CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan 'Uitweg 10, Woerdense Verlaat' met bijlagen

Meningsvormende raad I 4 november 2021, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan 'Uitweg 10, Woerdense Verlaat'20.474 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast is ter plaatse van de bebouwde kom een bodemgebied ingevoerd met een absorptiefractie van 0,5. De gebouwen binnen de bebouwde kom zijn niet gemodelleerd. De afschermende werking hiervan is zodoende verwaarloosd. In bijlage 2 zijn de invoergegevens van het rekenmodel en een weergave van het rekenmodel opgenomen.

Resultaten In tabel 1 is de berekende geluidsbelasting weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuwe woning aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder voldoet. In bijlage 3 zijn de rekenresultaten meer gedetailleerd weergegeven. Tabel 1: Geluidsbelasting Lden in dB, incl. aftrek ex art. 110g Wgh Omschrijving

Geluidsbelasting

Nieuwe woning

48 dB

Conclusie De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai zal ter plaatse van de nieuwe woonbestemming voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig.

pagina 2 van 3

Bijlage(n):

pagina 3 van 3

1. Verkeersgegevens 2. Gegevens rekenmodel 3. Resultaten

N463 (wegvak Noordsedorpweg (Oostzijde) - Korte Meentweg) Etmaalintensiteit (aangeleverd en toekoms g) Aangeleverd jaar: 2030 Gemiddelde groei per jaar: Intensiteit in aangeleverd jaar 4931 Totale groei over 0 jaar: Gewenst jaar: 2030 Intensiteit in gewenst jaar 4940 voertuigverdeling (% per periode)* periode lv mv zv dag 90,62 8,21 1,17 avond 90,62 8,21 1,17 nacht 90,62 8,21 1,17 Overige gegevens Snelheid: 80 km/u Wegdektype: SMA – NL 11B

0,00%

periodeverdeling (% per uur)*

* Gebaseerd op gegevens uit het jaar 2018, aangezien deze gegevens niet beschikbaar zijn van een recenter jaar.

6,67 2,85 1,07

N463 N 463

Weekdag 463035200 Noordsedorpweg (Oostzijde) - Korte Meentweg 4630352001 heen 4630352002 terug

2018

2020

2025

2030

4391 2188 2203

4337 2175 2162

4703 2348 2355

4931 2461 2470

2018 Dag N 463

2018 Avond

3516 1733 1783

463035200 Noordsedorpweg (Oostzijde) - Korte Meentweg 4630352001 heen 4630352002 terug

Nacht

500 222 278

Dag

375 233 142

licht 463035200 Noordsedorpweg (Oostzijde) - Korte Meentweg

11,4%

8,5%

79,2%

10,1%

10,6%

80,9%

12,6%

6,5%

4630352001 heen 4630352002 terug

2018 middel

3979 1978 2001

Nacht

80,1%

2018 N 463

Avond

zwaar

361 184 177

licht

51 26 25

middel

90,6% 90,4% 90,8%

8,2% 8,4% 8,0%

zwaar

1,2% 1,2% 1,1%

Invoergegevens rekenmodel Model: Groep:

Naam 01 02

Sain milieuadvies

VL 2030 Uitweg 10 - Woerdense Verlaat (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. N463 N463

Groep 80km/u 50 km/u

Geomilieu V5.20

ISO M. ---

ISO_H 0,00 0,00

Hdef. Relatief Relatief

Type Verdeling Verdeling

Hbron 0,75 0,75

Helling 0 0

Wegdek W0 W0

Wegdek Referentiewegdek Referentiewegdek

V(LV(D)) 80 50

V(LV(A)) 80 50

V(LV(N)) 80 50

V(MV(D)) 80 50

V(MV(A)) 80 50

V(MV(N)) 80 50

V(ZV(D)) 80 50

V(ZV(A)) 80 50

V(ZV(N)) 80 50

Lengte 1007,56 684,85

21-2-2020 16:13:32

Invoergegevens rekenmodel Model: Groep:

Naam 01 02

Sain milieuadvies

VL 2030 Uitweg 10 - Woerdense Verlaat (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. N463 N463

Totaal aantal 4940,00 4940,00

Geomilieu V5.20

%Int(D) 6,67 6,67

%Int(A) 2,85 2,85

%Int(N) 1,07 1,07

%LV(D) 90,60 90,60

%LV(A) 90,60 90,60

%LV(N) 90,60 90,60

%MV(D) 8,20 8,20

%MV(A) 8,20 8,20

%MV(N) 8,20 8,20

%ZV(D) 1,20 1,20

%ZV(A) 1,20 1,20

%ZV(N) 1,20 1,20

X-1 118496,00 118676,77

Y-1 464267,00 463276,38

21-2-2020 16:13:32

Invoergegevens rekenmodel Model: Groep:

Naam 01 02 03 04

Sain milieuadvies

VL 2030 Uitweg 10 - Woerdense Verlaat (hoofdgroep) Lijst van Toetspunten, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. nieuwe woning nieuwe woning nieuwe woning nieuwe woning

Geomilieu V5.20

Groep -----

Maaiveld 0,00 0,00 0,00 0,00

Hdef. Relatief Relatief Relatief Relatief

Hoogte A 1,50 1,50 1,50 1,50

Hoogte B 4,50 4,50 4,50 4,50

Hoogte C -----

Hoogte D -----

Hoogte E -----

Hoogte F -----

Gevel Ja Ja Ja Ja

X 118745,78 118753,70 118761,31 118752,39

Y 463468,73 463471,47 463465,57 463463,27

21-2-2020 16:13:32

Invoergegevens rekenmodel Model: Groep:

Sain milieuadvies

VL 2030 Uitweg 10 - Woerdense Verlaat (hoofdgroep) Lijst van Gebouwen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Naam 01 02 03 11 14

Omschr. nieuwe woning nieuw gebouw nieuw gebouw woning bijgebouw

Hoogte 8,00 6,00 4,00 1,50 2,00

Maaiveld 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Hdef. Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief

Cp 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB

Zwevend False False False False False

Refl. 63 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

Refl. 125 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

Refl. 250 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

Refl. 500 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

Refl. 1k 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

Refl. 2k 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

Refl. 4k 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

Refl. 8k 0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

X-1 118745,21 118769,35 118749,06 118688,52 118686,79

Y-1 463464,52 463466,83 463483,83 463491,99 463488,12

06 07 08 12 13

woning woning woning woning woning

3,00 6,00 5,00 5,30 4,00

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief

0 dB 0 dB 0 dB 0 dB 0 dB

False False False False False

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80 0,80 0,80

118683,14 118687,93 118684,67 118672,03 118671,22

463447,13 463447,79 463447,32 463499,00 463501,78

15 16 17

bijgebouw bijgebouw woning

4,50 3,65 7,00

0,00 0,00 0,00

Relatief Relatief Relatief

0 dB 0 dB 0 dB

False False False

0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80

0,80 0,80 0,80

118690,59 118688,15 118717,90

463487,33 463487,79 463522,68

Geomilieu V5.20

21-2-2020 16:13:32

Invoergegevens rekenmodel Model: Groep:

Sain milieuadvies

VL 2030 Uitweg 10 - Woerdense Verlaat (hoofdgroep) Lijst van Bodemgebieden, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Naam 01 02 03 04 05

Omschr. verharding water water water water

Bf 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

X-1 118661,19 118653,75 118698,93 118630,69 118582,96

Y-1 463454,86 463545,91 463286,82 463682,90 463949,68

06 07 08 09 10

water water water water water

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

118648,47 118656,90 118691,94 118643,73 118670,81

463570,94 463520,86 463458,39 463609,48 463416,64

11 12 13 14 15

water water water water parallelweg

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

118682,39 118687,63 118706,87 118742,06 118509,23

463408,80 463380,49 463461,83 463540,22 464273,35

16 17 18 19 20

groen/water/verharding N463 N463 verharding verharding

0,50 0,00 0,00 0,00 0,00

118697,92 118499,25 118680,22 118655,34 118682,69

463277,27 464268,30 463277,00 463493,04 463447,24

21

verharding

0,00

118738,29

463520,48

Geomilieu V5.20

21-2-2020 16:13:32

Invoergegevens rekenmodel Model: Groep:

Naam 01

Sain milieuadvies

VL 2030 Uitweg 10 - Woerdense Verlaat (hoofdgroep) Lijst van Hulplijnen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. komgrens

X-1 118655,36

Geomilieu V5.20

Y-1 463272,79

21-2-2020 16:13:32

Bijlage 3 Quickscan Natuurwaardenonderzoek

Toelichting

61

Quickscan natuurwaardenonderzoek Uitweg 10 Woerdense Verlaat In het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Uitweg 10 Woerdense Verlaat

In het kader van de Wet natuurbescherming

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: E: Tel:

NL001388212B56 info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever: Contactpersoon:

Rombou dhr. E. Woudstra Postbus 432 8000 AK Zwolle

Projectnummer en versie: 2472 versie 1.0 Veldmedewerker(s): G. Tamminga Ligging projectgebied: Uitweg 10 Woerdense Verlaat

Auteur: P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 28-5-2021

1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 Hoofstuk 2 Het plangebied................................................................................................................................. 6 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3 Voorgenomen activiteiten ............................................................................................................. 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................

7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 7 Hoofdstuk 4 Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 8 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 8 4.3 Gebieden met topkwaliteit ...................................................................................................................... 9 4.4 Natura2000 ............................................................................................................................................ 10 4.5 Slotconclusie........................................................................................................................................... 12 Hoofdstuk 5 Soortenbescherming; het onderzoek .......................................................................................... 13 5.1 Verwachting en bureauonderzoek .........................................................................................................

13 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 13 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 15 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 18 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 19 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 21 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 21 Hoofdstuk 6 Conclusies .................................................................................................................................... 22

2

SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor de bouw van een extra woning op een voormalig agrarisch erf op het adres Uitweg 10 te Woerdense Verlaat. Ter compensatie voor de bouw van de extra woning, wordt overtollige bebouwing op het erf gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van soort- en gebiedsbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het onderzoeksgebied is op 4 februari 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t.

gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en is niet als belangrijk weidevogelgebied aangewezen en voor het plangebied zijn geen specifieke ruimtelijke kwaliteiten vastgesteld. Ook ligt het plangebied buiten Natura 2000-gebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten is niet strijdig met provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied of specifieke ruimtelijke kwaliteiten. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij Natura2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van een Natura2000-gebied niet volledig uitgesloten worden. Om een mogelijk negatief effect, als gevolg van de emissie van stikstof(oxiden), vast te kunnen stellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Op basis van de uitkomsten van de stikstofberekening, kunnen de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vastgesteld worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vleermuis-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vogelsoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels en bezetten grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot beschadigen/vernielen van vogelnesten, moeten daarom buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Samenvattende conclusie Het plangebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf en bestaat uit bebouwing, erfverharding en gazon.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kunnen bezette nesten beschadigd/vernield worden, beschermde dieren gedood worden en vaste verblijf- en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren beschadigd en vernield worden. Voor de beschermde diersoorten die mogelijk negatief beïnvloed worden, 3

geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en ‘beschadigen/vernielen van vaste verblijf- en voortplantingsplaatsen’. Bezette vogelnesten mogen niet negatief beïnvloed worden. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen plannen niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om de wettelijke consequenties voor het aspect gebiedsbescherming inzichtelijk te krijgen, dient een stikstofberekening opgesteld te worden. Zorgplicht De zorgplicht geldt ten aller tijdens voor zowel beschermde als niet beschermde planten en dieren. Initiatiefnemer moet de voorgenomen activiteiten uitvoeren op dusdanige wijze dat dit zo min mogelijk schadelijk voor planten en dieren is. In bijlage 1 is de natuurkalender opgenomen. Op deze kalander is zichtbaar in welke periode van het jaar bepaalde werkzaamheden het beste wel of niet uitgevoerd kunnen worden.

4

HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen voor de bouw van een extra woning op een voormalig agrarisch erf op het adres Uitweg 10 te Woerdense Verlaat. Ter compensatie voor de bouw van de extra woning, wordt overtollige bebouwing op het erf gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van soort- en gebiedsbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Omgevingsverordening Zuid-Holland (vastgesteld 2-7-2019).

5

HOOFSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Uitweg 10 te Woerdense Verlaat. Het ligt in het buitengebied, circa 350 meter ten noordwesten van de woonkern Woerdense Verlaat. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Ligging van het zuidelijke deeltraject op de topografische kaart. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron kaart: PDOK).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een (voormalig) agrarisch erf en bestaat uit erfverharding en bebouwing. In het plangebied staan een aantal voormalige kalverstallen, welke momenteel in gebruik zijn als caravanstalling en een houten garage. De voormalige kalverstallen zijn allemaal bekleed met damwandplaten en zijn gedekt met golfplaten. De garage heeft houten wanden (enkele wand) zonder wandisolatie en is gedekt met golfplaten. De gebouwen in het plangebied beschikken niet over dakisolatie. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing. Ten noorden van het de stallen ligt gazon en erfverharding.

Detailopname en begrenzing van het plangebied. Het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid.

6

HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen is om alle bebouwing in het plangebied te slopen, de erfverharding te verwijderen en een nieuwe vrijstaande woning op het erf te bouwen. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Verwijderen erfverharding; • Bouwen woning; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, trillingen en stof waarneembaar buiten het plangebied en is sprake van optische verstoring vanwege de aanwezigheid van mensen, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

7

HOOFDSTUK 4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.

De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Zuid-Holland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v.

het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied zelf ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, maar het wordt volledig omsloten door gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

8

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid. De begrenzing van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid (bron: ruimtelijke plannen.nl)

Effectbeoordeling Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet negatief beïnvloed. Wettelijke consequenties De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent in Zuid-Holland geen externe werking. De uitvoering van de voorgenomen activiteiten op een erf buiten de begrenzing van het NNN, leidt daarom niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

4.3 Gebieden met topkwaliteit Toelichting Een relatief beperkt aantal gebieden in Zuid-Holland is zo bijzonder, waardevol of kwetsbaar, dat de instandhouding en mogelijk verdere ontwikkeling van de waarden die ze vertegenwoordigen, voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Deze gebieden dragen in hoge mate bij aan de identiteit, beleving en biodiversiteit van Zuid-Holland, vormen een tegenhanger van het stedelijk gebied en versterken aldus het onderscheidend karakter van de provincie. Ze leveren bovendien een substantiële bijdrage aan het toeristisch profiel en het leef- en vestigingsklimaat in de provincie. Het gaat om de volgende kwaliteiten: • Hoge en specifieke natuurwaarden in Zuid-Holland, gebundeld in het NNN en Natura 2000, die met elkaar een substantiële bijdrage leveren aan de Europese biodiversiteit. Provincie en rijk hebben hier een gedeelde verantwoordelijkheid voor instandhouding en versterking van deze waarden. • Cultuurhistorische kroonjuwelen. Deze gebieden hebben landschappelijk en cultuurhistorisch een dusdanig uniek karakter dat de bescherming en versterking van deze kwaliteiten centraal staat. • Graslanden bollenstreek. De graslanden zijn waardevol vanwege hun open karakter, structurerend effect en belang voor weidevogels. Ze zijn een kenmerkend, maar inmiddels zeldzaam onderdeel van het bollenlandschap.

Gebieden met deze kwaliteiten liggen veelal buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), maar soms ook daarbinnen (met name bij de cultuurhistorische kroonjuwelen). Ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden.

9

Ruimtelijke kwaliteit van het plangebied Zoals zichtbaar op onderstaande uitsnede van de kaart ‘ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategoriën’, ligt het plangebied buiten de begrenzing van dit thema. Wel grenst het plangebied aan gronden die tot beschermingscategorie 1 behoren. Het plangebied grenst niet aan belangrijk weidevogelgebied. Gronden die tot belangrijk weidevogelgebied behoren liggen op minimaal 440 meter afstand van het plangebied. In het plangebied bevinden zich geen landschapselementen die beschermd zijn op grond van het provinciale natuurbeheerplan.

Begrenzing van Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategoriën in de omgeving van het plangebied.

Toetsing aan provinciaal beleid Uitvoering van de voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit, beschermingscategorie 1, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

4.4 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend 10

door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het stopzetten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Wel wordt het plangebied omgeven door gronden die tot het Natura2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

De begrenzing van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot Natura2000 behoren worden met de verticale arcering aangeduid (bron: provincie Zuid-Holland/gisviewer).

Weergave van het type Natura2000-gebied rondom het plangebied.

11

Het Natura2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is volledig aangewezen als Habitarichtlijngebied en grotendeels ook als Vogelrichtlijngebied. Voor het gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor broedvogels, niet-broedvogels, Habitatrichtlijnsoorten en Habitattypen. Effectbeoordeling Beoordeling Stikstof Het plangebied grenst aan het Natura2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, vindt enige emissie van stikstofoxiden plaats tijdens de inzet van mobiele werktuigen, zoals een graafmachine en wiellader en als gevolg van transport van sloop- en bouwmaterialen. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging nabij Natura2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het nabij gelegen Natura2000-gebied niet uitgesloten worden. In het kader van deze ‘Quickscan’ is geen stikstofberekening uitgevoerd (m.b.v. het computerprogramma Aerius Calculator), maar deze conclusie is tot stand gekomen op basis van ervaring met het opstellen van diverse stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten”. In de toelichting van het bijbehorend ruimtelijk plan wordt nader ingegaan op het externe effect in de realisatie en/of de gebruiksfase eventueel onderbouwd met een Aeriusberekening”.

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied, is een negatief effect, als gevolg van de uitvoering van fysieke werkzaamheden uitgesloten. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten zijn effecten zoals geluid, trillingen en optische verstoring mogelijk incidenteel en kortstondig waarneembaar in het nabij gelegen Natura2000-gebied, maar dit leidt niet tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Ook wordt het areaal Natura2000-gebied niet verkleind en wordt grond- en oppervlaktewater niet aangetast.

4.5 Slotconclusie Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en is niet als belangrijk weidevogelgebied aangewezen en voor het plangebied zijn geen specifieke ruimtelijke kwaliteiten vastgesteld. Ook ligt het plangebied buiten Natura 2000-gebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten is niet strijdig met provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied of specifieke ruimtelijke kwaliteiten. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij Natura2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van een Natura2000-gebied niet volledig uitgesloten worden. Om een mogelijk negatief effect, als gevolg van de emissie van stikstof(oxiden), vast te kunnen stellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Op basis van de uitkomsten van de stikstofberekening, kunnen de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vastgesteld worden.

12

HOOFDSTUK 5 SOORTENBESCHERMING; HET ONDERZOEK 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf en bestaat uit bebouwing, erfverharding en gazon. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar mogelijk wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische diersoorten uit de volgende soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; • reptielen; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 4 februari 2020 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog;1 • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog (na regen), temperatuur 7⁰C, wind 3-4 Bft.

1

Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. G. Tamminga. Hij is ruim 25 jaar actief met vogelonderzoek en de afgelopen jaren ook met onderzoek naar vleermuizen, kleine zoogdieren, dagvlinders en libellen. Hi voert jaarlijks ca. 50 van dergelijke onderzoeken uit, hoofdzakelijk in Noorden Noordoost-Nederland.

13

Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar geen territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en geen bezette nesten hebben. Soorten als boomklever, spechten, heggenmus, bos- en steenuil, grote lijster en huismus zingen soms al wel op mooie voorjaarsdagen. Sommige standvogels (dit zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans wel aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats, maar de meeste trekvogelsoorten bevinden zich in de overwinteringsgebieden. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De onderste rij dakpannen is onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren.

De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Met uitzondering van sommige muizensoorten, hebben de meeste grondgebonden zoogdieren geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. De onderzoeksperiode is geschikt om potentiële nesten of nestplaatsen van boombewonende grondgebonden zoogdieren, als eekhoorn en boommarter vast te kunnen stellen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen van vleermuizen en matig geschikt voor onderzoek naar winterverblijfplaatsen. Vleermuizen in winterverblijfplaatsen, waar de vleermuizen ‘vrij’ hangen, zijn te onderzoeken, maar de meeste vleermuizen bezetten een winterrustplaats diep weggekropen in gebouwen, andere bouwwerken of holle bomen. Gewone dwergvleermuizen hebben in de periode half augustus-half september de massa-winterverblijfplaatsen bezocht tijdens de donkere uren van de nacht (zogenaamde middernachtzwermen), wat soms nog zichtbaar is door de aanwezige uitwerpselen en urine op muren, ramen en op de grond nabij de invliegopening(en).

Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het plangebied duiden. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën omdat amfibieën de winterrustplaats hebben betrokken en zijn dan niet of heel moeilijk waar te nemen. Winterrustplaatsen bevinden zich in holen en gaten in de grond, onder opgeslagen materialen, afval, takkenbossen, boomstammen of onder water in de sliblaag van natte landschapselementen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de

14

gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Reptielen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen omdat reptielen zich doorgaans in hun winterrustplaats ophouden in deze tijd van het jaar. Alleen de levendbarende hagedis kan actief zijn op warme, zonnige dagen in februari. Winterrustplaatsen van reptielen bevinden zich in holen en gaten in de grond, onder opgeslagen materialen, afval, takkenbossen en in/onder (holle) boomstammen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende reptielensoorten.

5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Verschillende vogelsoorten benutten de buitenruimte van het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn houtduif, merel, witte kwikstaart, winterkoning, boomkruiper, koolmees en pimpelmees. Voorgenoemde soorten kunnen nestelen in/op dakspanten en opgeslagen goederen in de open lucht. De gebouwen zijn niet toegankelijk voor vogels.

Mogelijk nestelen vogels in de dakspanten van de overkapping.

Er zijn geen sporen gevonden die op de aanwezigheid van een rust- of nestplaats van een steen- of kerkuil in het plangebied duiden. Indien deze soorten de gebouwen benutten als rust- of nestplaats is dat doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de schijtsporen, braakballen en ruiveren op de grond.

15

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Als gevolg van het vernielen van een bezet vogelnest worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogelsoorten aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode; - Opgeslagen spullen verwijderen buiten de voortplantingsperiode;

Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, huisspitsmuis, vos, steenmarter en egel. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als bosmuis en huisspitsmuis een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied. Deze soorten bezetten mogelijk een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in holen in de grond of in/onder opgeslagen spullen. De bosmuis kan ook een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats bezetten in voertuigen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk grondgebonden zoogdiersoorten gedood en wordt hun vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet aangetast.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing; - Verwijderen opgeslagen goederen; Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied. Geen van de gebouwen in het plangebied beschikt over een gemetselde buitenmuur met spouw en potentiële verblijfplaatsen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik, windveer, gevelbetimmering, loodslab of zonwering, zijn niet aangetroffen in het plangebied. De stallen zijn aan de buitenzijde bekleed met stalen damwandprofielen; dit maakt de wanden niet geschikt als potentiële verblijfplaats, ook niet de holle ruimte tussen de damwandplaten en de dekstukken van de dakbedekking. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten beschouwd.

Mogelijk foerageren gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, gewone grootoorvleermuizen en laatvliegers rond de gebouwen en vliegen ze over het plangebied terwijl ze foerageren rond bomen en struiken die net buiten het plangebied staan.

16

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet negatief beïnvloed. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt de buitenruimte van het plangebied als een geschikt functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander beschouwd. Amfibieën benutten de buitenruimte in het plangebied mogelijk als foerageergebied tijdens de donkere uren van de nacht, maar de buitenruimte wordt niet beschouwd als een potentiële (winter)rustplaats. Ook ontbreekt voortplantingsbiotoop. Het plangebied wordt niet als geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame amfibieënsoorten als rugstreeppad, poelkikker of kamsalamander beschouwd. De bebouwing is niet toegankelijk voor amfibieën. Het is niet aannemelijk dat er amfibieën gedood worden, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten en er worden geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Reptielen Het plangebied ligt uitsluitend binnen het verspreidingsgebied van de ringslang (NDFF verspreidingsatlas, Waarneming.nl).

Er zijn tijdens het veldbezoek geen ringslangen waargenomen, en het plangebied wordt ook niet als potentieel leefgebied voor de ringslang beschouwd. Geschikt foerageergebied ontbreekt, evenals potentiële voortplantings- en winterverblijfplaatsen zoals takkenbossen, opgeslagen goederen, bulten hooi/gras en boomstobben. Het is niet aannemelijk dat er een ringslang gedood wordt, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten en er worden geen vaste winterverblijf- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;

17

Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van bestendig onderhoud en beheer. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Zuid-Holland van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Er zijn verschillende Gedragscodes toepasbaar op het type werk dat uitgevoerd zal worden.

Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘beheer en onderhoud’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.

18

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield en worden mogelijk jonge, niet vlieg-vlugge jonge vogels gedood. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus- half maart. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits er geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien er bebouwing gesloopt dient te worden tijdens de voortplantingsperiode, dient vooraf een broedvogelscan uitgevoerd te worden om vast te stellen of er wel of geen bezette vogelnesten in de te rooien beplanting aanwezig is. De functie van het plangebied als foerageergebied, wordt niet aangetast.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen Verblijfplaatsen Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;

19

Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste verblijf- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de soorten die een vaste verblijf- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt omdat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt ook voor de functie van het plangebied als foerageergebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Amfibieën Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Reptielen Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

20

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Diverse soorten,

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Vogels

Foerageergebied

Geen

Vogels

Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Art. 3.1 lid 2

Diverse soorten

Art. 3.1 lid 1

Vleermuizen Vleermuizen

Verblijfplaats Foerageergebied

Vleermuizen Vleermuizen

Vliegroute Doden van dieren

Niet van toepassing Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing

Amfibieën

Foerageergebied

Niet aanwezig Mogelijk diverse soorten Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten

Amfibieën Amfibieën Amfibieën

Vaste rustplaats Voortplantingsplaats Doden van dieren

Reptielen Overige soorten

Alle functies Dieren en overige functies

Vogels

Diverse soorten, m.u.v. steenmarter Diverse soorten

Niet aanwezig Niet aanwezig Niet van toepassing Niet aanwezig Niet aanwezig

Geen Geen

Bebouwing slopen buiten het broedseizoen Geen Bebouwing slopen buiten het broedseizoen Geen Geen Geen Geen

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing

Geen

Niet van toepassing Niet van toepassing

Geen Geen

Geen Geen Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep

Grondgebonden zoogdieren Vogels Vleermuizen Amfibieën Reptielen

Rust- en verblijfplaats

Voortplantingsplaats

Vliegroute (vleermuizen)

Essentieel foerageergebied

Wettelijke consequenties?

ja

ja

n.v.t.

nee

nee

ja nee nee nee

ja nee nee nee

n.v.t. nee n.v.t. n.v.t.

nee nee nee nee

ja nee nee nee

Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.

5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

21

HOOFDSTUK 6 CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd2. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en is niet als belangrijk weidevogelgebied aangewezen en voor het plangebied zijn geen specifieke ruimtelijke kwaliteiten vastgesteld. Ook ligt het plangebied buiten Natura 2000-gebied.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten is niet strijdig met provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied of specifieke ruimtelijke kwaliteiten. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij Natura2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van een Natura2000-gebied niet volledig uitgesloten worden. Om een mogelijk negatief effect, als gevolg van de emissie van stikstof(oxiden), vast te kunnen stellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Op basis van de uitkomsten van de stikstofberekening, kunnen de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vastgesteld worden. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vleermuis-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vogelsoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels en bezetten grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=1272f338-6ca5-4216-9d98-de12e246b337