2024-075 Bijlage 4 - BP Wierselaan 243 - bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Hoogte 1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
Dag 47,0 49,3 48,2 49,2 51,2
Avond 47,0 49,3 48,2 49,2 51,2
Nacht 47,0 49,3 48,2 49,2 51,2
T02_C T03_A T03_B T03_C T04_A
Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
51,8 54,3 56,3 56,3 54,7
51,8 54,3 56,3 56,3 54,7
51,8 54,3 56,3 56,3 54,7
T04_B T04_C T05_A T05_B T05_C
Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel
4,50 7,50 1,50 4,50 7,50
56,6 56,6 56,6 57,5 57,5
56,6 56,6 56,6 57,5 57,5
56,6 56,6 56,6 57,5 57,5
T06_A T06_B T06_C T07_A T07_B
Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 oostgevel Wiersebaan 241 noordgevel Wiersebaan 241 noordgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
57,1 57,9 58,3 68,6 70,0
57,1 57,9 58,3 68,6 70,0
57,1 57,9 58,3 68,6 70,0
T07a_C T07a_D T08_A T08_B T08a_C
Wiersebaan 241 noordgevel Wiersebaan 241 noordgevel Wierselaan 241 noordgevel Wierselaan 241 noordgevel Wierselaan 241 noordgevel
7,90 10,00 1,50 4,50 7,90
63,0 69,1 66,2 71,0 65,4
63,0 69,1 66,2 71,0 65,4
63,0 69,1 66,2 71,0 65,4
T08a_D T09_A T09_B T09_C T10_A
Wierselaan 241 noordgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel
10,00 1,50 4,50 7,50 1,50
70,4 65,0 73,2 71,2 65,0
70,4 65,0 73,2 71,2 65,0
70,4 65,0 73,2 71,2 65,0
T10_B T10_C T11_A T11_B T11_C
Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel
4,50 7,50 1,50 4,50 7,50
72,2 70,3 63,6 68,2 68,2
72,2 70,3 63,6 68,2 68,2
72,2 70,3 63,6 68,2 68,2
T12_A T12_B T12_C T13_A T13_B
Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
64,2 67,4 67,4 60,9 66,6
64,2 67,4 67,4 60,9 66,6
64,2 67,4 67,4 60,9 66,6
T13_C T14_A T14_B T14_C T15_A
Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
66,6 61,9 66,1 64,9 57,6
66,6 61,9 66,1 64,9 57,6
66,6 61,9 66,1 64,9 57,6
T15_B T15_C
Wierselaan 241 westgevel Wierselaan 241 westgevel
4,50 7,50
60,1 46,1
60,1 46,1
60,1 46,1
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V4.41
12-12-2022 10:46:42
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
RO-advies NWG001-0001 24 juni 2022
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
RO-advies NWG001-0001 20220624-NWG001-RAP-BMZ 1.0 Definitief 24 juni 2022
Opsteller: RVH
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
-+C0RVH+-
Verificatie: LSM
-+R0LSM+-
Validatie: LSM
© 2021 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
-+V0LSM+-
INHOUDSOPGAVE
3.1 3.2 3.3 3.4
Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................................................................... 7 Omgevingstype en milieucategorie................................................................................................................................. 8 Milieubelasting vanuit de omgeving ............................................................................................................................... 8 Nadere beschouwing................................................................................................................................................. 10
3
1
INLEIDING In opdracht van RO-advies is door Kragten een quickscan uitgevoerd naar de haalbaarheid van de herbestemming van het perceel gelegen aan de Wierselaan 243 te Nieuwegein. Het plan heeft momenteel een bedrijfsbestemming. Beoogd is de realisering van 6 (bedrijfs)woningen. Op basis van de richtlijn ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt in deze quickscan beoordeeld of voldaan wordt aan de richtafstanden voor inpassing. Indien niet voldaan wordt aan de richtafstanden, wordt aangegeven voor welke delen van het plan niet wordt voldaan en voor welke milieuaspecten. Tot slot zal in dat geval ook worden aangegeven voor welke delen vervolgonderzoek noodzakelijk is om te bepalen of en onder welke voorwaarden inpassing van het plan is te realiseren.
4
2
SITUATIE Het plangebied is gelegen op een bedrijventerrein aan de oostzijde van Nieuwgein aan de Wierselaan 243. In navolgende afbeelding is de topografische ligging van de planlocatie weergegeven.
planlocatie
Afbeelding 1
Topografische ligging van de planontwikkeling (bron: www.pdok.nl)
Het perceel heeft momenteel de bestemming “bedrijf” met de functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 2”. Ten noorden, westen en oosten van het betreffend perceel liggen bedrijfsbestemmingen in de categorieën 2, 3.1 en 3.2. In zuid- en zuidwestelijke richting liggen woon- en kantoorbestemmingen. Afbeelding 2 geeft de ligging van het plan binnen het vigerend bestemmingsplan.
5
Afbeelding 2
Ligging planlocatie in bestemmingsplan
Een overzicht van de beoogde planindeling is in onderstaande afbeelding 3 weergegeven.
Afbeelding 3
Beoogde planindeling
6
3
BEOORDELING
3.1
Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering” (versie 2009), geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van diverse bedrijfsactiviteiten. Tevens geeft deze publicatie richtafstanden voor het ontwikkelen van bedrijfsactiviteiten in relatie tot het lokale omgevingstype. De publicatie is een hulpmiddel bij de ruimtelijke inpassing van plannen en vormt op basis van vaste jurisprudentie een goed vertrekpunt voor deze beoordeling. Voor de beoordeling van een goede inpassing wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes. De twee omgevingstypes die de VNG hanteert, zijn enerzijds “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en anderzijds “gemengd gebied”. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. De te onderscheiden omgevingstypen worden onderstaand nader getypeerd. Rustige woonwijk en een rustig buitengebied “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.
Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in algemene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. In de tabel 1 zijn de richtafstanden opgenomen zoals deze in de VNG publicatie worden geadviseerd. Tabel 1
Richtafstanden conform VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand (in meters) rustige woonwijk / buitengebied 10 30 50 100 200 300
Richtafstand (in meters) gemengd gebied 0 10 30 50 100 200
De richtafstanden gelden voor verschillende aspecten die tot milieuhinder kunnen leiden. Daarbij is de grootste afstand behorend bij één van de milieuaspecten; geur, stof, geluid en gevaar, bepalend voor de te hanteren richtafstand. Met het respecteren van de grootste afstand behorend bij een bepaalde bedrijfscategorie, wordt zo veel mogelijk hinder bij omwonenden voorkomen en wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun bedrijfsactiviteiten op de betreffende locatie kunnen uitoefenen.
7
3.2
Omgevingstype en milieucategorie De planlocatie is gelegen in een gebied met een afwisseling van bestemmingen (woon-, bedrijfs- en kantoorfuncties). Vanwege deze functiemenging wordt de omgeving volgens gekenmerkt als een gemengd gebied.
3.3
Milieubelasting vanuit de omgeving In afbeelding 4 zijn de (bedrijfs-)bestemmingen in de omgeving van het plangebied weergegeven.
2 3
1
A
2
4
1
Afbeelding 4
Ligging plangebied en in de omgeving aanwezige (bedrijfs-)bestemmingen (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
In afbeelding 4 is het plangebied met “A” weergegeven. Verder zijn, binnen het BP “Vreeswijk Noord” de volgende functies weergegeven: 1. Bedrijf: bestemd voor bedrijven tot en met categorie 2 2. Bedrijf: bestemd voor bedrijven tot en met categorie 3.1 3. Bedrijf’: bestemd voor bedrijven tot en met categorie 3.2 4. Kantoren: bestemd voor wonen bestemd voor kantoren en bijbehorende voorzieningen In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ligging van de richtstanden ten opzichte van het plangebied.
8
3.3.1
bedrijven ten westen en oosten van het plangebied Navolgende afbeelding geeft de richtafstanden behorende bij de bedrijfscategorieën die ten westen en oosten van het plangebied zijn gelegen. Voor kantoren geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 0 meter. Deze bestemmingen worden in deze quickscan verder niet beschouwd.
planlocatie
Afbeelding 5
Richtafstand bedrijfspercelen ten westen en oosten van de planlocatie
Uit afbeelding 5 blijkt dat de richtafstanden van de bedrijfspercelen ten westen van het plan (categorie 2, richtafstand 10 meter) over het plangebied liggen. Aangezien de woningen aan de oostzijde van het plangebied zijn voorzien (zie afbeelding 3) zullen deze bedrijvigheden niet worden belemmerd door de komst van de woningen en zal, ten gevolge van de bedrijven ten westen van het plan, ter plaatse van de woningen sprake zijn van een aanvaardbaar leefklimaat. De richtstafstanden van de bedrijfspercelen (categorie 3.1; 30 meter) ten oosten van de planlocatie reiken wel tot over de beoogde woonbebouwing. Er is derhalve niet zonder meer sprake van voldoende ruimtelijke scheiding. In § 3.4 wordt hierop nader ingegaan.
3.3.2
bedrijven ten noorden van het plangebied In afbeelding 6 zijn de richtafstanden weergegeven voor de bedrijven (categorie 3.1 en 3.2) die ten noorden van de planlocatie zijn gelegen. Hieruit blijkt dat de richtafstand van de percelen waarop bedrijfscategorie 3.1 is toegestaan (ten noordwesten van het plan) niet over het plangebied reikt. Wat deze bedrijfspercelen betreft zullen de bedrijvigheden niet worden belemmerd door de komst van de woningen en za tevens sprake zijn van een aanvaardbaar leefklimaat. De richtafstand van de percelen waarop bedrijfscategorie 3.2 (50 meter) is toegestaan liggen (geheel of deels) over het plangebied, wat betekent dat niet zonder meer sprake is van voldoende ruimtelijke scheiding. Op de mogelijke vervolgstappen wordt in § 3.4 nader ingegaan.
9
Afbeelding 6
3.4
Richtafstand bedrijfspercelen ten noorden de planlocatie
Nadere beschouwing Aangezien het plangebied binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven is gelegen zal nader onderzoek moeten uitwijzen in hoeverre in de praktijk sprake is van voldoende ruimtelijke scheiding. Aangezien in het bestemmingsplan niet over specifieke bedrijfsactiviteiten wordt gesproken zal per milieuaspect (geluid, geur, gevaar, stof) afgewogen moeten worden of omliggende bedrijven in hun activiteiten worden beperkt door planrealisatie en dat ter plaatse van het plan een aanvaardbaar leefklimaat wordt gegarandeerd. Op het gebied van geluid kan dit plaatsvinden door het beschouwen van de geluidvoorschriften (Activiteitenbesluit en omgevingsvergunning) en/of het uitvoeren van akoestische onderzoeken van de omliggende relevante bedrijven. De onderhavige planlocatie maakt bovendien deel uit van de gebiedsaanduiding “industrieterrein”. Uit de regels van het bestemmingsplan is op te maken dat betreffend industrieterrein krachtens de Wet geluidhinder geluidgezoneerd is. Herbestemmen van het beschouwde perceel van bedrijf naar wonen is alleen mogelijk als ook het industrieterrein wordt verkleind (via een planologische procedure). De binnenste begrenzing van de geluidzone moet dan worden aangepast en wellicht ook de buitenste begrenzing van de geluidzone.
Zonder aanpassing van de buitenste begrenzing komt er voor het nieuwe, kleinere industrieterrein (theoretisch) meer geluidruimte beschikbaar. Verder gelden er eisen aan de geluidbelasting voor nieuwbouw binnen de geluidzone van een industrieterrein. De voorkeurgrenswaarde bedraagt 50 dB(A) met een maximale ontheffing tot 55 dB(A). Gezien de zeer korte afstand tussen plangebied en industrieterrein is het niet zeker of dat haalbaar is. Zonebeheerder kan dit inzicht geven. Het niet verkleinen van het industrieterrein houdt in dat de nieuwe woningen dus op het industrieterrein worden gerealiseerd. Het realiseren van woningen op een gezoneerd industrieterrein betekent dat er vanuit de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit geen bescherming gegeven kan worden. Ook vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zijn gevoelige bestemmingen op een gezoneerd industrieterrein onwenselijk. Volgens jurisprudentie voldoet dit niet aan een goed woon- en leefklimaat.
10
4
CONCLUSIE In opdracht van RO-advies is door Kragten een quickscan uitgevoerd naar de haalbaarheid van de herbestemming van het perceel gelegen aan de Wierselaan 243 te Nieuwegein. Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. De omgeving van het plangebied is getypeerd als gemengd gebied. Uit de uitgevoerde beoordeling blijkt dat de richtafstand van de bedrijfsbestemming met maximaal milieucategorie 2 niet tot aan het plangebied reiken. Voor deze percelen zal geen sprake zijn van belemmering van activiteiten door planrealisatie en zal ter plaatse van het plan een aanvaardbaar leefklimaat worden gegarandeerd. Voor de bedrijfspercelen die ten oosten, noorden en noordoosten van het plan zijn gelegen (bedrijfscategorie 3.1 en 3.2) geldt dat de richtafstanden over het plangebied liggen. Aanvullend onderzoek zal voor deze percelen moeten uitwijzen of sprake is van voldoende ruimtelijke scheiding, zodat de gevestigde bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en ter plaatse van het plan sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat.
11
RAPPORT:
Diverse bodemonderzoeken Wierselaan 243 te Nieuwegein
PROJECTNUMMER: B20.8013 Versie: 01
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein
PROJECTNUMMER: B20.8013 Versie 01
OPDRACHTGEVER: Netscher Vastgoed B.V.
DATUM: 26 maart 2021
Auteur:
Autorisatie:
Ing. G.H.A.M. van Grinsven Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B20.8013/RAPP-01/GG
Alle informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2
SAMENVATTING De firma Netscher Vastgoed B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een historisch onderzoek, verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek op de locatie gelegen aan de Wierselaan 243 te Nieuwegein. De onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017, de NEN 5740/A1:2016, de NEN 5707:2015/C2:2017 en de NEN 5897:2015/C2:2017. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te verkrijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief PFAS en asbest) op de onderzoekslocatie teneinde te bepalen of er bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing. G.H.A.M. van Grinsven.
Conclusies historisch onderzoek Uit de beschikbare informatie is gebleken dat voor de locatie de volgende conclusies kunnen worden getrokken: • Op de locatie zijn in het verleden enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Tijdens de onderzoeken zijn zintuiglijk bijmengingen met kool- en/ of puinhoudende materialen aangetroffen. Analytisch zijn licht verhoogde gehalten voor zware metalen, PAK en/ of minerale olie in de grond aangetoond; • Van de directe omgeving van de locatie zijn diverse (eveneens oude) bodemonderzoeken en saneringen bekend. Deze onderzoeken hebben voornamelijk betrekking op het ‘Klip-terrein’ ter plaatse van de voormalige scheepswerf ten zuidwesten van de locatie. Gezien de huidige herbestemming van deze locatie met woningen, wordt verwacht dat hier geen noemenswaardige bodemverontreinigingen meer aanwezig zijn, die van invloed zijn op de huidige onderzoekslocatie; • Op basis van het historisch kaartmateriaal zijn nabij de locatie mogelijk boomgaarden aanwezig geweest. Het voorkomen van OCB in de (voormalige) teeltlaag door verwaaiing kan niet worden uitgesloten; • Op basis van het historisch kaartmateriaal is tot circa 1958 op/ nabij het zuidelijk deel van de locatie een insteekhaven aanwezig geweest. De kwaliteit van het dempingsmateriaal is vooralsnog onbekend; • De recent gesloopte woning dateert van omstreeks 1938.
De voormalige bijbehorende schuur ten westen van de voormalige woning is omstreeks 1965 gerealiseerd. Daarnaast is mogelijk puin op het achterterrein aangebracht en werden tijdens voorgaand onderzoek puinbijmengingen in de bodem aangetroffen. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat (asbestverdacht) puin in de bodem terecht is gekomen. In verband met de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling dient er een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 en een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 (asbest in grond) en/of de NEN 5897 (asbest in puin) uitgevoerd te worden. Hierbij wordt rekening gehouden met mogelijk puinhoudende grond en/of een puinverharding. Tevens is de (oorspronkelijke) teeltlaag verdacht op het voorkomen van OCB en in de directe omgeving van de voormalige insteekhaven op mogelijk dempingsmateriaal. Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
3 Conclusies Verkennend bodemonderzoek Voor de algemene kwaliteit van de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locaties voor de algemene bodemkwaliteit, waarbij rekening dient te worden gehouden met voormalige insteekhaven, boomgaarden en de recente sloopactiviteiten. Daarnaast vormen de mogelijke aanwezigheid van PFAS en asbest aandachtspunten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen. Op de locatie zijn in de uiteindelijke grond(meng)monster maximaal licht verhoogde gehalten voor zware metalen, PAK en/of PCB aangetoond. In de separate grondmonsters van het mengmonster met het sterk verhoogd gehalte voor zink, zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor zink aangetoond en derhalve wordt het sterk verhoogde gehalte niet bevestigd. Voor OCB en PFAS in de grond zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde (waarde landbouw/ natuur) aangetoond. In het grondwater is enkel een licht verhoogde gehalte voor barium aangetoond. De uiteindelijk aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 en de interventiewaarde niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de WBB.
Verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest werd eveneens de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de verdachte hypothese te worden verworpen, aangezien zintuiglijk in zowel de opgeboorde en opgegraven grond als in de opgeboorde en opgegraven puinlagen/ fundaties geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Analytisch is eveneens geen asbest aangetoond in zowel de grond- als puinlagen. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Algehele conclusie en aanbevelingen Middels onderhavige onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief PFAS en asbest) ten behoeve van de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling ter plaatse van de Wierselaan 243 te Nieuwegein in voldoende mate vastgesteld. De bodemvreemde lagen hebben niet geleid tot een (ernstige) bodem- en/of asbestverontreiniging en/of verslechtering van de bodemkwaliteit.
Daarnaast zijn er zintuiglijk en analytisch geen waarnemingen gedaan die duiden op (dempingsmateriaal) van de voormalige insteekhaven. De voormalige boomgaard heeft eveneens niet tot een verontreiniging met OCB geleid. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens geen belemmeringen tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling op de locatie. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen (inclusief PFAS) worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
4
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .................................................................................................................................................. 5
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 5
3.
LOCATIEGEGEVENS EN VERVOLGTRAJECT ................................................................................. 5 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 5 3.2. RESULTATEN HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725) ................................................................................ 5
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE........................................................................................... 8 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 8 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 8
5.
HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 8
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK ............................................................................................................ 9 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN .............................................................................. 9 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 10
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 12 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 12 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 13
8.
RESULTATEN ........................................................................................................................................... 14 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 14 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 14 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 17
9.
CONCLUSIES ............................................................................................................................................ 19 9.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 19 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 19 9.3. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 19
10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 20
BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuis en proefgaten Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingstabellen grond PFAS Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
5
1.
INLEIDING De firma Netscher Vastgoed B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een historisch onderzoek, verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek op de locatie gelegen aan de Wierselaan 243 te Nieuwegein. De onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], de NEN 5740/A1:2016 [2], de NEN 5707:2015/C2:2017 [3] en de NEN 5897:2015/C2:2017 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing. G.H.A.M. van Grinsven.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN Het onderzoek heeft tot doel inzicht te verkrijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief PFAS en asbest) op de onderzoekslocatie teneinde te bepalen of er bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling.
3.
LOCATIEGEGEVENS EN VERVOLGTRAJECT 3.1.
Algemene gegevens
De onderzoekslocatie is gelegen aan de Wierselaan 243 te Nieuwegein staat kadastraal bekend als gemeente Vreeswijk, sectie C, nummers 737 en 760. De woning en schuur aan de noordzijde van perceel C737 zijn recentelijk gesloopt, zodoende is de locatie nu gedeeltelijk braakliggend. Het overige terrein is grotendeels in gebruik als parkeerterrein en verhard middels een halfverharding bestaande uit gebroken puin (waarvan geen certificaat voorhanden is), danwel een klinkerverharding. Perceel C737 heeft een oppervlakte van circa 885 m2 en perceel C760 van circa 515 m2. De percelen zijn gezamenlijk onderzocht, met een totaal oppervlak van circa 1.400 m2. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.
Resultaten historisch onderzoek (NEN 5725)
Voorafgaand aan de diverse verkennend (bodem)onderzoeken is een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. Door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) zijn reeds de relevante gegevens van de websites www.bodemlokt.nl, www.topotijdreis.nl, www.google.nl en www.kadaster.nl bestudeerd. Aanvullend is een omgevingsrapportage aangevraagd bij de gemeente Nieuwegein en zijn de beschikbare documenten/ rapportages gedownload.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
6 Bodemkwaliteitsgegevens Uit de omgevingsrapportage van de gemeente Nieuwegein blijkt dat op en nabij de onderzoekslocatie diverse onderzoeken zijn uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat er voor de onderzoekslocatie staat weergegeven Wierselaan 243 betreft voorheen nummer 153. Op de onderzoekslocatie is door Chemielinco een verkennend bodemonderzoek (rapport 94138; d.d. 12 april 1994) uitgevoerd. Tijdens dit verkennend onderzoek was de grond licht tot matig verontreinigd met lood en licht met andere metalen, PAK en minerale olie. Het grondwater was licht verontreinigd met tolueen en EOX. Hierbij is de kanttekening geplaatst dat dit de sterk verouderde toetswaarden (A, B en C) betreffen. Daarnaast is door Chemielinco een verkennend bodemonderzoek (rapport 21916; d.d. 8 januari 2002) uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met diverse zware metalen, PAK en minerale olie. De ondergrond en het grondwater zijn niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Van de nabij gelegen locatie aan Nijverheidsweg 1 is door IGN (rapport ME 97.2767; d.d. 28 januari 1998) een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn in de boven- en ondergrond streefwaarde overschrijdingen voor enkele zware metalen en PAK aangetroffen. De verwachting is dat deze verhoogde concentraties verband houden met de puinhoudende bijmengingen in de bodem.
In het grondwater is een licht verhoogd gehalte voor minerale olie aangetroffen. Tot slot zijn diverse onderzoeken en saneringen bekend van het nabij gelegen voormalige ‘Klipterrein’. Dit betrof een scheepswerf die globaal gezien gelegen was ten westen en zuiden van de locatie tot aan het westelijk gelegen Merwedekanaal en zuidelijk gelegen Passantenhaven. Het merendeel van deze onderzoek en saneringsbescheiden zijn uitgevoerd in de jaren ‘90 van de vorige eeuw. Met een laatste sanering van een restverontreiniging uit 2006, gelegen op geruime afstand van de huidige onderzoekslocatie. Inmiddels heeft dit terrein grotendeels een woonbestemming, betreffende de straat “Houtwerf” en omgeving. Het enige rapport dat wordt aangehaald van het Klip-terrein betreft een verkennend bodemonderzoek van De Straat Milieu-Adviseurs (kenmerk B00A0136; d.d. 27 oktober 2000). Tijdens dit onderzoek is naast het “Klip-terrein” ook het kadastrale perceel 760 (is huidige onderzoekslocatie) onderzocht; dit betrof een parkeerplaats, wat het nu nog is. Tijdens dit onderzoek zijn maximaal licht verhoogden gehalten voor koper, lood, PAK en/of minerale olie in de grond aangetoond. Daarnaast was een sterk verhoogd gehalte voor arseen in het grondwater aangetoond.
Daarbij is aangegeven dat dit gehalte vermoedelijk is veroorzaakt door een natuurlijk bodemproces, ook gezien vergelijkbare concentraties tijdens voorgaande bodemonderzoeken, en zodoende hiernaar geen aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk is. Historisch kaartmateriaal Op basis van het historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl zijn er nabij de onderzoekslocatie mogelijk boomgaarden aanwezig geweest. Het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) in de (voormalige) teeltlaag door verwaaiing kan niet worden uitgesloten. Daarnaast is tot circa 1958 aan de zuidzijde van de locatie een insteekhaven aanwezig geweest. Gezien de ouderdom van deze kaarten, betreft dit een op en nabij situering, zodoende kan het zijn dat deze insteekhaven net wel, danwel net niet op locatie heeft gelegen. Uit het kaartmateriaal blijkt dat de recent gesloopte woning dateert van omstreeks 1938. De voormalige bijbehorende schuur ten westen van de voormalige woning is omstreeks 1965 gerealiseerd. Overige (voormalige) bodembedreigende activiteiten Er zijn geen overige bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie bekend, bijvoorbeeld (voormalige) boven- en/of ondergrondse opslagtanks voor olie producten. Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
7 PFAS Op 8 juli 2019 (actualisatie 2 juli 2020) heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit handelingskader en het directe ingangstermijn hiervan heeft de markt niet voorzien, maar heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond/slib van de locatie moet worden afgevoerd en elders toegepast, dient onderzoek plaats te vinden naar PFAS (28 parameters) en/of GenX. GenX betreft geen verdachte parameter voor deze regio. Aangezien naar verwachting geen grond van de onderzoekslocatie wordt afgevoerd, is een aanvullend onderzoek naar PFAS ons inziens niet noodzakelijk. Locatie bezoek Direct voorafgaand aan het uitvoeren van de veldwerkzaamheden is het locatiebezoek uitgevoerd. Daarbij zijn geen aanvullende relevante zaken ten aanzien van de bodemkwaliteit naar voren gekomen. Conclusies historisch onderzoek Uit de beschikbare informatie is gebleken dat voor de locatie de volgende conclusies kunnen worden getrokken: • Op de locatie zijn in het verleden enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Tijdens de onderzoeken zijn zintuiglijk bijmengingen met kool- en/ of puinhoudende materialen aangetroffen.
Analytisch zijn licht verhoogde gehalten voor zware metalen, PAK en/ of minerale olie in de grond aangetoond; • Van de directe omgeving van de locatie zijn diverse (eveneens oude) bodemonderzoeken en saneringen bekend. Deze onderzoeken hebben voornamelijk betrekking op het ‘Klip-terrein’ ter plaatse van de voormalige scheepswerf ten zuidwesten van de locatie. Gezien de huidige herbestemming van deze locatie met woningen, wordt verwacht dat hier geen noemenswaardige bodemverontreinigingen meer aanwezig zijn, die van invloed zijn op de huidige onderzoekslocatie; • Op basis van het historisch kaartmateriaal zijn nabij de locatie mogelijk boomgaarden aanwezig geweest. Het voorkomen van OCB in de (voormalige) teeltlaag door verwaaiing kan niet worden uitgesloten; • Op basis van het historisch kaartmateriaal is tot circa 1958 op/ nabij het zuidelijk deel van de locatie een insteekhaven aanwezig geweest. De kwaliteit van het dempingsmateriaal is vooralsnog onbekend; • De recent gesloopte woning dateert van omstreeks 1938. De voormalige bijbehorende schuur ten westen van de voormalige woning is omstreeks 1965 gerealiseerd. Daarnaast is mogelijk puin op het achterterrein aangebracht en werden tijdens voorgaand onderzoek puinbijmengingen in de bodem aangetroffen. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat (asbestverdacht) puin in de bodem terecht is gekomen.
In verband met de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling dient er een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 en een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 (asbest in grond) en/of de NEN 5897 (asbest in puin) uitgevoerd te worden. Hierbij wordt rekening gehouden met mogelijk puinhoudende grond en/of een puinverharding. Tevens is de (oorspronkelijke) teeltlaag verdacht op het voorkomen van OCB en in de directe omgeving van de voormalige insteekhaven op mogelijk dempingsmateriaal.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
8
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.
Bodemopbouw
Op de onderzoekslocatie is een circa 10 meter dikke deklaag aanwezig, behorend tot de afzettingen van het Holoceen. De deklaag bestaat uit een afwisseling van klei en kleiig tot grindig zand. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerend pakket is circa 49 meter dik en bestaat voornamelijk uit matig fijn tot uiterst grof zand, lokaal kleiig Formaties van Kreftenheye, Urk en Sterksel. Het eerste watervoerende pakket wordt van het tweede watervoerende pakket gescheiden door een scheidende laag van circa 110 meter dikte die bestaat uit kleiig zand; siltig tot zandige klei en veen behorend tot de Formaties van Peize en Waalre. 4.2.
Geohydrologie
De regionale grondwaterstroming is noordelijk gericht. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt mogelijk beïnvloed door het oostelijk gelegen Lekkanaal, westelijk gelegen Merwedekanaal en zuidelijk gelegen Lek. Tevens kan deze worden beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, de ligging van rioleringen en/of de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locatie is niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied.
5.
HYPOTHESE Op basis van de bekende gegevens wordt voor de algemene bodemkwaliteit uitgegaan van verdachte locaties, waarbij rekening dient te worden gehouden met de voormalige insteekhaven, boomgaarden en de recente sloopactiviteiten. Daarnaast vormen de mogelijke aanwezigheid van PFAS en asbest aandachtspunten.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
9
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken
Verkennend bodemonderzoek Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste nietlijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL) met een oppervlakte van maximaal 1.500 m². Voor de onverdachte ondergrond wordt, conform de NEN 5740:2009/A1:2016 voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL), minimaal 1 analyse ingezet. Daarnaast worden alle boringen doorgezet tot 1,0 m-mv in verband met de te verwachten puinbijmengingen. In verband met de voormalige insteekhaven en zintuiglijke waarnemingen zijn extra boringen en grond(meng)monsters opgenomen voor analyse op een standaard NEN-pakket en in verband met de voormalige boomgaarden in de omgeving worden extra grondmonsters opgenomen voor analyse op OCB. PFAS Aanvullend dient de grondlaag tot circa 1,0 m-mv op PFAS onderzocht te worden. De onderzoeksopzet voor het aanvullend bodemonderzoek naar PFAS is afgeleid op de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuus belaste nietlijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL). Hierbij wordt de oppervlakte naar boven afgerond, waardoor sprake is van een maximale oppervlakte van 1 ha.
Verkennend onderzoek naar asbest Voor het verkennend onderzoek naar asbest wordt uitgegaan van de NEN 5707:2015/C2:2017 voor diffuse locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging (VED-HE) (maximaal 1.000 m2). Voor de puinverharding dient uitgegaan te worden van de NEN 5897:2015/C2:2017 voor een ‘open halfverharding’ (maximaal 500 m2). In afwijking op bovenstaande strategieën zijn ter plaatse van alle 18 boringen proefgaten gegraven, omvang van 0,3 x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv. Dit betreffen extra proefgaten ten aanzien van de strategieën. Van deze 18 proefgaten zijn meerdere doorgezet tot in de ongeroerde ondergrond middels een Edelmanboor met (diameter 12 cm, gecombineerd met het verkennend onderzoek). Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Op basis van de zintuigelijke waarnemingen zijn 3 mengmonsters van de meest verdachte grondlaag en 1 van de meest verdachte puinlaag (totaal 3 asbestanalyses) geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN 5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm). Ten behoeve van het onderzoek naar asbest wordt tevens een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd.
De werkzaamheden van het verkennend onderzoek naar asbest worden zoveel als mogelijk gecombineerd uitgevoerd met de werkzaamheden van het verkennend bodemonderzoek.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
10
6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: EC-SIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6). De veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest zijn eveneens uitgevoerd conform de geldende NEN/NPR-normen, BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De volledige puinlagen/fundaties op de onderzoekslocatie betreffen geen bodem en zijn derhalve niet conform protocol 2018 onderzocht. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een ramguts, schep en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde/opgegraven grond/puin zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 2 februari 2021
Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker De heer D. Kallergis-Mavrogenis
12 februari 2021
Verhoeven Milieutechniek B.V.
De heer C.C.G. van Rossum
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)
Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie, conform de onderzoeksopzet voor het verkennend bodemonderzoek, zijn in totaal 18 boringen (B01 t/m B18) geplaatst, die in verband met de diverse verhardingen en puinstabilisatie op de locatie, allen minimaal zijn doorgezet tot 1,0 m-mv. Ten behoeve van het grondwateronderzoek is boring PB13 en afgewerkt met een peilbuis. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde werkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Boringen / peilbuis Max. 2,0 m-mv
(deel)locatie
Circa 1,0 m-mv
Algemene kwaliteit Gedempte insteekhaven
B01 t/m B04, B07 t/m B12, B14 -
B05, B06 B15 t/m B18
Peilbuis (filterstelling m-mv) PB13 (1,5-2,5) -
Grondwater Het grondwater uit de peilbuis PB13 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 12 februari 2021 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid (NTU) van het grondwater in het veld zijn bepaald.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
11 Asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest is op de locatie allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie gedeelte bedekt is met een klinkerverharding (circa 30 %). Het overige gedeelte betrof een puinverharding. Er heeft derhalve een efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn desondanks, geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen zijn in totaal 18 proefgaten (B01 t/m B18) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. De proefgaten B08, B09, B12, B13 en B16 zijn gegraven ter plaatse van de puinverharding en de overige in de (puinhoudende) grond. Voor de inspectie van de ondergrond zijn diverse proefgaten doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot in de ongeroerde ondergrond. De proefgaten zijn verdeeld over de gehele onderzoekslocatie. Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen (> 20 mm) aangetroffen.
Wel zijn zoals verwacht volledige puinlagen/fundaties waargenomen in de proefgaten, zodat conform de NEN 5897 één puinmengmonster is samengesteld. Daarnaast zijn na zeving, drie grondmengmonsters samengesteld van de puinhoudende bovengrond en één van de zintuiglijk schone ondergrond. Een overzicht van het samengestelde grond en puinmonster en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. De situatieschets met de geplaatste boringen, peilbuis en gegraven proefgaten is opgenomen als bijlage 2. De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen als bijlage 7.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
12
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
13 7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [5] en bedraagt in beide gevallen 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grond- en/of puinmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd.
Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde, bestaat het vermoeden van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest is dan verplicht. De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de toplaag (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
14
8.
RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem op de onderzoekslocatie bestaat maaiveld tot circa 0,5 m-mv hoofdzakelijk uit zeer fijn, zwak siltig zand. Vanaf 0,5 m-mv tot de maximale boordiepte van circa 2,5 m-mv bestaat de bodem uit zwak tot matig siltige klei. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in enkele boringen zintuiglijk sterk tot volledige puinhoudende (funderings)lagen aangetroffen, zoals weergegeven in tabel 8.1. Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde/opgegraven grond/ puin, geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Ter plaatse van/ nabij de mogelijke gedempte insteekhaven op het zuiden van de locatie zijn geen dempingsmaterialen, afwijkende grondlagen of dergelijke aangetroffen. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen Boring
Diepte boring Traject Grondsoort (m -mv) (m -mv) B01 1,00 0,00 - 0,50 Zand B02 1,00 0,00 - 0,50 Zand B03 1,00 0,00 - 0,50 Zand B06 2,00 0,00 - 0,50 Zand B07 1,00 0,00 - 0,50 Zand B08 1,00 0,00 - 0,50 + B09 1,00 0,00 - 0,50 + B12 1,00 0,00 - 0,50 + PB13 2,50 0,00 - 0,50 + B15 2,00 0,00 - 0,50 Zand B16 2,00 0,00 - 0,50 + B17 2,00 0,00 - 0,50 Zand Toelichting bij de tabel 8.1: Sterk > 10 % en < 20% bodemvreemd materiaal; Volledig ≥ 50 % bodemvreemd materiaal; + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal).
Waargenomen bijzonderheden sterk puinhoudend sterk puinhoudend sterk puinhoudend sterk puinhoudend sterk puinhoudend volledig puin volledig puin volledig puin volledig puin sterk puinhoudend volledig puin sterk puinhoudend
De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en de maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. De toetsingsresultaten van de PFAS analyses zijn opgenomen in bijlage 6. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd.
Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
15 Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaatnummer Grond 13402575
Monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
M10
Voorbehandeling (AS3000)
Er was geen 140 gram over voor de monstervoorbehandeling voor de overige parameters. Zodoende is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters
Aangezien dit een uitsplitsing betreft van mengmonster MM03, is reeds een gedeelte van de grond uit de monsterpot gehaald en is daarom niet meer de minimale hoeveelheid van 140 gram t.b.v. de AS3000 voorbehandeling beschikbaar. Aangezien er nog voldoende materiaal was om voor te behandelen en te analyseren, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
Grond Op basis van de onderzoeksopzet, de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden en de bekende gegevens, zijn diverse grondmengmonsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. De grondmengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht grondmengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten MengOmschrijving monster Algemene kwaliteit MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: sterk puinhoudend (vml. bebouwing) MM02
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM03
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sterk puinhoudend (nabij vml. insteekhaven) Ondergrond, klei Zintuiglijk: -
MM04
MM05
Ondergrond, klei Zintuiglijk: -
MM06
Ondergrond, kei Zintuiglijk: (nabij vml. insteekhaven)
Teeltlaagonderzoek MM07 Oorspronkelijke teeltlaag, klei Zintuiglijk: -
MM08
Oorspronkelijke teeltlaag, klei Zintuiglijk: -
MM09
Oorspronkelijke teeltlaag, klei Zintuiglijk: -
Boring / peilbuis (traject in m-mv)
Analysepakket
B01 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B06 (0,00 - 0,50) B07 (0,00 - 0,50) B05 (0,10 - 0,50) B10 (0,10 - 0,50) B14 (0,10 - 0,50) B18 (0,10 - 0,50) B15 (0,00 - 0,50) B17 (0,00 - 0,50)
NEN
Cd, Hg, Pb, Ni, Zn, PAK, PCB
-
NEN
Cd, Hg, Pb, Zn, PAK, MO
-
NEN
Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Zn Ni, PAK, PCB
B08 (0,50 - 1,00) B09 (0,50 - 1,00) PB13 (0,50 - 1,00) B16 (0,50 - 1,00) B01 (0,50 - 1,00) B05 (1,00 - 1,50) B06 (1,00 - 1,50) B10 (0,50 - 1,00) PB13 (1,00 - 1,50) B15 (1,00 - 1,50) B17 (0,50 - 1,00) B18 (0,50 - 1,00)
NEN
Hg, Pb, Ni, Zn
-
NEN
Hg, Pb, Ni, PAK
-
NEN
-
-
B03 (0,50 - 0,80) B05 (0,50 - 0,80) B08 (0,50 - 0,80) B10 (0,50 - 0,80) B11 (0,50 - 0,80) B12 (0,50 - 0,80) PB13 (0,50 - 0,80) B14 (0,50 - 0,80) B15 (0,50 - 0,80) B16 (0,50 - 0,80) B17 (0,50 - 0,80) B18 (0,50 - 0,80)
OCB
-
-
OCB
-
-
OCB
-
-
> AW < I
Resultaten >I
Aanvullend analytisch onderzoek M10 Bovengrond, zand B15 (0,00 - 0,50) Zn, L, H Zn Zintuiglijk: sterk puinhoudend M11 Bovengrond, zand B17 (0,00 - 0,50) Zn, L, H Zn Zintuiglijk: sterk puinhoudend Toelichting bij tabel 8.3: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum [L] en organische stof (humus) [H]; OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen, inclusief organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets waargenomen/aangetoond. Diverse bodemonderzoeken, Wierselaan 243 te Nieuwegein Rapportnr.: B20.8013 versie: 01 datum: 26 maart 2021
16 De grondmengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten ten behoeve van het PFAS onderzoek zijn in tabel 8.4 weergegeven. Aangezien met het geven van deze labopdracht is gewacht totdat alle analyseresultaten uit tabel 8.3 bekend waren, en de monsters van de boringen B15 en B17 (grondlaag 0-0,5 m-mv) reeds tweemaal waren gebruikt, zijn deze boringen tijdens de grondwatermonstername opnieuw geplaatst en bemonsterd. Bij deze grondmonsters is een ‘B’ aan het boornummer toegevoegd. Het grondmonster van B15B is uiteindelijk ook gebruikt voor het PFAS onderzoek, zoals in onderstaande tabel is waar te nemen. Tabel 8.4: Overzicht grondmonsters met bijbehorende analyses en resultaten (PFAS) Mengmonster MM12
Omschrijving
MM13
Ondergrond, klei Zintuiglijk: -
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sterk puinhoudend
Boring (traject in m -mv) B01 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B07 (0,00 - 0,50) B15B (0,00 - 0,30) B08 (0,50 - 1,00) B10 (0,50 - 1,00) PB13 (0,50 - 1,00) B16 (0,50 - 1,00) B18 (0,50 - 1,00)
Analysepakket PFAS
Resultaten > Landbouw/natuur > Wonen/industrie -
PFAS
-
-
Toelichting bij de tabel: PFAS Perfluorverbindingen (30 verbindingen met o.a. Perfluoroctaansulfonzuur en Perfluoroctaanzuur); Niets waargenomen/aangetoond.
Grondwater Het grondwatermonster met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Peilbuis met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis Filterdiepte GWS pH EC Troebelheid Analysepakket Resultaten (codering) (m-mv) (m-mv) (µS/cm) (NTU) >S<I >I PB13 1,50 - 2,50 0,86 7,7 977 3,76 NEN Ba Toelichting bij de tabel 8.5: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.
De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en troebelheid zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. Asbest Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Op basis van de onderzoeksopzet en zintuiglijke waarnemingen is één puinmengmonster en vier grondmengmonster samengesteld, die alle zijn aangeboden aan het lab en er uiteindelijk vier zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898:2015 (asbest in grond of puin in de fractie < 20 mm). De samenstelling van de onderzochte mengmonsters met zintuiglijke waarnemingen en de bijbehorende analyses zijn in tabel 8.6 op de volgende pagina weergegeven.