1 - Toelichting bestemmingsplan Meije 86, Nieuwkoop
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp De geplande bodemverstoring met de bouw van drie woningen is wat groter. Waarschijnlijk zullen deze woningen ook op palen worden gefundeerd. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat het slaan of schroeven van palen gepaard gaat met minimale bodemverstoring. Indien ontgravingen in het plangebied beperkt blijven (bij voorkeur worden de nieuwe woningen op een ophoging geplaatst) en indien de woningen worden gefundeerd op palen die in evenwijdige rijen op een onderlinge afstand van tenminste 4 m staan acht het bureau geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Indien wel ontgravingen plaatsvinden is vervolgonderzoek aan de orde om de impact van deze ontgravingen op eventuele archeologische resten in beeld te brengen. In eerste instantie is hiertoe een verkennend booronderzoek (inventariserend veldonderzoek – verkennende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode. De implementatie van dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Nieuwkoop. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
4.8.2.2 Situatie plangebied Het plangebied ligt volgens de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland in een gebied dat is aangeduid als ‘kroonjuweel Meije’. Dit is een boerderijlint langs gelijknamig veenriviertje. Kenmerkend hierbij is het historisch beeld van ijle lintbebouwing met boerderijen en arbeiderswoningen en een gaaf dwarsprofiel van onverbrede weg, wegsloten en beplanting. Door ontbreken van achterliggende bebouwing is sprake van een sterke relatie met het omringend gebied. Voor kroonjuwelen geldt de algemene sturingsrichtlijn behoud van uitzonderlijke kwaliteit. Met deze richtlijn wordt aangegeven hoe de provincie in beginsel met ontwikkelingen wil omgaan wat betreft cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. Cultuurhistorie is hier dé drager van ruimtelijke ontwikkeling. Uitgangspunt is om bij toekomstige ontwikkelingen: zowel de structuur alsook van fysieke elementen (gebouwen, waterlopen, kades, e.d.) te behouden en versterken van door het herkenbaar houden van de ruimtelijke kenmerken hiervan (verkavelingspatroon, openheid, bebouwingsstructuur, profiel van kades, wegen en waterlopen). Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die strijdig zijn met genoemd uitgangspunt de cultuurhistorische en landschappelijke belangen in principe prevaleren boven andere belangen c.q.
dat ruimtelijke ontwikkelingen die strijdig zijn met genoemd uitgangspunt in principe uitgesloten zijn (tenzij sprake is van een groot openbaar/maatschappelijk belang). Ruimtelijke ontwikkelingen die passen binnen genoemd uitgangspunt zijn in principe mogelijk. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast, waarbij de richtlijnen van de provincie Zuid-Holland aangaande het kroonjuweel ‘Meije’ als uitgangspunt dienen. De nieuwe woningen vormen samen een erfensemble dat gesitueerd is op de locatie van de huidige stallen en schuren en dat past binnen de structuur van het lint Meije en waarmee het lint behouden blijft. Zie hiervoor ook bijlage 1 van deze toelichting. Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt verder dat in (de nabije omgeving van) het plangebied geen monumentale gebouwen aanwezig zijn waar de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten op zou kunnen hebben.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 4.8.3
Conclusie
Indien ontgravingen in het plangebied beperkt blijven (bij voorkeur worden de nieuwe woningen op een ophoging geplaatst) en indien de woningen worden gefundeerd op palen die in evenwijdige rijen op een onderlinge afstand van tenminste 4 m staan is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Indien wel ontgravingen plaatsvinden is vervolgonderzoek aan de orde om de impact van deze ontgravingen op eventuele archeologische resten in beeld te brengen. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ behouden. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.9
Besluit Milieueffectrapportage
4.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
4.9.2
Situatie plangebied
4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt naast een Natura 2000-gebied ‘‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. Zoals in paragraaf 4.7.2.1 en bijlage 5 (stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er voor de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel kan geoordeeld worden dat er sprake is van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’
Getoetst dient te worden of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of er met het voornemen sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toestaan van vier burgerwoningen in het buitengebied van Nieuwkoop. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in de huidige situatie ter plaatse van het plangebied een (voormalig) agrarisch bedrijf is gevestigd met meerdere schuren en stallen en een bedrijfswoning.
Deze bedrijfswoning zal omgezet worden naar een van de vier burgerwoningen. Er is dus sprake van het realiseren van drie extra woningen. Daarnaast wordt er ruim 2.975 m2 bedrijfsbebouwing gesloopt. Geconcludeerd wordt dat door voorgenomen ontwikkeling een milieubelastende inrichting (agrarisch bedrijf) wordt opgeheven waarvoor uitsluitend woningen terugkomen. Hiermee is er sprake van een verbetering van de milieusituatie in en rondom het plangebied. Op de schaal van Nieuwkoop is qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de omgeving. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Het voornemen is een kleinschalig project dat beschouwd kan worden als een kleinschalig project. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in bijlage D van het Besluit m.e.r.. Het Besluit m.e.r. is daarmee niet van toepassing en er hoeft geen expliciet (vormvrije) m.e.r. beoordelingsbesluit te worden genomen.
4.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
4.10
Luchthavenindelingbesluit (LIB)
4.10.1 Algemeen Het rijksbeleid voor Schiphol is geformuleerd in het Luchthavenindelingbesluit (LIB), zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2018. In dit besluit is een beperkingengebied opgenomen waarbinnen beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidsbelasting.
4.10.2 Situatie plangebied Het plangebied ligt buiten de grens van een 'beperkingengebied', zoals opgenomen in artikel 1.2.1 en bijlage 2 van het LIB. Ook valt het plangebied buiten de LIB-zone 'Beperking bebouwing' zoals opgenomen in bijlage 3 van het LIB en 'Beperking aantrekken vogels' (bijlage 5 LIB) . De hoogtebeperkingen zoals opgenomen in bijlage 4 van het LIB zijn evenmin van toepassing voor het plangebied.
4.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen belemmering oplevert voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling, omdat de beoogde bebouwing buiten het beperkingengebied ligt van het LIB, zodat de aanwezigheid van Schiphol en het LIB geen invloed heeft voor dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
HOOFDSTUK 5
WATERASPECTEN
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
5.1.3
Provinciaal beleid
Het waterbeleid voor de periode 2016 tot 2021 van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 en de relatie met andere Besluiten, Verordeningen, Agenda’s etc. Dit betreft een herziening en geen nieuw beleid, actualisatie zal in samenwerking met betrokken partijen/overheden worden opgepakt. De ambities uit bovenstaande stukken zijn onder andere: het aangrijpen van de zandige versterking van de Noordzeekust om de regio, ruimtelijk en economisch, te versterken en extra aandacht besteden aan de economische kant van water. Daarnaast gaat het om betaalbaar waterbeheer waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit en duurzaamheid. Tevens dient er aandacht te zijn voor het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van Nederland. In het beleid zijn maatregelen en kosten opgenomen, waaronder tevens maatregelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water.
5.1.4
Beleid waterschap Hoogheemraadschap van Rijnland
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HH van Rijnland). Dit waterschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. Daarnaast wordt de Watertoets uitgevoerd. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021.
Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen.
Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.
Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2.2
Watertoetsproces
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Binnen het plangebied geldt ook de bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Binnen deze bestemming mag er niet zomaar gebouwd worden. Er is daarom contact opgenomen met het waterschap door het ontwerpbestemmingsplan te sturen. Het waterschap heeft geen bezwaar tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding en voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
6.2.2
Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp • • • • •
6.2.4
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijkingen van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels; Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksregels en onder welke voorwaarden bepaalde gebruiken zijn toegestaan; Afwijkingen van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksregels en gebruiken.
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich voornamelijk voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Hierin zijn regels opgenomen omtrent de gevallen waarbij bouwgrenzen mogen worden overschreden. Daarnaast zijn hier regels opgenomen omtrent parkeren, dakkappellen en bruggen.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Hierin zijn regels opgenomen omtrent de het gebruik wat in ieder geval in strijd met de bestemmingen is. Daarnaast zijn hier regels opgenomen omtrent parkeren.
•
Algemene aanduidingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de regels die gelden voor de gebiedsaanduiding ‘overige zone – landschapstype oeverwallen’ beschreven. De gebiedsaanduidingen ‘overige zone – meije graslanden’ en ‘wetgeving zone – wijzigingsgebied’ hebben betrekking op agrarische gronden. De agrarische bestemming is omgezet naar een woonbestemming, waardoor deze twee gebiedsaanduidingen geen betrekking meer hebben op het plangebied en daarmee vervallen.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Algemene wijzigingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten de regels in het bestemmingsplan te wijzigen.
•
Overige regels (Artikel 13) In dit artikel worden de geldende wettelijke regelingen van toepassing.
6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
Water (Artikel 3) De insteekhaven naast de bestaande (bedrijfs)woning worden vastgelegd middels een waterbestemming. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: water; het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke waarden; bruggen; extensief recreatief medegebruik; groenvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en/of waterkering en bestaande steigers en bruggen. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd binnen deze bestemming, maar aanlegsteigers, en bruggen zijn wel mogelijk middels een afwijkingsvergunning.
Wonen (Artikel 4) De gronden ter plaatse van de beoogde woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor het wonen, al dan niet met aan-huis-gebonden beroepen, mantelzorg en bijbehorende tuinen en erven. In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen regels voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Voor alle gevallen zijn maatvoeringseisen opgenomen. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Ter plaatse van het plangebied zijn maximaal 4 woningen toegestaan. De voorgevel van de woning is naar het centrale erf gekeerd. Het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 80 m2 per nieuwe woning. Voor de bestaande woning zal een oppervlak van 150 m2 gelden middels een aanduiding. Voor de hooischuur is een aanduiding opgenomen om deze te behouden. Tevens is het mogelijk om binnen deze bestemming overkappingen op te richten, die niet meer dan 20 m2 per woning bedragen en waarbij geldt dat niet meer dan 50 % van het bouwperceel mag worden bebouwd. Ook gelden er ter plaatse van deze woonbestemming voorwaardelijke verplichtingen ter bescherming van de flora en fauna ter plaatse en het uitvoeren van een nader bodemonderzoek, en daaruit voorkomend een eventuele sanering en de sloop van de voormalige agrarische bebouwing.
Waarde – Archeologie 1 (Artikel 5) Voor dit gebied is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel.
Waterstaat - Waterkering (Artikel 6) In het belang van de aanwezige waterkeringen, met bijbehorende beschermingszone(s) in het plangebied is er een beschermingszone opgenomen. Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. De bestemming Waterstaat - Waterkering'' heeft voorrang op de andere daar voorkomende enkelbestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval worden de gemeentelijke kosten, op basis van de legesverordening, verhaald op initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt tevens een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
HOOFDSTUK 8 8.1
Vooroverleg
8.1.1
Het Rijk
INSPRAAK, VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
8.1.2
Provincie Zuid-Holland
Het ontwerpbestemmingsplan is naar de provincie opgestuurd.
8.1.3
Waterschap HH van Rijnland
Het ontwerpbestemmingsplan is naar het waterschap Hoogheemraadschap van Rijnland gestuurd. Het waterschap heeft geen bezwaar tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig.
8.1.4
Liander
Het ontwerpbestemmingsplan is naar Liander gestuurd. Vanuit Liander zijn er geen planologische opmerkingen op het bestemmingsplan.
8.1.5
Veiligheidsregio Hollands Midden
Het ontwerpbestemmingsplan is naar de veiligheidsregio gestuurd. De veiligheidsregio heeft daarop een advies opgesteld om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en / of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren. Doordat de opkomsttijd van de brandweer met circa vier minuten wordt overschreden, wordt geadviseerd om aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen bij de bouw mee te nemen. En bij de inrichting van het perceel dient rekening gehouden te worden met de bereikbaarheid van de individuele objecten. Een beoordeling van de maatregelen en het restrisico is ter nadere uitwerking voor de bouwaanvraag.
8.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij dit plan wordt afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan.
8.3
Zienswijzen
Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening zal het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Deze paragraaf wordt na afloop van deze periode ingevuld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 3
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 4
Aanvullend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 5
Stikstofonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 6
Quickscan natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 7
Nader onderzoek huismussen en dagactieve broedvogels
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 8
Archeologisch bureauonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
Bijlage 9
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63