke is op verzoek van Eelerwoude, in aanvulling op de onderzoeksopzet conform NEN 5740, aanvullend onderzoek uitgevoerd middels extra boringen en graafgaten (zie bijlage 11).

De te onderzoeken locaties betreffen de paarse en bruine deelgebieden binnen de rode lijnen in figuur 18.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 36

Figuur 168: De onderzochte locaties (bruin en paars gearceerd) binnen de rode lijnen en deelgebied C met een lichte demping

Ter verduidelijking heeft Eelerwoude een beknopte notitie bodemkwaliteit opgesteld over de resultaten van het verkennend bodemonderzoek. Volledigheidshalve is deze bijgevoegd in bijlage 12 van deze onderbouwing. Samengevat kan gesteld worden dat wanneer de beoogde werkzaamheden voor project Meijegraslanden worden gerelateerd aan de bodemonderzoeksresultaten er geen nader onderzoek noodzakelijk is. In deelgebied C werd verwacht dat daar een demping heeft plaatsgevonden, na nader onderzoek blijkt uit de analyseresultaten dat hier een lichte verontreiniging aanwezig is met de kwaliteitsklasse Wonen. Hiermee wordt de ontwikkeling uitvoerbaar geacht. Het onderzoeksrapport geeft aan dat in meerdere gronddammen (in deelgebied 1) en ter plaatse van gedempte sloten (deelgebied 1 en 2) puin is aangetroffen. Er wordt geadviseerd bij ontgraving af te stemmen met bevoegd gezag over de locatie waar dit in het gebied kan worden toegepast. In het kader van de no-regret maatregelen zijn reeds enkele gronddammen verwijderd. Hier is in de praktijk geen puin aangetroffen, de grond is ter plekke verwerkt ter plaatse van de te realiseren peilscheiding (kade). Behalve deze reeds verwijderde gronddammen worden er geen gronddammen verwijderd. De locaties waar ontgraven wordt ter plaatse van gedempte sloten beperkt zich tot enkele locaties waar deze doorsneden worden met nieuwe watergangen.

De verwachting is dat hier geen tot een geringe hoeveelheid puin aangetroffen wordt. In het bestek wordt een post opgenomen voor het uitvoeren van een AP04 keuring voor het geval toch puin wordt aangetroffen. Dit wordt dan separaat ontgraven en opzij gelegd. Mocht dit het geval zijn dan zal hierover op dat moment afstemming plaatsvinden waar dit materiaal verwerkt kan worden.

5.3 Geluid Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone ter zake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Meijegraslanden | Eelerwoude | 37

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van natuur is in het kader van de Wet geluidhinder niet aan te merken als geluidsgevoelige bestemming of object. Een nader onderzoek naar akoestiek is daarom niet noodzakelijk.

5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekenende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van agrarische grond naar rietmoeras en nat schraal grasland. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling met zich mee brengt, zijn alleen tijdens de bouwfase merkbaar. In deze fase zal er tijdelijk sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen.

Zelfs tijdens de bouwperiode zal het aantal verkeersbewegingen met circa 20 verkeersbewegingen per dag, ruimschoots onder de 800 per dag blijven. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Daarnaast is in de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De functiewijziging van agrarische naar natuur is een ontwikkeling die niet leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit tijdens de beheerfase. Het plan kan daarmee zonder verdere toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

5.5 Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een dergelijke motivering is toegestaan. Het aspect Externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek en lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen en gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 38

• •

Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).

Figuur 1917: Uitsnede risicokaart met een ingezoomde uitsnede ter plaatse van de risicocontour in de rood gestippelde cirkel

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op basis van toetsing wordt gesteld dat in het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen. Wel is direct aangrenzend aan het plangebied een tank (vermoedelijk een bovengrondse lpg-tank) gelegen met een plaatsgebonden risicocontour 10-6. Aangezien de natuur geen directe toename van het aantal mensen ter plaatse veroorzaakt doordat er geen mogelijkheden zijn tot recreatie in het plangebied, én het feit dat er geen risicobronnen aanwezig zijn is een aanvullend onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk.

5.6 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: Meijegraslanden | Eelerwoude | 39

-

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van natuur heeft niet tot gevolg dat er milieubelastende of milieugevoelige functies gerealiseerd worden. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Opgemerkt wordt dat de nieuwe natuur niet leidt tot beperkingen voor bestaande bedrijven in het kader van stikstofdepositie doordat het reeds is aangemerkt als Natura 2000 en de begrenzing niet verandert.

5.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijzigingen hebben met name betrekking op aanvragen waarbij een vormvrije-m.e.r. beoordeling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet zich er nog steeds van vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben , dit wordt ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat elk besluit of plan gecheckt moet worden met de activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Deze lijst geeft aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op basis van de beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige milieueffecten met zich meebrengt. De voorgenomen ontwikkeling in het kader van de Natura 2000 beheerplan voorziet in circa 21.470 m3 grondverzet over een oppervlakte van 10,1 hectare ten behoeve van soorten zoals roerdomp en brede orchis. Het gehele plangebied voor de Meijegraslanden beslaat een oppervlakte van 115,7 hectare. Alle grond wordt ter plaatse verwerkt, er vindt daardoor geen afvoer van grond plaats.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 40

Ontgrondingen zijn op grond van onderdeel D, onder 16.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. formeel m.e.r.beoordelingsplichtig indien de ontgronding de bij dit onderdeel aangegeven drempelwaarde van 12,5 hectare overschrijdt. Zoals aangeven blijft de ontgronding met een oppervlak van circa 10,1 ha hectare onder de genoemde drempelwaarde en is daarom formeel niet m.e.r.-beoordelingsplichting. Daarnaast is er sprake van een activiteit op grond van onderdeel D, onder 9, ‘een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan’ daar er sprake is van een functiewijziging van gronden. Het gehele plangebied bevat 115,7 hectare waarbij voor ca. 22 hectare gronden in afwijking op het bestemmingsplan worden gebruikt. Daarmee wordt ruim onder de drempelwaarde gebleven van 125 hectare die te vinden is in kolom 2. Omdat ook onder de drempelwaarde belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden dient voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De vormvrije m.e.r.-notitie is toegevoegd als bijlage van deze onderbouwing (zie bijlage 13). De wijzigingen van het Besluit m.e.r. 2017 hebben geen gevolgen voor de ontwikkeling.

Voor de activiteit D16.1 (ontgronden) moet de notitie worden ingediend bij het bevoegd gezag (provincie ZuidHolland), gemandateerd aan Omgevingsdienst Haaglanden, omdat het een ontgronding betreft in de zin van de Ontgrondingenwet. De provincie zal daarom een m.e.r.-beoordelingsbesluit moeten nemen ten behoeve van de ontgrondingsvergunning, uiterlijk voor het verlenen van de vergunning. Daarnaast is er ook sprake van activiteit D9 (landinrichtingsproject) die planologisch mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo), hiervoor is gemeente Nieuwkoop (gemandateerd aan Omgevingsdienst West-Holland) bevoegd gezag. Ook hier dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit voor te worden genomen, uiterlijk voor het verlenen van de vergunning.

5.8 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven.

6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Geconstateerd is dat er geen omgeving- en milieukundige belemmeringen zijn. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 41

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Provincie Zuid-Holland is betrokken bij de planvorming en voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt voorgelegd voor vooroverleg. Een overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft plaatsgevonden.

Zienswijzen Het ontwerp van de omgevingsvergunning wordt voor de duur van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd. Na die termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven.

6.4 Economische uitvoerbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief dat door de initiatiefnemer wordt gefinancierd. De kosten die zijn gemoeid met de ruimtelijke procedure worden op grond van de legesverordening bij de initiatiefnemer in rekening gebracht. Er wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Gezien het voorgaande wordt geen aanleiding gezien om een exploitatieplan vast te stellen.

6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 42

Bijlagen Bijlage 1 - Definitief ontwerp deelgebied A Bijlage 2 - Definitief ontwerp deelgebied B Bijlage 3 - Definitief ontwerp deelgebied C Bijlage 4 – Toetsing Wet Natuurbescherming Bijlage 5 - Ecologisch werkprotocol Bijlage 6 – Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 7 – Archeologisch veldonderzoek Bijlage 8 – Advies archeologie Omgevingsdienst West-Holland Bijlage 9 - Watertoets Bijlage 10 – Historisch bureaubodemonderzoek Bijlage 11 – Verkennend bodemonderzoek Bijlage 12 – Notitie bodemkwaliteit Bijlage 13 – Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Meijegraslanden | Eelerwoude | 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=9188b846-d5dd-43e8-8e91-da2c9bb3864e