1 - Toelichting bestemmingsplan Meije 86, Nieuwkoop
Tekst van het document
3.4.1.3 Conclusie Het voornemen bestaat uit saneren van landschapsontsierende bebouwing van een agrarisch bedrijf in een gebied dat grenst aan een Natura2000-gebied. Op het voormalige agrarische erf worden vier woningen ingepast, waarvan een de bestaande bedrijfswoning is. Deze woningen vormen gezamenlijk een erf, waarbij het karakter van het buitengebied en het voormalige agrarische erf behouden blijven. Zie ook bijlage 1 van deze toelichting. Het plangebied ligt binnen de Meijegraslanden. De overige gronden van het voormalig agrarische bedrijf (de gronden buiten het plangebied) worden overgedragen aan natuurbeheer waarmee de ontwikkeling ruimte biedt aan de natuur. De ontwikkeling wordt passend geacht binnen de doelstellingen van de Omgevingsvisie.
3.4.2
Structuurvisie Nieuwkoop 2040
3.4.2.1 Algemeen De structuurvisie Nieuwkoop 2040 is in 2011 vastgesteld. Het is een heldere blik op de toekomst waaraan de inwoners, belangenorganisaties, raadsleden en ambtenaren hard gewerkt hebben. Deze visie geeft een handvat om plannen voor de toekomst van Nieuwkoop goed en vanuit een bepaalde gedachte uit te werken.
3.4.2.2 Toekomstbeeld Nieuwkoop 2040 Een groene, dynamische en op duurzaamheid gerichte gemeenschap met sterke contrasten tussen de kernen, het agrarisch landschap en het natuurgebied. Nieuwkoop is in 2040 een duurzame gemeente die op zijn eigen manier sterk bijdraagt aan een mooi en vitaal Groene Hart. Daarbij richt de gemeente zich op kansrijke thema’s voor de toekomst: rust, groen en ruimte voor de stedeling, duurzaamheid en het uitbouwen van het netwerk van de Hollandse Plassen. In 2040 is gemeente Nieuwkoop een belangrijke schakel in de verschillende regionale netwerken zoals de keten van natuur- en recreatiegebieden door het Groene Hart. Nieuwkoop benut haar goede ligging nabij Aalsmeer en Schiphol met de bijbehorende werkgelegenheid voor een bijdrage van 200ha duurzame glastuinbouw aan een sterke greenport die draait om bloemen en planten. Nieuwkoop ziet daarbij kansen voor een hoogwaardige openbaar-vervoerverbinding (een RijnMeerlijn) tussen Alphen aan de Rijn en Schiphol. Nieuwkoop ziet de Oude Rijnzone als de plek voor grootschalige bovenregionale bedrijventerreinen. In 2040 hebben de 13 kernen van de gemeente elk hun eigen karakter, afhankelijk van hun omvang en ligging. De gemeente is dynamisch en ondernemend: er is werkgelegenheid op velerlei terrein met een versterking van zorg, recreatie, toerisme en streekeigen producten.
De bedrijventerreinen in Nieuwkoop laten zich karakteriseren als: duurzaam, arbeidsintensief, innovatief, verkeersextensief en met ruimtelijke kwaliteit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp In 2040 zijn de Hollandse Plassen in het Groene Hart op de kaart gezet als dé achtertuin voor de noordelijke Randstad met een belangrijke betekenis voor natuur- en waterrecreatie. De Hollandse Plassen zijn een recreatief en natuurlijk waternetwerk van plassen, vaarten en kanalen. Elke plas heeft daarin zijn eigen karakter. De Nieuwkoopse Plassen voegen aan dat palet van Hollandse Plassen specifiek iets toe op het gebied van natuur en extensieve recreatie. Men komt in Nieuwkoop voor rust en ruimte en om te genieten van het water. De gemeente Nieuwkoop biedt zijn circa 27.000 inwoners in 2040 nog steeds een heerlijk rustige leefomgeving op relatief korte afstand van de grotere steden. De sterke sociale structuur is de basis voor een opmerkelijk voorzieningenniveau. Nieuwkoop heeft in 2040 een aantal woningen bijgebouwd, in de eerste plaats bestemd voor de natuurlijke aanwas van de eigen gemeente met aanbod voor starters op de huizenmarkt en ouderen. Bestaande verouderde bebouwing is geherstructureerd. Nieuwe woongebieden zijn aangelegd met oog voor bereikbaarheid en met voldoende groen en water. Er zijn een aantal bijzondere woonmilieus toegevoegd die aansluiten bij het credo ‘mooi, landelijk wonen’. De plannen richten zich in dat geval op een hoogwaardige afronding van de dorpsgrenzen.
Wonen aan het water is in 2040 een echte Nieuwkoopse kwaliteit.
3.4.2.3 Deelgebied Nieuwkoopse plassen Per deelgebied wordt hieronder beschreven waar Nieuwkoop in 2040 staat. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Nieuwkoopse plassen’. Het deelgebied Nieuwkoopse plassen van de gemeente kenmerkt zich door de aanwezigheid van (water-) natuur, recreatie, wonen aan het water. Wonen en werken in dit gedeelte van de gemeente zijn verknoopt aan recreatie en toerisme (wandelen, fietsen, vissen, kanoën). De natuur en de recreatieve en toeristische voorzieningen zullen een trekpleister zijn voor de eigen bevolking, maar ook voor die van ver daarbuiten. Voorwaarde is dat het gebruik de natuur niet verstoort en het gebied voor de recreatie passend ontsloten wordt en er voldoende parkeergelegenheid is. De Nieuwkoopse Plassen zijn in 2040 een natuurgebied van formaat waar ook sommige passende vormen van extensieve recreatie plaatsvinden. Hier kun je de Natte As door Nederland van heel dichtbij meemaken. De dorpen Nieuwkoop en Noorden hebben zich helemaal gericht op ‘groenblauwe‘ thema’s. Naast de Nieuwkoopse Plassen zelf zijn de Meije graslanden van grote waarde. De afstemming en samenwerking met de provincies Utrecht en Zuid-Holland in het kader van het Venenproject en de Meijegraslanden is belangrijk. Hier zal ook het beheerplan Nieuwkoopse Plassen (Natura 2000) een rol spelen.
De omslag naar meer toerisme en recreatie en naar natuurontwikkeling en verbreding van de agrarische sector biedt kansen voor nieuwe vormen van werkgelegenheid. Het bestaande bedrijfsterrein aan de noordzijde van het dorp Nieuwkoop zal na de geplande uitbreiding richting 2040 innoveren. Dit wil zeggen dat bedrijven op dit terrein hoogwaardiger worden en steeds beter passen bij het profiel van dit deelgebied.
3.4.2.4 Bouwen voor de toekomst Het realiseren van een aantal woningbouwplannen aan enkele bestaande vitale dorpskernen is nodig om de bovenstaande transformatie deels te financieren en om deze dorpskernen levendig te houden. Met vitale dorpen worden dorpen bedoeld die voldoende draagvlak hebben op het gebied van voorzieningen zoals scholen, winkels en zorg. De dorpskernen in Nieuwkoop hebben te maken met migratieverlies omdat de woningbouw binnen de toegestane contouren trager verloopt vanwege de complexe herstructureringsproblematiek, proceduredruk en door de afname van de woningbezetting. Dit migratieverlies zal worden omgebogen door een grotere en gedifferentieerde woningbouwinspanning rond enkele kernen, die aansluit op de woningbehoefte van kernen waar dat zinvol kan zijn. Te strak vasthouden aan contouren heeft merkbaar negatieve effecten. Om het landschap kwalitatief op peil te houden is economisch draagvlak nodig. Bij het ontwikkelen van nieuwe woonmilieus worden daarom combinaties gemaakt met natuur en water. Nieuwkoop biedt mogelijkheden om in een pilot hieraan invulling te geven. Vitale dorpen maken Nieuwkoop een sterke en mooie gemeente. Ontwikkeling van het gebied rond het Meijepark en omgeving (o.a.
sanering van het terrein van de voormalige camping) vraagt aanvullende kostendragers met mogelijke effecten op het aantal te realiseren recreatievoorzieningen en reguliere woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 3.4.2.5 Conclusie In de structuurvisie van de gemeente Nieuwkoop is veel aandacht voor de natuur die aanwezig is in de gemeente. De Meijegraslanden zijn daarbij belangrijk. Bij het ontwikkelen van nieuwe woonmilieus worden daarom combinaties gemaakt met natuur en water. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt verouderde bebouwing geherstructureerd. Het plangebied is gelegen binnen dit gebied en bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met het omliggende water en natuur. De overige gronden van het voormalig agrarische bedrijf (de gronden buiten het plangebied) worden overgedragen aan natuurbeheer waarmee de ontwikkeling ruimte biedt aan de natuur. In bijlage 1 van de toelichting wordt hier nader op ingegaan. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de structuurvisie van de gemeente Nieuwkoop.
3.4.3
Woonvisie gemeente Nieuwkoop 2016-2025
3.4.3.1 Algemeen De gemeenteraad van Nieuwkoop heeft op 6 oktober 2016 de Woonvisie Nieuwkoop 2016 - 2025 met als motto 'Woningbouw gericht op de behoefte; nu en in de toekomst' vastgesteld. Deze is tot stand gekomen op basis van een woningmarktonderzoek, de veranderingen in de woningmarkt en de input van de verschillende stakeholders. De nieuwe woonvisie brengt de voornaamste ontwikkelingen in de gemeente in beeld en beschrijft het gekozen woonbeleid. De belangrijkste beleidsaspecten in de woonvisie zijn: • • • • • • • •
Het bestaande kernenbeleid blijft het uitgangspunt in de gemeente; Kansen scheppen voor jongeren die de wens hebben om in de gemeente te blijven wonen; Het benutten van de aantrekkingskracht op jonge gezinnen; Het vergroten van de voorraad sociale huurvoorraad; Het vergroten van het aanbod van vrije-sector huurwoningen; Verduurzamen van de woningvoorraad; Stimuleren/creëren van mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te wonen; Voldoende woonmogelijkheden bieden voor mensen met een zorgvraag.
De Woonvisie geeft richting aan de gemeentelijke inzet rond ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en het grondbeleid met als resultaat een woningaanbod dat ook in de toekomst blijft passen bij de bevolking van onze gemeente. Daarnaast stimuleert een gedragen Woonvisie ook andere partijen in de gemeente om een bijdrage te leveren aan het wonen in Nieuwkoop.
3.4.3.2 Nieuwbouw De Woningbehoefteraming (WBR) 2016, opgesteld door de Provincie Zuid-Holland, laat zien dat in de gemeente tot en met 2025 een behoefte is aan ongeveer 1.100 woningen. De 1.100 woningen zijn nodig om de autonome bevolkingsgroei op te vangen. Het huidige bouwprogramma in de gemeente is ruim 800 woningen. Dit laat zien dat de vraag naar woningen (1.100) groter is dan het aanbod (800). De behoefte aan/ de ruimte voor nieuwe plannen benut de gemeente zo veel mogelijk door samen met andere partijen de verschillende volkshuisvestelijke opgaven te realiseren. Het blijft hierbij de voorkeur om nieuwbouw te realiseren in de grotere kernen en binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. Naast de woningen ten behoeve van de groei van de eigen bevolking voorziet de gemeente in de (boven)regionale opgave met de bouw van 330 woningen boven de behoefteraming. De opgaven samen betekenen een bouwopgave van 1.430 (1.100 + 330) woningen tot en met 2025. De beschikbare ruimte tussen de Woningbehoefteraming (WBR) en het bouwprogramma vraagt om nadere invulling. De beschikbare ruimte krijgt invulling vanuit de volkshuisvestelijke opgaven en de onbenutte bouwmogelijkheden. Er zijn binnen de gemeente namelijk nog onbenutte bouwmogelijkheden die buiten het huidige bouwprogramma vallen.
Deze bestaande capaciteit bestaat onder andere uit nog niet gerealiseerde bedrijfswoningen en ruimte-voor-ruimte woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 3.4.3.3 Conclusie Het initiatief maakt vier grondgebonden koopwoningen in het hogere segment mogelijk in het buitengebied van de gemeente Nieuwkoop. De behoefte naar koopwoningen in deze financieringscategorie is groot. De planontwikkeling levert een bijdrage aan de uitvoering van de Woonvisie om voldoende woningen in de dure koopsector te realiseren. Verder wordt in de Woonvisie beperkt ingegaan op particuliere initiatieven. Er wordt verondersteld dat het voornemen in overeenstemming is met de woonvisie.
3.4.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
HOOFDSTUK 4
MILIEU-EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit Milieueffectrapportage en het luchthavenindelingsbesluit.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De grootte van de bij het type weg horende geluidszone is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De zones uit de tabel gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
De voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting door wegverkeer bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. Voor een hogere waarde geldt een maximum, afhankelijk van de ligging van een geluidsgevoelig object. Het plangebied ligt in buitenstedelijk gebied en bevindt zich binnen de wettelijke geluidszone van de Meije (60 km/uur). In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. De geluidbelasting als gevolg van de Meije bedraagt hoogstens 45 dB (inclusief reductie). Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting exclusief reductie bedraagt hoogstens 50 dB. Dit betekent dat ook voldaan wordt aan de maximale binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit, uitgaande van de verplichte gevelwering van 20 dB. Hieruit blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 4.1.2.2 Railverkeerslawaai De te realiseren woningen liggen niet binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan achterwege blijven.
4.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid.
4.1.2.4 Vliegtuiglawaai Het Rijk wil voldoende groeimogelijkheden voor Schiphol en wil daarom voorkomen dat er meer mensen komen te wonen op plaatsen waar veel vliegtuiggeluid is. In de PKB Nota Ruimte (2004) is een gebied aangewezen waar geen nieuwe woningbouw mag plaatsvinden, de zogenaamde '20KE contour'. Uitgezonderd hiervan zijn woningbouwmogelijkheden die al bestonden volgens het in 2004 vigerende streekplan. In ZuidHolland gaat het om gebieden binnen de rode contouren en om woningen die vanwege de ruimte-voor-ruimte regeling gebouwd mogen worden. In het geval dat binnen de 20KE contour gebouwd wordt, dient wel in het (steden)bouwkundig ontwerp rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vliegtuiggeluid, ten einde de leefomgevingskwaliteit zo veel mogelijk overeind te houden, bijvoorbeeld door een betere geluidsisolatie in het dak toe te passen. Het plangebied ligt buiten het beperkingengebied de 20KE contour, zodat er vanuit vliegtuiglawaai geen beperkingen zijn. Zie verder paragraaf 4.10.
4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Met onderhavig plan vindt er een wijziging van de bestemming ‘Agrarisch’ naar 'Wonen' plaats. Hiermee is sprake van een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik. Er dient middels een bodemonderzoek aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de bestemming 'Wonen'. In voorliggend geval is door EConsultancy een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de conclusies, het volledige rapport is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Na aanleiding van het verkennende onderzoek is een nader bodemonderzoek benodigd.
Hiervan is de eerste fase uitgevoerd, dit rapport is als bijlage 4 toegevoegd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 4.2.2
Onderzoeksresultaten
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, zwak zandig klei. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De bodem direct onder de betonlaag bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De diepere ondergrond bestaat voornamelijk uit zwak kleiig veen. De verdachte bodemlaag is plaatselijk zwak tot sterk puinhoudend. Verder zijn er in de verdachte laag verschillende gradaties van baksteen, kolengruis en asfalthoudend materiaal aangetroffen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de werkzaamheden zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Zintuiglijk zijn in de bovengrond zwakke tot sterke bijmengingen met puinhoudend materiaal, en in verschillende gradaties baksteen, kolengruis en asfalthoudend materiaal aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, zink, minerale olie en/of PAK. Mengmonster MMA01, bestaande uit boringen A02 (traject 0,14-0,30 m -mv) en A09 (traject 0,16-0,40 m -mv), is tevens matig verontreinigd met koper en lood.
Mengmonster MMA03, bestaande uit boringen A05 (traject: 0,10-0,50 m mv), A14 (traject: 0,30-0,50 m -mv), A25 (traject: 0,00-0,50 m -mv) en A28 (traject: 0,30-0,50 m -mv) is matig verontreinigd met zink en minerale olie en sterk verontreinigd met PAK en PCB (Polychloorbifenylen). De ondergrond is licht verontreinigd met lood. De ondergrond van mengmonster MMA09, bestaande uit boringen A05 (traject: 0,5-1,0 m -mv), A15 (traject: 0,5-1,0 m -mv), A21 (traject: 0,5-1,0 m -mv), A28 (traject: 0,5-1,0 m mv) en A30 (traject: 0,5-1,0 m -mv) is sterk verontreinigd met PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en/of molybdeen. Er wordt geadviseerd nader onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van de matige koper- en loodverontreiniging ter plaatse van boring A02 (traject: 0,14-0,30 m -mv) en A09 (traject: 0,16-0,40 m -mv), de matige zink en minerale olie verontreiniging en de sterke PAK- en PCB verontreiniging ter plaatse van boringen A05 (traject: 0,10-0,50 m -mv), A14 (traject: 0,30-0,50 m -mv), A25 (traject: 0,00-0,50 m -mv) en A28 (traject: 0,30-0,50 m -mv) en de sterke PAKverontreiniging in de ondergrond ter plaatse van boringen A05 (traject: 0,51,0 m -mv), A15 (traject: 0,5-1,0 m -mv), A21 (traject: 0,5-1,0 m -mv), A28 (traject: 0,5-1,0 m -mv) en A30 (traject: 0,5-1,0 m - mv), ter bepaling of hier sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Op basis van deze aanvullende gegevens kan nader bepaald worden of er voor het toekomstige gebruik sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Sanerende maatregelen kunnen bestaan in het aanbrengen van een isolatielaag (leeflaag of duurzame verhardingslaag) en/of een open ontgraving. Bij ongewijzigd gebruik van de locatie en het in standhouden van de bebouwing zullen de aangetoonde verontreinigingen hoogstwaarschijnlijk niet tot gebruiksbeperkingen leiden. In het kader van de omgevingsvergunning bouwen wordt geadviseerd om de bovengrond ter plaatse van de bebouwing na verwijdering van de verhardingen te onderzoeken op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Echter, gelet op het bouwjaar (voor 1900) wordt verwacht dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de bebouwing minimaal vergelijkbaar is met de bodemkwaliteit van het overige, onbebouwde (en grotendeels verharde). De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij het bevoegd gezag. Nader onderzoek In navolging op het bodemonderzoek is een nader onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Aanvullend op het verkennend bodemonderzoek zijn van deellocatie A mengmonsters MMA01, MMA03 en MMA09 uitgesplitst, omdat hier sprake was van matige en/of sterke verontreiniging(en). Hierbij is gebruik gemaakt van de grondmonsters van het verkennend bodemonderzoek.
De grond blijkt plaatselijk matig verontreinigd te zijn met minerale olie en lood en sterk verontreinigd te zijn met koper, nikkel, zink, PAK en/of PCB. Econsultancy adviseert om tijdens fase 2 van het nader bodemonderzoek de volgende separate monsters in te kaderen om de aard en mate van de verontreinigingen te kunnen bepalen: MA02 (traject: 0,14 - 0,30 m -mv): sterke zink-verontreiniging; MA05 (traject: 0,10 - 0,50 m -mv): matige minerale olie verontreiniging en sterke PAK-verontreiniging; MA05 (traject: 0,50 - 1,00 m -mv): sterke PAK-verontreiniging; MA14 (traject: 0,30 - 0,50
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp m -mv): matige koper-, lood-, minerale olie verontreiniging en sterke zink-, nikkel- en PCB-verontreiniging. Het betreft derhalve de locaties ter plaatse van boring A02, A05 en A14.
4.2.3
Conclusie
Om de locatie geschikt te maken voor de functie wonen is het nodig een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren en eventueel de gronden te saneren conform een door het bevoegde gezag goedgekeurd saneringsplan of BUS-melding. Er is nog aanvullend bodemonderzoek nodig naar de aangetroffen matige en sterke verontreinigingen. Tevens dient de kwaliteit van de bodem onder de aanwezige bebouwing/verharding nog te worden bepaald. Om dit te waarborgen is een voorwaardelijke verplichting voor het nadere onderzoek en de daaruit voorkomende acties, opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Hierbij is vastgelegd dat het gebied pas voor wonen gebruikt mag worden, nadat er nader onderzoek en eventuele sanering heeft plaatsgevonden.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10.
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
4.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
4.3.3
Conclusie
Op basis van het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 4.4.2
Situatie plangebied
4.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De rode contour geeft het plangebied weer.
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Geconcludeerd wordt dat de locatie: • • • •
4.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNGuitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In de omgeving van het plangebied in weinig sprake van functiemenging. Gelet hierop wordt het plangebied en de directe omgeving aangemerkt als ‘rustige woonwijk’.
Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 4.5.3
Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' is geen milieubelastende functie. Er is dan ook geen sprake van een (onaanvaardbare) aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies.
4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies (nieuwe woningen) hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. De milieubelastende functies in de omgeving betreft de bedrijvigheid die op verschillende plekken aanwezig zijn dan wel zijn toegestaan. De onderstaande tabel toont de voor het plangebied meest relevante vormen van bedrijvigheid die op basis van het geldende bestemmingsplan zijn toegestaan. De daadwerkelijk afstand is van bouwvlak tot bouwvlak gemeten. Voor de agrarische bedrijven wordt opgemerkt dat, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal geldt voor het aspect geur. Hiervoor zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden zoals deze gelden op basis van de Wet geurhinder en veehouderijen van toepassing. In deze paragraaf zijn de richtafstanden bij agrarische bedrijven voor wat betreft het aspect geur daarom buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Functie
Milieucategorie
Grondgebonden veehouderij Meije 57 Kampeerterrein en verblijfsrecreatie Meije 63 Grondgebonden veehouderij Meije 65 Grondgebonden veehouderij Meije 75
Max. 3.2 Max 3.1 Max. 3.2 Max. 3.2
Grootste richtafstand 30 meter (stof, geluid) 50 meter (geluid)
Daadwerkelijke afstand (circa) 144 m
30 meter (stof, geluid) 30 meter (stof, geluid)
40 m
46 m
210 m
Zoals blijkt uit de tabel, wordt in voorliggend geval aan alle richtafstanden ten opzichte van de grondgebonden veehouderijen voldaan (geur buiten beschouwing latend). Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Meije, ligt een recreatieterrein. Dit betreft een kampeerterrein en verblijfsrecreatie waarvan het bouwvlak op circa 46 meter van het plangebied ligt. De dichtstbijzijnde woning in het plangebied is de bestaande bedrijfswoning. Deze woning blijft bestaan en krijgt alleen een nieuwe woonbestemming, waarmee de afstand niet veranderd ten opzichte van de bestaande situatie. Omgekeerd geldt dat het recreatiegebied door het voornemen niet verder wordt beperkt, omdat omliggende woningen dichterbij het recreatiegebied liggen. Ook is het niet aannemelijk dat het recreatiegebied zodanig wordt ingericht dat het kampeerterrein aan de noordzijde van het recreatiegebied komt te liggen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van uit worden gegaan dat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd levert deze ontwikkeling geen belemmeringen op voor de betreffende (agrarische) bedrijven.
4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt ‘de omgekeerde werking’ genoemd. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type Bbedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.
4.6.2
Situatie plangebied
Met voorliggend initiatief wordt voorzien in het toevoegen van drie nieuwe geurgevoelig objecten (de drie nieuwe woningen). Zoals is aangegeven in voorgaand paragraaf (4.5.3.3) bevinden zich in de omgeving van het plangebied diverse agrarische bedrijven. Dit betreffen allen grondgebonden veehouderijen. De dichtstbijzijnde en maatgevende agrarische bouwvlak bevindt zich op circa 40 meter afstand van de geplande woonbestemming. Echter zal het bouwvlak van de woning(en) op minimaal 50 meter liggen, waarmee wordt voldaan aan de vaste afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom, tussen geurgevoelige object en de grondgebonden veehouderij. Tevens ligt de bestaande bedrijfswoning van dit grondgebonden veehouderij aan de oostzijde van het bouwvlak. Deze bedrijfswoning heeft een cultuurhistorische bestemming, waarmee het niet aannemelijk is dat de agrarische bedrijfsgebouwen aan de oostzijde van het agrarische bouwvlak, ter plaatse van deze bedrijfswoning, gebouwd zullen worden. Gelet op vorenstaande worden de omliggende agrarische bedrijven als gevolg van voorgenomen ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering belemmerd en is er in het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast is er ook sprake provinciale natuurbeleid, waaronder het provinciale weidevogelgebied, gebieden met een strategische reservering natuur en karakteristieke landschapselementen. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. Dit Natura 2000-gebied grenst ten westen en noorden aan het plangebied. Daarnaast ligt het projectgebied op circa 6,2 kilometer afstand vanaf het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de voorgenomen ontwikkeling is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet anders dan in de situatie van het agrarische bedrijf. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, is de aanlegfase van de ontwikkeling achterwege gelaten. In de Wsn is namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector opgenomen. Dit houdt in dat de door de bouw mogelijk veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing wordt gelaten bij een natuurvergunning.
De vrijstelling geldt slechts voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw-, sloop en aanleg en andere werkzaamheden en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt. Concreet betekent dit dat de aanlegfase sinds het in werking treden van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering niet meer berekend hoeft te worden. Om de gebruiksfase van het plan te beoordelen is door BJZ.nu een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van het onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige provinciale natuurbeleid Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN grenst ten westen en noorden aan het plangebied en is tevens het hiervoor genoemde Natura 2000- gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. Het plangebied grenst aan, maar overschrijdt geen gronden die tot NNN behoren. Het plangebied ligt daarmee buiten de begrenzing van het NNN. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Naast het NNN gebied dient ook rekening gehouden te worden met de gebieden die de Provincie Zuid-Holland heeft aangewezen voor bescherming van bepaalde natuurelementen.
Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, moet deze aantasting worden gecompenseerd. In voorliggend geval ligt het plangebied op circa 600 meter van het dichtstbijzijnde weidevogelgebied. Daarnaast liggen gebieden met een strategische reservering natuur op circa 14 kilometer afstand. Ook zijn binnen het plangebied geen karakteristieke landschapselementen aanwezig die beschermd zijn op grond van de Omgevingsverordening van Zuid-Holland. Omdat het plangebied buiten deze gebieden ligt, zijn er geen belemmeringen voor het voornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp 4.7.3
Soortenbescherming
In voorliggend geval heeft BJZ.nu ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. Daarnaast is er nader onderzoek uitgevoerd naar huismussen en broedvogels ter plaatse van het plangebied (zie bijlage 7).
4.7.3.1 Quickscan De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor beschermde soorten die niet op de vrijstellingslijst van de provincie staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Vogels Omdat de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van soorten als de huismus en boerenzwaluw niet op voorhand is uit te sluiten, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen of deze soorten de bebouwing in het plangebied gebruiken als nestgelegenheid. Tevens dient een algehele broedvogelscan uitgevoerd te worden om vast te kunnen stellen of de aangetroffen nesten in gebruik zijn en of andere beschermde vogels gebruik maken van het plangebied.
Daarnaast geldt dat voor werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten en het verstoren van vogels buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd dienen te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september tot februari. Vleermuizen Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied, maar gebruiken het wel als foerageergebied. De bebouwing beschikt niet over geschikte kieren en holten die op een verblijfplaats kunnen duiden. Grondgebonden zoogdieren Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Alhoewel niet onmogelijk, wordt niet verwacht dat beschermde en niet vrijgestelde soorten een verblijfplaats het gebied. Het naleven van de zorgplicht wordt als voldoende geacht om de beoogde werkzaamheden plaats te laten vinden. Voorbeelden van geschikte zorgplichtmaatregelen zijn: Bij het aantreffen van dieren/schuilplaatsen gelegenheid te bieden om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de beoogde werkzaamheden; Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Amfibieën Er kan niet worden uitgesloten dat beschermde amfibieën in of aan de randen van het plangebied voorkomen. In de provincie Zuid-Holland geldt een vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing in het geval van een overtreding van de verbodsbepalingen voor algemene amfibieën waaronder bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor de algemene soorten die mogelijk in het plangebied voorkomen is de zorgplicht van toepassing. Alhoewel het plangebied geen geschikte habitat biedt voor beschermde amfibiesoorten sinds het wegvallen van de agrarische bedrijvigheid, valt het niet volledig uit te sluiten dat er een enkel ‘verdwaald’ individu binnen de invloedsfeer van de beoogde werkzaamheden voorkomt. Om overtreding van de Wnb te voorkomen, dienen voorzorgsmaatregelen getroffen te worden ter voorkoming van herintreding. Dit kan in de vorm van een amfibieënscherm rond de locatie(s) waar mogelijke doding voor komt om herintreding te
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp voorkomen. Er wordt geen afname van voortplantingsbiotoop verwacht omdat deze niet binnen het plangebied zelf aanwezig is.
4.7.3.2 Nader onderzoek Huismussen & Dagactieve broedvogels Uit de quickscan blijkt dat de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van soorten als de huismus en boerenzwaluw niet op voorhand is uit te sluiten is. Er is daarom nader onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of deze soorten de bebouwing in het plangebied gebruiken als nestgelegenheid. Het rapport daarvan is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. De resultaten zijn hieronder weergegeven. Huismussen Als gevolg van de beoogde werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op het leefgebied van de huismus. Volgens de huidige plannen blijft het woonhuis bestaan, waardoor er geen nesten aangetast worden. Tevens is vastgesteld dat huismussen geen gebruik maken van de te slopen bebouwing, waardoor geconcludeerd kan worden dat deze niet onder het functioneel leefgebied vallen. Indien besloten wordt de woning wel te slopen, dient er een nieuwe quickscan uitgevoerd te worden om uit te sluiten, danwel aan te tonen, dat andere dieren (vleermuizen) potentieel van de woning gebruik maken. In het kader van huismussen dient er een ontheffing aangevraagd te worden bij het betreffende bevoegd gezag, alsmede mitigerende en compenserende maatregelen getroffen te worden.
Broedvogels algemeen Er zijn gedurende het onderzoek diverse bezette vogelnesten (houtduif, spreeuw, witte kwikstaart) waargenomen in de te slopen bebouwing. Deze soorten genieten geen jaarronde nest bescherming, waarbij het advies geldt om werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren al dan niet vernielen van een bezet nest buiten het broedseizoen uit te voeren (Tussen september en februari). Indien er wel gewenst wordt binnen het broedseizoen te slopen, dient er vastgesteld te worden door een ecoloog dat er op moment van de sloopwerkzaamheden geen bezette nesten aanwezig zijn in de betreffende bebouwing.
4.7.4
Conclusie
Zoals uit de eerder genoemde quickscan (bijlage 6) is enig nader onderzoek benodigd. Uit het nader onderzoek naar huismussen en broedvogels (bijlage 7) blijkt dat huismussen geen gebruik maken van de te slopen bebouwing en wanneer er gesloopt wordt buiten het broedseizoen er geen belemmering is voor het voornemen. Er zal voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan nader onderzoek worden gedaan naar de amfibieën. Zoals hierboven aangegeven is het plangebied geen geschikte habitat voor de beschermde amfibiesoorten sinds het wegvallen van de agrarische bedrijvigheid. Echter omdat het niet volledig is uit te sluiten dat een ‘verdwaald’ individu toch binnen het plangebied voorkomt, dienen voorzorgsmaatregelen getroffen te worden ter voorkomen van herintreding. Dit kan in de vorm van een amfibieënscherm rond de locatie(s) rond het plangebied om herintreding te voorkomen. Er wordt geen afname van voortplantingsbiotoop verwacht omdat deze niet binnen het plangebied zelf aanwezig is. Dit onderzoek is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het voorliggend bestemmingsplan. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming.
De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Onder zorgplichtmaatregelen vallen onder andere: -
Aangetroffen dieren de kans bieden te vluchten of naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden te verplaatsen; Potentiële schuilplaatsen te controleren op de aanwezigheid van schuilende dieren; Dieren enkel buiten de kwetsbare perioden te verstoren; Het plaatsen van een amfibieënscherm; Het tijdig ongeschikt maken van schuilplaatsen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan ‘Meije 86, Nieuwkoop’ Ontwerp
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
4.8.1.2 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied geldt een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1. Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 100 m². Dit is het geval binnen het plangebied. Er is daarom door Laagland Archeologie een actualisatie van een bestaand archeologisch bureauonderzoek (2010) uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn als bijlage 7 aan deze toelichting gevoegd. Hierna worden de conclusies daarvan weergegeven. In 2010 is voor dit gebied reeds een bureauonderzoek uitgevoerd. Op aangeven van de regioarcheoloog is een actualisatie van dit onderzoek opgesteld. Dit betreft een zelfstandige rapportage, waarbij voor veel onderdelen is teruggegrepen op het voorgaande onderzoek. Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een zone met een stroomrug of stroomgordel (3B44). Bodemkundig ligt het gebied in een zone met kalkloze poldervaaggronden (Rn44C); zware klei, profielverloop 4. Op het AHN zijn de bedijkingen en verhogingen langs de Meije goed zichtbaar. Het deel van het erf dat dicht tegen de Meije ligt bevind zich ook op deze verhoging.
Het noordwestelijke deel van het plangebied ligt bijna 1,5 meter lager dan de rest van het plangebied. Op de paleogeografische kaart van de Rijn-Maas delta ligt het plangebied op de Meije stroomgordel (nr. 416). Deze stroomgordel is actief geweest vanaf ongeveer 550 v.Chr. (ca. 2500 BP) tot ongeveer 50 na Chr. (1900 BP). In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Nieuwe Tijd bekend. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als een mix van akker en weiland met een huis met erf. Op de veldminuut uit 1849 zijn zeker 2 gebouwen zichtbaar. Op de kaart uit 1900 zijn ten oosten van deze 2 gebouwen, nog 2 gebouwen bijgebouwd. Op de kaart van 1949 wordt verder een draaibrug ten oosten van het plangebied vermeld. De oudste twee gebouwen bevinden zich aan de westkant van het onderzoeksgebied. Op basis van het eerder uitgevoerde bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor archeologische sporen van de Romeinse Tijd tot en met de Nieuwe Tijd. Resten vanaf de Romeinse tijd tot circa de Vroege Middeleeuwen liggen in de top van de oeverwalafzettingen. Vanaf de Vroege Middeleeuwen heeft het riviertje De Meije een dun kleipakket afgezet. Vanaf ongeveer 1000 na Chr. werden de oeverwallen van De Meije gebruikt als ontginningsbasis van het achterliggende veengebied.
Voor resten uit de Late Middeleeuwen geldt daarom eveneens een hoge verwachting. Vanaf in ieder geval 1849 is het plangebied bewoond geweest, zodat ook voor de Nieuwe Tijd uitgegaan moet worden van een hoge verwachting. De actualisatie geeft geen aanleiding bovenstaande verwachting aan te passen. In het voorgaande bureauonderzoek werd geen vervolgonderzoek geadviseerd, aangezien de geplande bodemverstoring (bouw van nieuwe schuur op 16 heipalen) beperkt bleef.