CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

194 Bijlage 6 Rapport Ecologische effecten kleine windturbines Zuid-Holland (16-5 toegevoegd)

Oriënterende raad 16 mei 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen beleidskader zonne-energie Gemeente Nieuwkoop21.724 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In Tabel 4-1 en Tabel 4-2 zijn de mogelijke effecten van kleine windturbines en de factoren die deze mogelijke effecten veroorzaken op vogels en vleermuizen samengevat. Deze tabellen zijn gebaseerd op het onderzoek naar de ecologische effecten van kleine windturbines in Noord-Holland (Arcadis, 2022) en aangevuld met informatie uit de beschikbare literatuur. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat de effecten die voor kleine windturbines uit de literatuur naar voren komen, ook kunnen spelen bij grote kleine windturbines.

24

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Tabel 4-1. Mogelijke effecten van kleine en grote kleine windturbines op vogels, gebaseerd op Arcadis (2022).

Effecten op vogels

Effecten van kleine windturbines uit literatuur

Factoren

Aanvaringsrisico

•

Gering risico vanwege kleine rotoren die minder luchtla(a)g(en) doorkruisen dan grote windturbines. Hoge draaisnelheid en daardoor lagere zichtbaarheid dan grote windturbines.

• •

•

•

•

Oppervlakteverlies

•

Relatief klein oppervlakte nodig om turbine te plaatsen. Maar ook op de werkterreinen vindt tijdelijk oppervlakteverlies plaats.

Barriérewerking

•

Kleine fysieke barrière om te • overkomen/ontwijken bij het plaatsen van • één kleine windturbine. Vermindering kwaliteit open leefgebied door barrière.

•

Draaisnelheid/zichtbaarheid. Rotordiameter/ aantal rotorbladen en hoogte turbine. Aantal luchtlagen die doorkruist worden door rotoren. Oppervlakteverlies gedurende aanlegfase (tijdelijk) en gebruiksfase (permanent). Aantal windturbines/schaal. Locatie t.o.v. frequente vliegbewegingen.

Verstoring

•

Verstoring door geluid. Door verstoring kunnen vogels nesten verlaten of gebieden vermijden voor activiteiten als foerageren. Daarom kan verstoring een risico vormen voor het broedsucces.

• •

Geluidsniveau. Locatie.

Soorten met hoogste kans op aanvaring o.b.v. literatuur

•

Zangvogels, vogels van agrarisch gebied.

•

Laagvliegende soorten.

Tabel 4-2. Mogelijke effecten van kleine en grote kleine windturbines op vleermuizen, gebaseerd op Arcadis (2022).

Effecten op vleermuizen

Effecten van kleine windturbines uit literatuur

Factoren

Aanvaringsrisico

•

Beperkt risico vanwege kleine rotoren die minder luchtlagen doorkruisen dan grote windturbines. Hoge draaisnelheid en daardoor lagere zichtbaarheid dan grote windturbines. Minder kans op barotrauma dan bij grote windturbines vanwege kleine drukverschillen. Beperkte warmteafgifte en daardoor kleine potentiële lokfunctie.

• • • •

Kleine oppervlakte nodig om turbine te plaatsen. Rotoren doorsnijden slechts een klein oppervlakte luchtruim.

• •

Aanlegfase. Luchtruim dat doorkruist wordt.

Verstoring door geluid, met name bij soorten die bij het jagen luisteren naar geluid dat een prooi maakt. Ook hindert geluidsverstoring de sociale communicatie bij bijvoorbeeld baltsende dieren. Door geluidsverstoring kunnen vleermuizen gebieden gaan mijden.

• •

Geluidsniveau. Locatie.

Gewone- en ruige dwergvleermuis

•

Laagvliegende soorten die zijn gebonden aan landschappelijke structuren.

• • • Oppervlakteverlies

• •

Verstoring

•

Soorten met hoogste • kans op aanvaring o.b.v. literatuur 25

•

Draaisnelheid/zichtbaarheid. Rotordiameter/aantal rotorbladen. Luchtlagen die doorkruist worden. Barotrauma door drukverschil achter rotoren. Insectendichtheid rondom warmteafgifte die mogelijk vleermuizen aantrekken.

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

4.4 Samenvatting afbakening De afbakening van (mogelijke) ecologische effecten voor dit onderzoek naar grote kleine windturbines samengevat: • Ecologische effecten als gevolg van grote kleine windturbines kunnen zowel in de aanleg- als gebruiksfase plaatsvinden. • Aanlegfase: Het zwaartepunt onder soortgroepen die mogelijke effecten in de aanlegfase ondervinden ligt bij de soortgroepen grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, (niet vliegende) ongewervelden en flora. De effecten zijn beperkt en tijdelijk van aard óf sterk afhankelijk van locatie en aanwezigheid van specifieke soorten. Tot slot zijn effecten in de aanlegfase goed te mitigeren (zie Bijlage II Mitigerende maatregelen). Daarom worden deze effecten niet verder meegenomen in dit onderzoek. • Gebruiksfase: Bij vogels en vleermuizen ligt het grootste risico in de gebruiksfase bij aanvaring met kleine windturbines. De effecten met betrekking tot oppervlakteverlies en barrièrewerking zijn bij kleine windturbines beperkt. Verstoringseffecten zijn mogelijk groter in de aanlegfase, maar deze is slechts tijdelijk en voor een groot deel te mitigeren. • Te verwachten effecten tussen vogels en vleermuizen kunnen tegenstrijdig zijn. Zo zijn bij vleermuizen negatieve effecten te verwachten nabij landschappelijke elementen, terwijl bij vogels effecten te verwachten zijn in open gebied.

• Ecologische effecten van grote kleine windturbines kunnen zowel plaatsvinden op erfniveau als op regionaal niveau. Deze mogelijke effecten worden toegelicht respectievelijk in Paragraaf 5.2 en 5.3. • De effecten als gevolg van stikstofdepositie worden niet meegenomen in dit onderzoek. Zoals in Paragraaf 3.2 is toegelicht, richt dit onderzoek zich op de plaatsing van grote kleine windturbines op boerenerven die gelegen zijn in de vier gedefinieerde cultuurlandschappen. In Paragraaf 3.3 zijn de karakteristieken van deze cultuurlandschappen toegelicht. In Hoofdstuk 5 worden de benoemde typen effecten gespecificeerd naar mogelijke effecten voor de vogel- en vleermuissoorten die voorkomen in de cultuurlandschappen in de provincie ZuidHolland.

26

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

5 Ecologische effecten in provincie Zuid-Holland In dit hoofdstuk zijn de (mogelijke) ecologische effecten van grote kleine windturbines toegelicht in de provincie ZuidHolland. Ook worden mitigerende maatregelen toegelicht, die toegepast kunnen worden om de (mogelijke) ecologische effecten van grote kleine windturbines te verminderen. Daarmee richt dit hoofdstuk zich op de beantwoording van onderstaande onderzoeksvraag 2 en 3. Om deze vragen te beantwoorden is gebruik gemaakt van de in Hoofdstuk 4 beschreven beschikbare literatuur en onderzoeken. Er zijn geen modelberekeningen uitgevoerd en er is geen veldwerk verricht. Onderzoeksvraag 2: Wat zijn de ecologische effecten van deze referentieturbine(s)? Onderzoeksvraag 3: Onder welke ecologische voorwaarden kunnen deze referentieturbine(s) worden toegestaan? In Paragraaf 5.1 worden algemene soortgroepen en gebieden die mogelijk effecten ondervinden van grote kleine windturbines (beschreven in Hoofdstuk 4) gespecificeerd naar soorten en natuurgebieden in de provincie ZuidHolland. In Paragraaf 5.1.1 worden de soorten besproken die mogelijk effecten ondervinden van grote kleine windturbines in de provincie Zuid-Holland. In Paragraaf 5.1.2 worden de Natura 2000-gebieden toegelicht die mogelijk effecten ondervinden van grote kleine windturbines en in Paragraaf 5.1.3 de weidevogelgebieden.

Vervolgens zijn in Paragraaf 5.2 en 5.3 de mogelijke ecologische effecten op regionaal schaalniveau en erfniveau toegelicht voor de provincie Zuid-Holland. Dit vormt het antwoord op de tweede onderzoeksvraag. Tot slot zijn in Paragraaf 5.4 mitigerende maatregelen opgenomen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Paragraaf 5.4 geeft daarmee antwoord op de derde onderzoeksvraag.

5.1 Relevante soorten en beschermde gebieden in provincie Zuid-Holland 5.1.1 Relevante soorten in provincie Zuid-Holland In deze paragraaf worden eerst de relevante vogelsoorten in provincie Zuid-Holland besproken en vervolgens de relevante vleermuissoorten.

Vogels De aanwezige vogelsoorten variëren over cultuurlandschappen in de provincie Zuid-Holland. Welke soorten effecten ondervinden van grote kleine windturbines varieert dus tussen de verschillende cultuurlandschappen. In Tabel 5-1 is op basis van expertbeoordeling het relatief belang voor soorten en soortgroepen per cultuurlandschap weergegeven. Opvallend is dat het bollenlandschap voor veel vogelsoorten minder relevant lijkt te zijn dan andere cultuurlandschappen. De effecten van grote kleine windturbines op vogels zijn daarom naar waarschijnlijkheid kleiner in het bollenlandschap, omdat hier minder grote aantallen vogels aanwezig zijn. Tabel 5-1. Relatief belang voor soorten en soortgroepen per cultuurlandschap (X = beperkt relevant, XX = redelijk relevant, XXX = zeer relevant. Geen aanduiding betekent dat het landschap voor de desbetreffende vogelsoort niet relevant is.)

Soort(groep) Smient, ganzen, zwanen Ganzen (slaapplaats) Reigers (broeden) Purperreiger Reigers (slaapplaats) Torenvalk, boomvalk Bruine kiekendief Weidevogels (broeden) Steltlopers (winter) Meeuwen (slaapplaats) Uilen Zwaluwen

27

Rivierdeltalandschap XXX XXX XX XX XXX XX XX XXX XXX XXX XXX

Veenweidelandschap XXX XXX XXX XXX XXX XX XX XXX XXX XXX XXX XXX

Droogmakerijlandschap XXX XXX XXX XXX XXX XX XX XXX XXX XXX XXX XXX

Bollenlandschap X X

XX X X XX XX XXX

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Zoals uiteengezet in de literatuurstudie in Hoofdstuk 4 variëren de vogelsoorten met aanvaringsrisico’s bij de verschillende ashoogtes van grote kleine windturbines. Figuur 5-1 geeft een schematische en indicatieve weergave van de vlieghoogte van verschillende vogelsoorten die voorkomen in provincie Zuid-Holland. Na het figuur zijn de relevante soorten(groepen) beoordeeld op basis van hun vlieghoogten, eigenschappen en gevoeligheid. Hierbij zijn alle mogelijk relevante vogels waarvoor informatie over (lokale) vlieghoogtes beschikbaar is meegenomen. De soorten kunnen daarom afwijken van de soorten genoemd in Tabel 5-2. De gevoeligheidsscore geeft inzicht in de kans dat een soort verstoring zal ondervinden door een windturbine en de kans op aanvaring. De score, gebaseerd op grote windturbines ( ashoogte > 30 meter), is afkomstig uit een onderzoek naar de provincie Utrecht (Stahl & Epe, 2021) en daarom niet volledig toepasbaar voor de provincie Zuid-Holland. In combinatie met de informatie over vlieghoogten, eigenschappen en het voorkomen in de provincie Zuid-Holland kan een inschatting worden gemaakt welke soorten specifiek voor de provincie Zuid-Holland hoog risico lopen voor negatieve effecten van windturbines. Daarom is de risicoscore naast de eigenschappen en het voorkomen van de soorten gelegd.

De gevoeligheidsscore is als volgt opgebouwd: voor aanvaringen en verstoring is het risico voor aanvaringen ingeschat en vervolgens wordt dit gecombineerd tot een algemene risicowaarde. Hiervoor wordt de aanvaringsrisicoscore met klasse opgehoogd indien de verstoringsscore hoger is dan die voor aanvaringsrisico. Zie Tabel 5-3 voor een schematisch overzicht van deze scores. Deze gecombineerde score geldt als kwetsbaarheidscore. Tabel 5-3. Wegingsfactoren voor combinatie uit aanvaringsrisico en verstoringsgevoeligheid (Stahl & Epe, 2021).

Gevoeligheid voor aanvaring 0 niet gevoelig 1 matig gevoelig 2 gevoelig 3 zeer gevoelig

Verstoringsrisico 0 niet gevoelig 0 1 2 3

1 matig gevoelig 1 1 2 3

2 gevoelig 1 2 2 3

3 zeer gevoelig 1 2 2 3

De kwetsbaarheidscore wordt vervolgens gecombineerd met de mate van bedreiging van de soort, bepaald aan de hand van de Rode Lijst-status, landelijke indicatoren en Staat van Instandhouding. De mate van bedreiging is ingedeeld in scores van 1 t/m 3. Zie het rapport van SOVON en de Zoogdiervereniging voor een beschrijving van hoe verschillende landelijke indicatoren worden gescoord (Stahl & Epe, 2021). De uiteindelijke risicoscore gevoeligheid is als volgt opgebouwd: (kwetsbaarheidscore x 2) + mate van bedreiging = risicoscore gevoeligheid. Het gaat hier om een score van 0-11, waarbij 1 geen risico betreft en 11 zeer groot risico betreft (Stahl & Epe, 2021). De scores zijn voor het broedseizoen en voor buiten het broedseizoen bepaald. Voor sommige vogels zijn geen scores in één van deze periodes in het SOVON en Zoogdiervereniging rapport opgenomen. Ook zijn voor sommige vogelsoorten, waarvan in dit rapport relevantie voor Zuid-Holland en/of kleine windturbines is geconstateerd, geen scores opgenomen in het rapport van SOVON en Zoogdiervereniging. Deze ontbrekende gegevens hebben waarschijnlijk te maken met de relevantie van de broedtijd versus de niet-broedtijd in Nederland of gebrek aan voorkomen in de provincie Utrecht, waar het rapport voor is opgesteld.

Voor deze vogels kan niet op dezelfde manier een score worden vastgesteld, dus kan een inschatting van hun risico voor windturbines alleen op basis van vlieghoogten en literatuur worden gemaakt.

28

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Figuur 5-1. Indicatieve hoogten van vliegbewegingen van de relevante soortgroepen. Samengesteld op basis van de (beperkt) beschikbare literatuur. Door gebrek aan vlakdekkende gegevens kunnen daadwerkelijke vlieghoogten afwijken van dit schema.

29

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

De volgende tabellen zijn ingedeeld op basis van de bekende gegevens over vlieghoogten van vogelsoorten of soortgroepen. De informatie over vlieghoogten is beperkt en afwijking van deze indicaties is mogelijk. Omdat sommige onderzoeken soorten betreffen en andere onderzoeken soortgroepen, zijn enkele soorten los van hun soortgroep in de tabellen opgenomen (bijvoorbeeld de groep meeuwen en de kokmeeuw). Het is hierbij mogelijk dat de gegevens over de vlieghoogte van een soort afwijken van de gegevens van de soortgroep waar deze toe behoort. Daarom zijn een aantal soorten ook los van de groep waar tot zij behoren genoemd. Ondanks dat de bandbreedte van dit onderzoek zich focust op (grote) kleine windturbines (van 5 tot 45 meter) (zie Paragraaf 3.1), worden ook gegevens van grote windturbines (ashoogte >30 meter) gebruikt. Reden hiervoor is de beperkte informatie die beschikbaar is over (grote) kleine windturbines. Relevante vogelsoorten of soortgroepen en hun risicoscore gevoeligheid voor kleine windturbines (ashoogte maximaal 15 meter) op basis van vlieghoogte zijn weergegeven in Tabel 5-4. Tabel 5-4. Relevante vogelsoorten voor kleine windturbines.

Eigenschappen en effecten

Spreeuwen

Spreeuwen zijn belangrijke erfvogels in de meeste Alle. cultuurlandschappen en zijn in het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020) regelmatig in de buurt van kleine windmolens waargenomen en ook meermaals aangetroffen als slachtoffer (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Zij broeden op en rond boerderijen en kunnen in trektijd en winter in grote zwermen voorkomen.

Zwanen

Soorten als de wilde zwaan zijn in het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020) naar voren gekomen als hoog risico voor aanvaring. Echter zijn hier in het onderzoeksjaar 2022 geen slachtoffers van aangetroffen (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Wel komt bijvoorbeeld de knobbelzwaan algemeen in Zuid-Hollandse cultuurlandschap voor en kan deze in de nabijheid van boerenerven voorkomen.

Reigers

De provincie Zuid-Holland herbergt de grootste Alle, met name in 4 of 5 (buiten broedpopulatie van purperreigers in Nederland. De veenweide- en broedtijd), 7 grootste kolonies bevinden zich in de Nieuwkoopse droogmakerijlandschap. (broedtijd) Plassen, Zouweboezem en in de Boezems van Kinderdjik. Deze gebieden bevinden zich in het veen(weide)landschap en droogmakerijlandschap. De kolonie in de Nieuwkoopse Plassen foerageert voor een deel langs petgaten en sloten met drijvende vegetatie of verlandingsvegetaties binnen het gebied, maar het merendeel vliegt naar het omliggend agrarisch gebied (Van der Winden, et al., 2013). Het belang van de purperreiger in Zuid-Holland is verder toegelicht in een kader aan het einde van deze paragraaf. Hier is ook een kaart met belangrijke foerageergebieden opgenomen (Figuur 5-2). Ook is de provincie Zuid-Holland van groot belang voor de groeiende populatie grote zilverreiger.

Steltlopers

In de provincie Zuid-Holland komen grote aantallen Alle, in mindere mate in Meeste 5 (buiten weidevogels voor in de broedtijd (denk aan Grutto, bollenlandschap. broedtijd), 7 Scholekster, Kievit). In de broedtijd zullen deze broedtijd soorten de boerderijen en erven veelal mijden. Echter, in de trektijd en winter komen grote concentraties

30

Datum: 1 december 2023

Cultuurlandschap

Risicoscore gevoeligheid

Soort(groep)

Geen score toebedeeld.

Alle, in mindere mate in 9 (buiten broedtijd) bollenlandschap. (kleine zwaan)

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

steltlopers naar Zuid-Holland om te pleisteren. De erkende weidevogelgebieden zijn daarvoor zeer intrek en gedurende een groot deel van het jaar komen veel vliegbewegingen op regionaal niveau voor. Uilen

Hoewel de vlieghoogte van lokale bewegingen van uilen niet duidelijk is (en daarom niet is opgenomen in bovenstaand figuur), kwamen in het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020) verschillende uilensoorten naar voren als risicovol voor kleine windturbines. Echter zijn in het onderzoeksjaar 2022 geen uilen als slachtoffer gevonden, maar gelet op de kleine schaal van de steekproef en duur van het onderzoek kunnen slachtoffers niet worden uitgesloten (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Uilen komen in heel Zuid-Holland voor.

Alle.

Zangvogels

Hoewel de exacte vlieghoogten van zangvogels niet Alle. bekend zijn (en daarom niet zijn opgenomen in bovenstaand figuur), kwamen zangvogels naar voren als risicovolle soort voor kleine windturbines in het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020). In de eerste resultaten van het slachtofferonderzoek zijn de zangvogels keep en vink ook (in zeer gering aantal) als slachtoffer aangetroffen (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Zangvogels komen in heel ZuidHolland voor.

Meeste 6 (buiten broedtijd), 7 (broedtijd)

Geen score toebedeeld.

Relevante vogelsoorten of soortgroepen en hun risicoscore gevoeligheid voor grote kleine windturbines (ashoogte maximaal 30 meter) op basis van vlieghoogte zijn weergegeven in Tabel 5-5. Tabel 5-5. Relevante vogelsoorten voor grote kleine windturbines.

Eigenschappen en effecten

Aalscholvers

Belangrijke kolonies zijn aanwezig in Zuid-Holland, Alle. bijvoorbeeld in de Hollandse Duinen. Ook in de trektijd en winter komen grote concentraties voor op het open water in alle cultuurlandschappen. Veel vliegbewegingen betreffen voedseltrek en slaaptrek.

7 (buiten broedtijd), 4 (broedtijd)

Kievit

In de vier cultuurlandschappen van Zuid-Holland komt de Alle. kievit jaarrond algemeen voor. In de trektijd en winter kunnen grote groepen langdurig pleisteren op grasland en akkergebied.

7 (broedtijd)

Wulp

Met name in de trektijd en winter kunnen grote concentraties voorkomen van de wulp in de vier ZuidHollandse cultuurlandschappen. De soort overnacht op vaste locaties (slaapplaatsen).

Alle.

5 (buiten broedtijd), 8 (broedtijd)

Kokmeeuw

In het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Van Alle. Houten - Munten, 2020) waren er regelmatig Kokmeeuwen in de buurt van windturbines. De kokmeeuw komt hele jaar door in grote aantallen voor in de provincie Zuid-Holland.

6 (buiten broedtijd), 7 (broedtijd)

31

Cultuurlandschap

Risicoscore gevoeligheid

Soort(groep)

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Relevante vogelsoorten of soortgroepen en hun risicoscore gevoeligheid voor zowel kleine als grote kleine windturbines op basis van vlieghoogte zijn weergegeven in Tabel 5-6. Tabel 5-6. Relevante vogelsoorten voor kleine en grote kleine windturbines.

Risicoscore gevoeligheid

Soort(groep)

Eigenschappen en effecten

Cultuurlandschap

Eenden

Wilde eend is een veel voorkomende erfvogel in alle vier cultuurlandschappen.

Alle.

5 (binnen en buiten broedtijd) (wilde eend)

Meeuwen

In het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020) kwamen ook meeuwen als de zilvermeeuw en kokmeeuw naar voren als risicovolle soorten voor kleine windturbines. Tijdens het slachtofferonderzoek is de kleine mantelmeeuw als slachtoffer aangetroffen (Jonge Poerink, van HoutenMunten, Dekker, & van der Ende, 2023). Meeuwen komen in heel Zuid-Holland voor.

Alle.

Meeste meeuwen 6/7

Ooievaars

Jaarrond is provincie Zuid-Holland van belang voor ooievaars. Vaak kan deze in de directe omgeving van boerenerven worden aangetroffen. In sommige gevallen komt de ooievaar ook tot broeden op boererven.

Alle.

6 (buiten broedtijd), 7 (broedtijd)

Roofvogels

In het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Van Alle, bruine kiekendief Houten - Munten, 2020) zijn roofvogels naar voren minder in gekomen als mogelijk hoog risico omdat zij vaak nabij bollenlandschap. de windturbines zijn waargenomen en zelfs in de nabijheid van de windturbines kunnen broeden. Echter zijn in het onderzoeksjaar 2022 geen aanvaringsslachtoffers onder roofvogels gevonden, maar door de kleine steekproef en korte onderzoeksduur zijn aanvaringsslachtoffers niet uitgesloten (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Het gaat hierbij voor provincie Zuid-Holland dan vooral over de soorten torenvalk, boomvalk en buizerd. Deze komen meer of minder algemeen ook in de Zuid-Hollandse cultuurlandschappen voor. Ook kan de bruine kiekendief ook voedsel zoeken in het agrarisch gebied, met veel kleine wateren.

Veelal 6 (buiten broedtijd), 7 (broedtijd), sommigen 8/9

Lepelaar

Deze karakteristiek moerasvogel komt in toenemende Alle. mate voor in de provincie Zuid-Holland. Als broedvogel vooral in natuurgebieden, maar de vier cultuurlandschappen zijn belangrijk als voedselgebied. Daardoor worden veel vliegbewegingen verwacht in de cultuurlandschappen.

Geen score toebedeeld.

Visdief

Deze zomervogel is deels afhankelijk van kleine Veenweide- en 8 (buiten wateren in het Zuid-Hollandse cultuurlandschap. Vooral droogmakerijlandschap. broedtijd), 9 sloten en waterpartijen in het laagveengebied (broedtijd) (veenweidelandschap en droogmakerijlandschap) is van belang hierbij. Normaal zullen boerenerven wel vermeden worden.

32

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Cultuurlandschap

Risicoscore gevoeligheid

Soort(groep)

Eigenschappen en effecten

Ganzen

In Zuid-Holland bevinden zich ruim 140.000 ganzen, Rivierdelta-, Geen score vooral de grauwe gans, brandgans, nijlgans en veenweide- en toebedeeld. Canadese gans (Provincie Zuid-Holland, 2019). In droogmakerijlandschap. Zuid-Holland komt een van de grootste concentraties broedende ganzen voor. De grauwe gans is ook een belangrijke erfvogel in de meeste cultuurlandschappen.

De purperreiger in Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland herbergt de grootste broedpopulatie van purperreigers in Nederland. De grootste kolonies bevinden zich in de Nieuwkoopse Plassen, Zouweboezem en in de Boezems van Kinderdjik (veen(weide)landschap en droogmakerijlandschap). Omdat deze vogels veel in het omliggend agrarisch gebied foerageren lopen zij mogelijk relatief hoog risico op aanvaring met grote kleine windturbines (Van der Winden, et al., 2013). De soort staat sinds 2004 als bedreigd op de Nederlandse Rode Lijst en is al een aantal keer in het nieuws geweest vanwege bedreiging door grote windturbines (Timmer, 2020; Nederlands Dagblad, 2009; Brus, 2022).

Figuur 5-2. Overzicht van de foerageergebieden van de purperreigers kolonies in de Nieuwkoopse Plassen. Het Natura 2000gebied Nieuwkoopse plassen en De Haeck is donkergroen gekleurd (Van der Winden, et al., 2013).

Vleermuizen Op basis van bestaande literatuur over vlieghoogten van vleermuizen is hieronder een overzicht gemaakt van de relevante vleermuissoorten per ashoogte (Haarsma, 2016; Roemer, Disca, Coulon, & Bas, 2017; Warwickshire Bat Group, n.d.; Zoogdiervereniging, n.d.). Figuur 5-1 geeft hier een schematische weergave van. Van sommige soorten is alleen de vluchthoogte tijdens de jacht of juist tijdens de migratie bekend. Ook hier is de risicoschatting voor gevoeligheid voor windturbines per soort opgenomen. In het rapport van SOVON en de Zoogdiervereniging is dit voor vleermuizen opgenomen op basis van de mate waarin deze soorten als slachtoffer worden gevonden in de buurt van windturbines (Stahl & Epe, 2021). Deze risicobeoordeling is gebaseerd op grote windturbines. Voor vleermuizen is in het rapport geen numerieke score opgenomen. Onderstaand zijn voor de vleermuissoorten de overzichten voor de verschillende hoogtes van de windturbines gegeven. Omdat veel vleermuizen in alle cultuurlandschappen kunnen voorkomen is hier geen aparte tabel opgenomen met het belang van de cultuurlandschappen per soort. Wel is in paragraaf 3.3 en onderstaande tabel aangegeven in welke cultuurlandschappen de verschillende vleermuissoorten het 33

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

meeste voorkomen. Vanuit de beschikbare literatuur over vlieghoogtes lijken er geen vleermuizen alleen risico te lopen bij grote kleine windturbines. Deze categorie is daarom niet apart opgenomen als tabel. Echter moet hierbij de kanttekening worden geplaatst dat de literatuur beperkt is. Relevante vleermuissoorten en hun risicogevoeligheid voor kleine windturbines zijn weergegeven in Tabel 5-7. Tabel 5-7. Relevante vleermuissoorten voor kleine windturbines.

Risicogevoeligheid windturbines*

Soort

Eigenschappen en effecten

Gewone dwergvleermuis

Uit het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Relatief vaak in Noordwest-Europa, Van Houten - Munten, 2020) blijkt dat de gewone relatief weinig in Nederland dwergvleermuis hoog risico loopt voor aanvaring met kleine windturbines. Dit wordt ook bevestigd door de bevindingen van het slachtofferonderzoek (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Ook komt de gewone dwergvleermuis overal in Nederland voor. In de provincie Zuid-Holland is de soort zeer talrijk. De gewone dwergvleermuis komt hier vooral voor boven watergangen en lijnvormige elementen (bijvoorbeeld in bosgebied), maar ook in open gebied.

Gewone grootoorvleermuis

De gewone grootoorvleermuis komt in de hele Zelden of nooit in Noordwest-Europa, provincie Zuid-Holland voor in kleine aantallen. De onbekend in Nederland soort komt vooral voor in het bosrijke binnenduingebied en veenweidegebieden als Alblasserwaard en Krimpenerwaard. De gewone grootoorvleermuis jaagt vooral in beschutte omgeving.

Bosvleermuis (jacht) De bosvleermuis komt voor langs de kust en in duingebieden, maar alleen als incidentele trekker. Daarom wordt deze soort minder verwacht in de vier cultuurlandschappen en is deze voor aanvaringsrisico in de provincie Zuid-Holland minder relevant.

Relatief vaak in Noordwest-Europa, onbekend in Nederland

Franjestaart

De franjestaart komt in zeer kleine aantallen voor langs de kust. Daarom wordt deze soort minder verwacht in de vier cultuurlandschappen en is deze voor aanvaringsrisico in de provincie ZuidHolland minder relevant.

Zelden of nooit in Noordwest-Europa, onbekend in Nederland

Kleine dwergvleermuis

De kleine dwergvleermuis kan in de hele provincie Relatief vaak in Noordwest-Europa, voorkomen (zeer zeldzaam), maar vooral in de slachtoffers onbekend in Nederland kustgebieden. Alleen in het binnenduingebied zijn populaties bekend.

* mate waarin deze soorten als slachtoffer worden gevonden in de buurt van windturbines.

34

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Relevante vleermuissoorten en hun risicogevoeligheid voor zowel kleine als grote kleine windturbines in Tabel 5-8. Tabel 5-8. Relevante vleermuissoorten voor kleine en grote kleine windturbines.

Risicogevoeligheid windturbines*

Soort

Eigenschappen en effecten

Ruige dwergvleermuis

Uit het onderzoek in Groningen (Jonge Poerink & Zeer vaak in Noordwest-Europa, vaak in Van Houten - Munten, 2020) blijkt dat de ruige Nederland dwergvleermuis hoog risico loopt voor aanvaring met kleine windturbines. Dit is ook bevestigd door de bevindingen van het slachtofferonderzoek (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Ook komt de ruige dwergvleermuis overal in Nederland voor. In Zuid-Holland is de soort zeer talrijk tijdens de migratieperiode (in de herfst en het voorjaar). De ruige dwergvleermuis vliegt vaak langs dijken in open gebied, waardoor deze hoog risico loopt op aanvaring met windturbines.

Laatvlieger

De laatvlieger komt in de hele provincie voor en jaagt vaak in open gebieden boven water, veelal in veenweidegebieden en droogmakerijen.

Meervleermuis

De meervleermuis komt in de hele provincie voor, Zelden of nooit in Noordwest-Europa, maar is grotendeels beperkt tot het onbekend in Nederland noordoostelijke veenweidegebied. De soort jaagt laag boven wateroppervlakten en is daarom waarschijnlijk minder gevoelig voor aanvaringsrisico.

Rosse vleermuis

De rosse vleermuis kan provinciebreed Vaak in Noordwest-Europa, weinig in voorkomen behalve in zeekleigebied, maar Nederland populaties zijn alleen bekend in bossen in het binnenduingebied en in toenemende mate in nieuwe bossen in het randstedelijke gebied. De soort is boombewonend en jaagt vooral boven plassen en grote meren in open gebied, veelal op grotere hoogte.

Tweekleurige vleermuis

De tweekleurige vleermuis komt provinciebreed voor, maar is zeel zeldzaam. De soort is alleen als migrant aanwezig in de winter en is vooral aangetrokken tot stedelijk gebied met hoge gebouwen. Daarom is de tweekleurige vleermuis waarschijnlijk minder gevoelig voor aanvaring.

Relatief vaak in Noordwest-Europa, onbekend in Nederland

Watervleermuis

De watervleermuis kan provinciebreed voorkomen, maar vooral in het bosrijke binnenduingebied en in toenemende mate in nieuwe bossen in het randstedelijke gebied. De soort is boombewonend en jaagt laag boven wateroppervlakten. Daarom is de watervleermuis waarschijnlijk minder gevoelig voor aanvaring.

Zelden of nooit in Noordwest-Europa, onbekend in Nederland

Baardvleermuis

De baardvleermuis komt provinciebreed voor, Zelden of nooit in Noordwest-Europa, maar is zeer zeldzaam. De soort komt vooral voor onbekend in Nederland in het bosrijke binnenduingebied en zeer lokaal in het veenweidegebied rondom Gouda (Alblasserwaard).

Relatief vaak in Noordwest-Europa, onbekend in Nederland

* mate waarin deze soorten als slachtoffer worden gevonden in de buurt van windturbines.

35

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

5.1.2 Natura 2000-gebieden in provincie Zuid-Holland Naast beschermde soorten hebben grote kleine winturbines mogelijk ook een negatief effect op verschillende instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden of beschermde weidevogelgebieden. Deze paragraaf en de volgende paragraaf 5.1.3 geven een omschrijving van deze gebieden. In Paragraaf 5.2 worden de effecten van grote kleine windturbines op de Natura 2000- gebieden en weidevogelgebieden uiteengezet. Afhankelijk van de locatiekeuze van de grote kleine windturbine, kan in een voortraject al bepaald worden of eventuele vervolgonderzoeken en -stappen aan de orde zijn door de ligging binnen of nabij Natura-2000 gebieden of weidevogelgebieden. In Figuur 5-3 en Tabel 5-9 is een overzicht opgenomen met de Natura 2000-gebieden gelegen in de vier cultuurlandschappen in de provincie Zuid-Holland. In totaal zijn er in de provincie Zuid-Holland zeventien agrarische bedrijven die binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden liggen. De erven zelf zijn niet bestempeld als Natura 2000-gebied (zie als voorbeeld Figuur 5-4).

Figuur 5-3. Overzicht van de ligging van de boerenerven gelegen in de verschillende Natura 2000-gebieden (roze) in Zuid-Holland.

36

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Tabel 5-9. Overzicht van de verschillende Natura 2000-gebieden in de vier cultuurlandschappen.

Landschapstype

Natura 2000-gebieden

Bollenlandschap

Coepelduynen Kennemerland-Zuid

Droogmakerijlandschap

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

Veen(weide)landschap

Boezems Kinderdijk Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein De Wilck Donkse Laagten Lingegebied & Diefdijk-Zuid Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

Rivierdeltalandschap

Biesbosch Duinen Goeree & Kwade Hoek Grevelingen Haringvliet Hollands Diep Krammer-Volkerak Oude Maas Oudeland van Strijen Solleveld & Kapittelduinen Voornes Duin

37

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Figuur 5-4. Voorbeeld van de agrarische bedrijven in het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse plassen & De Haeck.

5.1.3 Beschermde weidevogelgebieden in provincie Zuid-Holland In Zuid-Holland zijn naast Natura 2000-gebieden ook weidevogelgebieden opgenomen met een speciale beschermingscategorie. De weidevogelgebieden zijn in het natuurbeheerplan begrensd en worden via de provinciale ruimtelijke verordening beschermd tegen inbreuken op de openheid. In Figuur 5-5 is een overzicht opgenomen van de verschillende weidevogelgebieden in de verschillende landschapstypen. Voorbeelden van de weidevogelgebieden in Zuid-Holland zijn de graslanden in de bollenstreek en de (veen)weidelandschappen. De graslanden hebben een open karakter en structureel hoge grondwaterstanden wat van belang is voor weidevogels. In totaal gaat het om 185 boerenerven die in Zuid-Holland binnen de begrenzing van beschermde weidevogelgebieden liggen.

38

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Figuur 5-5. Verspreiding van de verschillende boerenerven in de weidevogelgebieden in Zuid-Holland.

5.2 Mogelijke ecologische effecten op regionaal niveau in ZuidHolland Deze paragraaf zet de ecologische effecten op vogel- en vleermuissoorten uiteen op regionaal niveau voor de vier cultuurlandschappen en de Natura 2000-gebieden en weidevogelgebieden. Het uitgangspunt hierbij is dat er één grote kleine windturbine per erf wordt geplaatst. In deze paragraaf wordt op regionaal schaalniveau antwoord gegeven op onderzoeksvraag 2: Wat zijn de ecologische effecten van de referentieturbine(s)?

5.2.1 Effecten op soorten Voor het bepalen van de effecten van kleine windturbines op vogels op regionaal niveau zijn zowel lokale bewegingen als regionale trekbewegingen van migrerende soorten (met name in de lente en herfst) en broedgebieden van agrarische soorten van belang (Marques, et al., 2014).

Vogels De gevoeligheid van verschillende vogelsoorten verschilt per cultuurlandschap. Dit blijkt ook uit onderzoek van SOVON, waarbij de gevoeligheid van broed- en niet-broedvogels voor windturbines in de provincie Zuid-Holland in kaart zijn gebracht (Sierdsema, Foppen, van Els, Kampichler, & Stahl, 2021). SOVON heeft in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor heel Nederland onderzocht waar veel vogelsoorten voorkomen die kwetsbaar zijn voor windparken. Hiervan zijn kaarten gemaakt met gegevens over de verspreiding, aantallen en vliegbewegingen van de soorten. Deze kaarten laten niet de daadwerkelijke aanwezigheid van vogels of sterfte of verstoring van windturbines zien, alleen een verwachting van gevoeligheid op basis van kennis over de soorten. Figuur 5-6 geeft de resultaten hiervan (Sierdsema, Foppen, van Els, Kampichler, & Stahl, 2021). 39

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Figuur 5-6. Gevoeligheidskaart voor broedvogels (links) en niet-broedvogels (rechts) in Zuid-Holland op basis van RES-gegevens van SOVON. Data is gebaseerd op de belangrijke verspreidingsgebieden en vliegbewegingen van verschillende soorten. Relatieve schaal van 1 (weinig risico voor aanwezigheid gevoelige soorten) tot 100 (hoog risico voor aanwezigheid gevoelige soorten) (Sierdsema, Foppen, van Els, Kampichler, & Stahl, 2021).

In Paragraaf 5.1.1 is geconstateerd dat minder gevoelige vogelsoorten zich bevinden in het bollenlandschap dan in de andere cultuurlandschappen. Ook uit de kaarten van SOVON blijkt dat het bollenlandschap minder gevoelig is. In de SOVON-kaarten zijn in de andere drie cultuurlandschappen locaties met relatief hoge gevoeligheid aanwezig, wat erop wijst dat op regionaal niveau de effecten van de referentieturbine(s) groter zijn in de droogmakerij-, veenweideen rivierdeltalandschappen. Effecten kleine windturbines (maximale ashoogte 15 meter) Uit de resultaten van de pilot in Groningen blijkt dat trekvogels bij windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter geen significante risico’s lopen omdat de meeste trekvogels op grotere hoogte migreren (Rozema, 2019). Ook uit de eerste resultaten van het slachtofferonderzoek blijkt deze conclusie: in de maanden februari – maart en oktober – november, tijdens de najaarsmigratie van vogels, zijn geen slachtoffers gevonden. Op basis van de populatieomvang, jaarlijkse reproductie en trend van de populatie zijn vooral voor de torenvalk en spreeuw effecten op populatieniveau te verwachten. Voor andere soorten zoals de boerenzwaluw en huiszwaluw, die rond schuren foerageren, is het aanvaringsrisico even hoog.

Ook voor uilen zoals de kerkuil en ransuil bestaan hoge risico’s, welke ook op populatieniveau niet zijn uit te sluiten (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020). Effecten grote kleine windturbines (maximale ashoogte 30 meter) Hogervliegende soorten zoals aalscholvers, reigers, eenden en ganzen lopen mogelijk meer risico op aanvaring bij grote kleine windturbines. Ook zijn er veel vogelsoorten die bij zowel kleine windturbines als grote kleine windturbines mogelijk risico lopen op aanvaring, doordat zij een groot bereik aan vlieghoogtes hebben of de vlieghoogte verschilt voor foerageer- of trekbewegingen. Doordat grote kleine windturbines binnen verschillende soorten vliegbewegingen kunnen vallen, is de verwachting dat er meer risico’s voor vogelsoorten ontstaan bij een ashoogte van 30 meter ten opzichte van 15 meter. De windturbines met ashoogte 15 meter zijn vooral een risico tijdens lokale foerageervluchten, terwijl de windturbines met ashoogte 30 meter mogelijk ook de dagelijkse slaap -en voedselvluchten bereiken. Daarom kunnen effecten op populaties nabij de windturbines niet worden uitgesloten. Dit geldt voor zowel vogels op het boerenerf in kwestie als vogels in de omliggende percelen. Daarom is het aan te raden de locatiekeuze van grote kleine windturbines voorzichtig af te wegen rond vogelrijke gebieden.

Denk hierbij aan de directe omgeving van de Nieuwkoopse plassen, delen van de Alblasserwaard en de oostpunt van Goeree-Overflakkee. Ook dient meer onderzoek plaats te vinden rondom vlieghoogtes van vogels gedurende de slaap-voedselvluchten om met meer zekerheid conclusies te kunnen trekken rond de regionale effecten.

40

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Vleermuizen Effecten kleine windturbines (maximale ashoogte 15 meter) Uit onderzoek naar twee windturbinelocaties in Duitsland bleek dat er meer vleermuissoorten risico ondervinden bij kleine windturbines dan bij grote kleine windturbines. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat er ook andere factoren bij het onderzoek meespeelden, zoals nabijheid van verblijfplaatsen en structuren die dienen als vliegroutes en foerageergebied (Hartmann, et al., 2021). Wel komt de conclusie dat er meer vleermuissoorten binnen het bereik van kleine windturbines vallen, en daarmee meer risico lopen, overeen met de uitkomsten van het literatuuronderzoek omtrent vlieghoogtes. Verder kan er bij vleermuizen sprake zijn van verhoogd risico op slachtoffers wanneer de windturbine is geplaatst langs routes van trekkende vleermuissoorten zoals de ruige dwergvleermuis (Tuitert Natuuronderzoek & Natuurbank Overijssel, 2022). Effecten grote kleine windturbines (maximale ashoogte 30 meter) De meer zeldzame vleermuissoorten zoals de bosvleermuis en franjestaart komen in de cultuurlandschappen veelal niet voor, maar alleen in zeer kleine aantallen langs de kust in de duinen. Door hun gemiddelde vlieghoogte zijn de rosse vleermuis, laatvlieger, en tweekleurige vleermuis relatief gevoeliger voor grote kleine windturbines.

In de provincie Zuid-Holland loopt de laatvlieger en enigszins de rosse vleermuis vooral risico op aanvaring. Tussen de verschillende cultuurlandschappen is weinig verschil als het gaat om het voorkomen van algemenere vleermuissoorten. Daarom zijn er op regionaal niveau geen significant verschillende effecten te verwachten per cultuurlandschap. Omdat soorten als de laatvlieger en rosse vleermuis in Nederland redelijk algemeen voorkomen, worden geen significante effecten op populaties verwacht. Over het algemeen zijn er bij kleine windturbines met een ashoogte tot 15 meter meer vleermuissoorten waarvan de vlieghoogtes bekend zijn en overlappen met het bereik van deze windturbines. Voor vleermuizen is het daarom mogelijk dat grote kleine windturbines op minder vleermuissoorten effect hebben. Wel dient hierbij te worden opgemerkt dat de aantallen slachtoffers alsnog groot kunnen zijn omdat veel vleermuissoorten door verschillende vliegbewegingen in het bereik van beide turbinehoogtes komen.

5.2.2 Effecten op beschermde gebieden In Figuur 3-5 is een overzicht opgenomen van de verschillende agrarische bedrijven in de vier cultuurlandschappen én in de beschermde weidevogel- en Natura 2000-gebieden. In totaal gaat het voor de cultuurlandschappen om zeventien agrarische bedrijven die binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden liggen. Zoals te zien in Figuur 5-4 maken de erven zelf geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Directe effecten op bijvoorbeeld habitattypen zijn daarmee uitgesloten. Wel kunnen door het plaatsen binnen of in de directe omgeving van beschermde gebieden effecten ontstaan op de wezenlijke waarden en kenmerken van de verschillende gebieden, of een direct negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van naast gelegen Natura 2000-gebieden (externe werking). Het precieze effect is afhankelijk van het beschermde gebied waarbij de windturbine wordt geplaatst en de exacte locatie van de windturbine op het erf. Door het plaatsen van windturbines op migratieroutes waar vogelrichtlijnsoorten dagelijkse vliegbewegingen over maken, kan versnippering ontstaan. De slaapplaatsen en foerageergebieden raken hierdoor versnipperd. Hierdoor hebben de windturbines indirect een negatief op de leefgebieden van de vogels en dus een indirect negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Voor weidevogelkerngebieden, waarbinnen 185 agrarische bedrijven in de provincie Zuid-Holland liggen, is het relevant dat weidevogels in de broedtijd niet direct gevoelig voor kleine windturbines zijn. Wel fungeren deze gebieden bij uitstek als pleisterplaatsen voor veel soorten steltlopers (kievit, wulp, goudplevier), eenden en ganzen in de trektijd en winterperiode. Dit maakt deze gebieden tot mogelijke risicogebieden op regionaal niveau. Door het mogelijke negatieve effect van windturbines op vogels, is plaatsing van windturbines in de directe omgeving van Natura 2000-gebied of weidevogelkerngebieden af te raden.

5.2.3 Conclusie effecten op regionaal niveau De effecten van de referentieturbine(s) op regionaal niveau zijn van toepassing op zowel soorten als gebieden. Op soorten is het voornaamste effect het risico op verstoring of aantasting van belangrijke populaties van vogels en vleermuizen op regionaal niveau. In de provincie Zuid-Holland bevinden zich hoge concentraties van verschillende vogel- en vleermuissoorten. Op locaties waar deze soorten zich in hoge concentraties bevinden kan plaatsing van een

41

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

grote kleine windturbine inbreuk doen op de populatie door sterfte door aanvaring. Dit effect is vooral mogelijk significant voor vogels die slaap- en trekbewegingen in de buurt van de windturbine(s) maken. Door het plaatsen van windturbines op migratieroutes waar vogelrichtlijnsoorten dagelijkse vliegbewegingen over maken, kan versnippering ontstaan van slaapplaatsen en foerageergebieden. Hierdoor hebben de windturbines indirect een negatief effect op de leefgebieden van vogels die onder de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden vallen of op weidevogelkerngebieden, die functioneren als pleisterplaatsen voor vogels in de trektijd en winterperiode. Door het mogelijke negatieve effect van grote kleine windturbines op vogels, is plaatsing van deze windturbines in de directe omgeving van Natura 2000-gebied of weidevogelkerngebieden af te raden.

5.3 Mogelijke ecologische effecten op erfniveau in Zuid-Holland Deze paragraaf zet de ecologische effecten op vogel- en vleermuissoorten uiteen op erfniveau voor de vier cultuurlandschappen. Het uitgangspunt hierbij is dat er één grote kleine windturbine per erf wordt geplaatst. In deze paragraaf wordt op lokaal schaalniveau (erfniveau) antwoord gegeven op onderzoeksvraag 2: Wat zijn de ecologische effecten van de referentieturbine(s)? Effecten op de waarden van beschermde gebieden zijn op erfniveau niet van toepassing, omdat de erven zelf niet als Natura 2000-gebied bestempeld zijn (zie Figuur 5-4). De (regionale) effecten op weidevogelkerngebieden zijn reeds besproken in paragraaf 5.2.2.

5.3.1 Vogels Kleine windturbines In de beleidsevaluatie van de plaatsing van kleine windmolens in Groningen is geconcludeerd dat vogels die niet aanwezig zijn binnen 100 meter van een turbinelocatie of daarlangs zouden vliegen een beperkt risico op negatieve effecten hebben. Op basis van gemiddelde vlieghoogte lopen lokaal aanwezige zangvogels (denk aan boerenzwaluw, spreeuw) het hoogste risico op aanvaring bij kleine windturbines (Rozema, 2019). Op basis van lokaal vlieggedrag zijn de boerenzwaluw, huiszwaluw, spreeuw, putter, gierzwaluw, houtduif, holenduif, torenvalk, zilvermeeuw, kokmeeuw en zwarte kraai in onderzoek naar voren gekomen als meest risicovol (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020). Het is mogelijk dat de rotoren van kleine windturbines voor vogels minder goed zichtbaar zijn dan van grote windturbines. In eerder onderzoek naar aanvaringsslachtoffers in het Verenigd Koninkrijk zijn geen vogelslachtoffers gevonden (Minderman, Fuentes-Montemayor, Pearce-Higgins, & Pendlebury, 2014). Bij het onderzoek in Groningen zijn in 2022 de wilde eend, huiszwaluw, houtduif, spreeuw, boerenzwaluw, holenduif, keep, kleine mantelmeeuw en vink als slachtoffers gevonden (Jonge Poerink, 2023). Enkele van deze soorten, zoals de wilde eend, houtduif, spreeuw, boerenzwaluw en vink zijn ook belangrijke erfvogels in de vier cultuurlandschappen in provincie Zuid-Holland.

Grote kleine windturbines Omdat grote kleine windturbines een hoger rotorbereik hebben, verschillen de risicosoorten voor kleine windturbines. In Paragraaf 5.1.1 is een selectie gemaakt welke vogelsoorten mogelijk niet binnen het bereik van kleine windturbines vliegen, maar wel binnen het bereik van grote kleine windturbines. Over grote kleine windturbines is weinig literatuur beschikbaar. Door het gebrek aan onderzoek naar windturbines met vergelijkbare afmetingen zijn geen andere effecten op vogels bekend dan bij kleine windturbines of grote windturbines. De vogels waarvan bekend is dat zij vliegbewegingen maken binnen het bereik van de grote kleine windturbines lopen groter risico op aanvaring. De lokale omstandigheden en het voorkomen van deze vogels is daarom bepalend voor de effecten van deze windturbines. Zoals eerder genoemd komen er minder relevante vogelsoorten voor in het bollenlandschap, dan in de andere drie cultuurlandschappen. Op erven in het bollenlandschap zijn daarom minder effecten op erf-niveau op vogels te verwachten dan bij de andere cultuurlandschappen.

42

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

5.3.2 Vleermuizen Kleine windturbines In bestaand onderzoek is vastgesteld dat het grootste risico voor vleermuizen binnen 25 meter van de windturbine ligt (Minderman, Gillis, Daly, & Park, 2017). Voor vleermuizen is bevestigd dat de kans op aanvaringsslachtoffers groot is wanneer er structurele vliegbewegingen rondom de windturbine plaatsvinden (Rozema, 2019). Ook verschilt het hoe vleermuizen reageren op windturbines afhankelijk van hoogte, rotorgrootte en snelheid. Kleine windturbines hebben over het algemeen hoge rotorsnelheden die moeilijk op te merken en te ontwijken zijn voor vleermuizen. Door de veelal trage vliegsnelheden van vleermuizen en het gebrek aan inschattingsvermogen door middel van zicht of echolocatie kunnen snelheid en afstand tot de rotoren niet op tijd worden opgemerkt. De gewone dwergvleermuis kon bijvoorbeeld in een onderzoek pas op 0.5-1 meter afstand de rotoren herkennen en heeft daarmee zeer kort de tijd om eromheen te manoeuvreren (Rydell, et al., 2010). Uit het pilotonderzoek in Groningen bleek dat vleermuizen als de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis binnen de risicozone van 2 meter van kleine windturbines komen en er dus aanvaringsslachtoffers kunnen vallen (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020). Dit is ook bevestigd in het bijbehorende slachtofferonderzoek.

Voor vleermuizen is de locatie van kleine windturbines van groot belang, aangezien kleine windturbines vaker nabij gebouwen of natuurelementen als bosranden en hagen worden geplaatst dan grote windturbines (Minderman, Fuentes-Montemayor, Pearce-Higgins, & Pendlebury, 2014). Uit onderzoek naar het niveau van vleermuisactiviteit rondom kleine windturbines in Duitsland bleek ook dat windturbines nabij verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebieden leidden tot hoge vleermuisactiviteit rondom de windturbine en daarmee meer slachtoffers (Hartmann, et al., 2021). Het moet voorkomen worden dat de kleine windturbine geplaatst wordt nabij een verblijfplek of in bos, bosranden, hagen of heesters. Veruit de minste slachtoffers voor vleermuizen vallen namelijk in open gebied waar weinig structuur of leidende landschappelijke elementen aanwezig zijn. De soortspecifieke redenen voor aanvaringen zijn afhankelijk van vlieghoogte, vliegsnelheid, vlieggedrag, echolocatie, jachttechnieken, biotoopvoorkeur en trekgedrag van de soort. De soorten die volgens de literatuur het hoogste risico lopen om slachtoffer te worden van windturbines zijn rosse vleermuis, gewone- en ruige dwergvleermuis, bosvleermuis en tweekleurige vleermuis. Van de vleermuizen die als slachtoffer gevonden worden, valt 98% onder deze soorten.

Gedurende de trek, migratie en voortplanting van vleermuizen, die plaatsvindt tussen midden juli t/m september en midden oktober, worden 90% van de slachtoffers door windturbines geraakt (Rydell, et al., 2010; Winkelman, Kistenkas, & Epe, 2008). De gewone- en ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis zijn in de regel laagvliegend (0-30 meter) en meer gebonden aan landschappelijke structuren voor het vliegen en foerageren, hierdoor zijn deze soorten gevoeliger voor kleine windturbines. Met betrekking tot het voorkomen in de provincie ZuidHolland kent vooral de gewone- en ruige dwergvleermuis een zeer groot risico op aanvaring. Bij het plaatsen van een kleine windturbine is de locatie en kennis van aanwezige functies en vleermuissoorten dus van groot belang. Grote kleine windturbines De rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis trekken over langere afstanden, de bosvleermuis en tweekleurige vleermuis doen dit in mindere mate. De rosse vleermuis, laatvlieger, bosvleermuis en tweekleurige vleermuis foerageren veelal in het vrije luchtruim en vliegen in de regel hoger (0-100 meter of 0-50m) en zijn daarmee gevoeliger voor grote kleine windturbines door de overlap van de hoogten die zij bestrijken. Met betrekking tot het voorkomen in de provincie Zuid-Holland is het risico op aanvaring vooral voor de laatvlieger groot, en in mindere mate de rosse vleermuis.

Uit Paragraaf 5.1.1 en de bestaande literatuur (zie ook Paragraaf 4.1) lijken er meer vleermuissoorten gebruik te maken van de lagere vliegruimten. Daarmee hebben vleermuissoorten een hogere aanvaringskans met kleine windturbines dan met grote kleine windturbines. Dit lijkt vooral tijdens de jacht van vleermuizen te spelen. Grote kleine windturbines hebben deels overlap met migratiehoogtes van vleermuizen, waardoor er wellicht meer slachtoffers vallen omdat er verschillende types vliegbewegingen worden geraakt. Wel zijn er ook een aantal soorten die op een dermate hoge vlieghoogte migreren dat deze boven het bereik van de grote kleine windturbines blijven. Echter bestaat er nog niet genoeg onderzoek om deze conclusie met zekerheid te stellen. Het is mogelijk dat vleermuizen kwetsbaarder zijn in het veenweidegebied, waar veel kleine en grote watergangen voorkomen, maar tussen de verschillende cultuurlandschappen is slechts beperkt verschil als het gaat om het voorkomen van verschillende vleermuissoorten. Daarom zijn er op erfniveau geen significante verschillen in de effecten te verwachten per cultuurlandschap.

43

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

5.4 Ecologische voorwaarden voor referentieturbine(s) In deze paragraaf wordt op zowel regionaal schaalniveau als erfniveau antwoord gegeven op onderzoeksvraag 3: Onder welke ecologische voorwaarden kunnen de referentieturbine(s) worden toegestaan? Hierbij wordt een algemene toelichting gegeven op welke cultuurlandschappen gevoeliger zijn voor negatieve ecologische effecten als gevolg van het plaatsen van grote kleine windturbines. Het kiezen van de juiste locatie voor een grote kleine windturbine is de belangrijkste voorwaarde om ecologische effecten te voorkomen. Voorafgaand aan de keuze van een initiatiefnemer om een grote kleine windturbine te plaatsen, dient een beleidsmatige afweging te worden gemaakt in welke gebieden grote kleine windturbines wenselijk(er) of niet-wenselijk zijn. Dit betreft strikt genomen geen mitigerende maatregel. Echter, omdat de (beleidsmatige) locatiekeuze voor het toestaan van grote kleine windturbines van dermate belang is, wordt in Paragraaf 5.4.1 een algemene toelichting gegeven welke cultuurlandschappen in de provincie Zuid-Holland gevoelig zijn voor (mogelijke) negatieve ecologische effecten. Vervolgens wordt in Paragraaf 5.4.2 en Paragraaf 5.4.3 ingegaan op mitigerende maatregelen die toe te passen zijn op het moment dat een initiatiefnemer een solitaire grote kleine windturbine wil gaan plaatsen.

Dit betreft de locatiekeuze en ruimtelijke inpassing op erfniveau. Bij de plaatsing van elke windturbine wordt in het kader van de Omgevingswet een omgevingsvergunning aangevraagd. Een onderdeel van de omgevingsvergunning is de Flora - & Fauna activiteit. Zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase kunnen mitigerende maatregelen getroffen worden om negatieve effecten te voorkomen of te beperken. Door middel van een (lokale) QuickScan worden de aanwezige soorten en functie van het plangebied vastgesteld en mitigerende maatregelen of soortgericht onderzoek voorgeschreven. Zodra blijkt dat de mitigerende maatregelen niet afdoende zijn om deze effecten te voorkomen, wordt ook de Flora - & Fauna activiteit onderdeel van de omgevingsvergunning die bij elke plaatsing van een windturbine aangevraagd dient te worden. Meer informatie over concrete mitigerende maatregelen op erfniveau zijn opgenomen in Bijlage II Mitigerende maatregelen.

5.4.1 Beleidskeuze regionaal schaalniveau Negatieve ecologische effecten, zoals aanvaringsslachtoffers voor vogels en vleermuizen, als gevolg van het plaatsen van grote kleine windturbines zijn niet uit te sluiten. Deze soortgroepen zijn daarentegen wel jaarrond beschermd. Het op grote schaal plaatsen van grote kleine windturbines ten behoeve van de energietransitie is zodoende niet in overeenstemming met de beschermde status van deze soortgroepen. Daarom dient een beleidsafweging gemaakt te worden onder welke voorwaarde en op welke locaties het plaatsen van grote kleine windturbines is toegestaan. Bij grote kleine windturbines is extra voorzichtigheid nodig ten opzichte van kleine windturbines in verband met een hoger risico op negatieve effecten in vogelrijke gebieden en regionale effecten. Een voorbeeld is het zoneren van gebieden waarin grote kleine windturbines wel en niet zijn toegestaan. Op basis van het voorkomen van gevoelige vogelsoorten in grote aantallen zijn het veen(weide)landschap en droogmakerijlandschap het meest gevoelig voor aanvaringsslachtoffers. Het gaat hier dan met name om de gebieden rond de Nieuwkoopse plassen en weidevogelkerngebieden in de Alblasserwaard en Krimpenerwaard.

Het rivierdeltalandschap kan ook gevoelig zijn voor slachtoffers, en wel met name de oostpunt van Goeree-Overflakee, waar zich belangrijke rust- en slaapplaatsen bevinden voor ganzen en eenden. Het bollenlandschap lijkt door relatief gebrek aan vogelrijkdom minder gevoelig. Omdat de meeste vleermuissoorten in alle vier de cultuurlandschappen voorkomen zijn er geen significante verschillen in gevoeligheid vast te stellen.

5.4.2 Lokale mitigatie aanlegfase In Paragraaf 4.2.1 is beschreven dat effecten in de aanlegfase met name tijdelijk van aard en mitigeerbaar zijn. De effecten gedurende de aanlegfase bestaan voornamelijk uit oppervlakteverlies (vooral tijdelijk in de aanlegfase) en tijdelijke verstoring als leefgebied voor ongevleugelde soorten als zoogdieren, amfibieën en flora. Eventuele effecten zoals trillingen, verstoring, barrièrewerking en oppervlakteverlies zijn sterk afhankelijk van locatie en aanwezigheid van soorten en/of functies veelal te voorkomen/mitigeren. Ook verschillen deze effecten niet significant tussen kleine en grote kleine windturbines. In Bijlage II Mitigerende maatregelen zijn maatregelen opgenomen die de effecten in de aanlegfase kunnen mitigeren. Deze maatregelen zijn bewust streng ingestoken. Mogelijk treden op basis van een goede locatiekeuze niet alle negatieve effecten op óf zijn niet alle soortgroepen aanwezig. Een nuancering in de striktheid of type maatregelen is mogelijk zodra een QuickScan is uitgevoerd voor een specifieke locatie. 44

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Zoals eerder benoemd is de locatiekeuze voor het plaatsen van zowel kleine als grote kleine windturbines van groot belang voor het minimaliseren van negatieve effecten op vogels en vleermuizen, ook in de aanlegfase. Door zorgvuldige locatiekeuze is minder mitigatie noodzakelijk. Voor vogels is het van belang om op macroniveau een locatie te bepalen waar de windturbine niet in vogelrijke gebieden komt te staan en op gepaste afstand van vogelrijke gebieden. Voor vleermuizen is vooral de plaatsing op microniveau op het erf zelf van belang, net zoals het niet plaatsen nabij structuurelementen als heggen, en voor uitvliegopeningen.

5.4.3 Lokale mitigatie gebruiksfase In de gebruiksfase kan oppervlakteverlies, barrièrewerking en verstoring optreden, maar deze effecten zijn bij kleine en grote kleine windturbines naar verwachting beperkt. Het grootste risico is aanvaring van vogels en vleermuizen tegen grote kleine windturbines. Door zorgvuldige locatiekeuze in de aanlegfase kunnen aanvaringen in de gebruiksfase worden geminimaliseerd. Bij grote kleine windturbines is vooral voor vogels de locatiekeuze op macroniveau kritischer dan bij kleine windturbines. In Bijlage II Mitigerende maatregelen zijn mitigerende maatregelen op erfniveau voor de gebruiksfase opgenomen. Deze maatregelen zijn bewust streng ingestoken. Mogelijk treden op basis van een goede locatiekeuze niet alle negatieve effecten op óf zijn niet alle soortgroepen aanwezig. Een nuancering in de striktheid of type maatregelen is mogelijk zodra een QuickScan is uitgevoerd voor een specifieke locatie.

5.4.4 Conclusie ecologische voorwaarden De belangrijkste ecologische voorwaarde voor vogelsoorten voor het toestaan van de referentieturbine(s) is een gepaste locatiekeuze ten opzichte van vogelrijke gebieden. Voor zowel kleine als grote kleine windturbines zijn de risico’s op aanvaringsslachtoffers onder vogels, en ook vleermuizen, groter in gebieden met hoge concentraties van deze soorten. Grote kleine windturbines raken hogere luchtlagen voor vogels, waardoor deze de slaap- en voedseltrek kunnen doorkruisen. Daarom kennen grote kleine windturbines mogelijk meer risico voor vogels en is het plaatsen van deze windturbines buiten vogelrijke gebieden van extra belang. Voor vleermuizen is vooral locatiekeuze op erf-niveau, niet nabij landschappelijke elementen, van belang. Dit geldt voor zowel kleine als grote kleine windturbines. Naast locatiekeuze dienen voor zowel vogel- en vleermuissoorten mitigerende maatregelen te worden genomen om overige effecten te minimaliseren (zie Bijlage II Mitigerende maatregelen).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=a3f5f899-8ad9-46a7-a082-94543f1b55d5