CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-048 Bijlage 4 Bestemmingsplan Erfstede - bijlagen toelichting

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Bestemmingsplan Erfstede en exploitatieplan Erfstede50.289 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

bestemmingsplan Erfstede gemeente Nieuwegein vastgesteld 09-02-2024 NL.IMRO.0356.BPBI2023HER001- VA02 Bijlagen toelichting

bestemmingsplan Erfstede

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Uitspraak

3

Bijlage 2

Overzicht bouw- en gebruiksmogelijkheden

17

Bijlage 3

Natuurtoets

20

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek

42

Bijlage 5

Mobiliteitstoets 2017

121

Bijlage 6

Actualisatie Mobiliteitstoets 2020

156

Bijlage 7

Stikstofberekening

166

Bijlage 8

Bezonningsstudie

189

Bijlage 9

Aanmeldingsnotitie

216

Bijlage 10

Procesdocument

231

Bijlage 11

Bodemonderzoek

243

Bijlage 12

Parkeeronderbouwing

390

Bijlagen toelichting Bijlage 1 Uitspraak

3

ECLI

ECLI:NL:RVS:2023:1652

Datum uitspraak

26 april 2023

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2021 heeft raad van de gemeente Nieuwegein het bestemmingsplan "Binnenstad (City) Nieuwegein - Erfstede" vastgesteld. Er is geen exploitatieplan vastgesteld. Het nu voorliggende plan heeft betrekking op het gebied Erfstede, dat dus aanvankelijk onderdeel was van het ontwerp van het bestemmingsplan "Binnenstad (City) Nieuwegein". Het plan is een zogenoemd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. [appellant sub 1] woont in de buurt van het plangebied en richt zich met haar beroep tegen het bestemmingsplan, omdat zij benadeling vreest van haar woon- en leefklimaat. Daarna komen de beroepen van [appellant sub 2] en Bourmana aan de orde. Beiden zijn eigenaren van gronden in het plangebied. Zij vinden onder meer dat de raad ten onrechte geen exploitatieplan heeft vastgesteld.

Volledige tekst 202201029/1/R4. Datum uitspraak: 26 april 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Nieuwegein, 2. [appellant sub 2], wonend te Montfoort, 3. Bourmana Holding B.V., gevestigd te Nieuwegein, appellanten, en

1

de raad van de gemeente Nieuwegein, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 25 november 2021 heeft raad het bestemmingsplan "Binnenstad (City) Nieuwegein - Erfstede" vastgesteld. Er is geen exploitatieplan vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Bourmana beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2023, waar [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], Bourmana, vertegenwoordigd door mr. D. Mohammadi, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door N. Geurts, A. Langenberg, G. Govaart, M. Slingerland en M. Broersma, zijn verschenen. Overwegingen Bijlage 1. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bij deze uitspraak behorende bijlage. Vanwege de leesbaarheid van de uitspraak zijn bepaalde planregels ook in de uitspraak zelf weergegeven. Wijze van toetsen 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Het plan 3. Bij besluit van 14 juli 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad (City) Nieuwegein" vastgesteld. Het ontwerp van dat bestemmingsplan had betrekking op het centrum van Nieuwegein, met uitzondering van een aantal gebieden, waaronder het stationsgebied. Bij de vaststelling heeft de raad besloten de ontwikkellocatie "Erfstede (Blok B2)" uit het bestemmingsplan te halen. Het nu voorliggende plan heeft betrekking op het gebied Erfstede, dat dus aanvankelijk onderdeel was van het ontwerp van het bestemmingsplan "Binnenstad (City) Nieuwegein". Het plan is een zogenoemd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Er is geen exploitatieplan opgesteld. Uit de plantoelichting blijkt dat de raad zich op het standpunt stelt dat dit niet nodig is, omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Daarbij is gewezen op artikel 6.12, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

De raad stelt dat de gemeente de gronden in het plangebied waar sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, Wro, in eigendom heeft, dan wel dat ter plaatse geen zelfstandig bouwplan van derden mogelijk is. Daarom is de gemeente in

2

staat om de kavels uit te geven aan ontwikkelende partijen. Het kostenverhaal is anderszins, namelijk via de gronduitgifte, verzekerd, aldus de raad. De Afdeling zal hierna eerst het beroep van [appellant sub 1] bespreken. [appellant sub 1] woont in de buurt van het plangebied en richt zich met haar beroep tegen het bestemmingsplan, omdat zij benadeling vreest van haar woon- en leefklimaat. Daarna komen de beroepen van [appellant sub 2] en Bourmana aan de orde. Beiden zijn eigenaren van gronden in het plangebied. Zij vinden onder meer dat de raad ten onrechte geen exploitatieplan heeft vastgesteld. Het beroep van [appellant sub 1] 4. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie A], op een afstand van ongeveer 83 m ten noordwesten van het plangebied. Zij komt in beroep op tegen de gevolgen van het plan voor de kwaliteit van haar woon- en leefomgeving. 5. [appellant sub 1] betoogt dat de in het plan voorziene bouwhoogte van maximaal 20 m voor de gronden met de bestemming "Gemengd - B2", met de aanduiding "centrum", in het zuidwestelijke deel van het plangebied, leidt tot een ernstige aantasting van haar uitzicht. 5.1. De afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] en de gronden met de bestemming "Gemengd - B2" waarop een bouwhoogte van maximaal 20 m is toegelaten bedraagt ongeveer 90 m.

De raad heeft toegelicht dat dit (zuidwestelijke) deel van het plangebied het hoogteaccent vormt aan het nieuwe Plein 1971 met OV-knooppunt. Het hoogteaccent is gelijk aan de basishoogte in het deel westelijk van de Schouwstede. Een bouwhoogte van 20 m is volgens de raad niet ongebruikelijk in het gebied "City" en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet onaanvaardbaar. De afstand tot de woning van [appellant sub 1] is zodanig dat zij daarvan geen onevenredige hinder zal ondervinden. De Afdeling volgt dit standpunt van de raad. De Afdeling wijst er verder op dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en dat het hier gaat om een ontwikkeling in een stedelijke omgeving. Het betoog slaagt niet. 6. [appellant sub 1] betoogt dat zij ernstige geluidoverlast zal ondervinden door de voorziene bebouwing met een hoogte van 20 m in het zuidwestelijke deel van het plangebied. In de bestaande situatie ervaren [appellant sub 1] en andere bewoners van de Ruiterstede geluidoverlast van jongeren die in het parkje tussen de Ruiterstede en de Schouwstede verblijven. In de toekomstige situatie komt haar woning tussen twee (hoge) gebouwen te liggen. Dit leidt tot een zogenoemd "klankkasteffect". Het bestaande geluid zal worden versterkt door de voorziene bebouwing, aldus [appellant sub 1]. 6.1.

De raad stelt dat ten zuidwesten van de woning van [appellant sub 1] een wooncomplex ligt, dat (gedeeltelijk) uit vijf bouwlagen bestaat. De afstand tussen dit gebouw en de voorziene (hoge) bebouwing in het plangebied bedraagt minimaal 75 m. In het tussenliggende gebied ligt een groenstrook. Gelet op de genoemde - betrekkelijk grote afstand, en de beperkte hoogte en breedte van de gebouwen is het volgens de raad niet aannemelijk dat sprake zal zijn van een noemenswaardige reflectie van geluid, en dus ook niet van ernstige geluidoverlast. [appellant sub 1] heeft deze toelichting van de raad niet bestreden en de Afdeling volgt de raad hierin. Het betoog slaagt niet. 7. [appellant sub 1] vreest voor geluidoverlast door de in het plan voorziene afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van horeca op gronden met de bestemming "Gemengd - B2", met de aanduiding "centrum". Zij wijst in dit verband in het bijzonder op de mogelijkheid van een buitenterras bij de horecafunctie. 7.1. Artikel 3.5 van de planregels luidt: "Het college van burgemeester en wethouders kan met een omgevingsvergunning afwijken

3

van het bepaalde in lid 3.1 ter plaatse van de aanduiding "centrum" ten behoeve van de nieuwvestiging van een horecabedrijf in de categorieën 1 en 2 op de eerste bouwlaag boven maaiveld, mits: a. een nieuw te vestigen horecabedrijf een bijdrage levert aan een levendig centrumgebied; b. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; c. de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte horeca maximaal 250 m² bedraagt." In artikel 1.46 van de planregels is het begrip "horeca" gedefinieerd als: "het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig, exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, waaronder wordt verstaan: een hotel, bed & breakfast, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek of daaraan verwante inrichting." 7.2. De Afdeling overweegt dat als bijlage bij de planregels de "Staat van horeca-activiteiten" is gevoegd. Hierin worden verschillende (typen) horeca-inrichtingen genoemd, met de duiding van de bijbehorende categorie (1 t/m 3). Met horecabedrijven in de categorieën 1 en 2, waar de hiervoor weergegeven afwijkingsbevoegdheid naar verwijst, zijn de bedrijven bedoeld die genoemd worden in de genoemde bijlage. In artikel 3.5 van de planregels wordt echter per abuis niet verwezen naar deze bijlage.

De raad heeft dit ter zitting ook erkend. Het plan is gelet hierop op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het betoog slaagt. De Afdeling wijst erop dat dit gebrek kan worden gerepareerd door in artikel 3.5 van de planregels alsnog te verwijzen naar de "Staat van horeca-activiteiten", die als bijlage gevoegd is bij de planregels. 7.3. Over de gevolgen van de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor [appellant sub 1], overweegt de Afdeling als volgt. De afstand van het perceel van [appellant sub 1] tot de gronden met de bestemming "Gemengd - B2", met de aanduiding "centrum", is ongeveer 90 m. Een buitenterras bij een horeca-inrichting is - na de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid - blijkens artikel 4.1 aanhef en onder b, van de planregels mogelijk op gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied". De afstand van deze gronden tot het perceel van [appellant sub 1] bedraagt ongeveer 83 m. Uit paragraaf 4.8 van de plantoelichting volgt dat de raad voor het onderbouwen van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van milieubelastende functies heeft aangesloten bij de systematiek van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNGbrochure).

[appellant sub 1] heeft niet bestreden dat de toegelaten horeca in de categorieën 1 en 2 als bedoeld in de "Staat van horeca-activiteiten", gelet op de genoemde afstanden tot haar perceel, in overeenstemming is met de systematiek van de VNG-brochure. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat [appellant sub 1] geen ernstige (geluid)overlast zal ondervinden door de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. Het betoog slaagt niet. Conclusie 8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] gegrond. De beroepen van [appellant sub 2] en Bourmana 9. [appellant sub 2] en Bourmana zijn eigenaren van gronden in het plangebied. [appellant sub

4

2] is eigenaar van de percelen [locatie B], [locatie C] en [locatie D], kadastraal bekend gemeente Jutphaas, sectie […], nr. […]. Bourmana is eigenaar van het perceel Erfstede 10, kadastraal bekend gemeente Jutphaas, sectie C, nrs. 1995 en 2403, ten oosten van de gronden van [appellant sub 2]. Het beroep van [appellant sub 2] 10. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte geen exploitatieplan heeft vastgesteld, zodat het besluit van 25 november 2021 is vastgesteld in strijd met artikel 6.12, eerste lid van de Wro. Hij voert daartoe aan dat in dit geval geen sprake is van een zogenoemd "kruimelgeval" als bedoeld in artikel 6.2.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Evenmin is het kostenverhaal "anderszins verzekerd" als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onder a, van de Wro. Niet alle gronden in het plangebied zijn eigendom van de gemeente. Naast de percelen van [appellant sub 2] zijn er ook andere gronden in het plangebied die eigendom zijn van derden, aldus [appellant sub 2]. Ook hebben de gemeente en [appellant sub 2] geen zogenoemde anterieure overeenkomst gesloten. [appellant sub 2] voert verder aan dat op grond van de bouwregels bij de bestemming "Gemengd - B2" geen koppeling is opgenomen met een stedenbouwkundig plan.

Dat betekent dat een aanvraag omgevingsvergunning niet kan worden geweigerd met een beroep op strijd met de door de gemeente gewenste integrale herontwikkeling zoals neergelegd in een stedenbouwkundig plan. Een zelfstandige ontwikkeling door [appellant sub 2] is op grond van het bestemmingsplan en de grondeigendommen volgens hem wel mogelijk. 10.1. De raad stelt dat geen exploitatieplan nodig is, omdat op de gronden van [appellant sub 2] geen (zelfstandig) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De raad heeft dit standpunt als volgt toegelicht. Aan de gronden van [appellant sub 2] is de bestemming "Gemengd - B2" toegekend, met de aanduiding "bouwvlak". Weliswaar laat deze bestemming woningen toe, maar artikel 3.2.1 van de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding, verzet zich tegen het bouwen daarvan op de gronden die eigendom zijn van [appellant sub 2]. In artikel 3.2.1 van de planregels is bepaald dat de gevel van de eerstelijns bebouwing wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding "gevellijn". Op de verbeelding loopt deze gevellijn langs de noordelijke begrenzing van het bestemmingsvlak met de bestemming "Gemengd - B2". Ter hoogte van de percelen van [appellant sub 2] loopt deze gevellijn niet over zijn gronden maar 20 tot 30 cm ten noorden daarvan.

De gronden waarop de gevellijn is geprojecteerd en waarop dus de gevel van de eerstelijns bebouwing moet worden gebouwd zijn niet van [appellant sub 2], maar van de gemeente. De gemeente staat een integrale ontwikkeling van het plangebied voor en daartoe zal zij alsnog de gronden van [appellant sub 2] verwerven. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat er een voorkeursrecht is gevestigd op de gronden van [appellant sub 2]. In zijn verweerschrift en ter zitting heeft de raad gesteld dat er zo nodig onteigend zal worden, als alternatief voor een vorm van zelfrealisatie door de grondeigenaren. 10.2. De Afdeling overweegt dat het plan woningen mogelijk maakt op gronden met de bestemming "Gemengd - B2", met de aanduiding "bouwvlak". Het staat vast dat de gemeente niet alle gronden in het plangebied in eigendom heeft. Naast de percelen [locatie B], [locatie C] en [locatie D] van [appellant sub 2], is in ieder geval ook het perceel ten oosten daarvan, Erfstede 10, eigendom van een derde, namelijk Bourmana. De Afdeling is van oordeel dat niet vaststaat dat het bestemmingsplan, in aanmerking genomen de omvang van de gronden die in eigendom zijn bij [appellant sub 2], onderscheidenlijk Bourmana, niet mogelijk maakt dat een zelfstandig aangewezen bouwplan op die gronden kan worden gerealiseerd.

Ook de raad gaat kennelijk daarvan uit, waar hij in deze procedure heeft aangevoerd dat de gemeente verwerving van de gronden als alternatief voor een vorm van zelfrealisatie door de

5

grondeigenaren nadrukkelijk als optie openhoudt. Niet in geschil is voorts dat er in de toekomst te verhalen exploitatiekosten zijn. Tussen de gemeente en [appellant sub 2] en ook tussen de gemeente en de overige grondeigenaren, in ieder geval Bourmana, zijn geen grondexploitatieovereenkomsten gesloten. Gelet op het voorgaande staat daarom niet vast dat ten tijde van het vaststellingsbesluit de kosten van de grondexploitatie anderszins zijn verzekerd als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onder a, van de Wro. Voor zover de raad stelt dat er geen noodzaak is om een exploitatieplan vast te stellen, omdat de gemeente de gronden in het plangebied in de toekomst minnelijk zal trachten te verwerven en zo nodig zal onteigenen, leidt dit ook overigens niet tot het oordeel dat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie "anderszins is verzekerd" als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onder a, van de Wro. Voor het "anderszins verzekerd" zijn van het kostenverhaal is in dit verband vereist dat de vaststelling daarvan plaatsvindt op het moment waarop het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad ten onrechte, namelijk in strijd met artikel 6.12, eerste lid, van de Wro voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Gemengd - B2", geen exploitatieplan heeft vastgesteld. Het betoog slaagt.

De Afdeling is van oordeel dat de vernietiging van het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor zover daarbij niet tevens een exploitatieplan is vastgesteld, ertoe moet leiden dat ook het bestemmingsplan zelf wordt vernietigd. Immers, indien het bestemmingsplan in stand blijft moet het bevoegd gezag - als aan alle wettelijke vereisten daarvoor is voldaan - omgevingsvergunningen voor het bouwen (bijvoorbeeld van woningen) verlenen, terwijl het kostenverhaal niet is verzekerd. De aanhoudingsverplichting van artikel 3.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ziet op de situatie dat een gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld exploitatieplan geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3699. Artikel 3.5 van de Wabo is niet van toepassing in een situatie als hier aan de orde, waarin er (ten onrechte) geen exploitatieplan is vastgesteld. 11. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] gegrond. Het beroep van Bourmana 12. De gronden van Bourmana waren in het verleden bebouwd. Het gebouw was in gebruik als dansschool en zalenverhuurcentrum. In oktober 2016 is het gebouw volledig afgebrand en het perceel ligt braak.

Aan het perceel van Bourmana zijn in het plan de bestemmingen "Gemengd - B2", met de aanduiding "bouwvlak", en "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend. Bourmana kan zich hiermee niet verenigen. 13. Op zitting heeft Bourmana haar beroepsgrond dat artikel 3.2.1, onder f, van de planregels (herbouw bestaand gebouw) in strijd is met artikel 10.1, onder a (bouwovergangsrecht), van de planregels, ingetrokken. 14. Bourmana betoogt dat de raad heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door aan haar gronden de bestemming "Gemengd - B2" en in het bijzonder "Verkeer Verblijfsgebied" toe te kennen. Zij voert hiertoe aan dat nadat haar gebouw was afgebrand, het hoofd van de afdeling Ruimtelijke Domeinen van de gemeente de bestuurder van Bourmana heeft benaderd en voorgesteld om haar gronden te gebruiken voor woningbouw. De verzekeraar heeft Bourmana medegedeeld dat de brandschade alleen volledig vergoed zou worden als het bedrijfspand zou worden herbouwd. Bourmana heeft dit gemeld aan de gemeente en gevraagd of de betrokken ambtenaren konden garanderen dat Bourmana op

6

haar gronden appartementen/woningen zou mogen bouwen. Het hoofd Ruimtelijke Domeinen heeft volgens haar deze toezegging gedaan. Vertrouwend hierop is Bourmana akkoord gegaan met het voorstel van de gemeente om woningen te bouwen. Zij heeft verschillende varianten voor woningbouw op haar gronden uitgewerkt en voorgesteld. Uiteindelijk heeft de gemeente tijdens een gesprek op 5 juni 2020 de plannen voor de herontwikkeling van het gebied gepresenteerd. Het werd Bourmana toen duidelijk dat er geen, althans onvoldoende, rekening zou worden gehouden met haar belangen als grondeigenaar. Door de handelwijze van de gemeente heeft Bourmana financieel nadeel geleden. Naast de omstandigheid dat slechts de helft van het verzekerde bedrag is vergoed door de verzekeraar, heeft Bourmana extra kosten gemaakt voor het maken en aanpassen van haar plannen voor herontwikkeling. Bovendien zijn de gronden aanmerkelijk in waarde gedaald, omdat aan ongeveer de helft van haar perceel de bestemming "Verkeer Verblijfsgebied" is toegekend. 14.1. De raad stelt dat er geen sprake is geweest van uitlatingen of gedragingen die bij Bourmana redelijkerwijs de indruk hebben kunnen wekken dat de raad planologische medewerking zou verlenen aan de door haar gewenste woningbouwontwikkeling op haar perceel.

Subsidiair stelt de raad dat, als wel sprake zou zijn geweest van een toezegging, deze niet kan worden toegerekend aan de raad. Bovendien weegt het algemeen belang bij niet-nakoming van een toezegging - voor zover daarvan al sprake zou zijn geweest - zwaarder dan het individuele belang van Bourmana bij de door haar gewenste herontwikkeling, aldus de raad. 14.2. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1239, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. 14.3.

De Afdeling overweegt dat Bourmana haar relaas over het feitelijke verloop van de gesprekken met ambtenaren van de gemeente en de in dat verband door hen gedane toezeggingen niet heeft onderbouwd met stukken of andere bewijsmiddelen. Zo heeft Bourmana geen gespreksverslagen overgelegd die haar stelling dat bepaalde toezeggingen zijn gedaan ondersteunen. Op zitting heeft Bourmana gewezen op het concept van de "Intentieovereenkomst" uit 2021 die de gemeente heeft aangeboden aan alle grondeigenaren in het plangebied, waaronder Bourmana. Deze overeenkomst is niet getekend door partijen. In de "considerans" van de overeenkomst staat onder meer dat partijen met elkaar in overleg zijn over een gezamenlijke invulling van het plan en dat partijen de haalbaarheid van het plan gezamenlijk wensen te onderzoeken en de doelen van een haalbaarheidsonderzoek nader wensen te bepalen. In artikel 1.3 van de overeenkomst staat dat met de overeenkomst wordt beoogd een intentie uit te spreken en niet het maken van bindende afspraken. Ook anderszins volgt uit deze overeenkomst niet dat aan Bourmana een concrete ontwikkeling op haar gronden is toegezegd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat Bourmana niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de kant van de gemeente toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit Bourmana mocht afleiden dat haar gronden grotendeels zouden worden bestemd voor woningbouw en dat zij in staat

7

gesteld zou worden om die geheel zelfstandig te ontwikkelen. Het betoog slaagt niet. 15. Bourmana betoogt dat de parkeerregeling als vastgelegd in artikel 7.7 van de planregels onduidelijk is. Het gaat haar in het bijzonder om de bepalingen onder c en d van dit artikel. In de bepaling onder a staat dat een bouwwerk waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat op het bouwperceel of in de omgeving daarvan in voldoende parkeergelegenheid voor auto's is voorzien en in stand wordt gehouden. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als deze parkeergelegenheden zijn aangelegd en in stand worden gehouden overeenkomstig de "Nota Parkeernormen 2011-2015", of de opvolger daarvan. Voor gronden met de bestemming "Gemengd - B2" geldt echter dat moet worden voldaan aan de concrete parkeernormen die zijn vastgelegd in artikel 7.7, onder b, van de planregels. In het bepaalde onder c wordt de aanvullende eis gesteld dat indien parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein de stallingsruimte per auto een afmeting heeft van minimaal 1,8 m bij 5 m met daarnaast voldoende in- en uitstapruimte. Volgens Bourmana is de voorwaarde van "voldoende in- en uitstapruimte" onduidelijk en daardoor rechtsonzeker. Artikel 7.7, onder d, heeft betrekking op de situatie dat de parkeergelegenheid wordt gerealiseerd in openbaar gebied.

In dat geval geldt dat het college van burgemeester en wethouders voorwaarden kan stellen over de afmetingen en situering. Deze bevoegdheid is ten onrechte niet geclausuleerd. Dit leidt tot een rechtsonzekere situatie, aldus Bourmana. 15.1. De raad stelt dat op grond van artikel 7.7, aanhef en onder c, van de planregels op gronden met de bestemming "Gemengd - B2" de stallingsruimte op eigen terrein een afmeting moet hebben van minimaal 1,8 m bij 5 m met daarnaast voldoende in- en uitstapruimte. De bijzin "met daarnaast voldoende in- en uitstapruimte" benadrukt volgens de raad het functionele aspect van parkeren, te weten het stallen van een auto, inclusief de mogelijkheid om de auto in en uit te kunnen stappen. De daarvoor benodigde ruimte moet op de stallingsplaats beschikbaar zijn. Praktisch bezien komt dit volgens de raad neer op de ruimte die nodig is om een autoportier te kunnen openen, zodanig dat dit een persoon in staat stelt om de auto in of uit te stappen. De Afdeling kan zich vinden in de door de raad gegeven toelichting. Het college heeft weliswaar beoordelingsruimte bij het beoordelen of sprake is van voldoende in- en uitstapruimte, maar het is objectief vast te stellen of er voldoende fysieke ruimte is voor het zodanig openen van een autodeur dat een persoon het voertuig in en uit kan stappen. Het gehanteerde criterium is daarom niet rechtsonzeker.

Het betoog slaagt niet. 15.2. De raad stelt dat het bepaalde in artikel 7.7, onder d, bij nader inzien niet noodzakelijk is. Deze bepaling moet volgens de raad worden geschrapt. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb wat betreft artikel 7.7, onder d, van de planregels. Het betoog slaagt. 16. Bourmana betoogt dat artikel 7.6 van de planregels rechtsonzeker is. Daarin is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nadere eisen kan stellen ten aanzien van het behouden en beschermen van een optimale omgevingskwaliteit. Voor de nadere invulling van deze bevoegdheid is een (dynamische) verwijzing opgenomen naar de beleidsregels "Omgevingskwaliteitsplan Binnenstad (City) Nieuwegein" (hierna "Omgevingskwaliteitsplan).

8

De in het Omgevingskwaliteitsplan opgenomen toetsingscriteria zijn volgens Bourmana echter niet objectief begrensd. 16.1. De raad heeft op zitting erkend dat de bevoegdheid van artikel 7.6 van de planregels niet voldoende objectief begrensd is. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft artikel 7.6 van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is ook op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 17. Wat Bourmana voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. 18. Gelet op het voorgaande is het beroep van Bourmana gegrond. Conclusie 19. De Afdeling is van oordeel dat de vernietiging van het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor zover geen exploitatieplan is vastgesteld, ertoe moet leiden dat ook het bestemmingsplan zelf wordt vernietigd. Immers, indien het bestemmingsplan in stand blijft moet het bevoegd gezag - als aan alle wettelijke vereisten daarvoor is voldaan omgevingsvergunningen voor het bouwen (bijvoorbeeld van woningen) verlenen, terwijl het kostenverhaal niet is verzekerd.

De aanhoudingsverplichting van artikel 3.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ziet op de situatie dat een gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld exploitatieplan geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3699. Artikel 3.5 van de Wabo is niet van toepassing in een situatie als hier aan de orde, waarin er (ten onrechte) geen exploitatieplan is vastgesteld. Verwerken uitspraak 20. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskosten 21. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Bourmana vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], en Bourmana Holding B.V. tegen het besluit van de raad van de gemeente Nieuwegein van 25 november 2021 gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nieuwegein van 25 november 2021; III.

draagt de raad van de gemeente Nieuwegein op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Nieuwegein tot vergoeding van bij appellanten in

9

verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van: a. € 837,00 voor [appellant sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. € 837,00 voor [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; c. € 1.774,00 voor Bourmana Holding B.V., geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de raad van de gemeente Nieuwegein aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: a. € 184,00 voor [appellant sub 1]; b. € 184,00 voor [appellant sub 2]; c. € 365,00 voor Bourmana Holding B.V. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Helder voorzitter w.g. Milosavljević griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023 739

BIJLAGE Wet ruimtelijke ordening Artikel 6.12 1. De gemeenteraad stelt een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. 2. In afwijking van het eerste lid kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen of indien: a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; […]. Besluit ruimtelijke ordening Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een

10

bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² brutovloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Planregels Artikel 3 Gemengd - B2 3.1 Bestemmingsomschrijving a. wonen in een woning al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroep; b. kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'centrum' en waarbij geldt dat de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte maximaal 2.000 m² bedraagt; c. dienstverlening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'centrum' en uitsluitend op de eerste bouwlaag boven maaiveld; d. ambachtelijke bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'centrum' en uitsluitend op de eerste bouwlaag boven maaiveld; e.

detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'centrum' en uitsluitend op de eerste bouwlaag boven maaiveld, waarbij geldt dat de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte maximaal 350 m² bedraagt; f. behoud en bescherming van een optimale omgevingskwaliteit; g. gebouwde parkeervoorzieningen, waaronder begrepen fietsenstallingen; h. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; i. geluidswerende voorzieningen; j. groenvoorzieningen; k. waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging; l. nutsvoorzieningen. Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten: m. gebouwen;

11

n. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; o. bijbehorende voorzieningen, zoals erven, (ongebouwde) parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen en gebouwde parkeervoorzieningen Voor het bouwen van gebouwen en gebouwde parkeervoorzieningen gelden de volgende bepalingen: a. een gebouw en een gebouwde parkeervoorziening mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. voor een gebouw, niet zijnde en een gebouwde parkeervoorziening, ter plaatse van de aanduiding 'centrum' geldt voor de eerste bouwlaag vanaf maaiveld een minimale hoogte van 4,5 m, voor de eerste 3 m vanaf de voorste gevel; c. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 80; d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' geldt de opgenomen bouwhoogte; e. de gevel van de eerstelijns bebouwing wordt in de gevellijn ter plaatse van de figuur 'gevellijn' gebouwd; f. herbouw van een bestaand gebouw is niet toegestaan.

Artikel 7 Algemene bouwregels 7.6 Nadere eisen omgevingskwaliteit Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van het behouden en beschermen van een optimale omgevingskwaliteit bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarbij voor de vereiste mate van aanvaardbaarheid de normen van toepassing zijn uit de set beleidsregels 'Omgevingskwaliteitsplan Binnenstad (City) Nieuwegein' van de gemeente Nieuwegein, dan wel in het geval deze set beleidsregels tussentijds worden gewijzigd of vervangen door een andere set beleidsregels, deze gewijzigde, respectievelijk vervangende set beleidsregels.

12

bestemmingsplan Erfstede

Bijlage 2 Overzicht bouw- en gebruiksmogelijkheden

17

C (west) Grootschalige detailhandel Detailhandel Horeca Dienstverlening Kantoren Maatschappelijk Woningen (aantal) Totaal BVO

BP 2007 5000 1500 0 0 25000 0

BP 2020 0 0* 0* 1500 5000 2000 870 80000

65000

B2 Detailhandel Dienstverlening Maatschappelijk Kantoren Horeca Woningen (aantal) Totaal BVO

K

BP 2007 970 970 0 0 970 2825

BP 2020 350 1000 1000 2000 0* 100 7500

K C-1

V

K

GD-B2

C-1

C-1 C-1

GD-C

BP 2007 5000 3500 5000 5000 10000 5000

B3 (ABC-locatie) Detailhandel Dienstverlening Horeca Woningen (aantal) Totaal BVO

BP 2007 2185 2185 2185

Hypotheker Kantoren Totaal BVO

54000

20100

BP 2007 1925 1925

BP 2020 250 0 2500 2500 5000 1500 460 41000 BP 2020 2185 2185 2185 200 16600

BP 2020 0 0

BP 2007 9655 9155 3500 8155 8500 38500

A2 Kantoren Maatschappelijk Dienstverlening Horeca Detailhandel Woningen (aantal) Totaal BVO

BP 2007 2000 2000 0 0 0

281220

20370

BP 2020 2785 8485 2250 6185 6800 12000 2282 208500

BP 2020 0 800 800 0* 0 120 13500

C-1

C-1

B1 Detailhandel Cultuur en ontspanning Maatschappelijk Dienstverlening Kantoren Horeca Woningen (aantal) Totaal BVO

Totaal City Detailhandel Dienstverlening Cultuur en ontspanning Horeca Maatschappelijk Kantoren Totaal woningen Totaal BVO

GD-A2

C-B3 GD-1 V-VB K

GD-A4

K

GD-1 GD-1

Text

K

A4 (politiebureau) Leisure (bioscoop) Detailhandel Horeca Dienstverlening Maatschappelijk Kantoren Woningen (aantal) Totaal BVO

M

BP 2007 0 0 0 1000 1500 1500 13500

BP 2020 B-N 2250 0 1500 0 0 M 0 80 7500

A3 (Doorslagzone) Maatschappelijk Dienstverlening Horeca Woningen (aantal) Totaal BVO

BP 2007 0 0 0 103500

Vergelijking planologische mogelijkheden Nieuwegein City 17-09-2020 * maximaal 250m2 mogelijk met een binnenplanse afwijking

BP 2020 500 500 1000 452 42400

bestemmingsplan Erfstede

Bijlage 3 Natuurtoets

20

Natuurtoets Nieuwegein, Erfstede

Natuurtoets Nieuwegein, Erfstede

Inhoud Rapport

8 februari 2024 Projectnummer 983.10.08.00.00

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

4

1.1

4

Soortenbescherming

7

2.1

Wet- en regelgeving

7

2.1.1

Algemene zorgplicht

7

2.1.2

Flora- en fauna-activiteiten

7

2.2

2.3

3

4

5

Plangebied en voornemen

Inventarisatie

8

2.2.1

Planten

8

2.2.2

Vogels

9

2.2.3

Vleermuizen

9

2.2.4

Grondgebonden zoogdieren

10

2.2.5

Amfibieën

11

2.2.6

Dagvlinders

11

2.2.7

Overige insecten

11

2.2.8

Vissen, reptielen en overige ongewervelden

11

Toetsing

11

2.3.1

Vogels

11

2.3.2

Vleermuizen

12

2.3.3

Grondgebonden zoogdieren

12

2.3.4

Amfibieën

13

2.3.5

Specifieke zorgplicht

13

Gebiedsbescherming

14

3.1

Wet- en regelgeving

14

3.1.1

Natura 2000-gebieden

14

3.1.2

Natuur Netwerk Nederland

15

3.1.3

Groene contour, weidevogelkerngebieden en ganzenrustgebieden

15

3.2

Inventarisatie

15

3.3

Toetsing

15

3.3.1

Natura 2000-gebieden

15

3.3.2

NNN, groene contour, weidevogelkerngebieden en ganzenrustgebieden

16

Beschermde houtopstanden

17

4.1

Wet- en regelgeving

17

4.2

Inventarisatie en toetsing

17

Conclusie

18

5.1

Soortenbescherming

18

5.2

Gebiedsbescherming

18

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

5.3

Houtopstanden

18

5.4

Zorgplichtmaatregelen

18

5.5

Uitvoerbaarheid plan

19

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

1

Inleiding De initiatiefnemer is van plan om een terrein aan de Erfstede in Nieuwegein te herontwikkelen en hier circa 80 appartementen te realiseren. Hiervoor wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Om het plan aan de natuurwet- en regelgeving te toetsen, is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het doel van deze natuurtoets is om na te gaan of het plan vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar is. Uit de natuurtoets kan ook blijken dat aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet (Ow)1 of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de natuurtoets op 1 februari 2024 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: helder, droog, circa 7˚C en windkracht 2 – 3 Bft.

1.1

Plangebied en voornemen

Het plangebied bevindt zich aan de Erfstede, Schouwstede en Weerdstede in Nieuwegein (zie figuur 1). Aan de zuidzijde wordt het begrensd door de Weerdstede, aan de noordoostzijde door de Erfstede, aan de noordwestzijde door de Schouwstede en aan de zuidwestzijde door een fietspad. Het plangebied bestaat vrijwel geheel uit bebouwing en verharding. Aan de westzijde van het plangebied ligt een open busstation, opgebouwd uit metalen pilaren en een kunststof platen plat dak. Het gebouw in het midden van het plangebied is een zakencentrum met enkele kleine ondernemingen en winkels. Dit zakencentrum is opgetrokken uit baksteen met een plat dak. Aan de oostzijde staan de restanten van een ingestort gebouw. Het ingestorte gebouw is afgezet met hekken/schuttingen en is niet toegankelijk. Begroeiing in het plangebied is beperkt tot enkele (kleine) bomen en sierhaagjes rondom het zakencentrum en het ingestorte gebouw. Permanent oppervlaktewater is niet aanwezig in het plangebied. De plannen zijn om de locatie te herontwikkelen en hier appartementen te realiseren. Hiervoor wordt de bestaande bebouwing gesloopt, vegetatie verwijderd en grond vergraven. Omdat nog niet zeker is of de bomen in het plangebied behouden blijven, wordt er in dit plan vanuit gegaan dat alle bomen worden gekapt.

1

De Wet natuurbescherming is vanaf 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet beschermt zowel soorten als (Europese) natuurgebieden.

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

4

Figuur 1. Locatie van het plangebied (zwart omlijnd). Bron luchtfoto: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/viewer.

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

5

Foto’s 1 t/m 6. Impressie van het plangebied op 1 februari 2024. Van linksboven naar rechtsonder: het busstation gezien vanuit het oosten; de zuidkant van het busstation; het zakencentrum vanuit het zuidoosten gezien; het zakencentrum vanaf het noordwesten; de hekken/schuttingen rondom het ingestorte gebouw vanuit het zuidwesten; het ingestorte gebouw vanaf de noordoostzijde.

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

6

2

Soortenbescherming 2.1

Wet- en regelgeving

2.1.1 Algemene zorgplicht Voor de gehele fysieke leefomgeving geldt een algemene zorgplicht (artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a Omgevingswet). Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving als gevolg van activiteiten redelijkerwijs zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. In geval van aanzienlijke nadelige gevolgen kunnen activiteiten op grond van deze zorgplicht ook worden verboden (artikel 1.7a Omgevingswet). 2.1.2 Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit betreffen floraen fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft in hoofdstuk 4 algemene regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving, waaronder flora- en fauna-activiteiten2. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de flora- en fauna-activiteiten3 verder uitgewerkt. SPECIFIEKE ZORGPLICHT Er geldt een specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving). Deze zorgplicht houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben, maatregelen moet nemen om die gevolgen te voorkomen, te beperken, achterwege te laten of ongedaan te maken.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat onderzoek moet worden verricht naar de aanwezigheid in het plangebied of in de nabijheid van het plangebied van de soorten en voor deze soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats, zoals genoemd in artikel 11.27, lid 2a Besluit activiteiten leefomgeving. Hieronder vallen soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en genoemd in bijlage IX van het Bal of in de Nederlandse rode lijsten4. Op de rode lijsten staan soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen, ingedeeld in verschillende categorieën voor mate van bedreiging (van gevoelig tot verdwenen uit Nederland). VERGUNNINGPLICHT Voor het uitvoeren van een flora- en fauna-activiteit is in beginsel een omgevingsvergunning ingevolge de Omgevingswet (artikel 5.1, lid 2, sub g) en het Besluit activiteiten leefomgeving (zie hierna) nodig. De soorten waarvoor een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd bij een flora- en -fauna activiteiten zijn: -

alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2, artikelen 11.37–11.45 Bal);

2

Voor het begrip flora- en fauna-activiteit zie bijlage bij Ow artikel 1.1.

3

Artikelen 11.27 en 11.28 en de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5 Besluit activiteiten leefomgeving.

4

Omgevingswet artikel 2.19 lid 5 sub a sub 3

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

7

-

dier- en plantensoorten die zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 11.2.3, artikelen 11.46–11.53 Bal);

-

nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage IX van het Bal (paragraaf 11.2.4, artikelen 11.54–11.59 Bal).

VERGUNNINGVRIJE GEVALLEN In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn daarnaast vergunningvrije gevallen aangewezen waarvoor, zoals de naam al zegt, geen vergunning nodig is. Het gaat hierbij om flora- en fauna-activiteiten die zijn aangewezen in een programma, een omgevingsverordening, een ministeriële regeling of een gedragscode. Aan het aanwijzen van vergunningvrije gevallen zijn wel eisen verbonden die verschillen per beschermingstype. Voor Vogelrichtlijnsoorten staan deze omschreven in artikelen 11.41 - 11.45 Bal, voor Habitatrichtlijnsoorten in artikelen 11.49 - 11.53 Bal en voor andere soorten in artikelen 11.55 - 11.59 Bal.

2.2

Inventarisatie

Uit het raadplegen van gegevens van de laatste vijf jaar in de Nationale Databank Flora en Fauna5 (NDFF) op 5 februari 2024 blijkt dat in de directe omgeving (0 – 1 km) van het plangebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn. In dit geval gaat het specifiek om vogels met jaarrond beschermde nesten, zoogdieren en amfibieën. Tevens zijn specifieke zorgplicht soorten uit de soortgroepen vogels, zoogdieren, dagvlinders, overige insecten en vaatplanten bekend in de omgeving het plangebied. Hierna worden per soortengroep alle relevante soorten besproken. 2.2.1 Planten In het plangebied is voornamelijk sierbeplanting, zoals kleine buxushagen, aanwezig langs de randen van het zakencentrum en het ingestorte gebouw. Tussen de sierbeplanting en tussen de verharding zijn daarnaast nog enkele algemene (tred)planten waargenomen, zoals straatgras, paardenbloem, smalle weegbree en klein kruiskruid. Langs de noordzijde van het plangebied staan nog enkele gewone essen en een linde. De aanwezige soorten duiden op voedselrijke tot zeer voedselrijke omstandigheden. Beschermde planten zijn niet aantroffen tijdens het veldbezoek en zijn ook niet uit de omgeving bekend (NDFF). Gezien de terreingesteldheid, het aanwezige biotoop en de afwezigheid van waarnemingen uit de omgeving kunnen beschermde plantensoorten worden uitgesloten.

In de directe omgeving zijn 13 verschillende gevoelige of kwetsbare plantensoorten van de rode lijsten waargenomen, zoals beemdkroon en korenbloem. Voor deze soorten is geen geschikt biotoop aanwezig binnen het plangebied. Hierdoor worden deze soorten niet verwacht binnen het plangebied.

5

De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd.

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

8

2.2.2 Vogels VOGELS MET JAARROND BESCHERMDE NESTPLAATSEN Uit de omgeving van het plangebied zijn verschillende vogelsoorten bekend waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zoals huismus en gierzwaluw (NDFF). Alle bebouwing in het plangebied hebben platte daken en beschikken niet over geschikte besloten ruimtes waarin deze soorten nesten kunnen hebben. Hierdoor kunnen jaarrond beschermde nesten van gebouwbewonende vogels zoals huismus en gierzwaluw in het plangebied worden uitgesloten. In de bomen in het plangebied zijn geen vogelnesten waargenomen, waardoor ook de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van boombewonende vogels, zoals ransuil, uitgesloten kunnen worden. FOERAGEERGEBIED Het plangebied zal door de hoge mate van verstoring, verharding en gebrek aan dekking hooguit een klein onderdeel vormen van het foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus. OVERIGE EN RODE LIJST SOORTEN In de bomen in het plangebied en op de platte daken kunnen algemene soorten, zoals houtduif, scholekster en meeuwen, broeden. Er zijn in de directe omgeving meerdere vogelsoorten waargenomen van de Rode Lijst, zoals gele kwikstaart, graspieper en keep. Nesten van de te verwachten algemene en rode lijst soorten zijn alleen tijdens de broedperiode beschermd.

2.2.3 Vleermuizen VERBLIJFPLAATSEN Uit de omgeving van het plangebied zijn een aantal vleermuissoorten bekend, namelijk gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis (NDFF). Het busstation en het ingestorte gebouw beschikken niet over geschikte besloten ruimtes en/of geschikte aanvliegroutes voor vleermuizen om verblijfplaatsen in te kunnen hebben. Hierin kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. In het zakencentrum zijn over alle gevels open stootvoegen aanwezig, die vleermuizen toegang bieden tot eventuele geschikte verblijfruimtes in de muren. In het zakencentrum kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis niet worden uitgesloten. Daarnaast zijn in de naastgelegen bebouwing direct ten noorden (langs de Erfstede) en ten zuiden (langs de Weerdstede) ook open stootvoegen en/of spleten onder dakpannen aanwezig, die vleermuizen toegang kunnen geven tot geschikte besloten ruimtes in de bebouwing. In de direct naastgelegen bebouwing kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen dan ook niet uitgesloten worden. In de bomen in het plangebied zijn geen holtes, spleten of scheuren aangetroffen die als vleermuisverblijfplaats kunnen dienen voor boombewonende vleermuizen.

Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, zoals rosse vleermuis en watervleermuis, in het plangebied worden uitgesloten.

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

9

FOERAGEERGEBIED Het plangebied kan onderdeel vormen van het foerageergebied van soorten, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis, die uit de directe omgeving van het plangebied bekend zijn (NDFF) en die in stedelijk gebied kunnen foerageren. VLIEGROUTE Binnen het plangebied zijn geen doorgaande structuren van opgaande beplanting of watergangen aanwezig. De bebouwing direct ten noorden (langs de Erfstede) en de bebouwing direct ten zuiden (langs de Weerdstede) van het plangebied maken wel deel uit van een doorgaande structuur die als vliegroute gebruikt kunnen worden. De bebouwing maakt echter deel uit van een ruim netwerk van doorgaande structuren van bebouwing in de omgeving. Eventuele vliegroutes die gebruik maken van deze bebouwing als oriëntatiepunten zijn hierdoor niet van essentieel belang voor het functioneren van nabijgelegen verblijfplaatsen. De aanwezigheid van een essentiële vliegroute in en direct langs het plangebied van vleermuizen kan hierdoor worden uitgesloten. 2.2.4 Grondgebonden zoogdieren VERGUNNINGVRIJE GEVALLEN Het plangebied vormt door de hoge mate van verharding slechts marginaal geschikt leefgebied voor een aantal grondgebonden zoogdiersoorten, zoals de uit de omgeving bekende soorten huisspitsmuis en egel (NDFF).

Deze soorten zijn in bijlage X van de Omgevingsverordening provincie Utrecht aangewezen als vergunningvrije gevallen bij flora- en fauna-activiteiten (subparagraaf 6.4.2.3 Omgevingsverordening provincie Utrecht). NIET-VERGUNNINGVRIJE GEVALLEN In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van niet-vergunningvrije gevallen soorten bekend (NDFF). Het ingestorte gebouw biedt echter mogelijk geschikte rust- en nestplaatsen voor steenmarter. Dit gebouw is meer dan vijf jaar geleden ingestort en is sindsdien afgezet. De kelderruimtes zijn mogelijk wel nog (grotendeels) intact en mogelijk toegankelijk voor steenmarter. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van steenmarter (verspreidingsatlas.nl) en steenmarter is in de afgelopen vijf jaar meermaals waargenomen rondom Nieuwegein (NDFF). Doordat het ingestorte gebouw in het plangebied is afgezet met bouwhekken/schuttingen, kon het gebouw tijdens het veldbezoek niet worden geïnspecteerd op sporen en geschikte verblijfplaatsen van steenmarter. Vanwege de sierdoeken op de hekken en de schuttingen kon het gebouw ook niet vanbuiten onderzocht worden op de aanwezigheid van openingen die steenmarter toegang bieden tot het gebouw. Als in het ingestorte gebouw openingen aanwezig zijn die leiden naar besloten holtes binnen de restanten van het gebouw, dan kan steenmarter hierin een rust- of verblijfplaats hebben.

Vanuit het plangebied hoeft steenmarter alleen de Schouwstede of de Erfstede en de Noordstedeweg over te steken om bij de doorlopende groenstroken ten westen en noorden van het plangebied te komen. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van steenmarter in het plangebied niet worden uitgesloten.

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

10

2.2.5 Amfibieën VERGUNNINGVRIJE GEVALLEN Het

plangebied

vormt

hooguit

marginaal

geschikt

landbiotoop

voor

enkele

algemene

amfibieënsoorten, zoals gewone pad en bruine kikker (NDFF). Deze soorten zijn in bijlage X van de Omgevingsverordening provincie Utrecht aangewezen als vergunningvrije gevallen bij flora- en faunaactiviteiten (subparagraaf 6.4.2.3 Omgevingsverordening provincie Utrecht). NIET-VERGUNNINGVRIJE GEVALLEN Uit de omgeving van het plangebied zijn de niet-vergunningvrije gevallen amfibieënsoort alpenwatersalamander en vroedmeesterpad bekend (NDFF). Beide soorten komen niet van nature in de regio Utrecht voor. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater binnen het plangebied, kan voortplantingsbiotoop van alpenwatersalamander en vroedmeesterpad in het plangebied worden uitgesloten. Vanwege de hoge mate van verharding, vormt het plangebied ook hooguit zeer marginaal geschikt landbiotoop voor deze soorten. Andere niet–vergunningvrije amfibieënsoorten worden door het ontbreken van geschikt biotoop en/of waarnemingen uit de omgeving (NDFF) niet verwacht in het plangebied. 2.2.6 Dagvlinders Uit de omgeving is de dagvlindersoort bruin blauwtje bekend, die op de Rode Lijst staat (NDFF). Bruin blauwtje komt met name voor in schrale graslanden. De soort is tweemaal in juli 2023 waargenomen op de rand van Nieuwegein, wat dan ook waarschijnlijk een zwervend dier betrof. Bruin blauwtje wordt dan ook niet verwacht binnen het plangebied.

2.2.7 Overige insecten Vanuit de gegevens van de NDFF komt een bedreigde schietmotsoort (Hydroptila sp.) en de zeer bedreigde soort vierlijneendagsvlieg van de Rode Lijst naar voren. Beide soorten planten zich voort in al dan niet stromend water en worden, vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater, niet in het plangebied verwacht. 2.2.8 Vissen, reptielen en overige ongewervelden Overige beschermde soorten uit de soortengroepen vissen, reptielen en overige ongewervelden zijn in de directe omgeving niet bekend (NDFF). Het plangebied biedt beschermde soorten van deze soortengroepen ook geen geschikt leefgebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van vissen, reptielen en overige ongewervelden worden uitgesloten.

2.3

Toetsing

2.3.1 Vogels JAARROND BESCHERMDE NESTPLAATSEN Als gevolg van de sloop van de bebouwing en de kap van de bomen gaan geen jaarrond beschermde nestplaatsen verloren. Voor de overige vogelsoorten, inclusief de Rode Lijst soorten, geldt dat het vernietigen of verstoren van in gebruik zijnde nesten bij wet verboden is. Dit kan worden voorkomen

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

11

door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De meeste vogels broeden tussen half maart en half juli, maar ook in de periode half februari tot eind september kunnen broedgevallen voorkomen. FOERAGEERGEBIED Bij uitvoering van het plan verandert het plangebied als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, maar het plangebied zal naar verwachting niet geheel ongeschikt worden. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief en hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op. 2.3.2 Vleermuizen VERBLIJFPLAATSEN Als gevolg van de sloop van het zakencentrum kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis, verloren gaan. Voordat het zakencentrum gesloopt kan worden is daarom nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen nodig. Eventuele verblijfplaatsen in de naastgelegen bebouwing langs de Erfstede en de Weerdstede blijven bij uitvoering van de plannen behouden.

Wel moet tijdens en na de bouwfase lichtverstoring op deze verblijfplaatsen worden voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door gebruik te maken van gerichte lichtarmaturen en/of amberkleurige verlichting. Kan verstoring op deze potentiële verblijfplaatsen niet worden voorkomen, dan is ook hier onderzoek naar de aan- of afwezigheid van deze verblijfplaatsen nodig. FOERAGEERGEBIED/VLIEGROUTE Het plangebied zal naar verwachting na uitvoering van het plan niet ongeschikt worden voor de te verwachten vleermuissoorten die graag in stedelijk gebied foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied treden niet op. 2.3.3 Grondgebonden zoogdieren Als gevolg van de plannen kunnen verblijfplaatsen van steenmarter worden vernietigd. In het ingestorte gebouw aan de oostzijde van het plangebied kunnen verblijfplaatsen van steenmarter (nog) niet worden uitgesloten. Mogelijk kunnen verblijfplaatsen hier wel worden uitgesloten wanneer het ingestorte gebouw nader geïnspecteerd kan worden in een aanvullend veldbezoek waarbij toegang kan worden gekregen tot het gebouw en, indien mogelijk, de kelderruimtes.

Als verblijfplaatsen tijdens dit bezoek niet uitgesloten kunnen worden, dan is eerst nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van steenmarter nodig voordat de bebouwing verwijderd kan worden. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene zoogdiersoorten die niet onder de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten vallen, worden verstoord en

Natuurtoets Nieuwegein Erfstede - 8 februari 2024

12

vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen onder de vergunningvrije gevallen, zoals benoemd in de Omgevingsverordening provincie Utrecht. Voor deze soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht van de Omgevingswet. 2.3.4 Amfibieën Negatieve effecten op niet-vergunningvrije amfibieënsoorten kunnen worden uitgesloten. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieënsoorten die niet onder de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten vallen, worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen onder de vergunningvrije gevallen, zoals aangewezen in de Omgevingsverordening provincie Utrecht. Voor deze soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht van de Omgevingswet. 2.3.5 Specifieke zorgplicht In het plangebied kunnen enkele algemene dier- en/of plantensoorten voorkomen, zoals huisspitsmuis, egel of gewone pad, waarvoor de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten geldt, zoals omschreven in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=c081c5a4-a90f-4568-a098-327492701105