CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 06 Ruimtelijkeonderbouwing_meijegraslanden_pdf

Meningsvormende raad II 29 september 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel VVGB definitief aanvraag omgevingsvergunning Meijegraslanden10.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke Onderbouwing Meijegraslanden

Bron: Natuurmonumenten

Opdrachtgever:

Natuurmonumenten Stationsplein 1 3818 LE Amersfoort

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Status: Versie:

9020 15-3-2022 Definitief 3

© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding....................................................................................................................................................... 5

1.1

Aanleiding ............................................................................................................................................... 5

1.2

Ligging en begrenzing projectgebied ...................................................................................................... 5

1.3

Huidig planologisch regime .................................................................................................................... 8

1.4

Leeswijzer ............................................................................................................................................. 11

2

Planbeschrijving ........................................................................................................................................ 12

2.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 12

2.2

Beschrijving huidige situatie projectgebied .......................................................................................... 12

2.3

Planbeschrijving .................................................................................................................................... 13

Omgevingsvergunning maakt ontwikkeling mogelijk ............................................................................................ 17 3

Beleidskaders ............................................................................................................................................ 18

3.1

Europees beleid .................................................................................................................................... 18

3.2

Rijksbeleid ............................................................................................................................................. 19

3.3

Provinciaal beleid ................................................................................................................................. 22

3.4

Gemeentelijk beleid.............................................................................................................................. 26

4

Waardentoets ........................................................................................................................................... 28

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 28

4.2

Natuurwaarden .................................................................................................................................... 28

4.3

Archeologische waarde ........................................................................................................................ 30

4.4

Water .................................................................................................................................................... 33

5

Milieuaspecten.......................................................................................................................................... 36

5.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 36

5.2

Bodem .................................................................................................................................................. 36

5.3

Geluid ................................................................................................................................................... 37

5.4

Luchtkwaliteit ....................................................................................................................................... 38

5.5

Externe veiligheid ................................................................................................................................. 38

5.6

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................. 39

5.7

Vormvrije m.e.r.-beoordeling ............................................................................................................... 40

5.8

Conclusie............................................................................................................................................... 41

6

Uitvoerbaarheid ........................................................................................................................................ 41

6.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 41

6.2

Ruimtelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 41

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 42

6.4

Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 42 Meijegraslanden | Eelerwoude | 3

6.5

Conclusie............................................................................................................................................... 42

Bijlagen ................................................................................................................................................................... 43

Meijegraslanden | Eelerwoude | 4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding In en rondom de Nieuwkoopse plassen worden natuurherstelmaatregelen getroffen om de natuurpotentie van het natuurgebied te optimaliseren en invulling te geven aan de Natura 2000 doelen. In het gebied wordt meer ruimte gegeven aan veenweidenatuur waardoor het ook robuuster wordt. Zeldzame soorten zoals de roerdomp en brede orchis krijgen meer kans. In de afgelopen jaren is er intensief met direct betrokkenen uit de omgeving gesproken. Wensen van bewoners en agrarische ondernemers zijn waar mogelijk verwerkt in het ontwerp. Er zijn drie gebiedsstichtingen actief in de Meije, te weten Stichting Werkgroep Meijebelangen, Stichting Buurtcomité Stichtse Meije en Stichting Behoud Meijegraslanden. Het intensieve proces heeft ertoe geleid dat het voorgestelde inrichtingsplan in maart 2021 door de stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke unaniem is vastgesteld. Dit besluit is een uitwerking van onder andere het Natura 2000 beheerplan (2015). Ten grondslag aan het inrichtingsplan ligt een breed gedragen akkoord tussen belanghebbenden (provincie Zuid-Holland, gebruikers van de gronden, drie belangenstichtingen uit het gebied en Natuurmonumenten). In het akkoord zijn de afspraken vastgelegd over de veenweidennatuur in de Meijegraslanden. Dit akkoord is onderdeel van het programma Veenweiden Gouwe Wiericke, het gebied rond de Nieuwkoopse en Reeuwijkse Plassen.

Om de kwaliteiten van het gebied te behouden en te verbeteren wordt er intensief samengewerkt tussen gemeente Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Nieuwkoop en eerder ook Waddinxveen, hoogheemraadschappen van Rijnland en de Stichtse Rijnlanden en de provincie Zuid-Holland en waterschappen. In een Stuurgroep zorgen zij voor het versterken van landbouw, natuur en recreatie. In opdracht van de Stuurgroep heeft Natuurmonumenten het akkoord uit 2015 uitgewerkt tot een inrichtingsplan. Voorliggend rapport is de ruimtelijke onderbouwing die het inrichtingsplan planologisch uitvoerbaar moet maken. De voorgenomen ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo). In deze vergunning worden de afwijkingen van het bestemmingsplan én de benodigde omgevingsvergunningen werk en werkzaamheden gecombineerd.

1.2 Ligging en begrenzing projectgebied In de noordoostelijke kop van Zuid-Holland liggen de Nieuwkoopse plassen. Tussen de steden Mijdrecht, Woerden, Bodegraven en Alphen aan de Rijn. Direct onder de Nieuwkoopse plassen, tot aan het veenriviertje de Meije, liggen de Meijegraslanden. Het plangebied waar de werkzaamheden plaatsvinden is volledig gelegen in gemeente Nieuwkoop, de Meije is de grens met de gemeente Bodegraven. Hiernavolgend figuur geeft de ligging van de Meijegraslanden weer ten opzichte van de omgeving.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 5

Figuur 1: Ligging Meijegraslanden ten opzichte van omliggende steden

De beoogde locaties voor de geplande maatregelen zijn opgedeeld in drie deelgebieden. De drie deelgebieden zijn in de hiernavolgende overzichtskaart weergegeven als Deelgebied A, Deelgebied B en Deelgebied C. Bijna het gehele plangebied Meijegraslanden is in eigendom van Natuurmonumenten en is gelegen in het Natura2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (figuur 3).

Figuur 2: Overzichtskaart plangebied Meijegraslanden

Meijegraslanden | Eelerwoude | 6

Figuur 3: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000

Meijegraslanden | Eelerwoude | 7

1.3 Huidig planologisch regime Bestemmingsplan Het gehele plangebied valt binnen het regime van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop’. Deze onherroepelijke versie is vastgesteld op 3 november 2016. Hiernavolgend wordt per deelgebied een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven. Deelgebied A

Figuur 4: Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' ter plaatse van deelgebied A (witte omlijning)

Het plangebied kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemming: Agrarisch met waarden. Dubbelbestemming: Waarde – archeologie 3. Gebiedsaanduiding: overige zone – landschapstype oeverwallen. Gebiedsaanduiding: overige zone – Meijegraslanden. Gebiedsaanduiding: wetgevingzone – wijzigingsgebied.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 8

Deelgebied B

Figuur 5: Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' ter plaatse van deelgebied B (witte omlijning)

Het plangebied kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemming: Agrarisch met waarden. Enkelbestemming: Natuur. Dubbelbestemming: waarde – archeologie 3. Dubbelbestemming: Waarde – archeologie 1. Dubbelbestemming: Waterstaat – waterkering. Gebiedsaanduiding: overige zone – landschapstype oeverwallen. Gebiedsaanduiding: overige zone – Meijegraslanden.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 9

Deelgebied C

Figuur 6: Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' ter plaatse van deelgebied C (witte omlijning)

Het plangebied kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemming: Agrarisch met waarden. Enkelbestemming: Natuur. Dubbelbestemming: waarde – archeologie 3. Dubbelbestemming: Waarde – archeologie 1. Dubbelbestemming: Waterstaat – waterkering. Gebiedsaanduiding: overige zone – landschapstype oeverwallen. Gebiedsaanduiding: overige zone – Meijegraslanden. Gebiedsaanduiding: wetgevingzone – wijzigingsgebied. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van rietmoeras en nat schraal grasland. Dit is op de plekken waar de enkelbestemming ‘natuur’ vigerend is, passend binnen de regels van het bestemmingsplan, echter op plekken waar de enkelbestemming ‘agrarische met waarden’ vigerend is, is het strijdig met het bestemmingsplan. De enkelbestemming ‘agrarisch met waarden’ is onder andere bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ter plaatse aanwezige dan wel aan deze gronden eigen natuurwaarden. Daarmee is de realisatie van kruiden- en faunarijk grasland en vochtig weidevogelgrasland passend binnen deze enkelbestemming. Meijegraslanden | Eelerwoude | 10

1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets, hieruit blijkt welke waarden er in het projectgebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. In hoofdstuk 6 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 11

2 Planbeschrijving 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie weergegeven en wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven.

2.2 Beschrijving huidige situatie projectgebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maatregelen voor veenweidenatuur. Er komt meer ruimte voor weidevogels en zeldzame soorten. Zo wordt er onder andere op diverse plekken kruiden- en faunarijk grasland en rietmoeras gerealiseerd en worden peilscheidingen aangebracht. In paragraaf 2.3 wordt per deelgebied aangegeven welke maatregelen plaatsvinden. Zoals aangegeven zijn bijna alle percelen van het plangebied in eigendom van Natuurmonumenten. Eén perceel is op moment van schrijven nog in eigendom van PZH, maar wordt overgedragen aan Natuurmonumenten. In deelgebied B worden pompen geplaatst bij een naburig terrein, dit wordt verder toegelicht bij Deelgebied B. Op dit moment worden alle percelen gebruikt als grasland. Figuur 7 en 8 geeft de exacte plangebieden weer. Daarnaast worden er pompen geplaatst bij nabijgelegen percelen buiten het plangebied zodat zij hun eigen waterpeil behouden.

Figuur 7: Plangebied deelgebieden A en B

Meijegraslanden | Eelerwoude | 12

Figuur 8: Plangebied deelgebied C

2.3 Planbeschrijving Per deelgebied is de gewenste nieuwe situatie aangegeven en de daar bijbehorende werkzaamheden.

Deelgebied A Figuur 9 geeft een overzicht van de gewenste situatie en bijbehorende maatregelen. Een technische inrichtingstekening is toegevoegd in bijlage 1. In deelgebied A wordt 15 ha rietmoeras (oranje) aangelegd. Een peilscheiding zorgt ervoor dat het water langer wordt vastgehouden. Grond die nodig is om de peilscheiding aan te leggen is afkomstig uit het gebied zelf. Deze grond komt vrij bij het afschrapen van circa 2.5 ha kleirug (afplaggen tot 2.10 m -NAP) en door verbreding van de sloten in de graslanden. Oevers van sloten worden verflauwd (natuurvriendelijke oevers) en circa 17 ha wordt ingericht als vochtig weidevogelgrasland. In het weidevogelgrasland wordt het waterpeil iets verhoogd ten opzichte van het agrarisch land. Om dit te realiseren wordt een klepstuw aangebracht, een bestaand gemaal vervangen, een inlaat aangebracht en gronddammen verwijderd en aangebracht.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 13

Figuur 9: Inrichtingskaart deelgebied A. Rietmoeras (oranje), vochtig weidevogelgrasland (groen)

Meijegraslanden | Eelerwoude | 14

Deelgebied B Ook in deelgebied B wordt rietmoeras gerealiseerd, hier over een oppervlakte van circa 6,5 ha. Net zoals bij A komt de grond voor de peilscheiding uit de omgeving. Om goede scheidingen te krijgen met omliggende gronden zullen er enkele extra sloten worden gerealiseerd waardoor de omgeving geen hinder ondervindt van het veranderende waterpeil. Enkele bestaande oevers krijgen een natuurvriendelijke oever. Circa 23 hectare wordt ingericht als kruiden- en faunarijk grasland. Daarnaast wordt er 4 ha ingericht als vochtig hooiland, hier kunnen geen koeien lopen, maar wordt enkel het gras gehooid. Om dit te realiseren wordt een klepstuw en gemalen aangebracht, een bestaande pomp vervangen en gronddammen en dammen met duikers aangebracht. Daarnaast worden er pompen geplaatst bij nabijgelegen percelen buiten het plangebied zodat zij hun eigen waterpeil behouden. Anders zouden zij beïnvloed worden door de maatregelen. Voor een gedetailleerde technische inrichtingstekening zie bijlage 2.

Figuur 10: Inrichtingskaart deelgebied B, rietmoeras (oranje) kruiden en faunarijk grasland (groen).

Deelgebied C Deelgebied C is in totaal circa 35 hectare. Een oude kreekrug wordt gehandhaafd en 15 hectare wordt ingericht als nat schraalgrasland, met deels potentie voor doorontwikkeling van blauwgrasland. De overige grond wordt kruiden- en faunarijk grasland. Om dit te realiseren worden er een klepstuw, gronddammen, inlaatduikers en dammen met duikers aangebracht. Er wordt ongeveer 6,38 hectare geplagd met een diepte van gemiddeld 30 centimeter. Gronddammen en pompen worden verwijderd. Een overzichtstekening van de werkzaamheden is weergegeven in figuur 11. In bijlage 3 is de gedetailleerde technische inrichtingstekening opgenomen.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 15

Figuur 11: Inrichtingstekening deelgebied C. Kruiden- en faunarijkgrasland (groen), nat schraalgrasland (grijs) en de oude kreekrug (blauw)

Meijegraslanden | Eelerwoude | 16

Omgevingsvergunning maakt ontwikkeling mogelijk Het vigerende bestemmingsplan verhoudt zich verschillend tot de voorgenomen inrichtingsmaatregelen. Hieronder de verscheidenheid van het vigerende planologisch regime toegelicht: Ten eerste zijn er gebieden die de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ kennen en deze bestemming behouden. Hier zijn de maatregelen dusdanig van aard dat dit geregeld kan worden met een omgevingsvergunning werk- en werkzaamheden. Ten tweede zijn er gebieden die in het bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Natuur’ kennen, waar ook alleen een omgevingsvergunning werk- en werkzaamheden is benodigd voor de gewenste inrichtingsmaatregelen. Ten derde zijn er gebieden die in het bestemmingsplan de enkelbestemming ‘agrarisch met waarden’ kennen, en waar rietmoeras en nat schraalgrasland wordt gerealiseerd wat strijdig is met het bestemmingsplan. Deze gebieden kennen een wijzigingsbevoegdheid naar ‘Natuur’ welke deze wijziging mogelijk kunnen maken. Tot slot zijn er gebieden die de enkelbestemming ‘agrarisch met waarden’ kennen en waar rietmoeras wordt gerealiseerd wat ook strijdig is met het bestemmingsplan (zoals in de paragraaf hierboven). Echter kennen deze gebieden géén wijzigingsbevoegdheid die dit mogelijk kan maken. Ondanks dat er sprake is van een wijzigingsbevoegdheid wordt daar geen gebruik van gemaakt.

De wijzigingsbevoegdheid is namelijk niet vigerend op alle plekken waar sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. Er is gekozen voor een eenduidige aanpak en procedure waar door middel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing uitvoer aan wordt gegeven. De voorgenomen ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo). In deze vergunning worden de afwijkingen van het bestemmingsplan én de benodigde omgevingsvergunningen werk en werkzaamheden gecombineerd. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning. Hierin komen alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening voor deze ontwikkeling aan de orde en deze ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 17

3 Beleidskaders 3.1 Europees beleid 3.1.1 Vogel- en Habitatrichtlijnen en Natura 2000 Voor het behouden en vergroten van de biodiversiteit in Europa is op Europees niveau beleid opgesteld, waaronder de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Vogelrichtlijn is bedoeld om alle wilde vogels en de daarbij behorende belangrijkste habitats in de EU te beschermen. De richtlijn geeft de verplichting voor lichtstaten tot bescherming van gebieden die belangrijk zijn voor alle trekvogelsoorten en meer dan 190 bijzonder bedreigde soorten. Speciale aandacht wordt besteed aan waterrijke gebieden van internationaal belang (zogenoemde Wetlands). De Habitatrichtlijn is vergelijkbaar met de Vogelrichtlijn, echter heeft deze meer betrekking op een veel groter aantal zeldzame, bedreigde of inheemse soorten, inclusief meer dan duizend dieren- en plantensoorten. Naast bescherming van specifieke flora- en fauna, hebben de richtlijnen eveneens als doel om de leefgebieden van die soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. Dit wordt beoogd door het aanwijzen van beschermde gebieden, die samen het Europees ecologisch netwerk van beschermde natuurgebieden vormen: Natura 2000. In dit netwerk komen natuurgebieden voor waarin vanuit Europees perspectief belangrijke flora en fauna aanwezig zijn. Met de aanwijzing van de gebieden kunnen flora en fauna duurzaam worden beschermd.

De Nederlandse Natura 2000-gebieden moeten bijdragen aan het behouden en (indien van toepassing) het herstel van: 1. Ecologische samenhang van Natura 2000 binnen Nederland en de Europese Unie. 2. Biologische diversiteit en de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. 3. De natuurlijke kenmerken van het gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 4. De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Zoals reeds aangegeven is het gehele plangebied gelegen in Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De toetsing aan het beleid en de natuurwaarden is gedaan door middel van een Toetsing Wet Natuurbescherming, deze is uiteengezet in paragraaf 4.2.

3.1.2 Kaderrichtlijn Water Behalve Europese afspraken over natuur is ook de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater geborgd in Europees beleid. Sinds eind 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn voor alle lidstaten moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op niveau is. Goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater draagt bij aan de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, waaronder de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Meijegraslanden | Eelerwoude | 18

Met de realisatie van rietmoeras, natuurvriendelijke oevers en het toestaan van afwijkend gebruik van enkele percelen kan gesteld worden dat voorgenomen ontwikkeling een positieve werking heeft op de waterkwaliteit van het gebied.

Conclusie europees beleid Voorgenomen ontwikkeling betreft het herstel en verbeteren van de kwaliteit van de Meijegraslanden. Met het gegeven dat Meijegraslanden onderdeel is van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck kan gesteld worden dat voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan realisatie van Natura 2000-doelstelling en het uitbreiden van de daarin gelegen habitattypen. Daarmee sluit de ontwikkeling aan op het van toepassing zijnde Europees beleid.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. In 2012 is deze visie officieel in werking getreden. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028, daarbij is aangegeven welke nationale belangen aan de orde zijn. De tijdshorizon is gesteld, omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts één van de instrumenten die worden ingezet. Kennis, bestuurlijke afspraken en kaders kunnen ook worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. De ruimtelijke waarden die het nationaal belang waarborgen zijn opgenomen in 13 verschillende belangen. In de structuurvisie wordt ook aangegeven op welke wijze het Rijk deze belangen wil verwezenlijken.

Dit zorgt voor een duidelijk overzicht in één document gezamenlijk met de doelen die het Rijk heeft opgesteld.

3.2.2 Wet Natuurbescherming De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten. Dit betreffen de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. In de Wnb zijn de Europese vogel- en habitatrichtlijn geïmplementeerd. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels. Het plangebied maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Regels over dit netwerk zijn relevant voor dit bestemmingsplan. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Meijegraslanden | Eelerwoude | 19

• • • •

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied valt onder het Nederlands Natuurnetwerk (zie figuur 13 in paragraaf 3.3.2) en door het toestaan van afwijkend gebruik zal er meer areaal als natuur worden ingericht. Er vindt verder geen afname aan areaal plaats.

3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Kustfundament. Grote rivieren. Waddenzee en waddengebied. Defensie. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de NNN, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op het voorliggende wijzigingsplan is alleen de ligging in het Natura 2000 gebied / NNN van toepassing. Het Natura 2000 gebied / NNN wordt met het voorliggende plan versterkt, dit wordt uiteengezet in paragraaf 4.2. Het onderhavige plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro.

3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening Bij besluit op 28 augustus 2012 is tevens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. In het Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Als gevolg van deze wijziging zijn gemeenten en provincies verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de duurzaamheidsladder op te nemen, wanneer een zodanig besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en over programmering dient te worden voorkomen. Middels de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (kortweg: duurzaamheidsladder) vindt een toetsing plaats. De ladder bestaat uit drie treden:

Meijegraslanden | Eelerwoude | 20

1) Beoordeling (kwalitatief/kwantitatief) of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale en intergemeentelijke behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen, waarin nog niet elders is voorzien. 2) Indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. 3) Indien herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld. Dit is opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij toetsing aan het SVIR en artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro blijkt het volgende. Het voorliggend ruimtelijk plan is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiermee is het voorliggende bestemmingsplan passend binnen de SVIR.

3.2.5 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat in de komende jaren voor een aantal opgaven van nationaal belang. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) stelt dat grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw Nederland flink zullen veranderen. Deze opgaven moeten benut worden om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden. De NOVI biedt perspectief om de grote opgaven aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. In de NOVI wordt gesproken over een 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI beschrijft enerzijds een toekomstperspectief met ambities en anderzijds de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Deze opgaven zijn het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze vier prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt: 1) Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2) Duurzaam economisch groeipotentieel.

3) Sterke en gezonde steden en regio's. 4) Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om de beleidskeuze weloverwogen te maken worden drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven, gehanteerd, namelijk: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan betreft een relatief kleinschalige ontwikkeling die geen negatieve effecten heeft op nationale belangen. Het plan draagt bij aan de ruimtelijke én milieukwaliteit doordat het een sterke impuls geeft aan de biodiversiteit ter plaatse. Met de natuurontwikkeling wordt bijgedragen aan een toekomstig bestendig landelijk gebied met een robuustere natuur. Hiermee is het voorliggende plan in overeenstemming met de NOVI.

3.2.6 Conclusie rijksbeleid Vanuit de SVIR, het Barro, de Bro, de ladder voor duurzame verstedelijking en de NOVI komen geen randvoorwaarden of uitgangspunten naar voren die rechtstreeks doorwerken op het voorgenomen plan. Er wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. Meijegraslanden | Eelerwoude | 21

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Natura 2000-beheerplan Voor de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck is een beheerplan opgesteld voor de periode van 2015-2021 door provincie Zuid-Holland. Het beheerplan is een plan aanpak om de natuurdoelen voor het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck te halen. In het beheerplan moet duidelijk worden hoe de beschermde natuur in het gebied ervoor staat, welke maatregelen nodig zijn om de natuur te behouden of uit te breiden, wat het beheer kost en hoe de financiering is geregeld. Ieder Natura 2000-gebied heeft zijn eigen beheerplan. Uiteindelijk moet met het beheerplan het behoud van de bestaande Natura 2000-waarden de komende zes jaar garanderen. Waar mogelijk wordt kwaliteit verbeterd. De Nieuwkoopse Plassen en De Haeck ligt in de provincies Zuid-Holland en Utrecht, in totaal behelst het een oppervlakte van 2028 hectare. De Nieuwkoopse Plassen en De Haeck maken deel uit van het Hollands-Utrechts laagveengebied en liggen centraal in het Groene Hart. Meijegraslanden is onderdeel van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Het is een bijzonder natuurgebied dat van internationaal belang is als broedgebied voor beschermde moerasvogels. Waaronder de roerdomp, de purperreiger en de rietzanger.

Daarnaast zijn in het laagveenmoeras verschillende zeldzame of bedreigde habitattypen te vinden, zoals; trilvenen, veenmosrietland en blauwgrasland. De veenplassen herbergen bijzondere waterplanten als krabbenscheer en kranswieren. In het Natura 2000beheerplan worden verschillende herstel strategieën beschreven waaronder voor de Meijegraslanden met uitbreiding blauwgrasland, rietland voor de roerdomp en agrarisch medegebruik. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het inrichtingsplan voor de Meijegraslanden is een uitwerking van de maatregelen die zijn benoemd in het beheerplan. Daarmee is voorgenomen ontwikkeling in lijn met het Natura 2000-beheerplan. Er is geen sprake van een vergunningplicht Wet Natuurbescherming in verband met het uitvoeren van werkzaamheden in het Natura 2000-gebied.

3.3.2 Omgevingsverordening en omgevingsvisie Zuid-Holland De Provinciale Staten hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Op 1 augustus 2020 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. Provincie Zuid-Holland ziet zes verschillende richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities vloeien voort uit de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland, gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn als volgt: 1. Naar een klimaatbestendige delta. 2. Naar een nieuwe economie: the next level. 3. Naar een levendige meerkernige metropool. 4. Energievernieuwing. 5. Best bereikbare provincie. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het provinciale natuurbeleid richt zich op het behouden, herstellen en (al dan niet op langere termijn) vergroten van de biodiversiteit in Zuid-Holland, inclusief de biodiversiteit van de bodem en het aanplanten van bossen. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op: • Bescherming en verbetering van Natura2000-gebieden. Meijegraslanden | Eelerwoude | 22

• •

•

Realisatie, duurzaam beheer en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland. Stimuleren en beschermen van de biodiversiteit ook buiten de aangewezen natuurgebieden, zoals op boerenland, in recreatiegebieden, het stedelijk gebied en bij maatregelen in het kader van klimaatadaptatie. Uitfasering van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen.

Figuur 122: Uitsnede omgevingsverordening Zuid-Holland, ligging plangebied ten opzichte van NNN (tevens beschermingscategorie 1)

Zoals het figuur hierboven laat zien is het plangebied volledig gelegen in het Nederlands Natuurnetwerk. Het wijzigen van een bestemmingsplan in gronden van het NNN mag, zolang deze niet de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Het NNN valt onder beschermingscategorie 1.

In Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de regels met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen. De provincie Zuid-Holland hanteert de twee uitgangspunten: • een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid, • hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 23

Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie typen ontwikkelingen: inpassing, aanpassing en transformatie (figuur 13). Een ontwikkeling die sterk aansluit op de bestaande structuur en identiteit van het landschap, dorp of stad wordt geschikt onder 'Inpassing'. Deze ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van het gebied. Ontwikkelingen onder de term 'aanpassing' sluiten aan bij de huidige identiteit van een gebied, maar wijken af op structuurniveau en moeten hierbij voorzien in wijzigingen of aanvullingen. Bij 'transformatie' gaat het om grootschalige veranderingen in het landschap.

Figuur 13: Drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland)

Voorgenomen ontwikkeling betreft het versterken van de natuurwaarden van het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Daarmee kan gesteld worden dat dit plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, het plangebied is immers allemaal al aangemerkt als Natura 2000. Daarmee valt voorgenomen ontwikkeling onder ‘Inpassen’. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: • zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: • een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. 2. a.

Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën zijn een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale Meijegraslanden | Eelerwoude | 24

b.

infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

Relatie met voorgenomen ontwikkeling

Figuur 134: Uitsnede omgevingsverordening Zuid-Holland, ligging plangebied in Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën

Een deel van het plangebied van Meijegraslanden is gelegen in een kroonjuweel met beschermingscategorie 1 (figuur 14). Provincie Zuid-Holland wil de waarden van de kroonjuwelen cultureel erfgoed in Zuid-Holland behouden en/of verbeteren en versterken. De provincie regelt dit door kroonjuwelen aan te wijzen, via de Omgevingsverordening Zuid-Holland, als beschermingscategorie voor ruimtelijke kwaliteit. De zeer karakteristieke en waardevolle cultuurlandschappen bepalen de kwaliteit en identiteit van de bebouwde en groene ruimte in de provincie en vertellen de geschiedenis van Zuid-Holland. Aangezien er geen sprake is van aanpassen of transformeren valt de gewenste ontwikkeling onder artikel 6.9 lid 1 onder a; Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

Meijegraslanden | Eelerwoude | 25

Met het gegeven dat het plangebied is gelegen in het Natuur Netwerk Nederland en aangemerkt als Natura 2000-gebied en dat voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan de natuurwaarden kan gesteld worden dat de ontwikkeling bijdraagt aan de gebiedsidentiteit. Daarmee voldoet voorgenomen ontwikkeling aan de toetsing van artikel 6.9 Ruimtelijke Kwaliteit.

3.3.3 Conclusie provinciaal beleid De ontwikkeling van Meijegraslanden is passend binnen het vastgestelde Natura 2000-beheerplan, de Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie van Zuid-Holland.

3.4 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Gemeente Nieuwkoop Op 1 juli 2021 is door Gemeente Nieuwkoop de omgevingsvisie vastgesteld. In de omgevingsvisie, is de toekomstvisie op de gemeente verwoord en verbeeld. Er staat in wat in de leefomgeving belangrijk is om te behouden, te versterken en te ontwikkelen.

In de visie zijn zeven ‘Nieuwkoopse drijfveren” het vertrekpunt: 1. Rust en ruimte. 2. Weids landschap. 3. Bijzondere natuur. 4. Centrale ligging. 5. Dorps karakter. 6. Levendige dorpen. 7. Saamhorigheid. Er zijn drie ambities geformuleerd: gelukkige mensen, sterke dorpen en een groene toekomst. De visie is uitgewerkt in drie deelgebieden, omdat op het niveau van de dorpen en het landschap, de visie écht betekenis krijgt. Groene toekomst De groene en waterrijke gemeente ligt midden in het Groene Hart. De bijzondere landschappen én het groen in de dorpen zijn van grote waarde voor inwoners, bezoekers en voor het (agrarische) bedrijfsleven. Al deze mensen willen graag blijven genieten en gebruik maken van wat Nieuwkoop te bieden heeft. Landschap als basis Het landschap is de basis van de leefomgeving en bepalend voor de identiteit. Het landschap met vruchtbare landbouwgronden en bijzondere natuur heeft ook een belangrijke economische waarde. Wij willen het landschap levend houden en het versterken. Alle ‘gebiedspartijen’, zoals agrariërs, waterschappen, natuurbeheerders en gemeente, werken daarom samen aan een duurzame leefomgeving waarin landbouw, tuinbouw, natuur, het opwekken van energie en recreatie een sterk geheel vormen.

Zo wordt de waarde van het Groene Hart in de Randstad vergroot en blijft ons landschap in de toekomst een belangrijk en levendig gebied, dat benut en beleefd kan worden door inwoners, agrariërs en bezoekers. Natuur beschermen en versterken In het zuidelijke deel van gemeente nieuwkoop ligt het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Dit is het leefgebied van bijzondere plant- en diersoorten. De plassen zijn cultuurhistorisch en ecologisch beter

Meijegraslanden | Eelerwoude | 26

bewaard gebleven vergeleken met andere plassen in de omgeving. Dit komt door een goede samenwerking tussen gebiedspartijen die werken aan instandhouding, natuurherstel en passende vormen voor recreatie. De Natura 2000 doelstellingen blijven leidend bij wat er kan worden toegelaten in het Nieuwkoopse plassengebied. Er wordt hard gewerkt aan het versterken van de natuur en vergroten van de biodiversiteit in de gemeente. Hierin hebben (agrarische) natuurverenigingen én individuele agrariërs een belangrijke rol.

Conclusie gemeentelijk beleid De versterking van de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck wordt expliciet benoemd in de omgevingsvisie van gemeente Nieuwkoop. Bij gewenste ontwikkelingen in het Natura 2000-gebeid blijven de doelstellingen vanuit Natura 2000 leidend. Voorgenomen ontwikkeling van de Meijegraslanden draagt bij aan de doelstellingen van Natura 2000 en versterkt de natuurwaarden van het gebied. Daarmee is voorgenomen ontwikkeling passend binnen het gemeentelijke beleid.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 27

4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling. Volledigheidshalve is deze waardentoets voor het gehele plangebied van de Meijegraslanden gedaan, dus ook het gebied waar enkel de omgevingsvergunningen werk- en werkzaamheden worden aangevraagd.

4.2 Natuurwaarden Vanaf 1 januari 2017 is in de Nederland de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Met het van kracht worden van de nieuwe wet worden de provincies het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: bescherming van soorten, bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden. De volledige toetsing Wet Natuurbescherming is toegevoegd in bijlage 4. Voor de werkzaamheden is een ecologisch werkprotocol opgesteld die is toegevoegd als bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing.

Soortenbescherming Betreffende flora en fauna richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van soorten. De wet gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe, bepaalde handelingen waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Overige soorten waarvoor vrijstellingen zijn opgesteld De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Zuid-Holland vrijstellingen opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er geen leefgebied verloren gaat en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Inventariseren op geschikt habitat van de Noordse woelmuis Voortplantingslocaties van Noordse woelmuis moet worden voorkomen. Dit kan door: 1.

Werken buiten de kwetsbare voortplantings- en nestperiode en/of winterperiode Op plekken waar geschikt zomer- en/of winterhabitat aanwezig is, kunnen werkzaamheden alleen ontheffingsvrij worden uitgevoerd als buiten de periode wordt gewerkt dat dergelijk habitat in gebruik is. Voor voortplantingslocaties is de periode april tot en met september het meest kwetsbaar voor winterhabitat de periode november tot en met maart. De maand oktober is de enige maand waarin ontheffingsvrij werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Doordat ook buiten de aangeven kwetsbare

Meijegraslanden | Eelerwoude | 28

maanden per zomeren winterhabitat rekening moet worden gehouden met Noordse woelmuis, is werken in deze maanden in geschikt biotoop ontheffingsplichtig. 2. Maatwerk: inventariseren aanwezig biotoop ter plaatse op geschiktheid Door per (deel)gebied de locaties waar werkzaamheden zijn gepland te inventariseren op aanwezig geschikt habitat, bijvoorbeeld de plek waar een dam of duiker is gepland, kan maatwerk worden geleverd. Als ter plaatse geschikt zomer- of winterhabitat aanwezig is, kunnen de werkzaamheden of alleen in de maand oktober worden uitgevoerd, of de werkzaamheden moeten worden verplaatst naar een locatie waar geen geschikt habitat aanwezig is (voorbeeld de duiker 10 meter verderop plaatsen). Deze inventarisatie kan alleen worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige (Kader hoofdstuk 4). Bij afwezigheid van geschikt habitat worden negatieve effecten op Noordse woelmuis op voorhand uitgesloten en is geen sprake van een ontheffingsplicht. Met het oog op Noordse woelmuis, kunnen werkzaamheden kunnen dan jaarrond worden uitgevoerd. Werkzaamheden zijn gepland vanaf augustus. Dit is alleen mogelijk op werklocaties waar geen geschikt zomeren/of winterhabitat aanwezig is.

Rekening houden met de waterspitsmuis Doordat verspreid door de plangebied stukjes oever voorkomen waar watervegetatie aanwezig is en sprake is van begroeide oevers, moeten werkzaamheden ter plaatse: of worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode uit te voeren. De maanden september tot en met maart zijn het meest geschikt. Of voorafgaand aan de werkzaamheden moet de werklocatie geïnventariseerd op aanwezig geschikt habitat. Bij afwezigheid worden negatieve effecten op waterspitsmuis op voorhand uitgesloten en is geen sprake van een ontheffingsplicht. Met het oog op waterspitsmuis, kunnen werkzaamheden kunnen dan jaarrond worden uitgevoerd. Rekening houden met vogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen1 mogen worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Men dient dan alert te zijn op eventueel aanwezige broedende vogels. Dit geldt ook voor broedende vogels in de groenstructuur rondom het plangebied.

De werkzaamheden mogen er niet toe leiden dat deze broedende vogels worden verstoord en hun nest (broedsel/ jongen) verlaten. De zorgplicht is te allen tijde van kracht. Zorgplicht bij werkzaamheden watergangen Voor de werkzaamheden in de watergangen wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen maatregelen te nemen met betrekking tot vissen en deze maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Alert zijn op rugstreeppad Met het afgraven/ plaggen kunnen rugstreeppadden worden aangetrokken. In de voortplantingsperiode van de rugstreeppad, welke is van april tot en met juli, wordt aanbevolen alert te zijn op aanwezigheid van de rugstreeppad om vestiging van de soort voor of tijdens de werkzaamheden te voorkomen. Indien een rugstreeppad wordt aangetroffen, neem dan direct contact op met een ecoloog. Indien de soort zich (nog) niet heeft gevestigd, mag de ecoloog als ter zake kundige het dier verplaatsen naar geschikt, alternatief terrein. 1

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli Meijegraslanden | Eelerwoude | 29

Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten Het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. De werkzaamheden worden in het kader van het beheerplan van het natuurgebied uitgevoerd om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Indien de aangegeven voorwaarden uit het beheerplan worden nageleefd, is een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk (Provincie Zuid-Holland, 2015). Stikstof-gerelateerde effecten Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt materieel ingezet. Echter, doordat de maatregelen worden uitgevoerd in het kader van het beheerplan en daarin zijn opgenomen, is het inzichtelijk maken van de stikstofdepositie tijdens de ontwikkelingsfase of een vergunning voor deze niet nodig.

Natuurnetwerk Nederland / Natura 2000 Voorgenomen is om de percelen waar rietmoeras en nat schraalgrasland wordt ontwikkeld een afwijkend gebruik toe te staan. Het plangebied ligt in NNN gebied dat tevens onderdeel is van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De natuurdoelen voor dit Natura 2000-gebied zijn gericht op behoud en uitbreiding van de omvang en kwaliteit van het leefgebied van habitattypen en soorten. Met het wijzigen van de bestemming is geen sprake van aantasting van de kernopgave en instandhoudingsdoelstellinen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Er vindt geen afname plaats aan areaal; deze blijft gelijk. Kwalitatief worden de deelgebieden verbeterd; met de omvorming van agrarisch naar natuur wordt de bodem niet meer geroerd en kan deze ontwikkelen tot de natuurdoelen die voor het Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Ook wordt voor deelgebied 1 invulling gegeven aan de ambitie deze om te vormen tot natuur. Ook wordt de samenhang van het NNN en omliggende NNN niet aangetast, maar wordt deze robuuster door de omvorming naar natuur. Op basis van bovenstaande onderbouwing wordt met het toestaan van afwijkend gebruik negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het NNN gebied uitgesloten.

Bescherming houtopstanden In het plangebied staan geen bomen waardoor een nadere toetsing voor de bescherming van houtopstanden niet van toepassing is.

4.3 Archeologische waarde Aardkundige, archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met voorgenomen ontwikkeling In opdracht van Eelerwoude is door Greenhouse Advies B.V. archeologisch bureauonderzoek opgesteld (zie bijlage 6). Uit dit bureauonderzoek is een vervolg veldonderzoek geadviseerd voor deelgebied A.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 30

Figuur 145: Overzicht van het onderzoeksgebied van het archeologisch bureauonderzoek

Figuur 16: Overzicht onderzoeksgebied van het archeologisch veldonderzoek

Het vervolgonderzoek heeft bestaan uit een inventariserend veldonderzoek (zie bijlage 7). Aanleiding voor het onderzoek is de geplande natuurontwikkeling, waarbij ter plaatse van het plangebied een kleirug wordt afgegraven. Deze ligt deels binnen een zone met een (middel)hoge archeologische verwachting en gedeeltelijk overschrijdt de diepte van de graafwerkzaamheden de vrijstellingsgrens van 50 cm. Het plangebied en de Meijegraslanden | Eelerwoude | 31

directe omgeving bestaan uit afzettingen die behoren tot de stroomgordel van de Meije. Op basis van het reeds uitgevoerde bureauonderzoek geldt voor het plangebied een (middel)hoge verwachting vanaf het MiddenNeolithicum. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat de bodemopbouw bestaat uit Holocene afzettingen, voornamelijk bestaande uit pakketten rivierklei. Deze worden afgewisseld met laagjes (kleiig) veen. Mogelijk wijzen de zandige bovenlagen op oeverwalafzettingen die in de regel gunstig zijn geweest voor bewoning. Zowel de klei als het veen worden geïnterpreteerd als ongunstig voor oude bewoning waardoor hier een lage archeologische verwachting aan wordt toegekend. In alle boringen komen archeologische indicatoren voor in de vorm van (sub)recente resten aardewerk en glas, dit is uitsluitend in de bovenste zandige kleilagen tot een maximale diepte van 120 cm beneden maaiveld. De (sub)recente datering van het materiaal wijst niet op oeverwalafzettingen. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. De kans op het aantreffen van (onverstoorde) archeologische resten wordt klein geacht. De voorgenomen ingrepen kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. Deze conclusie is afgestemd en goedgekeurd door Omgevingsdienst West-Holland op 22 april 2021 (bijlage 8).

Indien tijdens de uitvoering alsnog onverwachte archeologische resten worden aangetroffen, dient hiervan direct melding gemaakt te worden bij het bevoegd gezag in het kader van de wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet.

Meijegraslanden | Eelerwoude | 32

4.4 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld.

Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied-beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verdere reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=9188b846-d5dd-43e8-8e91-da2c9bb3864e