194 Bijlage 6 Rapport Ecologische effecten kleine windturbines Zuid-Holland (16-5 toegevoegd)
Tekst van het document
Ecologische effecten kleine windturbines
Provincie Zuid-Holland
13 december 2023 - Internal
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Contactpersoon ARCADIS NEDERLAND B.V. Arcadis Nederland B.V. Postbus 220 3800 AE Amersfoort Nederland
2
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Samenvatting Inleiding en doel Binnen het provinciaal beleid van Zuid-Holland is het op dit moment mogelijk om kleine windturbines met een maximale ashoogte van 15 meter te plaatsen in het buitengebied, mits passend bij de ruimtelijke kwaliteit. Deze windturbines worden hoofdzakelijk geplaatst op boerenerven om te voorzien in de energiebehoefte van het bijbehorende agrarische bedrijf. In het participatieproces van de Regionale Energiestrategie (RES) en in het Coalitieakkoord van de provincie Zuid-Holland (2023-2027) is aangegeven om een verruiming van de ashoogte van kleine windturbines van 15 meter naar 30 meter te onderzoeken. Windturbines met een ashoogte van 30 meter worden grote kleine windturbines genoemd. Het doel van dit onderzoek is te verkennen wat de (mogelijke) ecologische effecten zijn van grote kleine windturbines op lokaal en regionaal schaalniveau. Om dit doel te bereiken is een literatuurstudie uitgevoerd. Daarnaast is in dit onderzoek aandacht voor de ecologische voorwaarden waaronder het plaatsen van (grote) kleine windturbines mogelijk is. De focus van het onderzoek ligt op de cultuurlandschappen in Zuid-Holland (bollenlandschap, droogmakerijenlandschap, veen(weide)landschap, rivierdeltalandschap), omdat daar de meeste agrarische erven zijn gelegen.
Voorliggend onderzoek dient enkel als kennisdocument om inzicht te geven in de (mogelijke) ecologische effecten van het toestaan van grote kleine windturbines op regionaal schaalniveau en erfniveau. Bij ieder initiatief voor het plaatsen van een kleine en grote kleine windturbine dient in het kader van de Omgevingswet een QuickScan opgesteld te worden, waarin de aanwezige natuurwaarden worden geïnventariseerd, om significante negatieve effecten uit te sluiten op beschermde soorten en/of gebieden.
Ecologische effecten In Tabel 1-1 zijn de ecologische effecten voor vogels en vleermuizen samengevat. Onder de tabel volgt een toelichting. Tabel 1-1 Samenvatting ecologische effecten (geel = risico op negatieve effecten, rood = groot risico op negatieve effecten)
Soortgroep
Kleine windturbines (ashoogte max 15 meter) Lokaal schaalniveau (erf)
Regionaal schaalniveau
Vogels
Risico op aanvaringsslachtoffers en barrièrewerking, met name op (erf)vogels. Risico het grootst bij plaatsing van windturbines in open veld.
Vleermuizen
Groot risico op aanvaringsslachtoffers, met name van windturbines nabij landschappelijke elementen (migratieroutes).
Risico op verstoring of aantasting van belangrijke populaties van vogels. Met name wanneer sprake is van windturbines nabij grote concentraties vogels en op migratieroutes. Effecten zowel relevant voor soortbescherming als gebieden (Natura 2000-gebieden en weidevogelkerngebieden) Risico op aanvaringsslachtoffers, met name van windturbines nabij landschappelijke elementen (migratieroutes).
3
Grote kleine windturbine (ashoogte max 30 meter) Lokaal schaalniveau (erf) Risico op aanvaringsslachtoffers en barrièrewerking, met name op (erf)vogels. Risico het grootst bij plaatsing van windturbines in open veld.
Risico op aanvaringsslachtoffers, met name van windturbines nabij landschappelijke elementen (migratieroutes).
Regionaal schaalniveau Groot risico op verstoring of aantasting van belangrijke populaties van vogels. Met name wanneer sprake is van windturbines nabij grote concentraties vogels en op migratieroutes. Effecten zowel relevant voor soortbescherming als gebieden (Natura 2000-gebieden en weidevogelkerngebieden) Risico op aanvaringsslachtoffers, met name van windturbines nabij landschappelijke elementen (migratieroutes).
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Vogels Voor kleine windturbines geldt dat lokaal aanwezige (erf)vogels het grootste risico op negatieve effecten ondervinden, zoals aanvaring en barrièrewerking. Lokaal aanwezige (erf)vogels bevinden zich namelijk binnen het bereik van kleine windturbines (ca. 5 meter tiplaagte tot 25 meter tiphoogte). Voorbeelden van vogelsoorten zijn uilen, wilde eend, houtduif, spreeuw, boerenzwaluw en vink. Grote kleine windturbines raken hogere luchtlagen (ca. 15 meter tiplaagte tot 45 meter tiphoogte) dan kleine windturbines. Hierdoor kennen vogels niet alleen een aanvaringsrisico bij lokale foerageerbewegingen, maar ook bij meer regionale trek (bijvoorbeeld voedsel- en slaaptrek). Voorbeelden van soorten zijn reigers, aalscholvers en ganzen. Voor grote kleine windturbines geldt met name een risico op regionale effecten nabij locaties met hoge concentraties van vogels. Plaatsing van grote kleine windturbines nabij Natura 2000-gebieden (m.n. Vogelrichtlijn) en weidevogelkerngebieden is daarom afgeraden. Het risico op negatieve effecten op vogels is het grootst bij droogmakerij-, veenweide- en rivierdeltalandschap. Hier bevinden grotere concentraties en gevoeligere vogelsoorten dan bij het bollenlandschap. Vleermuizen Voor vleermuissoorten geldt dat zij zich meer binnen het bereik van kleine windturbines bevinden dan binnen het bereik van grote kleine windturbines.
De meeste vleermuissoorten maken gebruik van lagere luchtlagen (bijvoorbeeld tijdens de jacht). Grote kleine windturbines hebben (deels) overlap met migratiehoogtes van enkele vleermuissoorten in de provincie Zuid-Holland, zoals de laatvlieger en de rosse vleermuis. Het risico op negatieve effecten is het grootst wanneer (grote) kleine windturbines worden geplaatst nabij landschappelijke elementen die worden gebruikt als migratieroutes. Tussen de verschillende cultuurlandschappen in provincie Zuid-Holland is weinig verschil in het voorkomen van vleermuissoorten. Daarom zijn voor vleermuizen geen grote verschillen in effecten te verwachten per cultuurlandschap.
Mitigatie en ecologische voorwaarden Om ecologische effecten in aanleg- en gebruiksfase te mitigeren zijn meerdere mitigerende maatregelen beschikbaar (zie Bijlage II voor voorbeelden). De belangrijkste maatregel om risico’s op effecten te verkleinen is een juiste locatieafweging op zowel regionaal - als perceel niveau. Locatiekeuze op regionaal niveau is in het bijzonder voor grote kleine windturbines en voor vogels essentieel. Op regionaal niveau is het belangrijk dat voorzichtigheid wordt betracht bij het plaatsen van grote kleine windturbines in of nabij vogelrijke gebieden. Het onderzoeken van een zonering kan hier uitkomst bieden om te bepalen waar het wel/niet gewenst is om (grote) kleine windturbines te plaatsen. Omdat het onderzoek naar de ecologische effecten van (grote) kleine windturbines beperkt is, zijn enkele aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan aan het eind van voorliggend kennisdocument.
4
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Doel en onderzoeksvragen
6
1.3
Leeswijzer
7
Vigerend beleid windturbines Zuid-Holland
8
2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
8
2.2
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
9
2.3
Omgevingsprogramma Zuid-Holland
10
Uitgangspunten onderzoek
11
3.1
Bandbreedte referentieturbines
11
3.2
Plaatsingspotentieel kleine windturbines Zuid-Holland
14
3.3
Cultuurlandschappen in provincie Zuid-Holland
15
Ecologische effecten in literatuur
21
4.1
Beschikbare literatuur
21
4.2
Afbakening relevante soortgroepen
21
4.3
Afbakening typen effecten van grote kleine windturbines
24
4.4
Samenvatting afbakening
26
Ecologische effecten in provincie Zuid-Holland
27
5.1
Relevante soorten en beschermde gebieden in provincie Zuid-Holland
27
5.2
Mogelijke ecologische effecten op regionaal niveau in Zuid-Holland
39
5.3
Mogelijke ecologische effecten op erfniveau in Zuid-Holland
42
5.4
Ecologische voorwaarden voor referentieturbine(s)
44
Conclusies en aanbevelingen
46
6.1
Conclusies
46
6.2
Leemten in kennis en vervolgonderzoek
48
Literatuurlijst
51
Bijlage I Beschikbare kleine windturbines
55
Bijlage II Mitigerende maatregelen
56
5
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Binnen het provinciaal beleid van Zuid-Holland is het op dit moment mogelijk om kleine windturbines tot een maximale ashoogte van 15 meter te plaatsen in het buitengebied, mits passend bij de ruimtelijke kwaliteit. Het provinciaal omgevingsbeleid voor windturbines is opgedeeld in drie categorieën: • Categorie 1: Ashoogte van maximaal 15 meter > overal toegestaan, mits de ruimtelijke kwaliteit dit toestaat. • Categorie 2: Ashoogte van maximaal 45 meter > alleen in de bestaande stad, glastuinbouw en industriegebied. • Categorie 3: Ashoogte groter dan 45 meter > alleen op aangewezen locaties in de verordening. In het participatieproces van de RES is aangegeven dat er voorkeur bestaat voor het verruimen van de ashoogte van categorie 1 windturbines van 15 naar 30 meter. In de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie (2022) is daarom aangegeven dat onderzocht gaat worden wat een mogelijke verruiming van de maximale ashoogte betekent en onder welke voorwaarden dit een gewenste ontwikkeling is. Ook in het Coalitieakkoord van de provincie Zuid-Holland (2023-2027) is opgenomen om te onderzoeken of een verruiming van de ashoogte tot 30 meter mogelijk is. In dit onderzoek worden dergelijke windturbines met een ashoogte groter dan 15 meter en een maximale ashoogte van 30 meter ‘grote kleine windturbines’ genoemd.
Om de (on)mogelijkheden voor grote kleine windturbines te onderzoeken is als eerste stap een landschappelijk onderzoek uitgevoerd door Wing (2023) in opdracht van de provincie Zuid-Holland. Uit de verkenning is gebleken dat 25 meter ashoogte (en 30 meter tiphoogte) onder voorwaarden in veel situaties (landschappelijk) passend is, en dat 30 meter ashoogte in specifieke gevallen mogelijk is. Ook is onderzocht waarom er nog maar relatief weinig kleine windturbines in Zuid-Holland staan. Een bepalende factor blijkt de gemeentelijke regelgeving te zijn. Als tweede stap in de verkenning of grote kleine windturbines mogelijk zijn wil de provincie Zuid-Holland de ecologische effecten van grote kleine windturbines onderzoeken. Voorliggend rapport geeft inzicht in de (mogelijke) ecologische effecten van grote kleine windturbines.
1.2 Doel en onderzoeksvragen Het doel van dit onderzoek is te verkennen wat de (mogelijke) ecologische effecten zijn van grote kleine windturbines. Hierbij gaat het om windturbines met een ashoogte van 15 tot 30 meter. Het onderzoek bestaat uit een literatuurstudie en het voorliggende rapport betreft een kennisdocument. Om het doel van dit onderzoek te bereiken worden de volgende drie onderzoeksvragen beantwoord: 1. Welke referentieturbine(s) dient/dienen gebruikt te worden voor dit onderzoek? 2. Wat zijn de ecologische effecten van deze referentieturbine(s)? 3. Onder welke ecologische voorwaarden kunnen deze referentieturbine(s) worden toegestaan? Toepassing onderzoek: kennisdocument In de Wet natuurbescherming (vanaf 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet) staan regels voor de bescherming van Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Voorliggend onderzoek richt zich met name op de ecologische effecten die van invloed zijn op gebiedsbescherming en soortenbescherming, maar is géén wettelijke toetsing. Voorliggend onderzoek dient enkel als kennisdocument om inzicht te geven in de (mogelijke) ecologische effecten van het toestaan van grote kleine windturbines op regionaal schaalniveau en erfniveau.
Bij ieder initiatief voor het plaatsen van een kleine en grote kleine windturbine dient in het kader van de Omgevingswet een QuickScan opgesteld te worden, waarin de aanwezige natuurwaarden worden geïnventariseerd, om significante negatieve effecten uit te sluiten op beschermde soorten en/of gebieden. Uit de QuickScan en eventuele vervolgonderzoeken moet blijken of ontheffingsaanvragen noodzakelijk zijn.
6
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
1.3 Leeswijzer In dit rapport zijn de volgende onderwerpen behandeld: • • • •
•
Hoofdstuk 2– Een beschrijving van het vigerend ruimtelijke beleid voor windturbines in de provincie ZuidHolland. Hoofdstuk 3 – Een beschrijving van de referentieturbines, het plaatsingspotentieel van grote kleine windturbines in de provincie Zuid-Holland en de vier onderscheden cultuurlandschappen. Dit hoofdstuk beantwoordt de eerste onderzoeksvraag. Hoofdstuk 4 – Een beschrijving van de geraadpleegde literatuur naar de ecologische effecten van kleine, grote kleine en grote windturbines. Dit hoofdstuk vormt de afbakening van de (niet-gebiedspecifieke) ecologische effecten die mogelijk kunnen optreden als gevolg van grote kleine windturbines. Hoofdstuk 5 – Een beschrijving van de (mogelijke) ecologische effecten van grote kleine windturbines in de provincie Zuid-Holland, uitgesplitst op regionaal en erfniveau. Het hoofdstuk eindigt met het omschrijven van de ecologische voorwaarden waaronder de referentieturbines geplaatst kunnen worden. Daarmee beantwoordt dit hoofdstuk de tweede en derde onderzoeksvraag. Hoofdstuk 6 – Een uiteenzetting van de resultaten uit de voorgaande hoofdstukken. Daarnaast omschrijft dit onderzoek leemten in kennis en worden er aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan.
7
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
2 Vigerend beleid windturbines Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft het Klimaatakkoord onderschreven en wil vanuit haar rol en verantwoordelijkheid bijdragen aan de oplossing van de klimaatproblematiek. In het Klimaatakkoord staat beschreven dat Nederland in 2050 de uitstoot van CO2 met 95% reduceert ten opzichte van 1990. In 2030 moet 49% van deze reductie gerealiseerd zijn. Voor de elektriciteitsproductie geldt dat deze 100% CO2-neutraal moet zijn in 2050. Om invulling te geven aan de doelstellingen uit het Klimaatakkoord zijn regionale energiestrategieën (RES’en) opgesteld. In de provincie Zuid-Holland bevinden zich zeven RES-regio’s. De provincie werkt nauw samen met deze regio’s om een duurzame, betrouwbare en betaalbare energievoorziening te realiseren. De provincie Zuid-Holland zet zich dan ook in om de Klimaatdoelstellingen te vertalen naar ruimtelijk beleid en regelgeving, in de vorm van provinciaal omgevingsbeleid. Het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit I) de Omgevingsvisie, II) de Omgevingsverordening en III) het Omgevingsprogramma. Vanwege de snelle ontwikkelingen in de energietransitie vond in 2022 een herziening plaats van het provinciale omgevingsbeleid: de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie 1.
De herziening bouwt voort op de afspraken die gemaakt zijn in de zeven Regionale Energiestrategieën (RES) in ZuidHolland2, het uitvoeringsprogramma Schone Energie voor iedereen 3 en het Coalitieakkoord provincie Zuid-Holland (2019-2023)4. Dit hoofdstuk beschrijft de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma voor het thema energietransitie.
2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van Zuid-Holland5 biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De beleidskeuzes in de Omgevingsvisie zijn de bevoegdheid van de Provinciale Staten. Onder de huidige Elektriciteitswet zijn Provincies bevoegd gezag voor windparken met een opgesteld vermogen van meer dan 5 MW. Een enkele windturbine met een ashoogte tot 45 meter blijft onder deze grens, wat betekent dat gemeentes bevoegd gezag zijn. In de provinciale Omgevingsvisie is beschreven dat windturbines met een ashoogte tot 15 meter binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied mogen worden geplaatst, mits rekening gehouden wordt met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten. Voor windturbines met een ashoogte tot 45 meter kan de gemeente haar afwegingen maken vanuit het lokale effect op de energieopwekking en ruimtelijke impact binnen bestaand stads- en dorpsgebied of glastuinbouwgebied. Indien daarbij provinciale belangen rond landschap, cultuurhistorie, kroonjuwelen6, ecologie en recreatie in het geding komen kan de provincie daarover een zienswijze indienen.
1
Voor de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie zie: bijlage-2-herziening-omgevingsbeleid-module-energietransitie-docx (4).pdf. Voor de zeven Regionale Energiestrategieën in de provincie Zuid-Holland zie: Regionale Energie Strategieën - Provincie Zuid-Holland. 3 Voor het uitvoeringsprogramma Schone Energie voor iedereen zie: Uitvoeringsprogramma schone energie voor iedereen - Provincie Zuid-Holland. 4 Voor het Coalitieakkoord provincie Zuid-Holland, zie: Omgevingsvisie Zuid-Holland (in werking per 01 april 2023) - Ruimtelijke plannen (ruimtelijkeplannenzuidholland.nl). 5 Voor de Omgevingsvisie Zuid-Holland, zie: Omgevingsvisie Zuid-Holland (in werking per 01 april 2023) - Ruimtelijke plannen (ruimtelijkeplannenzuidholland.nl) 6 Cultuurhistorische kroonjuwelen zijn unieke, zeer karakteristieke en gave erfgoedensembles van het Zuid-Hollands landschap. De provincie kent in totaal dertien kroonjuwelen die in zeer sterke mate bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van een plek of landschap. Zie: Kroonjuwelen (zuid-holland.nl). 2
8
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Gebaseerd op bovenstaande zijn in de omgevingsvisie de volgende uitgangspunten gedefinieerd voor de drie categorieën windturbines: Categorie 1: Winturbines met een ashoogte tot 15 meter • •
Plaatsing kan overal, mits rekening gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten; De ruimtelijke inpassing is ter beoordeling aan de gemeente. De provincie kan wel een zienswijze indienen, indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.
Categorie 2: Winturbines met een ashoogte tot 45 meter • • •
Plaatsing binnen bestaand stads- en dorpsgebied; Passend bij glastuinbouwgebied en bedrijventerreinen mits inpasbaar in de lokale situatie; De ruimtelijke inpassing is ter beoordeling aan de gemeente. De provincie kan wel een zienswijze indienen, indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.
Categorie 3: Winturbines met een ashoogte hoger dan 45 meter • • • •
Geconcentreerd plaatsen en voorkomen van versnippering; Plaatsing langs grootschalige infrastructuur (snelwegen, rivieren) en bij grootschalige bedrijvigheid (energievragers); Plaatsing bij grootschalige scheidslijnen tussen land en water en grote landschappelijke structuren (daar waar het waait); Bij voorkeur plaatsing in enkelvoudige lijnopstellingen en clusters, in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen.
2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening7 zijn de regels voor de fysieke leefomgeving van de provincie ZuidHolland opgenomen. De Omgevingsverordening stelt de kaders voor het ruimtelijk provinciaal en gemeentelijk beleid voor de energietransitie, met als onderdeel het provinciaal beleid voor windturbines. In de Omgevingsverordening wordt de categorisering van windturbines uit de Omgevingsvisie juridisch bekrachtigd. In de Omgevingsverordening zijn door de Provinciale Staten locaties aangewezen voor de grootschalige opwekking van windenergie. Daarnaast kunnen bestaande windparken worden uitgebreid mits de locatie een samenhangende eenheid vormt in het landschap. Enkel op deze locaties is het mogelijk om windturbines met een ashoogte hoger dan 45 meter (categorie 3) te plaatsen. Buiten deze locaties zijn windturbines uit de derde categorie niet toegestaan. Voor windturbines in categorie 1 en 2 geldt het vigerende gemeentelijk beleid binnen de kaders van de Provinciale Omgevingsverordening. In de praktijk dient vaak een omgevingsvergunning te worden aangevraagd of een bestemmingsplan gewijzigd te worden voor het plaatsen van windturbines in deze categorieën.
7
Voor de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, zie https://pzh.notubiz.nl/document/10785038/1/ZH+Omgevingsverordening+regels.
9
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
2.3 Omgevingsprogramma Zuid-Holland Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland8 bevat een programmatische uitwerking van de beleidskeuzes zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Het programma zet de windzoeklocaties voor windturbines op land uiteen en behandelt deze vervolgens voor verschillende regio’s binnen de provincie. Deze voorkeurslocaties gelden enkel voor windturbines in categorie 3. Voor windturbines in categorie 1 en 2 geldt het vigerende gemeentelijk beleid. In de herziening van het Omgevingsprogramma Module Energietransitie is opgenomen dat er naar aanleiding van het participatieproces van de RES enkele onderzoeken worden gestart. Eén van deze onderzoeken betreft de (on)mogelijkheden van verruiming van de ashoogte van kleine windturbines op boerenerven (categorie 1 windturbines). Daarbij dient vermeld te worden dat de bijdragen van (grote) kleine windturbines aan de energiedoelstellingen van de RES (zeer) beperkt zijn. Ook in het Coalitieakkoord van de Provincie Zuid-Holland (20232027)9 is opgenomen om deze verruiming van ashoogte te onderzoeken. Voorliggend onderzoek voorziet in de behoefte om te onderzoeken of een verruiming van de ashoogte wenselijk is vanuit ecologisch perspectief.
8
Voor het Omgevingsprogramma Zuid-Holland, zie: Omgevingsprogramma Zuid-Holland (in werking per 1 april 2023) - Ruimtelijke plannen (ruimtelijkeplannenzuidholland.nl). 9 Voor het Coalitieakkoord provincie Zuid-Holland 2023-2027, zie: coalitieakkoord_2023-2027.pdf.
10
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
3 Uitgangspunten onderzoek In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten die gehanteerd zijn in het onderzoek naar de ecologische effecten van grote kleine windturbines in de provincie Zuid-Holland uiteengezet. Paragraaf 3.1 geeft antwoord op de eerste onderzoeksvraag door een bandbreedte van de referentieturbines die gehanteerd wordt in dit onderzoek te definiëren. Vervolgens wordt in Paragraaf 3.2 het plaatsingspotentieel van grote kleine windturbines in de provincie Zuid-Holland. Het hoofdstuk sluit af met Paragraaf 3.3 waar de karakteristieken van vier cultuurlandschappen in de provincie ZuidHolland zijn beschreven, waarbinnen de ecologische effecten van grote kleine windturbines worden onderzocht.
3.1 Bandbreedte referentieturbines Een windturbine is een mast met op de wind draaiende wieken, technische installatie en aansluiting op een elektriciteitsnetwerk. Verschillende instanties hanteren variërende definities voor grote kleine windturbines. In dit onderzoek zijn grote kleine windturbines gedefinieerd als windturbines met een ashoogte groter dan 15 meter en maximaal 30 meter, die in te passen zijn op een boerenerf. Deze definitie is ingegeven door het doel van dit onderzoek om de (mogelijke) ecologische effecten als gevolg van een verhoging van de ashoogte van 15 naar 30 meter te onderzoeken. Grote kleine windturbines worden ook wel erfmolens of boerderijmolens genoemd. Ze worden geplaatst om te voorzien in de energiebehoefte van het bijbehorende agrarische bedrijf. Er zijn veel verschillende merken/typen grote kleine windturbines op de markt. Grote kleine windturbines bestaan in verschillende uitvoeringen. Zo zijn er horizontale as windturbines (HAWT) en verticale as windturbines (VAWT) (zie Figuur 3-1). VAWT’s kennen een lagere efficiënte dan HAWT’s. VAWT’s zijn met name geschikt voor de stedelijke omgeving waar de windrichting varieert, bijvoorbeeld op gebouwen en flats. In agrarische omgevingen varieert de windrichting minder waardoor VAWT’s minder geschikt worden geacht voor boerenerven dan HAWT’s. De VAWT’s worden daarom niet meegenomen in dit onderzoek.
Naast het ontwerp (HAWT of VAWT) variëren kleine windturbines per leverancier wat betreft het aantal rotorbladen, het vermogen, toerental, de rotordiameters en ashoogtes. Grote kleine windturbines kennen een hoog toerental tussen de 40 en 400 omwentelingen per minuut (STOWA, 2020). Het vermogen varieert van ca. 10 tot 250 kW. In “Bijlage I Beschikbare kleine windturbines” is een overzicht gegeven van beschikbare grote kleine windturbines van enkele leveranciers en de verschillen in afmetingen en opwekvermogen. In Figuur 3-2 zijn enkele grote kleine windturbines afgebeeld ter illustratie.
Figuur 3-1. Verschil HAWT (links) en VAWT (rechts) (Ba Alawi, 2018).
11
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Figuur 3-2. Impressie van kleine windturbines met een horizontale as (links = SWP-25 kW10, midden = WES 25011, rechts = E-20 HAWT12).
Voor het bepalen van de ecologische effecten van grote kleine windturbines zijn met name de tiphoogte en tiplaagte van kleine windturbines relevant. De reden hiervoor is dat de tiphoogte en tiplaagte het bereik vormen van een windturbine waarbinnen aanvaringslachtoffers kunnen vallen. De tiphoogte is de optelsom van de ashoogte en de wieklengte. De tiplaagte is de ashoogte minus de wieklengte, oftewel de minimale afstand tussen het maaiveld en het uiteinde van de wiek (zie Figuur 3-3 ter illustratie). De grote variëteit aan beschikbare grote kleine windturbines in combinatie met het provinciale schaalniveau van dit onderzoek maakt het niet mogelijk om voor ieder type kleine windturbine de ecologische effecten te onderzoeken. Daarom is in dit onderzoek gebruik gemaakt van een bandbreedte van afmetingen, welke is gebaseerd op het overzicht uit “Bijlage I Beschikbare kleine windturbines”. De te onderzoeken bandbreedte wordt bepaald door de twee uiterste afmetingen, namelijk de maximale tiphoogte (bij ashoogte 30 meter) en minimale tiplaagte (bij ashoogte 15 meter) (zie Figuur 3-3). Om de maximale tiphoogte (bij ashoogte 30 meter) en minimale tiplaagte (bij ashoogte 15 meter) te bepalen, zijn twee worst-case referentieturbines nodig. Met ‘worst-case’ wordt de grootste rotordiameter bedoeld, passend bij een ashoogte van 15 en 30 meter.
De referentieturbines zijn: • Referentieturbine ‘Laag’ (ashoogte van 15 meter): Op basis van “Bijlage I Beschikbare kleine windturbines” heeft de WES 50 de grootste afmetingen van kleine windturbines met een ashoogte van 15 meter. De rotordiameter is 20 meter, de tiphoogte is 25 meter en tiplaagte is 5 meter. • Referentieturbine ‘Hoog’ (ashoogte van 30 meter): Op basis van “Bijlage I Beschikbare kleine windturbines” hebben de WES 30/250 en WTN 250 de grootste afmetingen van kleine windturbines met een ashoogte van 30 meter. De rotordiameter is 30 meter, de tiphoogte is 45 meter en de tiplaagte is 15 meter. Aantal rotorbladen Kleine windturbines met een horizontale as zijn beschikbaar met drie of twee rotorbladen (zie Figuur 3-2). Voor horizontale as windturbines geldt dat de mathematische kans op aanvaringsslachtoffers stijgt bij een toenemende rotordiameter en toenemend aantal rotorbladen. Bij een afnemende draaisnelheid neemt de mathematische kans op aanvaringen af (Winkelman, Kistenkas, & Epe, 2008). Tweebladige windturbines hebben minder rotorbladen dan driebladige windturbines. Op basis van het aantal rotorbladen is de mathematische kans op aanvaringsslachtoffers daarom kleiner bij tweebladige windturbines dan bij driebladige windturbines.
Op basis van de draaisnelheid is de kans op aanvaringsslachtoffers bij tweebladige windturbines echter groter, omdat tweebladige windturbines over het algemeen een hoger toerental kennen dan driebladige windturbines (Wind Energy Solutions, 2023). Gezien deze tegenstelling – en gezien het schaalniveau van voorliggend onderzoek - wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de ecologische effecten vergelijkbaar zijn bij drie- of tweebladige kleine windturbines.
10
Foto SWP-25 kW afkomstig van: https://en.wind-turbine-models.com/turbines/995-solid-wind-swp-25 Foto WES 250 afkomstig van: https://en.wind-turbine-models.com/turbines/923-wes-wes250 12 Foto E-20 HAWT afkomstig van: https://www.ryse.energy/20kw-wind-turbines/ 11
12
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Figuur 3-3. Begrippen windturbines.
In Tabel 3-1 en Figuur 3-4 is het antwoord op de eerste onderzoeksvraag – Welke referentieturbine(s) dient/dienen gebruikt te worden voor dit onderzoek? – samengevat. In dit onderzoek naar ecologische effecten is de gehele bandbreedte tussen 5 meter tiplaagte en 45 meter tiphoogte onderzocht. Ecologische effecten door grote kleine windturbines met een ashoogte van bijvoorbeeld 20 of 25 meter vallen binnen deze bandbreedte. Tabel 3-1. Referentieturbine laag en hoog.
Referentieturbine ‘Laag’ ‘Hoog’
Ashoogte (m) 15 30
Rotordiameter (m) 20 30
Tiphoogte (m) 25 45
Tiplaagte (m) 5 15
Te onderzoeken bandbreedte
15 tot 30 meter
N.v.t.
45
5
Figuur 3-4. Te onderzoeken bandbreedte op basis van worst-case referentieturbines. 13
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
3.2 Plaatsingspotentieel kleine windturbines Zuid-Holland In dit onderzoek wordt gefocust op agrarische erven gelegen in vier cultuurlandschappen in Zuid-Holland. Deze verdeling van vier cultuurlandschappen is conform het landschappelijk onderzoek van Wing (2023). De vier cultuurlandschappen zijn: 1. 2. 3. 4.
Bollenlandschap; Droogmakerijenlandschap; Veen(weide)landschap; Rivierdeltalandschap.
Andere landschapstypen, zoals stedelijk gebied, kustgebied (strand en duinen) en open water, blijven buiten beschouwing in dit onderzoek. Hier bevindt zich namelijk een beperkt aantal boerenerven waar potentieel kleine windturbines worden geplaatst. Om de ecologische effecten te kunnen bepalen, wordt in dit onderzoek het uitgangspunt gehanteerd dat alle boerenerven binnen de vier cultuurlandschappen één grote kleine windturbine plaatsen. In Tabel 3-2 is het aantal agrarische erven per landschapstype weergegeven waar potentieel grote kleine windturbines kunnen worden geplaatst. In Figuur 3-5 is de geografische spreiding van deze erven weergegeven. Ook is weergegeven of deze boerenerven in Natura 2000-gebied of weidevogelgebied liggen. Het exacte aantal reeds geplaatste kleine windturbines in provincie Zuid-Holland is niet bekend. Provincie Zuid-Holland schat dat op dit moment ca. 35 kleine windturbines zijn geplaatst. In Paragraaf 3.3 is per landschapstype een korte beschrijving opgenomen. Tabel 3-2. Aantal agrarische erven waar potentieel grote kleine windturbines worden geplaatst per type cultuurlandschap.13
Type cultuurlandschap Bollenlandschap Droogmakerijenlandschap Veen(weide)landschap Rivierdeltalandschap Totaal
Aantal agrarische erven voor grote kleine windturbine 139 262 559 491 1451
Agrarische bedrijven zijn afkomstig van ‘Basiskaart Agrarische Bedrijfssituatie 2022’: https://opendata.zuidholland.nl/geonetwork/srv/api/records/2fa573bc-7f21-4820-910a-000e53eb223f. De agrarische bedrijven gelegen buiten de vier cultuurlandschappen zijn niet meegenomen in dit onderzoek. Agrarische bedrijven omvatten akkerbouw, veehouderijen en tuinbouw (glastuinbouw, bloembollenteelt, fruitteelt, boomkwekerijen etc.). 13
14
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Figuur 3-5. Overzicht van de agrarische bedrijven in de provincie Zuid-Holland per cultuurlandschap.
3.3 Cultuurlandschappen in provincie Zuid-Holland In deze Paragraaf is per cultuurlandschap een korte omschrijving opgenomen, bestaande uit de ontstaansgeschiedenis en de geografische ligging. Zoals later in voorliggend onderzoek (in Paragraaf 4.2) wordt beschreven, focust het ecologische onderzoek in de gebruiksfase zich op relevante vogel- en vleermuizensoorten. Daarom is de karakteristieke vogelbevolking opgenomen per cultuurlandschap. Karakteristieke vleermuissoorten zijn niet genoemd bij ieder cultuurlandschap, omdat de meeste algemene vleermuissoorten over de gehele provincie voorkomen. De franjestaart en bosvleermuis worden minder verwacht in de vier cultuurlandschappen doordat zij vooral langs de kust in de duinen voorkomen. Ook de kleine dwergvleermuis komt vooral in de kustgebieden voor, maar kan over de gehele provincie voorkomen. Indien een vleermuissoort in een specifiek cultuurlandschap meer voorkomt dan in anderen, dan is dit opgenomen.
Bollenlandschap Het bollenlandschap is ontstaan door egalisatie van de strandwallen en strandvlakten. De afgevlakte, zandige bodem met een hoge grondwaterstand zorgt voor goede condities voor de bollenteelt. In het voorjaar staan de bollen in bloei, de rest van jaar zijn de akkers leeg. Het bollenlandschap bevindt zich vooral in het noorden van de provincie ZuidHolland tegen de binnenduinrand aan (zie Figuur 3-6). Het bollenlandschap is geen vogelrijk gebied. De bollenvelden vormen voor enkele vogelsoorten een geschikte broedplaats. In Tabel 3-3 zijn de karakteristieken van het bollenlandschap samengevat.
15
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Tabel 3-3. Karakteristieken bollenlandschap.
Karakteristiek Regionaal landschap Lokaal erfniveau
Karakteristieke soorten Nabije Natura 2000gebieden
Beschrijving Intensief gebruikt landschap met functionele inrichting. Veel open vlaktes met verdichte randen door lintbebouwing. Grote variatie aan woonvormen (compact vs. grote erven), afgewisseld met bollenschuren en aan bollenteelt gelieerde bedrijvigheid. Erven zijn functioneel ingericht met relatief weinig (hoge) beplanting. Vogels: Patrijs, gele kwikstaart, veldleeuwerik, boerenlandvogels (o.a. kievit, graspieper en kneu) en erfvogels als huismus, merel, winterkoning, houtduif, wilde eend en boerenzwaluw. Kennemerland-Zuid, Coepelduynen.
Figuur 3-6. Ligging van het Bollenlandschap in de provincie Zuid-Holland.
Droogmakerijlandschap Droogmakerijen zijn ontstaan door (delen van) meren en plassen te bedijken en te bemalen. Het landschap is visueel open, met een regelmatig patroon van weiden en akkers. Iedere droogmakerij heeft zijn eigen ordening en maat: kavelgrootte en lengte-breedteverhouding zijn uniek. Het droogmakerijlandschap bevindt zich in de provincie ZuidHolland vooral in het centrale deel van het groene hart, vaak grenzend aan het veenweidelandschap (zie Figuur 3-7). In Tabel 3-4 zijn de karakteristieken van het droogmakerijlandschap samengevat. Vanuit landschaps-ecologisch oogpunt kan het droogmakerijlandschap niet los worden gezien van het veenweidelandschap. Het grenst vaak aan elkaar en heeft onderling veel uitwisseling van soorten. Het gebied is van groot belang voor veel watervogels en steltlopers zowel qua broedgebied als doortrek- en overwinteringsgebied.
16
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Tabel 3-4. Karakteristieken droogmakerijlandschap.
Karakteristiek Regionaal landschap Lokaal erfniveau
Karakteristieke soorten
Nabije Natura 2000gebieden
Beschrijving Gekenmerkt door grootschalig, rechthoekig en agrarisch karakter. De agrarische erven zijn divers in omvang en bebouwing. Erfbeplanting is relatief beperkt. Vogels: Grote zilverreiger, grauwe gans, smient, krakeend, meerkoet, kievit, goudplevier, wulp Enkele belangrijke erfvogels: huismus, spreeuw, winterkoning, vink, houtduif, boerenzwaluw, tjiftjaf, zwartkop, wilde eend, meerkoet, grauwe gans. Vleermuizen: De laatvlieger komt in de hele provincie voor maar jaagt vaak in veenweidegebied en droogmakerijen. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, De Wilck, Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein.
Figuur 3-7. Ligging van het droogmakerijlandschap in de provincie Zuid-Holland.
Veen(weide)landschap Het veenweidegebied is ontstaan door ontginning van (laag)veen in het westen van Nederland. Door deze ontginning is het kenmerkende slagenlandschap ontstaan, dat gekarakteriseerd wordt door openheid, langgerekte percelen en brede sloten met een hoog waterpeil. Het veen(weide)landschap bevindt zich in de provincie Zuid-Holland vooral in het ‘groene hart’ ten oosten van de stedelijk gebieden van Rotterdam, Leiden en Den Haag (zie Figuur 3-8). In Tabel 3-5 zijn de karakteristieken van het veen(weide)landschap samengevat. Vanuit landschaps-ecologisch oogpunt kan het veenweidelandschap niet los worden gezien van het droogmakerijlandschap. Het grenst vaak aan elkaar en heeft onderling veel uitwisseling van soorten. Het open grazige 17
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
cultuurlandschap is van groot belang als weidevogelgebied en met de aanwezigheid van veel open water en moerasgebieden heeft het gebied ook een grote aantrekkingskracht op veel watervogels. Grote aantallen zwanen, ganzen, eenden en steltlopers gebruiken dit landschap als overwinteringsgebied. Ook is dit gebied van nationaal belang als broedgebied voor de purperreiger en herbergt het gebied enkele grote kolonies van aalscholvers en blauwe reigers. De belangrijkste laagveengebieden binnen of aan de rand van dit cultuurlandschap zijn de Nieuwkoopse plassen, de Krimpenerwaard en de Alblasserwaard. Tabel 3-5. Karakteristieken veen(weide)landschap.
Karakteristiek Regionaal landschap Lokaal erfniveau
Karakteristieke soorten
Nabije Natura 2000gebieden
18
Beschrijving Het landschap wordt gekenmerkt door grote openheid met langgerechte percelen en smalle perceelsloten. De agrarische erven zijn wisselend van formaat, vaak is daarbij de smalle verkaveling bepalend voor de vorm. Op de voorzijde van de erven is vaak beplanting aanwezig of een erfgrens staat langs een houtsingel. De bebouwing is divers als het gaat om woonhuizen en stallen. Vogels: Purperreiger, grote zilverreiger, grauwe gans, kievit, grutto, goudplevier, wulp, smient, Belangrijke erfvogels zijn o.a. huismus, spreeuw, winterkoning, vink, houtduif, boerenzwaluw, tjiftjaf, zwartkop, wilde eend, meerkoet, grauwe gans. Vleermuizen:De baardvleermuis komt provinciedekkend voor, maar vooral in het veenweidegebied rondom Gouda. Ook de laatvlieger komt in de hele provincie voor maar jaagt vaak in veenweidegebied en droogmakerijen. Het veen(weide)landschap met kleine en grote watergangen is naar waarschijnlijkheid waardevoller voor vleermuizen dan de andere cultuurlandschappen. Vleermuizen zijn in dit landschap daarom kwetsbaarder voor windturbines. Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Donkse Laagten, Boezems Kinderdijk, Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Biesbosch.
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Figuur 3-8. Ligging van het Veen(weide)landschap in de provincie Zuid-Holland.
Rivierdeltalandschap Het rivierdeltalandschap of zeekleilandschap in Zuid-Holland bestaat uit eilanden die zijn ontstaan uit omdijkte op- en aanwaspolders, omringt door brede wateren. Nieuwe stukken land (aanwassen) werden ingepolderd vanuit de oudste polders. De aanwaspolders zijn vaak zeer groot en hebben een onregelmatige vorm en verkaveling. Het betreft een weids landschap waar Rijn, Maas en Schelde in zee uitmonden. De binnendijkse strak verkavelde akkerlanden contrasteren met de buitendijkse Deltanatuur. Het rivierdeltalandschap bevindt zich in de provincie Zuid-Holland in het zuiden en zuidwesten van de provincie, zie Figuur 3-9. In Tabel 3-6 zijn de karakteristieken van het rivierdeltalandschap samengevat. Het rivierdeltalandschap is gelegen in het noordelijke deltagebied. Vanuit vogelwaarden is het van belang dat dit gebied direct grenst aan grootschalige rijkswateren, zoals Grevelingenmeer en Haringvliet. De oeverlanden van deze grote wateren dienen vaak als slaapplaats voor grote aantallen watervogels. Het cultuurlandschap dient dan als voedselgebied (akkers en grasland als voedsel voor ganzen en smienten). Daarbij is het natuureiland Tiengemeten van extra belang en werkt als een magneet voor grote aantallen doortrekkende en overwinterende (water)vogels vanwege voedselaanbod en rust- en broedgebied.
19
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
Tabel 3-6. Karakteristieken rivierdeltalandschap.
Karakteristiek Regionaal landschap
Karakteristieke soorten
Beschrijving De opwaspolders hebben een zeer open karakter en zijn grotendeels in gebruik als akkerland. Beplanting komt in de polders nauwelijks voor. De aanwaspolders zijn veelal groot met een onregelmatige vorm en verkaveling en ook grotendeels in gebruik als akkerland. De erven zijn als groene eilanden in de open ruimte herkenbaar. Het is een ‘grofkorrelig’ landschap. Op de erven staan vaak woonhuizen en schuren. De meeste erven zijn gedeeltelijk omzoomd met erfbeplanting samenhangend met grotere bomen. Vogels: Grauwe gans, kolgans, toendrarietgans, brandgans, smient, wintertaling, kievit, wulp, goudplevier, grote zilverreiger Belangrijke erfvogels zijn o.a. huismus, spreeuw, merel, winterkoning, houtduif, boerenzwaluw, zwartkop, wilde eend, meerkoet, grauwe gans.
Nabije Natura 2000gebieden
Vleermuizen: De rosse vleermuis wordt minder in dit cultuurlandschap verwacht. Biesbosch, Oudeland van Strijen, Hollands Diep, Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Duinen Goeree & Kwade Hoek, Voornes Duin, Oude Maas, Solleveld & Kapittelduinen, Boezems Kinderdijk, Donkse Laagten, Voordelta.
Lokaal erfniveau
Figuur 3-9. Ligging van het Rivierdeltalandschap in de provincie Zuid-Holland.
20
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
4 Ecologische effecten in literatuur In dit hoofdstuk worden de mogelijke ecologische effecten van grote kleine windturbines toegelicht op basis van een literatuurstudie. Daarmee vormt dit hoofdstuk de afbakening van de (niet-gebiedspecifieke) ecologische effecten die mogelijk kunnen optreden als gevolg van grote kleine windturbines. In Paragraaf 4.1 wordt een overzicht gegeven van de beschikbare literatuur. In Paragraaf 4.2 wordt toegelicht welke soortgroepen mogelijk effecten ondervinden. In Paragraaf 4.3 is toegelicht welke typen effecten relevant zijn bij kleine windturbines. Tot slot wordt in Paragraaf 4.4 de afbakening samengevat.
4.1 Beschikbare literatuur De literatuur over de mogelijke ecologische effecten van specifiek kleine (ashoogte maximaal 15 meter) en grote kleine windturbines (ashoogte maximaal 30 meter) is beperkt. Het merendeel van de beschikbare literatuur over de ecologische effecten van kleine windturbines is afkomstig uit Duitsland. Inmiddels zijn ook in Nederland enkele studies uitgevoerd naar de ecologische effecten van kleine windturbines. Deze studies hebben met name een verkennend karakter. Zo is in de provincie Noord-Holland een literatuurstudie uitgevoerd (Arcadis, 2022) en heeft de provincie Groningen een evaluatie uitgevoerd van het beleid op kleine windturbines (Rozema, 2019). Uit deze evaluatie volgden aanbevelingen voor vervolgonderzoek, zoals het verrichten van veldonderzoek naar vliegbewegingen rond kleine windturbines en slachtofferonderzoek (aanvaringsslachtoffers). Een eerste pilotproject in Groningen is afgerond dat voorzag in de aanbeveling een veldonderzoek te verrichten naar vogel- en vleermuisslachtoffers van kleine windturbines (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020).
Het onderzoek in provincie Groningen is tot nu toe het enige onderzoek in Nederland waarbij daadwerkelijk veldwaarnemingen zijn verzameld van vliegbewegingen direct rond de kleine windturbines en van gevonden aanvaringsslachtoffers onder de kleine windturbines (Jonge Poerink, 2023; Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020; Rozema, 2019). Verder is internationaal enkel een onderzoek in het Verenigd Koninkrijk naar aanvaringsslachtoffers bekend (Minderman, Fuentes-Montemayor, Pearce-Higgins, & Pendlebury, 2014). Naar aanleiding van het onderzoek in Groningen is een vervolgonderzoek gestart, waarvan de eerste resultaten bekend zijn. De onderzoeksperiode betreft één jaar (2022) en 13 windmolens op 10 locaties (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). De resultaten worden verder toegelicht in 4.2.2. Doordat op dit moment maar beperkte informatie beschikbaar is over de effecten van grote kleine windturbines wordt voor dit onderzoek ook geput uit effectenstudies van grote windturbines (ashoogte > 30 meter). De ecologische effecten van grote windturbines zijn, in meer of mindere mate, vergelijkbaar met kleine windturbines doordat deze vergelijkbare factoren omvatten (bijvoorbeeld ruimtebeslag op land en in luchtlagen of geluidsproductie).
De effectenstudies van grote windturbines worden gebruikt om een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van potentiële effecten op relevante soortgroepen. Wanneer gebruik wordt gemaakt van literatuur van grote windturbines, dan wordt er rekening gehouden met de verschillen in afmetingen tussen (grote) kleine windturbines en grote windturbines. In de volgende paragrafen worden de (niet-gebiedspecifieke) soortgroepen toegelicht die mogelijk effecten ondervinden van (grote) kleine windturbines. Vervolgens worden de typen effecten die deze soorten mogelijk ondervinden als gevolg van (grote) kleine windturbines beschreven.
4.2 Afbakening relevante soortgroepen Eerder literatuuronderzoek van Arcadis (2022) toont aan dat niet alle soort(groep)en, op basis van leefwijze, bewegingen en mobiliteit, even gevoelig zijn voor grote kleine windturbines. Soorten kunnen zowel in de aanlegfase als gebruiksfase effecten ondervinden van (grote) kleine windturbines. Tijdens de aanlegfase gaat het onder andere om effecten zoals oppervlakteverlies, (tijdelijke) verstoring door trillingen en geluidsoverlast. Gedurende de gebruiksfase is sprake van effecten als aanvaringsrisico’s met de rotoren, barrièrewerking en verstoring door bijvoorbeeld geluidsoverlast. Hieronder worden de relevante soortgroepen die effecten ondervinden in de aanleg- en gebruiksfase toegelicht.
4.2.1 Aanlegfase Gedurende de aanlegfase ligt het zwaartepunt van soorten die mogelijk effecten ondervinden bij de soortgroepen flora, grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën en (niet vliegende) ongewervelden. De effecten zijn veelal beperkt en tijdelijk van aard, omdat deze soortgroepen niet direct in de buurt komen van de rotorbladen. De effecten gedurende de aanlegfase bestaan voornamelijk uit oppervlakteverlies en tijdelijke verstoring als leefgebied voor ongevleugelde soorten als zoogdieren, amfibieën en flora. Eventuele effecten zoals trillingen, verstoring, 21
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
barrièrewerking en oppervlakteverlies zijn sterk afhankelijk van locatie en aanwezigheid van soorten en/of functies. Voor gevleugelde ongewervelden geldt uiteraard wel dat zij zich op rotorhoogte kunnen bevinden. Binnen deze soortgroep is vooral onderzoek gedaan naar vlinders (zie tekstkader in volgende paragraaf). Omdat de effecten in de aanlegfase vooral afhankelijk zijn van de lokaal aanwezige soorten of functies en veelal tijdelijk van aard en te mitigeren zijn, worden deze in dit onderzoek naar de effecten van (grote) kleine windturbines niet meegenomen. Wel zijn de mitigerende maatregelen voor de aanlegfase beschreven in Bijlage II Mitigerende maatregelen. De stikstofdepositie als gevolg van het bouwen van grote kleine windturbines wordt niet meegenomen in deze studie en dient per initiatief bekeken te worden. De inschatting is dat – afhankelijk van de locatie – de stikstofdepositie als gevolg van de bouw van een (grote) kleine windturbine verwaarloosbaar is óf sterk te reduceren is met daarvoor geschikte aanlegmethoden.
4.2.2 Gebruiksfase In de gebruiksfase zijn ecologische effecten met name te verwachten voor de soortgroepen vogels en vleermuizen (Arcadis, 2022). In dit rapport worden daarom enkel de effecten in de gebruiksfase van grote kleine windturbines op de soortgroepen vogels en vleermuizen besproken. Deze soortgroepen lopen de grootste kans om gedood en/of verwond te worden door aanvaringen met rotorbladen en eventuele barrièrewerking door windturbines. Effecten op vliegende insecten (afkomstig uit onderzoek Arcadis (2022) p. 28) De effecten door grote en grote kleine windturbines op ongewervelden zoals vlinders, libellen en andere vliegende insecten zijn nog niet eenduidig gekwantificeerd. Uit Duits onderzoek (Trieb, 2018) naar vliegende insecten op hoogtes >20 meter kwam naar voren dat grote hoeveelheden individuen verdwijnen door windturbines, maar ook met de kanttekening dat grote aantallen binnen insecten niet direct zorgwekkend hoeven te zijn (vlinderstichting). De effecten door windturbines kunnen ook nog niet los bezien worden van de effecten door gebruik van onder andere insecticiden, pesticiden en aanrijdingen door verkeer (Trieb, 2018).
Vanuit de vlinderstichting wordt het volgende gezegd over het onderzoek door Trieb (2018): “Windmolens zouden van invloed kunnen zijn op trekkende vlinders als atalanta, distelvlinder en gamma-uil, maar zeker niet op het overgrote deel van de dagvlinders. Daarnaast is sterfte van individuen bij insecten minder desastreus dan bij vogels of zoogdieren, die weinig nakomelingen hebben waardoor mortaliteit van de nakomelingen een belangrijke factor is”. Kort samengevat zijn vanwege het grote aantal nakomelingen van insecten de effecten op verlies van leefgebied waarschijnlijk van veel grotere invloed dan de effecten veroorzaakt door aanvaring of barotrauma (schade door druk) door de aanwezigheid van windturbines. Uit bestaande literatuur naar de vlieghoogtes van verschillende vogel- en vleermuissoorten kan inzicht worden verkregen in de soortgroepen die bij verschillende ashoogtes risico’s op aanvaring ondervinden (Van Lierop & Heunks, 2018; Smits & Dirksen, 2008; Dirksen, Spaans, & Van der Winden, 1996; Thaxter, Ross-Smith, & Cook, 2016). De info hierover is beperkt en indicatief. Er ontbreekt een breed georiënteerd onderzoek naar dit onderwerp (zie ook Paragraaf 6.2).
Uit onderzoek naar grote windturbines blijkt dat naast de vlieghoogte van deze soortgroepen, de hoogte van de windturbine en de draaisnelheid van de rotoren van belang zijn bij het inschatten van mogelijke effecten (De Grijs, 2018; Thelander, Smallwood, & Rugge, 2003; Drewitt & Langston). Ook is bekend dat de sterftecijfers vanwege aanvaringen voor zowel vogels als vleermuizen hoger is in gebieden waar veel vogel- of vleermuisactiviteit is (Minderman, Fuentes-Montemayor, Pearce-Higgins, & Pendlebury, 2014). De conclusies die gevonden zijn in beschikbare literatuur zijn hieronder samengevat per soortgroep.
Vogels • •
• •
22
Vogels lijken kleine windturbines niet te vermijden (Minderman, J., Pendlebury, Pearce-Higgings, & Park, 2012). Mogelijk zijn de rotoren van kleinere windturbines slechter zichtbaar dan die van grote windturbines door het kleinere rotoroppervlakte en hogere draaisnelheid. Ook het toepassen van patronen met hoog contrast, lichtgevende of UV-reflecterende verf leidt niet tot significant minder aanvaringen met vogels (Winkelman, Kistenkas, & Epe, 2008). Het merendeel van de vogelslachtoffers rondom windturbines vallen ’s nachts, in de avond- of ochtendschemering, of tijdens slechte weersomstandigheden zoals mist, regen en harde wind (Marques, et al., 2014). Met name grotere vogels lopen een hoog risico op aanvaring met kleine windturbines. Dit heeft vermoedelijk te maken met beperkte wendbaarheid. De soort met het hoogste risico is de kerkuil. Ook andere uilen lopen hoog risico, evenals meeuwen, ganzen, roofvogels, zwaluwen en akkervogels, waaronder veel zangvogels. Voor vogels
Datum: 1 december 2023
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
•
is de aanvaringskans groot als zij binnen een straal van 100 meter van het erf broeden. Vogels lopen minder risico als zij klein en wendbaar zijn (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020). Aanvaringsslachtoffers onder vogels worden gevonden onder kleine windturbines. Het betreft met name soorten die op en direct rond de boerenerven voorkomen (broeden) (Jonge Poerink, 2023). Gedurende het onderzoeksjaar 2022 zijn tijdens het slachtofferonderzoek in Groningen dertig vogelslachtoffers waaronder negen vogelsoorten gevonden. Hiervan zijn de huiszwaluw, spreeuw, houtduif en wilde eend meerdere keren aangetroffen. Alle eendenslachtoffers zijn tijdens de voortplantingsperiode gevonden. De hoogste aantallen slachtoffers onder spreeuwen en zwaluwen zijn tussen juli en september aangetroffen. Het is belangrijk om te benoemen dat de gevonden slachtoffers geen volledig beeld geven van de werkelijke aantallen. Op basis van de vindkans is een werkelijk aantal slachtoffers ingeschat. Het totale aantal geschatte werkelijke vogelslachtoffers is 26,2 (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023).
Vleermuizen •
•
• • • • •
•
Hoewel effecten op vleermuizen op een schaal van 100 m van de windturbine kunnen plaatsvinden, ligt het grootste risico binnen 25 m. In het onderzoek naar vleermuizen van het geslacht pipistrellus (o.a. de gewone en ruige dwergvleermuis) werd verminderde vleermuisactiviteit gemeten binnen 100 m van kleine windturbines (in het onderzoek <25 m ashoogte), wat indiceert dat vleermuizen negatieve effecten als verstoring ondervinden van de windturbines waardoor zij deze vermijden (Minderman, Gillis, Daly, & Park, 2017). In eerder onderzoek bleek dit effect nog sterker binnen 25 m van de kleine windturbines. Vleermuizen lijken kleine windturbines als deze in functie zijn te vermijden wanneer zij binnen 0-5 m van de windturbine komen (Minderman, J., Pendlebury, PearceHiggings, & Park, 2012). De reden dat vleermuizen windturbines lijken te vermijden is nog onduidelijk. Mogelijk speelt de weerkaatsing van echolocatiepulsen een rol, die van de draaiende turbinebladen af onregelmatig kan zijn. Hierdoor zouden vleermuizen moeite met navigeren kunnen hebben. Ook geluidsverstoring kan een rol spelen. Het kan bijvoorbeeld dat vleermuizen niet willen foerageren nabij het geluid van de windturbine (Minderman, Gillis, Daly, & Park, 2017).
Hoewel uit het onderzoek van Minderman, Gillis, Daly & Park (2017) indiceert dat vleermuizen kleine windturbines vermijden, geven andere onderzoeken verschillende resultaten weer. Een mogelijke verklaring is de kleine schaal van het onderzoek van Minderman, wat zich alleen richt op vleermuizen van het geslacht pipistrellus. Gedrag van vleermuizen rond windturbines kan verschillen per vleermuissoort. Vleermuizen van het geslacht Myotis jagen bijvoorbeeld meer op basis van structuurelementen, waardoor deze dichter bij de turbines komen dan sommige andere vleermuizen (Hartmann, et al., 2021). Daarnaast is de onderzoekssample van het onderzoek gering. Onderzoek van Hartmann lijkt juist aan te wijzen dat kleinere windturbines meer vleermuisslachtoffers veroorzaken dan grote kleine windturbines (Hartmann, et al., 2021). Mogelijk zijn kleine windturbines voor vleermuizen lastig op te merken en te ontwijken vanwege de in de regel trage vliegsnelheden van vleermuizen en het gebrek aan inschatten door middel van zicht of echolocatie van snelheid en afstand tot de rotoren (Rydell, et al., 2010). Voor vleermuizen is de sterfte hoger wanneer de windturbine nabij gebouwen, heggen en lijnvormige elementen is geplaatst (Minderman, Fuentes-Montemayor, Pearce-Higgins, & Pendlebury, 2014).
Vanwege de gevoeligheid voor windsnelheid van vleermuizen vallen de meeste slachtoffers in nachten waarbij de windsnelheid onder de 4-6 m/s ligt (Rydell, et al., 2010; De Grijs, 2018; Winkelman, Kistenkas, & Epe, 2008) Voor vleermuizen is de aanvaringskans groot als er structurele vliegbewegingen op de windturbinelocatie plaatsvinden, bijvoorbeeld bij potentiële verblijfplaatsen of vliegroutes (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020; Tuitert Natuuronderzoek & Natuurbank Overijssel, 2022). Met name de rosse vleermuis, grootoorvleermuis, tweekleurige vleermuis en de gewone en ruige dwergvleermuis lopen een hoog risico op aanvaring. Ruige dwergvleermuizen lijken langs de mast van een windmolen omhoog richting de wieken te vliegen op zoek naar insecten. Daardoor is de gevoeligheid van deze soort relatief hoog. Het risicobeeld is gebaseerd op het gedrag en de vlieghoogte van vleermuizen. Bij het lopende onderzoek in Groningen naar slachtoffers onder vleermuizen zijn meer slachtoffers aangetroffen dan eerder verwacht (Jonge Poerink, 2023). In het onderzoeksjaar 2022 bestonden de aangetroffen vleermuisslachtoffers uit 9 individuen van de gewone en ruige dwergvleermuis. Ook voor vleermuizen is een inschatting gemaakt van het werkelijke aantal slachtoffers op basis van de vindkans.
Voor de gewone dwergvleermuis is het geschatte aantal 9,2 dieren en voor de ruige dwergvleermuis 2,6 dieren. Opvallend is dat alleen in de periode juni – september vleermuizen als slachtoffer zijn aangetroffen. Dit kan waarschijnlijk worden verklaard doordat dit binnen de paar- en kraamtijd van deze soorten valt. Het aantal slachtoffers was in augustus, direct na de kraamperiode, het grootst. Dit is net na de kraamtijd, waardoor het mogelijk gerelateerd is aan de grotere aantallen jonge dieren, en net aan het begin van de paartijd, waarin vleermuizen het meest actief zijn en daarom grotere kans op aanvaring hebben. Van november tot en met maart houden vleermuizen hun winterrust, waardoor zij weinig buiten actief zijn (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). 23
ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND
4.3 Afbakening typen effecten van grote kleine windturbines Op basis van de beschikbare literatuur zijn vijf typen effecten van windturbines op vogels en vleermuizen te onderscheiden. In deze Paragraaf zijn deze effecten opgesomd en afgebakend tot de effecten die het meest relevant zijn voor dit onderzoek. Door het plaatsen van grote kleine windturbines op boerenerven zijn de volgende typen effecten op vogels en vleermuizen in de gebruiksfase te verwachten: • Doden/verwonden van individuen door kans op aanvaring met de wieken van de windturbine; • Negatieve effecten op grootschalige open landschappen, zoals kwaliteitsvermindering van het leefgebied door inbreuk op het open karakter (zie ook barrièrewerking); • Verstoring door geluid; • Oppervlakteverlies van leefgebied; • Barrièrewerking door versnippering van leefgebieden. Voor barrièrewerking en negatieve effecten op grootschalige open landschappen geldt dat dit niet direct optreedt bij het plaatsen van één solitaire grote kleine windturbine. Barrièrewerking speelt met name wanneer windturbines in linie geplaatst worden langs migratieroutes. De directe overlevingskracht bij de plaatsing van een solitaire grote kleine windturbine zal hier dan ook niet direct door afnemen. Het oppervlakteverlies op erfniveau als gevolg van de plaatsing van een grote kleine windturbine is eveneens beperkt.
Wel dient er rekening gehouden te worden met mogelijke cumulatieve effecten bij grootschalige toepassing van grote kleine windturbines op meerdere erven. Het grootste risico bij het plaatsen van grote kleine windturbines voor vogels en vleermuizen betreft het aanvaringsrisico in de gebruiksfase. Deze effecten zijn zowel mogelijk bij kleine windturbines als grote kleine windturbines. Echter, doordat grote kleine windturbines een hogere tiphoogte hebben dan kleine windturbines, zijn er verschillen in effecten per soortgroep. Om vast te stellen welke soort(groepen) mogelijk risico’s ondervinden van kleine en grote kleine windturbines is het beschouwen van soort specifieke kenmerken zoals vlieghoogte, vlieggedrag, groepsgedrag, zichtvermogen, omvang en locatie leefgebied, voorkeursbiotoop en jaarlijkse trekbewegingen van broed- naar overwinteringsgebieden (migratie) van belang (Sierdsema, Foppen, van Els, Kampichler, & Stahl, 2021; Winkelman, Kistenkas, & Epe, 2008). Deze kenmerken verschillen sterk per soort en jaargetijden. Tot slot dient rekening gehouden te worden met verschillende typen vliegbewegingen die op verschillende hoogtes afspelen. Een voorbeeld is de dagelijkse trekbewegingen van en naar voedsel- en slaapgebieden.