Beleidskader zonne-energie gemeente Nieuwkoop
Tekst van het document
5.2
Toetsing aanvraag aan beleidskader Het beleidskader zonne-energie gemeente Nieuwkoop valt binnen de werkingssfeer van de Omgevingswet die per 1 januari 2024 in werking is getreden. De bestaande bestemmingsplannen zijn per 1 januari 2024 automatisch omgezet in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. De gemeenteraad kan op een later moment23 op basis van dit beleidskader de regels voor zonnevelden vertalen in het Omgevingsplan. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Het ‘tijdelijke’ omgevingsplan zal grootschalige zonnevelden (trede 4 zonneladder), alleen toestaan door af te wijken van het omgevingsplan (uitzonderingenbeleid). In alle gevallen betreffen het omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), als bedoeld in artikel 16.15a lid b. onder 1° van de Omgevingswet. Voor het gebiedsgerichte spoor (trede 4 van de zonneladder) is dus sprake van een buitenplanse omgevingsactiviteit, een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Ingediende plannen voor grootschalige zonnevelden zullen getoetst worden aan het beleidskader. Als het plan voldoet aan het beleidskader en bouwregels (paragraaf 5.9) zal in het betreffende gebied een zonneveld worden
23
Op basis van het Overgangsrecht onder de Omgevingswet hebben gemeenten tot 2032 de tijd om een omgevingsplan voor hun hele grondgebied vast te stellen dat voldoet aan de eisen die de Omgevingswet aan omgevingsplannen stelt.
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
28 28
Beleidskader
toegestaan. Op dat onderdeel zal het omgevingsplan in een later stadium gewijzigd worden (soort van herziening).
Bevoegdheden Het college is bevoegd om een BOPA vast te stellen. Als kader hanteert het college het door de gemeenteraad vastgestelde beleidskader zonne-energie. De gemeenteraad kan onder de Omgevingswet gevallen aanwijzen van activiteiten die onder de BOPA vallen, waarbij de raad om advies gevraagd moet worden door het college. Eigendomsrecht Voor zover de grond in eigendom is van een private partij wordt diens positie beschermd door het nationale eigendomsrecht en door artikel 1 Eerste Protocol en artikel 17 Handvest. In de vergunningaanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat de aanvrager de activiteit (aanleg zonnestroominstallatie/ zonneveld) kan verwezenlijken, waaronder ook toestemming van de grondeigenaar24. LET OP! Voordat er een vergunning aangevraagd kan worden, dient Initiatiefnemer eerst na te gaan of dit mogelijk is in een bepaald zoekgebied (Hoofdstuk 3). Ook dient Initiatiefnemer ervan bewust te zijn dat de gemeente belang hecht aan een gebiedsgerichte ontwikkeling met ruimte voor lokaal eigendom (paragraaf 5.8).
De gemeente heeft namelijk besloten dat voor grootschalige zonnevelden in het gebiedsgerichte spoor alléén planologische medewerking (mogen afwijken op een omgevingsplan) kan worden verleend via (1) de weg van een Green Deal (paragraaf 5.8.1), bij voorkeur in combinatie met een energiegemeenschap (paragraaf 5.8.2), of (2) een maatschappelijke tender (paragraaf 5.8.3). Planvorming sluit aan op beleidskader Ter voorbereiding van een aanvraag (of inschrijving op een tender) is het van belang na te gaan in hoeverre een plan aansluit op de uitgangspunten (paragraaf 5.3), tegemoet komt aan de gestelde voorwaarden en ontwerpprincipes (paragrafen 5.4 t/m 5.7) en toewerkt naar lokaal eigendom (paragraaf 5.8). In paragraaf 5.9 zijn de processtappen inzichtelijk gemaakt om tot een kansrijke aanvraag of inschrijving te komen voor de realisatie van een grootschalig zonneveld.
5.3
Uitgangspunten grootschalige zonnevelden De volgende uitgangspunten zijn van belang voordat een initiatiefnemer een plan indient, of inschrijft op een tender. ➢
24
Behalen gemeentelijke doelstelling Het uitgangspunt voor de inpassing van grootschalige zonnevelden via het gebiedsgerichte spoor is dat hierdoor de gemeentelijke doelstelling van 0,08 TWh
ABRvS 29 sept 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2173 (belanghebbende aanvraag omgevingsvergunning. Verzoeker is belanghebbende tenzij activiteit niet verwezenlijkt kan worden, geldt ook bij verzoek omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan)
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
29 29
Beleidskader
➢
➢
➢
➢
➢
➢
5.4
productie van duurzame elektriciteit per jaar wordt gehaald (0,06 TWh op land en 0,02 TWh op grote daken). Vraag en aanbod bij elkaar De gemeente ziet de ontwikkeling van zonnevelden zoveel mogelijk als onderdeel van een groter energiegebiedssysteem (smart grid), waar lokale vraag en aanbod van energie aan elkaar gekoppeld worden. Dat betekent dat naast productie ook de mogelijkheden van uitwisseling van elektriciteit en elektriciteitsopslag in de plannen terug moeten komen. Het bestaande elektriciteitsnet wordt daarbij zo optimaal mogelijk, en met de minste congestie, gebruikt. Goede aansluitingsmogelijkheden op het elektriciteitsnet Het elektriciteitsnet moet voldoende uitgerust zijn om de geproduceerde groene stroom in te nemen. Dat geldt voor het aansluiten (= fysiek aanleggen) als het transportvermogen (= stroom invoeden). Een zonneveld dat dichtbij een onderstation (hoofdstation) ligt, is gunstiger voor de inname van elektriciteit (en meer financieel haalbaar) dan een veld dat ver van een onderstation af ligt. Zorgvuldige landschappelijke inpassing Leidend principe bij grootschalige zonnevelden is dat deze op een goede manier worden ingepast in het omliggende landschap, rekening houdend met typerende landschapselementen verkavelingsstructuren en zichtlijnen. Het zonneveld dient zoveel mogelijk aan het zicht te worden onttrokken.
Combinatie met andere opgaven (meervoudig ruimtegebruik) Multifunctioneel gebruik van land (meervoudig ruimtegebruik) staat als voorwaarde in het rijksbeleid. De grond is schaars en het gebruik van grond voor meerdere doeleinden is - vooral in de Randstad - een belangrijk gegeven. De gemeente wil zoveel mogelijk koppelkansen benutten en werken aan meerdere opgaven in een gebied (bijvoorbeeld biodiversiteit, klimaatadaptatie en bodemdaling tegengaan). Naast meervoudig ruimtegebruik is het van belang te kijken of de ontwikkeling de huidige functie versterkt en/of ruimte creëert voor één of meerdere nieuwe functies in het gebied. Behoud van natuurwaarde/ natuurwaarde versterken Het zonneveld leidt niet tot afname van de omvang en kwaliteit van leefgebied van beschermde soorten, inclusief externe werking op nationaal en provinciaal beschermde natuurgebieden in het kader van Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000. Interne compensatie binnen het projectgebied is mogelijk en er wordt gestreefd naar een ecologische kwaliteitsverbetering. Zonnevelden die in Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland gebieden zijn beoogd, worden niet vergund. Participatie De omgeving moet bij grootschalige zonnevelden kunnen meedenken en – indien mogelijk - financieel kunnen meedelen in- of profiteren van de opbrengsten van een zonneveld. Daarbij wordt gestreefd naar minimaal 50% lokaal eigendom.
Voorwaarden grootschalige zonnevelden (trede 4 zonneladder) ➢
Zonnevelden zijn niet toegestaan in Natura 2000-gebieden en gebieden die zijn aangewezen in het kader van Natuurnetwerk Nederland (NNN).
30 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
30
Beleidskader
➢
➢
➢
➢
➢
➢
➢
➢
➢
25
26
Zonnevelden op landbouw -en natuurgronden zijn alleen toegestaan als deze voldoen aan de uitzonderingsmogelijkheden voor trede 4 van de zonneladder, zoals genoemd in lid 4 van het bestuursakkoord (zie paragraaf 2.1). Ingediende projectplannen zijn alleen van toepassing op de zoekgebieden zonne-energie (Figuur 5) die via de weg van (1) een greendeal/ combinatie energiegemeenschap of, als die route niet tot het behalen van beleidsdoelen leidt, (2) via de maatschappelijke tender lopen. De ontwikkeling van een zonneveld kan invloed hebben op initiatieven in aangrenzende gebieden. Indien er meerdere initiatieven voor kleinere zonnevelden in hetzelfde gebied zijn, geeft de gemeente de voorkeur aan bundeling van initiatieven in één project voor het hele gebied. Elk plan dient vergezeld te gaan met een ontwerp hoe het zonneveld in het betreffende gebied ingepast kan worden in het landschap (paragrafen 5.4 t/m 5.6). Er dient rekening te worden gehouden met de typerende landschapselementen, verkavelingsstructuren en zichtlijnen, waarbij het zonneveld zoveel mogelijk aan het zicht wordt onttrokken. Begrenzing van de zonnevelden wordt gerealiseerd door natuurlijke elementen zoals struweel, hagen en of watergangen.
De bebouwde oppervlakte van een terrein waar een grondgebonden zon-pv opstelling aanwezig is, mag maximaal 75% bedragen25, zodat de bodem voldoende lichtinval en watertoevoer heeft26. Indien gelegen in een weidevogelrijk gebied dient getoetst te worden of een zonneveld niet in strijd is met de betreffende waarden die in dit soort gebieden worden beschermd. Indien gelegen in een weidevogelgebied met beschermingscategorie 2 dienen alternatieven onderzocht te worden ter compensatie voor verloren gegane weidevogelgebied. Ingediende plannen dienen te beschikken over opslagmogelijkheden voor stroom. Bij het maken van het ontwerp heeft afstemming plaatsgevonden met de netbeheerder. Initiatiefnemer maakt inzichtelijk hoe het plan past qua netcapaciteit (inclusief aftoppen en opslag). Elk grootschalig zonneveld moet aantoonbaar een bijdrage leveren aan meervoudig ruimtegebruik en/of multifunctionaliteit. In Bijlage C zijn de ruimtelijke opgaven voor de gemeente Nieuwkoop beschreven. Initiatiefnemers dienen advies te vragen aan de leidingbeheerder indien het zonneveld en bijbehorende installaties zijn gelegen binnen een afstand van 200 meter tot gastransportleidingen en overige stalen buisleidingen voor transport van stoffen.
Zonnevelden en bijbehorende voorzieningen zoals draagconstructies en funderingen en aardingen zijn in geen geval toegestaan binnen de belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijde van de buisleiding. De afstand van zonnevelden tot (bestaande) woningen van derden dient minimaal 30 meter te bedragen. Deze afstand geldt niet voor de woning die in het kader van eigen gebruik een binding heeft met het zonneveld.
Het maximaal bebouwde oppervlakte van 75% is niet van toepassing op objecten in het landelijk gebied (trede 3), waaronder de voormalige stortplaats bij Woerdense Verlaat. Zie ook het rapport Gedragscode Zon op Land pdf (overheid.nl).
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
31 31
Beleidskader
➢
➢ ➢
➢
➢
5.5
Ter voorkoming van geluidhinder dienen transformatoren (tot een vermogen van 10 MVA) op ten minste 30 meter van woningen van derden te worden geplaatst27. Hinder als gevolg van glinstering en lichtschittering moet worden voorkomen. Omwonenden binnen een afstand van 350 meter tot het project moeten op de hoogte worden gebracht van het project. De afstand van 350 meter wordt gemeten vanaf de dichtstbijzijnde rand van het project tot de gevel van de woning/rand van het bouwvlak. Voor initiatiefnemers van grootschalige zonnevelden groter dan 5 hectare geldt een monitoringsverplichting. Door middel van periodieke verslaglegging dienen initiatiefnemers de jaarlijkse elektriciteitsproductie, opslag en levering vast te leggen en aan te tonen dat de projecten blijven voldoen aan de genoemde voorwaarden uit het beleidskader (o.a. tegengaan hinder en toepassen ecologisch beheer). Initiatiefnemers van deze projecten voeren daarnaast een nulmeting uit ter vaststelling van de situatie voorafgaand aan de inrichting van het projectgebied. De monitoringsverplichting en verslaglegging worden vastgelegd in de voorschriften van de omgevingsvergunning. Rapportage vindt plaats aan het bevoegd gezag. Bij beëindiging van de exploitatie van een zonnestroominstallatie dienen de zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen te worden verwijderd, hergebruikt of afgevoerd naar een erkende verwerker.
Ontwerpprincipes grootschalige zonnevelden (algemeen) Voor het inpassen van zonnevelden in het landschap wordt – naast uit het zicht houden – met het volgende rekening gehouden: ➢ De bestaande verkavelingsstructuur wordt behouden. ➢ Landschapspatronen worden niet gewijzigd. ➢ De realisatie van zonnevelden is ‘natuurinclusief’. Er wordt altijd ruimte gereserveerd voor flora en fauna. ➢ De begrenzing van de zonnevelden wordt gerealiseerd door natuurlijke en gebiedseigen elementen zoals struweel, hagen en/of watergangen met natuurvriendelijke oevers. Wanneer hekwerken nodig zijn dan worden deze landschappelijk ingepast. Voor de landschappelijk inpassing van een zonneveld zijn de volgende ontwerpprincipes leidend: 1. Lage opstelling Het Nieuwkoopse landschap is zeer open van karakter. Om deze kernkwaliteit te behouden krijgen de zonnepanelen op het land een lage opstelling (onder ooghoogte).
27
Een richtafstand van 30 m is gebaseerd op de richtafstand die volgt uit de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Voor transformatoren tot een vermogen van 10 MVA moet, op basis van de richtafstandenlijst, een richtafstand van 30 m worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen in ‘rustig buitengebied’. Deze afstand geldt in principe tot het bouwvlak van de gevoelige bestemming.
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
32 32
Beleidskader
Leidend principe voor het open landschap is dat de openheid van het landschap geborgd is, dit wordt gedaan door middel van lage opstelling (maximaal 1,5 meter hoog) waarbij de zichtlijn over de panelen intact blijft. ➢ De panelen zijn zoveel mogelijk zuidgeoriënteerd en volgen de richting van het landschap. ➢ Bouwwerken voor nutsvoorzieningen worden uit het directe zicht geplaatst. ➢
2. Levend maaiveld De bodemkwaliteit moet zoveel mogelijk behouden blijven voor een gezond bodemleven en een goede waterhuishouding. De zonnepanelen moeten voldoende afstand ten opzichte van elkaar hebben, zodat zonlicht de bodem kan bereiken en hemelwater beter in de bodem opgenomen kan worden: ➢ De panelen staan op minimaal 0,6 meter van de grond met een tussenruimte van minimaal 2,25 meter tussen de draagtafels. ➢ Er wordt ecologisch (maai)beheer toegepast. Voor het onderhoud worden geen pesticiden of herbiciden gebruikt, tenzij dit van overheidswege gevraagd wordt om bepaalde plagen te bestrijden. Figuur 9
Visuele weergave levend maaiveld
3. Biodiversiteit Nieuwkoop wil de soortenrijkdom van de natuur behouden en vergroten. Bij het inpassen van zonnevelden in het landschap zal ruimte vrijgemaakt moeten worden voor natuur en groen. Ook zal het beheer zodanig ingericht moeten worden dat de ruimte voor biodiversiteit gehandhaafd blijft: ➢ Bij elke ontwikkeling wordt er gewerkt aan het verbeteren van de biodiversiteit, zoals het realiseren van gebiedseigen grasmengsel in combinatie met ecologisch beheer. ➢ Eventuele verhardingen zijn waterdoorlatend en bieden kans voor gras om in te groeien.
5.6
Ontwerpprincipes zonnevelden per zoekgebied Per zoekgebied zijn landschappelijke ontwerpen gemaakt om een beeld te geven van de inpassingsmogelijkheden van een zonneveld in een type landschap. Initiatiefnemers worden geacht de uitgangspunten, voorwaarden en ontwerpprincipes mee te nemen in hun plannen.
33 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
33
Beleidskader
5.6.1
Zoekgebied De Olm (gebied 1) Dit zoekgebied ligt tegen het bedrijventerrein De Olm aan, heeft een agrarische functie en grenst zuidelijk aan het natuurgebied Ruygeborg (NNN gebied). De reden waarom dit gebied als zoekgebied in het beleidskader is opgenomen, is terug te vinden in paragraaf 3.3.1.
Figuur 10
Zoekgebied De Olm (gebied 1)
Gebiedsspecifieke aandachtspunten ➢ Vraag en aanbod kunnen mogelijk bij elkaar gebracht worden (levering aan bedrijven op het bedrijventerrein). ➢ De afstand tot het onderstation is klein wat de financieel haalbaarheid van een zonneveld ten goede komt. ➢ De luwte van het bedrijventerrein kan benut worden om het zonneveld aan het zicht te onttrekken (visuele afscherming door de bestaande situatie). ➢ Een koppeling met andere opgaven is denkbaar (klimaatadaptatie, natuurdoelen) via het combineren van zonnepanelen op water (meer waterberging), kleinschalige bebossing (aan de bedrijvenkant) en riet (tegen de grens van Ruygeborg aan). ➢ Evenwichtige aandacht voor de verschillende voorwaarden (natuur, groen, productie, multifunctioneel gebruik, open landschap). ➢ Voor de landschappelijke inpassing is oog voor natuurwaarden (riet/moerasvogels, weidevogels); er wordt gestreefd naar een geïntegreerd natuurlijk perspectief. Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
34 34
Beleidskader
Uitgangspunten en voorwaarden grootschalige zonnevelden De uitgangspunten, voorwaarden en algemene ontwerpprincipes voor grootschalige zonnevelden, zoals omschreven onder paragraaf 5.3, 5.4 en 5.5 zijn van toepassing op dit gebied. Aanvullende voorwaarde Voor dit zoekgebied moet een ecologische onderbouwing worden aangeleverd. Ontwerpprincipes voor zoekgebied De Olm (gebied 1) ➢ Het zonneveld wordt aan het zicht onttrokken door aan de zijde van het bedrijventerrein natuurlijke elementen als houtsingels en bosschages in te passen. ➢ In de open polder wordt het zonneveld omzoomd met brede rietzomen met overjarig riet. Watergangen binnen het zonneveld worden natuurvriendelijk ingericht. ➢ Ook aan het lint (de Nieuwveenseweg) worden houtsingels ingezet om het zonneveld aan het zicht te onttrekken. De houtsingels liggen in het verlengde van de erfbeplantingen. In de open polder worden rietzomen toegepast. Het zonneveld wordt achter de erven gesitueerd, op afstand van bestaande bebouwingen en/ of doorgaande structuren. Hierdoor blijven doorkijken op het landschap gehandhaafd. ➢ Dit gebied grenst aan de natuurgebieden Ruygeborg 1 en 2. Met de ontwikkeling van een zonneveld worden natuurwaarden nagestreefd die een bijdrage leveren aan de natuurwaarden van het gebied als geheel. Dit moet onderbouwd worden, bijvoorbeeld door middel van een ecologisch onderzoek.
De ecologische onderbouwing dient inzicht te geven in de bestaande situatie (soortenrijkdom, vitaliteit bodem), waar alternatieven liggen voor compensatie (met name voor weidevogels) en inzicht bieden hoe natuurwaarde kan worden gecreëerd voor het aangrenzende drassige NNN gebied. Voor voorbeelduitwerkingen en toelichting op ruimtelijke criteria wordt verwezen naar het rapport landschappelijke inpassing zonnevelden Nieuwkoop (E).
5.6.2
Zoekgebied Nieuwkoop Zuid (gebied 2a) Dit zoekgebied ligt ten westen van het bedrijventerrein De Olm en ligt in het open veld achter lintbebouwing. Het heeft een agrarische functie (voornamelijk veeteelt).
35 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
35
Beleidskader
Figuur 11
Zoekgebied Nieuwkoop Zuid (gebied 2a)
Gebiedsspecifieke aandachtspunten ➢ Vraag en aanbod kunnen mogelijk bij elkaar gebracht worden (levering aan bedrijven op het bedrijventerrein). ➢ De afstand tot het onderstation is klein wat de financieel haalbaarheid van een zonneveld ten goede komt. ➢ Een zo efficiënt mogelijk gebruik van de oppervlakte is gewenst om landbouwgrond elders te blijven benutten voor agrarische functies in het gebied. Het efficiënt gebruik kan bevorderd worden door het benutten van koppelkansen (meervoudig ruimtegebruik/ multifunctionaliteit). ➢ Voor de landschappelijke inpassing dient de openheid van het landschap behouden te blijven en is er oog voor natuurwaarden (weidevogels); de westrand van het deelgebied grenst namelijk aan weidevogelgebied (beschermingscategorie 2). ➢ Bij de aanleg van nieuwe oppervlaktewater, vergroting van de waterdiepte van watergangen en retourbemaling moet rekening worden gehouden met het opbarstrisico. Bij de omgevingsvergunningaanvraag moet door middel van een opbarstberekening worden aangetoond of opbarsting van de (water)bodem kan plaatsvinden of niet. Uitgangspunten en voorwaarden grootschalige zonnevelden De uitgangspunten, voorwaarden en algemene ontwerpprincipes voor grootschalige zonnevelden, zoals omschreven onder paragraaf 5.3, 5.4 en 5.5 zijn van toepassing op dit gebied.
36 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
36
Beleidskader
Ontwerpprincipes voor zoekgebied Nieuwkoop Zuid ➢ Aan het lint (de Nieuwveenseweg) worden houtsingels ingezet om het zonneveld aan het zicht te onttrekken. De houtsingels liggen in het verlengde van de erfbeplantingen. In de open polder wordt het zonneveld omzoomd met brede rietzomen met overjarig riet. Watergangen binnen het zonneveld worden natuurvriendelijk ingericht. ➢ De zonnepanelen krijgen een lage opstelling (max. 1,5 meter). De combinatie van houtsingels, overjarig riet, natuurvriendelijke oevers en lage opstelling zorgt ervoor dat de zonnepanelen grotendeels aan het zicht worden onttrokken. Door de houtsingels zal het lint enigszins verdichten. De polder zelf behoudt de kenmerkende openheid. ➢ Het zonneveld wordt achter de erven gesitueerd, op afstand van bestaande bebouwingen en/ of doorgaande structuren. Hierdoor blijven doorkijken op het landschap gehandhaafd. ➢ Aan de westzijde dient bij de inpassing van het zonneveld rekening gehouden te worden met het weidevogelgebied. De constructie met zonnepanelen moet zodanig zijn ontworpen dat deze predatoren, van weidevogels en weidevogellegsels, zoveel mogelijk weert. Voor voorbeelduitwerkingen en toelichting op ruimtelijke criteria wordt verwezen naar het rapport landschappelijke inpassing zonnevelden Nieuwkoop (Bijlage E).
5.6.3
Zoekgebied Woerdense Verlaat (gebied 6) Dit zoekgebied betreft een voormalige stortplaats welke is afgedicht met folie met daarbovenop een laag grond (afdeklaag). Het heeft een agrarische functie (grasland). De voormalige stortplaats heeft geen nuttige bestemming. De afdeklaag is arme grond en de opbrengst van het maaisel is gering. Door op de stort en tegen het talud aan zonnepanelen te plaatsen, krijgt dit gebied een nuttige bestemming.
Figuur 12
Zoekgebied Woerdense Verlaat (gebied 6)
37 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
37
Beleidskader
Gebiedsspecifieke aandachtspunten ➢ Op de stort en tegen het talud aan kan een sterk verdicht zonneveld worden aangelegd met een hoge productie. Tegelijkertijd biedt dat een mogelijkheid om meer groen en natuur te realiseren aan de randen van de voormalige stort. Dit om een zonneveld (en de stortbult) zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken. ➢ De provincie beschouwt deze voormalige stortplaats als laag (trede 3) op de zonneladder (vergunning op basis van ruimtelijke criteria). ➢ De afstand tot de onderstations is groot (meer dan 8 km van het gebied af). ➢ Bij een ontwikkeling is er aandacht voor het voorkomen van hinder en het beperken van milieurisico’s (bijvoorbeeld het intact houden van de folieafdichting bij het plaatsen van zonnepanelen op de stort). ➢ Een planontwikkeling in het gebied kan niet tot stand komen zonder dat de inwoners, dorpsraad en/of (energie)coöperatie daar actief bij betrokken is. Uitgangspunten en voorwaarden grootschalige zonnevelden De uitgangspunten, voorwaarden en algemene ontwerpprincipes voor grootschalige zonnevelden, zoals omschreven onder paragraaf 5.3, 5.4 en 5.5 zijn van toepassing op dit gebied. Ten aanzien van het gestelde maximaal bebouwde oppervlakte van 75% is deze niet van toepassing op de voormalige stortplaats bij Woerdense Verlaat.
Dit wordt beschouwd als een object in het landelijk gebied (trede 3) waar een grotere dichtheid aan panelen, meer dan 75% bebouwd oppervlak, op de stort en taluds mogelijk is. Aanvullende voorwaarden ➢ Nieuwkoop beschouwt de voormalige stortplaats als laag op de zonneladder, maar wel met een grote impact op de dorpsgemeenschap. Dit gebied wordt dan ook beschouwd als een grootschalige ontwikkeling waar alleen toetsen op ruimtelijke criteria niet volstaat (volgt gebiedsgericht spoor). ➢ Bij ontwikkeling van een zonneveld op de voormalige stort dient een nazorgplan voor de stort deel uit te maken van het projectplan. In dit plan wordt beschreven hoe in de nazorgfase de emissies en risico’s optimaal worden beheerst. De nazorg bestaat uit controleren, onderhouden en vervangen van de getroffen voorzieningen (technische nazorg). Ontwerpprincipes voor zoekgebied Woerdense Verlaat ➢ Op de stort en de taluds van de stort kan een zonneveld worden gerealiseerd. Bestaande en nieuwe houtsingels nemen de panelen uit het zicht. Bij planontwikkeling voor een zonneveld op de stort en taluds, kan ook de ruimte tussen het west-talud en het bedrijventerrein benut worden. ➢ Rondom de stort zijn gronden nodig om meer groen en natuur te realiseren. Dit is nodig om zonnepanelen op de stort en taluds zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken.
Deze gronden zijn als oriëntatiegebied op de kaart ingetekend als onderdeel van een integraal natuur- en landschapsontwerp voor de inrichting van de stort. Voor voorbeelduitwerkingen en toelichting op ruimtelijke criteria wordt verwezen naar het rapport landschappelijke inpassing zonnevelden Nieuwkoop (Bijlage E). Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
38 38
Beleidskader
5.7
Maatschappelijke criteria grootschalige zonnevelden Gemeente Nieuwkoop hecht niet alleen veel waarde aan een goede ruimtelijke ordening maar ook aan draagvlak voor projecten met grote maatschappelijke impact, zoals grootschalige zonnevelden. In de paragrafen 5.7.1 en 5.7.2 is beschreven hoe de gemeente aankijkt tegen het betrekken van de lokale omgeving bij plannen rondom zonnevelden en welke vormen van financiële participatie toegepast kunnen worden. In deze twee paragrafen zijn de maatschappelijke criteria genoemd waar initiatiefnemers van zonnevelden rekening mee moeten houden.
5.7.1
Betrekken van de lokale omgeving Initiatiefnemers hebben een inspanningsplicht om de lokale omgeving te betrekken bij haar plannen rondom grootschalige zonnevelden (trede 4 zonneladder). Dit volgt logischerwijs uit de Omgevingswet die een brede participatie als norm stelt maar helpt initiatiefnemers tevens om tot een landschappelijke inpassing te komen van zonnevelden en het geeft meer draagvlak als een ontwikkeling hinder beperkt of weet weg te nemen. Hoe dichter inwoners bij een beoogd zonneveld wonen, hoe groter de impact op hun leefomgeving kan zijn. Hoe ver de invloedsfeer van een zonneveld reikt, verschilt per ontwikkeling. In Figuur 13 is gevisualiseerd hoe de gemeente de lokale omgeving indeelt. ➢ Omwonenden: Inwoners die binnen een straal van 350 meter om het beoogde zonneveld heen wonen (vanuit de rand van het zonneveld gemeten) én zicht hebben op of grenzen aan het veld. ➢ Betrokkenen: Inwoners, lokale ondernemers en (belangen) organisaties die zich binnen een straal van 1.500 meter van het beoogde zonneveld bevinden en/of in een dorp wonen die geheel of deels binnen dat bereik valt. ➢ Belangstellenden: Inwoners, lokale ondernemers en (belangen)organisaties binnen de gehele gemeente Nieuwkoop.
39 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
39
Beleidskader
Figuur 13
Betrekken lokale omgeving
De omgevingsparticipatie met omwonenden en betrokkenen richt zich niet alleen op inpassing van zonnevelden in het landschap en het beperken van hinder, maar ook dat de geproduceerde elektriciteit zoveel mogelijk lokaal terecht komt. Dit kan door: ➢ De geproduceerde stroom zoveel mogelijk te koppelen aan de eigen (lokale) energievoorziening, zodat de lokale afnemer van stroom profiteert. ➢ De financiële baten van een zonneveld lokaal te delen, zodat inwoners kunnen profiteren van de opbrengst van een zonneveld. Het laatstgenoemde punt raakt het rechtvaardigheidsprincipe: De gemeente wil dat binnen haar gemeentegrenzen de lusten en lasten van een zonneveld eerlijk worden verdeeld (paragraaf 5.7.2). Dat betekent bijvoorbeeld niet dat de initiatiefnemer alle lusten krijgt, maar dat ook een deel lokaal terecht komt. Voor dat lokale deel in een project staan vervolgens inwoners, die zich in de buurt van een grootschalig zonneveld bevinden (omwonenden en betrokkenen), vooraan in de rij om financieel deel te nemen. Als er dan nog financiële ruimte over is, is deze beschikbaar voor andere belangstellenden binnen de gemeente en zo nodig vervolgens voor belangstellenden in omliggende gemeenten. In de planvormingsfase is de initiatiefnemer aan zet om zijn plannen te presenteren en informatie op te halen uit de omgeving.
Om daarin de lokale omgeving zo goed mogelijk bij te betrekken, stelt de initiatiefnemer – als onderdeel van het plan - een participatieplan op en deelt deze met de gemeente. In het participatieplan staat beschreven hoe omwonenden betrokken worden bij het initiatief en op welke wijze invulling gegeven wordt aan lokaal eigendom en overige vormen van financiële participatie. Het participatieplan maakt deel uit van een projectplan. Op basis van het projectplan weegt de gemeente af of het initiatief aan de ruimtelijke en maatschappelijke criteria voldoet. Na afloop van het participatieproces informeert de initiatiefnemer – via een verslag - welke inbreng vanuit de omwonenden en betrokkenen zijn overgenomen en een plek hebben gekregen in het plan.
40 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
40
Beleidskader
Voorwaarden omgevingsparticipatie ➢ Initiatiefnemer koppelt zijn participatieproces aan het proces dat de gemeente voert (paragraaf 5.9) tenzij de gemeente te kennen geeft dat zij afziet van dit proces. ➢ Initiatiefnemer stelt een participatieplan op als onderdeel van een projectplan. In het plan staat beschreven op welke wijze omwonenden, betrokkenen en andere belanghebbenden in de planvormingsfase en het ontwerp van het zonneveld worden betrokken. ➢ In het participatieplan maakt Initiatiefnemer inzichtelijk welke wensen, behoeften, zorgen en bezwaren leven in de omgeving en op welke wijze deze zijn verwerkt. ➢ Initiatiefnemer treedt in contact met pachters en huurders om uit te sluiten dat ze niet onevenredig geschaad worden door de komst van het zonneveld. Als het agrarisch bedrijf van de pachter daardoor niet meer levensvatbaar is, zorgt de initiatiefnemer ervoor dat de pachter vervangende grond kan pachten of op een andere manier compensatie krijgt.
5.7.2
Financiële participatie De gemeente zet in op drie vormen van financiële participatie binnen projecten met betrekking tot grootschalige zonnevelden (zie Figuur 14): ➢ Lokaal eigendom ➢ Financiële deelneming ➢ Omgevingsregeling
Figuur 14
Schematisch overzicht vormen van financiële participatie
Lokaal eigendom In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat bij de ontwikkeling van duurzame energieprojecten voor de lokale opwek van stroom met behulp van zon en wind wordt gestreefd naar 50% lokaal eigendom. Het percentage van 50% weerspiegelt de gelijkwaardige verhouding tussen initiatiefnemer (die te gast is in het gebied) en de lokale omgeving. Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
41 41
Beleidskader
Gemeente Nieuwkoop definieert lokaal eigendom als volgt: inwoners en lokale ondernemers zijn collectief (mede) eigenaar van een zonneveld en hebben zeggenschap over de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van het zonneveld, inclusief (een deel van) de opbrengsten. Het collectief zal dus in organisatie en (rechts)vorm een coöperatief karakter dienen te hebben. De initiatiefnemer zal dat ‘coöperatieve’ en lokale karakter van het collectief (voor het genoemde minimale percentage lokaal eigendom) moeten aantonen. Een collectief dat zich kwalificeert als een hernieuwbare energiegemeenschap28 betreft in ieder geval een organisatie en vorm die de gemeente als ‘coöperatief’ kwalificeert. In dat kader passen dan ook lokale energie-, wijk- of gebiedscoöperaties binnen deze definitie. Uitgangspunt lokaal eigendom Gemeente Nieuwkoop streeft naar: ➢ Minimaal 50% lokaal eigendom bij de ontwikkeling van grootschalige zonnevelden. ➢ Aanvullend op 50% lokaal eigendom, ruimte voor financiële deelneming, omgevingsfonds en/of omwonendenregeling. Als er sprake is van lokaal eigendom kunnen inwoners en bedrijven deelnemen (als lid, aandeelhouder of anderszins) in de (rechts)vorm die voor dat deel van het plan wordt georganiseerd waarvoor lokaal eigendom aan de orde is.
Financiële deelneming Indien lokaal eigendom niet – of in mindere mate - haalbaar is dan is het aan de initiatiefnemer(s) om ruimte te bieden voor vormen van financiële deelneming voor inwoners en lokale ondernemers, zoals een obligatieregeling. In dat geval heeft de initiatiefnemer volledig zeggenschap over het project en daarmee ook over de wijze waarop financiële regelingen worden ingezet. De risico’s liggen in dat geval volledig bij de initiatiefnemer als ontwikkelende partij. De risico’s voor de deelnemers aan een financiële deelneming zijn afhankelijk van het ontwikkelstadium van het project en het moment waarop zij kunnen deelnemen. Omgevingsregelingen Een derde vorm van financiële participatie bestaat uit profijtregelingen die ofwel vooraf worden vastgesteld ofwel afhankelijk worden gemaakt van de jaarlijkse winst in een project. Bekende vormen zijn afdrachten aan een omgevingsfonds of duurzaamheidsfonds. Het komt ook voor dat een profijtregeling op individuele basis wordt afgesproken, gekoppeld aan een adres; als tegemoetkoming voor omwonenden. Als alternatief voor een fonds kunnen ook directe maatregelen worden afgesproken zoals de aanleg van nieuwe natuur of een recreatieve paden. De omvang van een omgevingsregeling hangt samen met de grootte van een project en de specifieke businesscase.
Omgevingsregelingen en beide overige vormen van financiële participatie kunnen naast elkaar bestaan. Een bijzondere vorm van een omgevingsregeling betreft het model voor sociale grondvergoeding. In dat model wordt niet alleen een grondretributie afgesproken met de grondeigenaar die een 28
De gemeente baseert zich wat betreft de uitleg van dit concept op de Elektriciteitsrichtlijn en Richtlijn Hernieuwbare Energie en de omzetting in (het concept van) de Energiewet (artikel 2.4 in het wetsvoorstel)
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
42 42
Beleidskader
vergoeding krijgt voor het verlenen van het recht van opstal op zijn grond maar ontvangen ook eigenaren van aangrenzende percelen een vergoeding. Voorwaarden financiële participatie ➢ Initiatiefnemer maakt inzichtelijk welke inspanningen zijn geleverd om met één of meer omgevingspartijen invulling te geven aan het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Initiatiefnemer beschrijft de plannen die zijn gemaakt over de samenwerking met een omgevingspartij en hoe geborgd wordt dat die ook tot uitvoering komen. Als afspraken over lokaal eigendom niet mogelijk zijn gebleken, wordt daarvoor een onderbouwing gegeven. ➢ Initiatiefnemer doet een voorstel voor financiële participatie, inclusief financiele regelingen, dat tijdens het participatieproces wordt besproken met de omgeving. ➢ Afspraken over financiële participatie landen in de Anterieure Overeenkomst (AOK) dan wel Participatieovereenkomst die gelijktijdig met de AOK wordt ondertekend.
5.8
Nieuwkoopse routes naar lokaal eigendom Gemeente Nieuwkoop ziet twee routes die aansluiten op de sterke betrokkenheid van dorpsgemeenschappen bij ontwikkelingen rond zonnevelden die impact hebben op hun leefomgeving. Dat zijn routes, die voorafgaand of gelijktijdig met de plannen van initiatiefnemers, worden ingezet en die tot doel hebben om het streven naar 50% lokaal eigendom te laten slagen. Die routes zijn (in volgorde van toepassing): 1. Greendeal in combinatie met een energiegemeenschap. 2. Maatschappelijke tender. De gemeente zal eerst in overleg met grondeigenaren, agrariërs, mogelijke initiatiefnemers en andere belanghebbenden op zoek gaan naar manieren waarop het streven naar het minimale percentage lokaal eigendom alsmede de andere uitgangspunten van haar beleid kunnen worden gehaald. Indien blijkt dat de Greendeal vanuit voorgaande uitgangspunten niet tot het resultaat leidt dat de gemeente met dit beleid wenst te bereiken, kan zij de maatschappelijke tender als instrument toepassen. In bijlage F zijn de verschillende routes naar lokaal eigendom beschreven. Voor de verschillende zoekgebieden De Olm (103 ha), Nieuwkoop Zuid 2a (122 ha) en Woerdense Verlaat (12 ha) worden in onderstaande paragrafen de instrumenten Green Deal, energiegemeenschap en maatschappelijke tender toegelicht.
5.8.1
Green Deal Een Green Deal is een overeenkomst tussen overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven waarin afspraken worden gemaakt over de ontwikkeling van een zonneveld in één van de zoekgebieden. Met een Green Deal, die door alle betrokken partijen in het gebied wordt ondertekend, kunnen afspraken over lokaal eigendom en financiële participatie worden geborgd. De ondertekening van de
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
43 43
Beleidskader
Green Deal vormt de start van de samenwerking tussen alle bij het zonneveld betrokkenen in het gebied. In de Green Deal worden taken en verantwoordelijkheden van betrokken partijen bij de haalbaarheid, ontwikkeling, realisatie en exploitatie van het zonneveld vastgelegd. Een Green Deal zou er voor de ontwikkeling van een zonneveld in de gemeente Nieuwkoop als volgt uit kunnen zien: ➢ Afspraken over de vorming van een energiegemeenschap (als verschijningsvorm van lokaal eigendom. ➢ Afspraken over andere vormen van financiële participatie door inwoners en bedrijven anders dan lokaal eigendom. ➢ Afspraken over de rollen en verantwoordelijkheden van betrokken partijen. ➢ Afspraken over het nakomen van de ruimtelijke en maatschappelijke voorwaarden uit het beleidskader zonne-energie. ➢ Afspraken over het respecteren van de ontwerpprincipes voor zonnevelden, algemeen en specifiek voor het betreffende zoekgebied. ➢ Het vastleggen van de uitkomsten van het gebiedsproces om tot ontwikkeling van een zonneveld te komen. ➢ Het opstellen van een participatieplan als onderdeel van het projectplan.
Gemeente Nieuwkoop zet bij voorkeur de Green Deal in als intentieovereenkomst waarmee lokale organisaties (denk aan bedrijven, energie- wijk en/of gebiedscooperaties of anderszins) en grondeigenaren zich committeren aan afspraken over de ontwikkeling in een bepaald gebied en daarin met elkaar willen samenwerken. Vanuit deze samenwerking (bijvoorbeeld in de vorm van een energiegemeenschap) kunnen overeenkomsten afgesloten worden met initiatiefnemers van zonnevelden.
5.8.2
Energiegemeenschap De energiegemeenschap vindt haar oorsprong in Europese Richtlijnen. In die richtlijnen wordt onderscheid gemaakt tussen energiegemeenschappen en zogenaamde hernieuwbare energiegemeenschappen. Dat onderscheid komt ook terug in het wetsvoorstel voor de Energiewet.29 Daar wordt de laatste categorie aangehaald als ‘energiegemeenschappen die hernieuwbare energieprojecten ontwikkelen’. Het beleidskader gaat in op deze laatstgenoemde categorie. In een energiegemeenschap werken burgers, bedrijven en de overheid samen aan de energietransitie. Zij hebben gezamenlijk de zeggenschap over, en het eigendom van, duurzame energieprojecten die lokale energie produceren. De energiegemeenschap moet volgens Europese Richtlijnen één of meerdere rollen op de energiemarkt kunnen invullen: productie, transport, distributie en/of levering van energie. Vanuit de Europese Unie is bepaald dat energiegemeenschappen dezelfde kansen hebben op de energiemarkt als alle andere partijen die actief zijn of worden op die markt.
29
Dit wetsvoorstel heeft alleen betrekking op elektriciteit en/of aardgas.
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
44 44
Beleidskader
De energiegemeenschap is een entiteit die niet gericht is op het maken van winst en die ten behoeve van haar leden of aandeelhouders activiteiten op de energiemarkt verricht; dit met als hoofddoel het bieden van economische, sociale of milieuvoordelen voor haar leden, aandeelhouders of aan de omgeving waar ze werkzaam is. De energiegemeenschap kent dus leden en aandeelhouders die zich organiseren in een BV of een (coöperatieve) vereniging.30 De feitelijke zeggenschap bij een energiegemeenschap ligt bij de leden of aandeelhouders. Van belang is het nabijheidsprincipe. De leden of aandeelhouders moeten zich in de nabije omgeving van de duurzame energieprojecten bevinden en moeten de energiegemeenschap besturen. Doen ze dat niet (dus niet in de nabijheid), dan bestaat het risico dat de entiteit niet in aanmerking komt om als energiegemeenschap gekwalificeerd te worden. Voor het nabijheidsprincipe gaat de gemeente uit van een invloedsfeer van een zonneveld en betrokkenen die (1) zich binnen een straal van 1.500 meter van het beoogde zonneveld bevinden en/of (2) in een dorp wonen die geheel of deels binnen dat bereik valt (paragraaf 5.7.1, Figuur 13).
Kenmerken van een energiegemeenschap: ➢ Een energiegemeenschap is een doorontwikkeling van het model waarbij een opwekinstallatie voor duurzame energie (mede) in eigendom is van een partij die de omgeving vertegenwoordigt, zoals een energiecoöperatie of een gebiedscoöperatie. ➢ Bij een energiegemeenschap hebben burgers, bedrijven en/of overheid zelf een zonneveld (deels) in eigendom en daar zeggenschap over. ➢ Het zonneveld produceert elektriciteit die via de energiegemeenschap aan de lokale burgers, bedrijven en overheid wordt geleverd.31
5.8.3
Maatschappelijke tender Indien het gebiedsproces dat is doorlopen voor een zoekgebied via de route Green deal/ Energiegemeenschap niet tot het gewenste resultaat komt, voorziet de gemeente in een alternatief met de maatschappelijke tender. Met dit instrument organiseert de gemeente een openbare inschrijving voor het verdelen van het schaarse publieke recht om een zonneveld te mogen bouwen en exploiteren. Productieplafond In de tender(s) gaat (gaan) het om een verdeling van schaarse locaties die optellen tot een opwekdoel van maximaal 0,06 TWh per jaar aan zonnevelden in 2030 (de overige 0,02 TWh wenst de gemeente op grote daken te realiseren). Dit opwekdoel sluit aan op de geprognotiseerde maximale ruimte die de netbeheerders tot 2030 hebben qua netcapaciteit en aansluitmogelijkheden op de verschillende
30
31
In de Energiewet wordt ook de optie open gehouden dat de energiegemeenschap een personenvennootschap is. Voor de leesbaarheid wordt in dit beleidskader niet op dat model (met vennoten) ingegaan. Het wordt niet uitgesloten dat de energiegemeenschap de vorm krijgt van een personenvennootschap. In de Energiewet staat beschreven dat een energiegemeenschap bijvoorbeeld ook zonder leveringsvergunning van de ACM aan kleinverbruikers zou mogen leveren; dit omdat geacht wordt dat een energiegemeenschap door de vorm al haar leden en/of aandeelhouders beschermt.
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
45 45
Beleidskader
verdeelstations. Het productieplafond is als begrenzing opgenomen in het raadsbesluit van 3 juni 2021 (nummer 2021-053, punt 1a): Nieuwkoop hanteert een productieplafond van 0,08 TWh duurzame elektriciteit per jaar op land in 2030. Dit sluit aan op het vastgestelde streefdoel uit het Beleidskader Duurzaamheid ter hoogte van 0,08 TWh productie van groene stroom in 2030. Regie houden Met behulp van een maatschappelijke tender kan de gemeente regie houden op het realiseren van zonnevelden op haar grondgebied. Ook voorkomt het de behandeling van individuele plannen waarbij per initiatief moet worden bepaald of medewerking kan worden verleend. De inzet van een maatschappelijke tender biedt de gemeente de volgende mogelijkheden: ➢ Een tender biedt de mogelijkheid om vroegtijdig initiatiefnemers of partijen met grondpositie uit te dagen om een samenwerking met de omgeving aan te gaan. De mate waarin deze samenwerking vorm wordt gegeven, kan in een tender worden beoordeeld. Op deze manier kunnen inspanningen voor het organiseren van meervoudig ruimtegebruik/ multifunctionaliteit en vormgeven van lokaal eigendom worden beloond. ➢ Met een tender wordt competitie georganiseerd tussen initiatiefnemers die de strijd aangaan voor het verkrijgen van een schaars publiek recht.
De tender moet leiden tot kwalitatief hoogwaardige plannen in de strijd om punten die zijn te verdienen bij de beoordeling van inschrijvingen (punten voor ruimtelijke kwaliteit, multifunctionaliteit, samenwerking en lokale inbreng). ➢ Met een tender hebben alle initiatiefnemers in de voor de tender aangewezen gebieden (zoekgebieden voor zonnevelden) gelijke kansen om in aanmerking te komen voor de schaarse rechten. De gemeente kiest voor een stimulerende en aanjagende rol bij het realiseren van lokaal eigendom. Via het uitschrijven van een maatschappelijke tender neemt de gemeente actief de regie om in de zoekgebieden te komen tot concrete projecten die zijn afgestemd met de omgeving en zijn voorzien van een plan voor landschappelijke inpassing en financiële participatie. Bij het organiseren van een tender is de gemeente gehouden aan regels. Zo moet informatie over de tender aan iedereen kenbaar worden gemaakt en moet vrije toegang mogelijk zijn voor geïnteresseerde partijen. Alle partijen wordt de gelegenheid geboden om een inschrijving te doen die zo goed mogelijk scoort op de beoordelingscriteria in de tender. Gelet op de maatschappelijke doelen die gemeente nastreeft bij de uitvoering van de energietransitie vormt het voorstel voor financiële participatie een belangrijk deel in de beoordeling.
Hoe concreter een voorstel voor lokaal (mede)eigendom is uitgewerkt, hoe meer punten kunnen worden verdiend bij de beoordeling van inschrijvingen op de tender.
46 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
46
Beleidskader
5.9
Uitvoering Hieronder zijn de verschillende stappen op een rij gezet die kunnen leiden tot de aanleg van één of meerdere grootschalige zonnevelden binnen de gemeente Nieuwkoop. Stap 1: Het verkrijgen van planologische medewerking van de gemeente Initiatiefnemer neemt kennis van voorliggend beleid en toetst zelf of het initiatief past binnen de voorwaarden in het beleidskader zonne-energie gemeente Nieuwkoop. Initiatiefnemer stelt een plan op, rekening houdend met de ontwerpprincipes in het beleidskader. In onderstaand figuur zijn de processtappen weergegeven voor het verkrijgen van planologische medewerking van de gemeente. Het eindstation is het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een zonneveld.
Figuur 15
Processtappen naar Omgevingsvergunning
47 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
47
Beleidskader
Voorbereiding Vanuit de haalbaarheidsonderzoeken naar energiegebiedssystemen op bedrijventerreinen (energiehubs) krijgt de gemeente een beeld wat er aan zonne-energie nodig is en hoe een zonnestroomsysteem ingericht kan worden (aantal hectares, opslag en levering). Vervolgens zal de gemeente met verschillende partijen gesprekken voeren die in het gebied actief zijn. Het doel van deze gesprekken is om (vanuit een energiehub) af te tasten of er bereidheid is samen te werken richting een gebiedsgerichte ontwikkeling, waar zonnevelden deel van uit maken. De gemeente organiseert een eerste bijeenkomst waar geïnteresseerde partijen (agrariers, grondeigenaren, mogelijke initiatiefnemers, ondernemers bedrijventerrein, energiecoöperatie) aftasten hoe ze tot een samenwerking en gezamenlijk ontwerp kunnen komen. Initiatiefnemers (geïnteresseerde partijen als geschetst of anderszins) worden in dat kader uitgenodigd zich bekend te maken aan de gemeente als geïnteresseerde. De gemeente kan dan zoveel mogelijk partijen met een belang bij elkaar brengen. De gemeente laat vervolgens het initiatief aan die partijen die met elkaar willen samenwerken om tot een ontwikkelingsperspectief (gebiedsaanpak) te komen. Hierin wordt rekening gehouden met de uitgangspunten, voorwaarden en ontwerpprincipes voor het desbetreffende gebied.
Dit ontwikkelingsperspectief kan vervolgens in een brede bijeenkomst met alle partijen uit het gebied besproken worden. De gemeente heeft tot doel dat deze dialoog leidt tot samenwerkingen waarin lokaal eigendom langs de contouren van dit beleidskader maximaal vorm krijgt. Het ontwikkelingsperspectief biedt in ieder geval inzicht in: ➢ Productie en levering (naar nabije afnemers, op elektriciteitsnet) ➢ Bijdrage aan een efficiënter elektriciteitsnet of vermindering van netcongestie ➢ Bijdrage aan andere opgaven dan energietransitie (is er sprake van landbouwgrond in transitie?) en daarmee samenhangend of er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en/of multifunctionaliteit ➢ De mogelijke inpassing van één of meerdere zonnevelden in het landschap, rekening houdend met de ruimtelijke voorwaarden en ontwerpprincipes ➢ De mogelijkheden voor financiële participatie en het betrekken van de omgeving bij de planvorming ➢ De organisatie van het Initiatief, waaronder het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom De ontwikkeling van een zonneveld kan invloed hebben op initiatieven in aangrenzende gebieden. Indien er meerdere initiatieven voor kleinere zonnevelden in hetzelfde gebied zijn, geeft de gemeente de voorkeur aan bundeling van initiatieven in één project voor het hele gebied.
Wanneer er voldoende potentie is voor samenwerking en overeenstemming kan dit worden vastgelegd in een Green Deal. De Green Deal is een intentieovereenkomst met verschillende belanghebbenden binnen het desbetreffende zoekgebied. In de Green Deal kan worden vastgelegd dat er wordt gestreefd naar de vorming van een energiegemeenschap die in staat gesteld wordt het zonneveld te ontwikkelen en te exploiteren. Wanneer het gebiedsproces niet leidt tot een Green Deal Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
48 48
Beleidskader
(of in onvoldoende mate en er nog planologische ruimte over is) kan overgestapt worden op een maatschappelijke tender. Beide instrumenten kunnen dus naast elkaar bestaan als er nog planologische ruimte voor zonnevelden over is die niet met de Greendeal is ingevuld. Principeverzoek of inschrijving tender Vanuit de Greendeal/Energiegemeenschap kan een principeverzoek bij de gemeente ingediend worden. Hierbij dient de Initiatiefnemer een globaal plan met situatietekening in en legt zij uit hoe het vervolg eruit ziet. Naast de ruimtelijke voorwaarden is er aandacht voor de maatschappelijk criteria. De Initiatiefnemer dient: ➢ Inzicht te geven welke inspanningen zijn of worden geleverd om met één of meer omgevingspartijen invulling te geven aan het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Initiatiefnemer beschrijft de afspraken die zijn of worden gemaakt over de samenwerking met een omgevingspartij. Als afspraken over lokaal eigendom niet mogelijk zijn gebleken wordt daarvoor een onderbouwing gegeven. ➢ Een participatieplan te overleggen, als onderdeel van een projectplan. In het plan staat beschreven op welke wijze omwonenden, betrokkenen en andere belanghebbenden in de planvormingsfase en het ontwerp van het zonneveld worden betrokken (paragraaf 5.7).
Als de gemeente een positieve houding aanneemt en aanknopingspunten ziet voor een verdere ontwikkeling, dan heeft het project een grotere kans van slagen. De initiatiefnemer zal dan eerder geneigd zijn om verder te investeren in het project. Onderstaand figuur geeft daar een beeld van. Figuur 16
Stappenplan richting ontwikkeling
Als de haalbaarheidsfase en verkenfase overgaat in de planfase is er nog steeds risico aanwezig, maar wel kleiner dan in de eerste twee fasen. Voor de initiatiefnemer is vervolgens de contractfase, samen met de vergunningverlening, van cruciaal belang voor het aanvragen van een SDE subsidie in de planning richting realisatie. De SDE subsidie kan op vaste momenten worden aangevraagd. Voor dat moment moet de initiatiefnemer het plan voldoende hebben uitgewerkt, een omgevingsvergunning hebben en een getekende (anterieure) overeenkomst.
Een principeverzoek kan achterwege blijven in het geval gemeente Nieuwkoop een maatschappelijke tender uitschrijft voor één of meerdere zoekgebieden. Bij gunning is er automatisch sprake van planologische medewerking. Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
49 49
Beleidskader
Stap 2: Het aanvragen van een omgevingsvergunning Met de omgevingsvergunningaanvraag start de voorgeschreven procedure onder de Omgevingswet. Met de aanvraag dient Initiatiefnemer het volgende aan te leveren: ➢ Kaartje met ligging en begrenzing van het projectgebied. ➢ Gemaatvoerde tekeningen van het zonneveld (op schaal). ➢ Technische gegevens: - beoogde opwek - verdeling levering aan nabije afnemers en aan netbeheerder; - omvang van het zonneveld; - oriëntatie en hoogte tafels/ ruimte tussen de tafels; - onderbouwing: hoe wordt voldaan aan de voorwaarden ten aanzien van trede 4 van de zonneladder (paragraaf 5.4); - hoe omgegaan is met de ontwerpprincipes, zoals genoemd in paragrafen 5.5 en 5.6. ➢ Toestemming van de grondeigenaar. Aannemelijk gemaakt moet worden dat de aanvrager de activiteit (aanleg zonnestroominstallatie/ zonneveld) kan verwezenlijken.
Stap 3: Het verlenen van de vergunning en realisatie In bijlage I is een beslisboom opgenomen voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor het opwekken van zonne-energie binnen de gemeente Nieuwkoop. Vergunningverlening Naast het ruimtelijk mogelijk maken van een zonneveld vanuit het omgevingsplan is de inrichting zelf (de zonnestroominstallatie) onderdeel van de omgevingsvergunning. Een zonneveld wordt beschouwd als een “Bouwwerk geen gebouw zijnde”. De bijbehorende voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van toepassing op de inrichting (zonnestroominstallatie). De omgevingsvergunning kan tijdelijk (bepaalde tijd) of voor onbepaalde tijd worden afgegeven, afhankelijk van wat er door de aanvrager wordt aangevraagd. Dat kan per situatie verschillen. In het geval de grondeigenaar voor een bepaalde tijd een recht van opstal vestigt op zijn grond voor het plaatsen van een zonneveld, ligt het voor de hand dat de vergunning voor die tijdsduur wordt aangevraagd en verleend. In dat geval zal er een verplichting in de vergunning worden opgenomen dat bij beëindiging van de exploitatie van een zonnestroominstallatie de zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen dienen te worden verwijderd, hergebruikt of afgevoerd naar een erkende verwerker.
Als de omgevingsvergunning is verlopen, is voor het betreffende gebied alleen die functie toegestaan zoals het in het omgevingsplan staat beschreven. In het geval dat de bestemming ‘agrarisch’ is en een zonneveld wordt toegelaten, dan blijft de oorspronkelijke bestemming tijdens en na beëindiging van de exploitatie van het zonneveld van kracht. Als het omgevingsplan in die tussentijd is aangepast naar de
50 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
50
Beleidskader
functie ‘energielevering of zonneveld’ dan blijft die nieuwe functie ook na beëindiging van de exploitatie van kracht. Nadat de omgevingsvergunning voor de zonnestroominstallatie is verleend en onherroepelijk is, en aan alle voorschriften in de vergunning is voldaan, kan het zonneveld – volgens de regels van de gemeente - worden aangelegd. De aanvrager dient zelf na te gaan of er nog aanvullende vergunningen vanuit andere overheden (provincie, waterschap) nodig zijn. Het zonneveld wordt overeenkomstig de afspraken aangelegd, onderhouden en beheerd. Overeenkomsten Onderdeel van de vergunningverlening is de bereidheid van de aanvrager om het risico op nadeelcompensatie (voorheen planschade) van de gemeente over te nemen. Hierover dient de aanvrager een schadevergoedingsovereenkomst met de gemeente af te sluiten. De gemeente stuurt het betreffende formulier op naar de aanvrager met de vraag deze te ondertekenen en retour te sturen.
5.9.1
Bezwaar en beroep Tegen het vaststellen van het beleidskader is geen bezwaar en beroep mogelijk. Nadat het beleidskader is vastgesteld, worden aanvragen voor vergunningen getoetst aan wet- en regelgeving en aan de voorwaarden uit dit beleidskader. De planologische procedures (zoals het afwijken op het Omgevingsplan) en vergunningverlening staan open voor bezwaar en beroep. Nadat de omgevingsvergunning is verleend is de gemeente bevoegd gezag en kan ze handhavend optreden als niet aan de regels uit de vergunning wordt voldaan. Als aanvullende vergunningen vanuit andere overheden nodig zijn, ligt de handhavingstaak daar. Milieuhandhaving wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst West-Holland. Dit betreft onder andere handhaving op het verplichte nazorgplan in het geval er een zonneveld op de voormalige stortplaats bij Woerdense Verlaat wordt aangelegd (zoekgebied 6).
51 Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
51
Bijlage A Begrippenlijst
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
52
Bijlage B Vigerend beleid B.1
Rijksbeleid
B.2
Provinciaal beleid
B.3
Gemeentelijk beleid
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
53
Bijlage C Ruimtelijke ontwikkelingen C.1
Nationaal programma landelijk gebied
C.2
Landbouw en glastuinbouw
C.3
Natuurontwikkeling
C.4
Klimaatadaptie en bodemdaling
C.5
Energietransitie
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
54
Bijlage D Zoekgebieden na 2030
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
55
Bijlage E Rapport landschappelijke inpassing zonnevelden
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
56
Bijlage F Rapport Routes naar Lokaal eigendom
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
57
Bijlage G Inwonersparticipatie G.1
Samenvatting zonneveldenbijeenkomsten Nieuwkoop
G.2
Samenvatting zonneveldenbijeenkomst Langeraar
G.3
Samenvatting zonneveldenbijeenkomsten Vrouwenakker
G.4
Samenvatting zonneveldenbijeenkomst Woerdense Verlaat
G.5
Samenvatting peiling jongeren
G.6
Blanco formulier invullen ruimtelijke criteria
G.7
Vraag en Antwoord beleidskader zonnevelden
G.8
Advies sectortafels RESDO aan B&W inzake RES 2.0
G.9
Reactienota beleidskader
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
58
Bijlage H Selectieleidraad maatschappelijke tender
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
59
Bijlage I Beslisboom vergunningaanvraag opwek zonne-energie
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
60
Bijlage J Bestuursakkoord Bestuurlijke verankering van voorkeursvolgorde zon
Deel B: Gebiedsgerichte spoor, trede 4 zonneladder
61