2024-026 Ondergrondse verkabeling Nieuwegein_Bijlagen_Bijlage 5 Veldonderzoek archeologie
Tekst van het document
2024-026
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Verkabelen 150 kV lijn Oudenrijn - Nieuwegein (gemeente Utrecht en Nieuwegein)
projectnummer 471703 revisie 01 19 september 2023
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Verkabelen 150 kV lijn Oudenrijn - Nieuwegein (gemeente Utrecht en Nieuwegein) projectnummer 471703 revisie 01 19 september 2023
Auteurs M.W.J. Modderkolk M. van Riel
Opdrachtgever TenneT TSO B.V. Postbus 718 6800 AS Arnhem
datum vrijgave 19-09-2023
beschrijving revisie 01 Definitief
gecontroleerd G. Sophie
vrijgave R.S. Raap
Inhoudsopgave
Blz.
Samenvatting
2
1
Inleiding
4
2
Bureauonderzoek
5
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Begrenzing plangebied Huidig en toekomstig gebruik Landschappelijke situatie Historische situatie en mogelijke verstoringen Archeologische waarden Gespecificeerde archeologische verwachting
5 5 6 7 8 14
3
Veldonderzoek
17
3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2
Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodemopbouw Archeologie
17 17 18 20 22
4
Conclusies en advies
25
4.1 4.2
Conclusies (Selectie)advies
25 25
Literatuur en geraadpleegde bronnen
29
Lijst met afbeeldingen
31
Boorpuntenkaarten
32
Bijlagen 1 2 3 4 5 6
Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen Extra boorbeschrijvingen buiten de scope van dit IVO-O Dwarsdoorsnede bodemprofielen Verwachtingskaarten
Kaartbijlagen 471703-ARCHIS Gegevens uit ARCHIS Boorpuntenkaarten
Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem
471703 5151068100 Utrecht Nieuwegein Nieuwegein Oudenrijn - Nieuwegein
Kaartblad 31O Coördinaten 132801/451892 136080/451284 Opdrachtgever Uitvoerder Datum uitvoering Projectteam
TenneT TSO B.V. Antea Group januari-juli 2022 en april-mei 2023 H.R. Koopmans (projectmanager) R.S. Raap (projectleider) M.W.J. Modderkolk (KNA-prospector) M. van Dasselaar (KNA-prospector) Vrijgave conform KNA A.J. Brokke (senior KNA-prospector) G. Sophie (senior KNA-archeoloog en -prospector) Bevoegd gezag gemeente Utrecht en gemeente Nieuwegein Deskundige bevoegd gezag E. Graafstal (Gemeentelijk archeoloog, gemeente Utrecht) S. Gresnigt (Beleidsadviseur archeologie en erfgoed, gemeente Nieuwegein) Beheer documentatie Antea Group Vondstdepot n.v.t.
Afbeelding 1. De ligging van het plangebied op de topografische kaart. Dit inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen heeft alleen betrekking op de tracédelen waarvoor in het voorafgaande archeologisch bureauonderzoek een (middel)hoge archeologische verwachting is vastgesteld; en waar graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden (Mast 17 met het werkterrein en open ontgraving 1, Mast 18-19, open ontgraving 2, Mast 21-24 en Mast 29).
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Samenvatting In opdracht van TenneT heeft Antea Group in januari 2022-mei 2023 een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase; IVO-O) uitgevoerd bij delen van de 150 kVlijnverbinding ‘Oudenrijn – Nieuwegein’, binnen Nieuwegein (gemeente Nieuwegein). TenneT is voornemens de bovengrondse lijnverbinding ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ ondergronds aan te leggen. Het tracé heeft een lengte van ruim 4 km. De 150 kV-kabelverbinding zal voor het grootste gedeelte worden aangelegd door middel van horizontaal gestuurde boringen (HDD) en voor een kleiner gedeelte door middel van open ontgravingen. Door planaanpassingen zal er geen opstijvoorziening meer worden gerealiseerd. De verkabeling gaat verder in Utrecht, waar een apart onderzoek voor zal worden uitgevoerd. Hoogspanningsmast 17-29 zullen worden verwijderd. Uit het eerder uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek 1 blijkt dat er een archeologische verwachting geldt voor Mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1; Afbeelding 2), Mast 18-Mast 19, open ontgraving 2, Mast 21-24 en 29. Bij de voorgenomen graaf- en grondroerende werkzaamheden ter plaatse van de open ontgravingen, bij het cultuurtechnisch herstel en bij de te verwijderen hoogspanningsmasten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
In het bureauonderzoek werd daarom voor deze locaties een IVO-O geadviseerd, waar het bevoegd gezag mee instemde. Een IVO-O is erop gericht om de archeologische verwachting te toetsen zoals die in het archeologisch bureauonderzoek is vastgesteld, aan hand van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologische lagen. Voorafgaand aan dit onderzoek is plan van aanpak (PvA) opgesteld dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag.2 Het inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase (IVO-O) is de tweede stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, Bijlage 2). Conclusies In het westen van het plangebied bij Mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1), Mast 18, Mast 19 en bij open ontgraving 2 (gelegen op de Blokstroomgordel; boring 4-5, 102-104, 201, 204, 206 en 210) zijn direct onder de recente bouwvoor intacte archeologische lagen aangetroffen in de vorm van een donker blauwgrijze/bruinbeige oude bouwvoor (al dan niet met vegetatielagen direct eronder). Deze archeologische lagen bevinden zich tussen ca. 0,35 en -0,3 m NAP; 0,15 tot 0,45 m beneden maaiveld. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit de late ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Daarnaast is een andere archeologische relevante laag de vegetatiehorizont bij boorpunt 4 (Mast 18), die aangetroffen werd tussen ca. -0,6 en -0,75 m NAP (ca. 105 cm beneden maaiveld).
De middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd, en de hoge archeologische verwachting voor periode ijzertijd tot en met de Romeinse tijd kan worden gehandhaafd. Ook is in het westen van het tracé een archeologische relevante laag de zwakhumeuze laag bij boorpunt 202 (het werkterrein bij Mast 17), die aangetroffen werd tussen ca. -1 en -1,05 m NAP (ca. 1,4 en 1,45 m beneden maaiveld). De bodemeigenschappen en de diepteligging komen overeen met een nabijgelegen prehistorische vindplaats. In het midden van het plangebied bij Mast 21 en 22 (nabij de ontginningsas Galecopperdijk; boring 6, 107-109) werd er onder de recente ophooglaag en/of recente bouwvoor een intacte 1 Modderkolk, 2022; goed gekeurd door het bevoegd gezag op 22-01-2022. 2 Pers. Comm.: S. Gresnigt, 20-01-2022.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
oudere bouwvoor aangetroffen van ca. 25-55 cm dik (tussen ca. -0,25 en -0,9 m NAP; 0,3 tot 0,7 m beneden maaiveld). Als er archeologische resten aanwezig zijn wordt verwacht dat deze samenhangen met agrarische activiteiten vanaf de middeleeuwen. In het oosten van het plangebied bij Mast 29 zijn direct onder de recente bouwvoor archeologische lagen aangetroffen in de vorm van een oude bouwvoor, gevlekte cultuurlagen en/of vegetatielagen. Op basis van de zeefmonsters kunnen geen duidelijke conclusies worden getrokken over de ouderdom van de bemonsterde bodemlagen, omdat het aangetroffen materiaal (schelpen, metaalslakachtig materiaal, grind, houtskool en baksteenbrokjes) zowel Romeins als recent kunnen zijn. De ligging van het AMK-terrein (met sporen van bewoning uit de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen) hangt waarschijnlijk samen met de Jutphaas stroomgordel die vrij ondiep in de ondergrond voorkomt. De bovenkant van de stroomgordel, incl. de vegetatiehorizonten, ligt op ca. 0,7 tot 1 m beneden maaiveld (tussen ca. 0,85 en 0,4 m +NAP). Vanwege de aangetroffen vegetatielagen en de relatief ondiepe ligging van de Jutphaas stroomgordel in de ondergrond blijft de archeologische verwachting voor de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen bestaan.
Bij de overige boorpunten, zo ook voor Mast 23 en 24 (in het oosten van het plangebied, gelegen nabij de Jutphaas stroomgordel) zijn geen relevante archeologische lagen aangetroffen. Advies Bij Mast 17 (ter hoogte van boorpunt 201, 204 en 206) en bij open ontgraving 2 (boorpunt 210) wordt vanwege de hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de late ijzertijd tot en met de Romeinse tijd een verkennend proefsleuvenonderzoek geadviseerd (protocol 4003), indien er daadwerkelijk graafwerkzaamheden en/of cultuurtechnisch herstel gaat plaatsvinden (de omvang en ligging van het werkterrein staat nog niet vast). Het archeologische relevante niveau bevindt zicht direct onder de recente bouwvoor, ca. 15-30 cm beneden maaiveld (Tabel 4, Afbeelding 5, Afbeelding 6). Bij Mast 18, 19, 21 en 29 wordt archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd indien de graaf- of grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden binnen een straal groter dan 0,5 m rondom de fundaties/poeren van de mast (Tabel 4, Afbeelding 5, Afbeelding 6). Gezien de aard van de voorgenomen werkzaamheden, het verwijderen van masten, wordt geadviseerd om dit te doen onder archeologische begeleiding (de te verwachten verstoringsdiepte is ca. 2,5 m beneden maaiveld).
De rest van het plangebied wordt geadviseerd om vrij te geven: • Bij boorpunt 202 binnen het werkterrein bij Mast 17, als het cultuurtechnisch herstel (of eventueel andere grondroerende werkzaamheden) gaat plaatsvinden tot ca. 0,9 m beneden maaiveld (Tabel 4, Afbeelding 5-Afbeelding 7Afbeelding 6). Het archeologische relevante niveau ligt op ca. 1,4 m beneden maaiveld. • Mast 22 omdat bij twee van de drie boringen, en dus waarschijnlijk binnen het grootste gedeelte bij deze mastlocatie, het bodemprofiel was vergraven waardoor er geen intacte bouwvoor aanwezig was. Binnen het grootste gedeelte van deze mastlocatie worden er dus geen archeologische relevante lagen verwacht. • Mast 23 en 24 vanwege het ontbreken van archeologische relevante lagen. Reactie bevoegd gezag Het advies voor vervolgonderzoek uit het rapport wordt onderschreven en overgenomen: 1. Bij open ontgraving 2 moet de volgende stap in het archeologisch traject worden gezet in de vorm van een verkennend proefsleuvenonderzoek (als er daadwerkelijk graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden). 2. Voor masten 18, 19, 21 en 29: als er graaf‐ of grondroerende activiteiten plaats gaan vinden die buiten een straal van 50 cm rondom de fundaties/poeren van de mast vallen, moeten deze archeologisch begeleid worden. De rest van het plangebied op grond van de gemeente Nieuwegein kan worden vrijgegeven.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
1
Inleiding In opdracht van TenneT heeft Antea Group in januari 2022-mei 2023 een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase; IVO-O) uitgevoerd bij delen van de 150 kVlijnverbinding ‘Oudenrijn – Nieuwegein’, binnen Nieuwegein (gemeente Nieuwegein). TenneT is voornemens de bovengrondse lijnverbinding ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ ondergronds aan te leggen. Het tracé heeft een lengte van ruim 4 km. De 150 kV-kabelverbinding zal voor het grootste gedeelte worden aangelegd door middel van horizontaal gestuurde boringen (HDD) en voor een kleiner gedeelte door middel van open ontgravingen. Door een planaanpassing zal er geen opstijgvoorziening meer worden gerealiseerd, maar zal de bekabeling verder gaan in Utrecht. Hier wordt een apart onderzoek naar uitgevoerd. Hoogspanningsmast 17-29 zullen worden verwijderd. Uit het eerder uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek 3 blijkt dat er een archeologische verwachting geldt voor Mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1; Afbeelding 2), Mast 18-Mast 19, open ontgraving 2, Mast 21-24 en 29. Bij de voorgenomen graaf- en grondroerende werkzaamheden ter plaatse van de open ontgravingen, bij het cultuurtechnisch herstel en bij de te verwijderen hoogspanningsmasten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
In het bureauonderzoek werd daarom voor deze locaties een IVO-O geadviseerd, waar het bevoegd gezag mee instemde. Een IVO-O is erop gericht om de archeologische verwachting te toetsen zoals die in het archeologisch bureauonderzoek is vastgesteld, aan hand van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologische lagen. Voorafgaand aan dit onderzoek is plan van aanpak (PvA) opgesteld dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag.4 Het inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase (IVO-O) is de tweede stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, Bijlage 2). Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).
3 Modderkolk, 2022; goed gekeurd door het bevoegd gezag op 22-01-2022. 4 Pers. Comm.: S. Gresnigt, 20-01-2022.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
2
Bureauonderzoek Er is in een eerder stadium al een bureauonderzoek uitgevoerd door Antea Group.5 In het onderstaande volgt een korte samenvatting van dit bureauonderzoek.
2.1
Begrenzing plangebied Dit inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase (IVO-O), heeft alleen betrekking op de tracédelen waar in het voorafgaande archeologisch bureauonderzoek een (middel)hoge archeologische verwachting is vastgesteld; en waar graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden (Mast 17 met het werkterrein en open ontgraving 1, Mast 18-19, open ontgraving 2 en Mast 21-24 en 29). Deze tracédelen vormen het plangebied in het onderhavige onderzoek.
2.2
Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het plangebied waar het IVO-O plaatsvindt is in gebruik als agrarisch land, openbaar groen en bedrijventerrein. Consequenties toekomstig gebruik Het tracé heeft een lengte van ruim 4 km. Het grootste gedeelte van het kabeltracé wordt aangelegd door middel van horizontaal gestuurde boringen (HDD; diepte ca. 25 m beneden maaiveld). Er wordt aangenomen dat eventueel aanwezige archeologisch waarden nauwelijks worden verstoord bij de aanleg van kabels d.m.v. HDD-boringen, omdat bij HDD-boringen een relatief gering bodemvolume wordt verstoord, en omdat de voorgenomen HDD-boringen tot wel 25 m beneden maaiveld reiken wat ruim dieper dan het onderste potentiële archeologische niveau is. Het onderste potentiële archeologische niveau betreft de top van het pleistocene dekzand dat in het onderzoeksgebied op ca. 3-9 m beneden maaiveld ligt (Hoofdstuk 2.3). Kleinere tracégedeeltes worden aangelegd door middel van een open ontgraving tussen de HDDboringen in (totale lengte: ca. 300 m; sleufdiepte: ca. 1,5 m; sleufbreedte: ca. 5 m). Tot slot zullen de hoogspanningsmasten 17-29 op dit tracé worden verwijderd. Het is nog onzeker of bij het verwijderen van de hoogspanningsmasten de bodem verder wordt verstoord dan dat er is gebeurd bij de aanleg van de hoogspanningsmasten.
Er wordt verwacht dat de maximale verstoringsdiepte 2,5 m beneden maaiveld zal zijn. Bij de open ontgravingen, bij het cultuurtechnisch herstel en mogelijk bij het verwijderen van de masten kunnen de eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. In het archeologisch bureauonderzoek zijn de werkzaamheden voor de volledige lijnverbinding ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ opgeschreven.6
5 Modderkolk, 2022; goed gekeurd door het bevoegd gezag op 22-01-2022. 6 Modderkolk, 2022.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
2.3
Landschappelijke situatie Nieuwegein ligt in de archeoregio Utrechts-Gelders rivierengebied. Het westen van het tracé ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ bij Mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1), Mast 18, open ontgraving 1 en Mast 19, ligt op de Blokstroomgordel die actief was tussen 3.795 en 3.000 BP (Before Present; Afbeelding 2). De bovenkant van de stroomgordel ligt op ca. -0,1 tot -0,6 m NAP; ter plaatse van het westelijke gedeelte van het tracé is dit ca. 0,5 tot 1,4 m beneden maaiveld. Op basis van de datering van de Blokstroomgordel, de gemeentelijke verwachtingskaarten en van geregistreerde archeologische vondsten, geldt er voor dit gedeelte van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd en een hoge archeologische verwachting voor de periode de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen direct onder de bouwvoor tot ca. 1,4 m beneden maaiveld worden verwacht, op de oevers van de restgeul van de Blok.7 Nabij Mast 24 ligt een gedeelte van de Jutphaas stroomgordel die actief was tussen 3.795 en 2.715 BP (Before Present; Afbeelding 2). De bovenkant van de stroomgordel ligt op ca. +1,7 tot -0,6 m NAP; nabij Mast 24 is dit tussen ca. 0 en 1,9 m beneden maaiveld.
In het oosten van het tracé, ter plaatse van het bedrijventerrein (nabij Mast 29), varieert de diepteligging van de stroomgordel omdat er een recent ophoogpakket aanwezig is met een variërende dikte (ca. 0,8 tot >2 m 8). Op en binnen de Jutphaas stroomgordel kunnen archeologische resten verwacht worden uit de periode neolithicum tot en met de Romeinse tijd. 9 De rest van het tracé ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ is gelegen in rivierkommen. Uit bestaande resultaten van geologisch boringen nabij open ontgraving 3-4 blijkt dat de bodem bestaat uit klei en/of veen, tot een diepte van minimaal 2,5 m beneden maaiveld. Hieruit kan worden opgemaakt dat de kans klein is dat er bij open ontgraving 3-4 (kleinere) stroomgeulen liggen.10
7
Cohen et al., 2012.
8 Schrijvers en Visser, 2016; Weerheijm en Van Puijenbroek, 2018; Weerheijm et al., 2018; Beckers en De Boer, 2018. 9 Cohen et al., 2012. 10 https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Afbeelding 2. Ligging van de volledige 150 kV-lijnverbinding ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ op een uitsnede van de stroomgordelkaart.11
2.4
Historische situatie en mogelijke verstoringen Historische situatie Al in de Romeinse tijd heeft bewoning plaatsgevonden in de buurt van Nieuwegein. In die tijd vond bewoning plaats op de hooggelegen zandige ruggen van de Jutphaas- en de Blokstroomgordel.12 Vanaf de middeleeuwen zijn delen van het tracé ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ in gebruik genomen vanaf de Galecopperdijk (tussen Mast 21 en 22) wat een ontginningsas was. Volgens historische topografische kaarten was tussen 1850 en 1948 het tracé ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ in agrarisch gebruik; het was verder onbebouwd. Volgens de topografische kaart van 1984 is ten zuiden van het tracé de wijk Nieuwegein Noord tot stand gekomen. Volgens de topografische kaart van 1999 is ter plaatse van het tracé de wijk Galecop tot stand gekomen. Mogelijke verstoringen Waarschijnlijk is het westelijke gedeelte van het tracé, ter plaatse van open ontgraving 1, de opstijgvoorziening en het werkterrein bij mast 17, het meest intact. Hier kunnen wel recente bodemverstoringen verwacht worden als gevolg van agrarische activiteit. Het grootste gedeelte van het tracé ‘Oudenrijn – Nieuwegein’ is recentelijk verstoord door de aanleg van de woonwijken en wegen, waterpartijen en groenstroken; de geluidswal langs de A2; het Amsterdam-Rijnkanaal en het bedrijventerrein in het oosten van het tracé. Hierbij kan de bodem 11 Cohen et al., 2012.
12 www.plaatsengids.nl/vreeswijk.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
zijn opgehoogd en/of afgegraven. In de omgeving van AMK 5627 (in het oostelijke gedeelte van het tracé) is het oorspronkelijke maaiveld mogelijk afgegraven voor de baksteenindustrie. 13 De precieze diepte van alle te verwachten bodemverstoringen is onbekend.
2.5
Archeologische waarden Gegevens uit Archis: AMK-terreinen Nabij het tracé (nabij gedeeltes die d.m.v. een gestuurde boring worden aangelegd, en ter plaatse van Mast 29) liggen drie archeologische monumenten (AMK-terreinen; Tabel 1). AMK 11888 betreft een borg/stins/versterkt huis uit de periode middeleeuwen tot de late nieuwe tijd, met een hoge archeologische waarde. AMK 11475 betreft een terrein met resten van versterkt huis 'Blokhoeve': een begraven hofstede of een omgrachte boerderij. De hofstede werd op de rand van een stroomrug gebouwd. AMK 5627 betreft een terrein van hoge archeologische waarde, met sporen van bewoning uit de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Mast 29 staat op dit AMK-terrein. Tabel 1. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied.14 AMK-nummer 11888 11475 5627
Complextype Borg/stins/versterkt huis Borg/stins/versterkt huis Nederzetting, onbepaald
Begin Middeleeuwen laat Middeleeuwen laat IJzertijd laat
Eind Nieuwe tijd Nieuwe tijd Middeleeuwen laat
Gegevens uit Archis: archeologische waarnemingen In de buurt van Mast 17 (op de Blokstroomgordel) zijn vier geregistreerde vondstlocaties bekend (Tabel 2). • Objectnummer 1088569. Diepteligging van de vindplaats: direct onder de bouwvoor. Landschappelijke ligging: oeverwal van de Blokstroomgordel. Het betreft zeven fragmenten handgevormd aardewerk uit de late ijzertijd/Romeinse tijd, en één fragment gedraaid roodbakkend aardewerk en enkele fragmenten houtskool. • Objectnummer 1087226. Diepteligging van de vindplaats: direct onder de bouwvoor. Landschappelijke ligging: oeverafzettingen, boven crevasse-afzettingen van de Blokstroomgordel. Vondstmateriaal: een fragment handgevormd aardewerk uit de late ijzertijd/Romeinse tijd en twee fragmenten roodbakkend aardewerk met een datering late middeleeuwen A tot nieuwe tijd C. Het aardewerk is aangetroffen in een donkergekleurd niveau direct onder de bouwvoor. • Objectnummer 1087228. Diepteligging van de vindplaats: de laag waarin het houtskool is aangetroffen bevindt zich tussen 0,8 en 1,1 m -mv (-0,75 tot -1,0 m NAP). Landschappelijke ligging: waarschijnlijk op de flank van een crevassegeul. Vondstmateriaal: in verschillende boringen is in en onder een vegetatieniveau houtskool gevonden. Het vegetatieniveau wordt geassocieerd met de top van geul- of oeverafzettingen van een crevasse-achtig systeem gerelateerd aan de Blokstroomgordel.
• Objectnummer 1061088 betreft de vondst van keramiek uit de periode late ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Tussen Mast 21 en 22 zijn middeleeuwse scherven en houtskool langs een nieuw gegraven slootwand aangetroffen (op een diepte van ca. 60-70 cm -mv), en ook in de uitgegraven grond 13 Satijn en Van Puijenbroek, 2021. 14 https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden/#/kaart. Geraadpleegd op 27-07-2021.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
van de sloot (OM-nummer 2842893100). Het bodemprofiel was ter plaatse humeus. De vindplaats had een diameter van ca. 10 meter en lag in een relatief zeer laag gelegen komkleigebied. Tussen Mast 23 en 24 zijn vier geregistreerde vondstlocaties bekend: • OM-nummer 2010673100 (binnen en nabij AMK 11475) betreft de vondst van de zuidelijke gracht van de begraven hofstad Blokhoeve (inclusief enkele Romeinse scherven behorende tot de nabijgelegen, opgegraven Romeinse nederzetting), en aardewerk en botmateriaal uit de ijzertijd-middeleeuwen. • OM-nummer 2245088100 betreft de vondst van bewoningssporen uit de late ijzertijd en de Romeinse tijd, aardewerk uit de middeleeuwen en sloten, greppels, kuilen en verstoringen uit de nieuwe tijd. • OM-nummer 2867071100 betreft de vondst van bewoningssporen uit de ijzertijd-Romeinse tijd. • OM-nummer 2328478100, 3299425100 en 3987415100 worden in de volgende paragraaf besproken. Nabij Mast 29 (binnen AMK 5627) zijn twee vondstlocaties geregistreerd (OM-nummer 2746138100 en 2746154100). Het betreffen meerdere fragmenten bot en keramiek uit de Romeinse tijd en de vondst van meerdere fragmenten aardewerk uit de late middeleeuwen. Tabel 2. Archeologische waarnemingen binnen het onderzoeksgebied.15 OMObjectComplextype Begin Eind nummer nr 2010673100 1069583 moated site IJzertijd Nieuwe tijd laat 2010673100
1070121
2209578100
1087226
2209578100
1087228
2209578100
1088569
2245088100
1094849
2746138100
1040404
2746154100
10162
2842893100
1027679
2978277100
1061088
2904493100
1075839
Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald complextype niet te bepalen complextype niet te bepalen complextype niet te bepalen Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald complextype niet te bepalen complextype niet te bepalen
Verwerving archeologisch: boring archeologisch: boring
IJzertijd
Vroege middeleeuwen
Romeinse tijd
Nieuwe tijd laat
Neolithicum
Vroege ijzertijd
IJzertijd
Romeinse tijd
IJzertijd
Late Middeleeuwen
Late ijzertijd
Romeinse Tijd
archeologisch: (veld)kartering
Late Middeleeuwen
Late Middeleeuwen
archeologisch: (veld)kartering
Late Middeleeuwen (B) Late ijzertijd
Late Middeleeuwen (B) Romeinse tijd
Vroeg Romeinse tijd
Nieuwe tijd laat
nietarcheologisch: kartering archeologisch: (veld)kartering nietarcheologisch
15 https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden/#/kaart. Geraadpleegd op 27-07-2021.
archeologisch: boring archeologisch: boring archeologisch: boring archeologisch: opgraving
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
2328478100
1095089
Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald complextype niet te bepalen complextype niet te bepalen
IJzertijd
Nieuwe tijd
archeologisch: begeleiding
2867071100
1043871
IJzertijd
Romeinse tijd
archeologisch: opgraving
2867071100
1043871
Nieuwe tijd vroeg Midden Romeinse tijd
Nieuwe tijd laat
1113644
-
Romeinse tijd
Romeinse tijd
1152665
-
Nieuwe tijd
Nieuwe tijd
archeologisch: opgraving nietarcheologisch: graafwerk archeologisch: begeleiding archeologisch: boring
3061795100
1075839
3299425100 3987415100
Midden Romeinse tijd
Gegevens uit Archis: eerdere onderzoeken In de buurt van Mast 17 en 18 zijn vijf archeologische onderzoeken uitgevoerd (Tabel 3). Hier worden de onderzoeken genoemd waarvan een online rapport beschikbaar was (van OMnummer 2252531100 is geen online rapport beschikbaar): • OM-nummer 2082659100 betreft een archeologische kartering in het gebied Rijnenburg.16 De veldkartering heeft een groot aantal vindplaatsen opgeleverd uit slechts twee perioden. Ongeveer 90% van alle vindplaatsen kan in de ijzertijd en/of Romeinse tijd worden gedateerd. De overige sites zijn van laat middeleeuwse oorsprong. Bijna alle gelokaliseerde nederzettingen uit de ijzertijd en Romeinse tijd lagen op de oevers van een restgeul. Deze situering betekent ook dat er organisch materiaal bewaard kan zijn gebleven in de vulling van de aangrenzende restgeulen. Dit verhoogt de waarde van de betreffende vindplaatsen. De laat middeleeuwse sites concentreren zich grotendeels rond de oostelijke Nedereindse Weg (ca. 1,5 km ten zuiden van het onderhavige plangebied).
OM-nummer 2209578100 betreft een bureau- en inventariserend veldonderzoek eveneens in het gebied Rijnenburg.17 In het gebied zijn op basis van boringen en vondstlocaties in ieder geval 46 vindplaatsen te onderscheiden uit de late ijzertijd en/of Romeinse tijd, gelegen op de jongere stroomgordels/oeverwallen van de Blok en Jutphaas, direct onder het maaiveld. Op basis van het grote aantal van ‘losse’ vondsten buiten de vindplaatsen wordt geconcludeerd dat buiten de nederzettingen sprake is geweest van een (volledig) ingericht cultuurlandschap in de (late) ijzertijd en/of Romeinse tijd. In de laat Romeinse tijd en vroege middeleeuwen lijkt het gebied niet bewoond geweest te zijn. Laat middeleeuwse bewoning is geconcentreerd langs de Nedereindseweg. Tegen de verwachting in zijn maar op een beperkt aantal locaties aanwijzingen voor prehistorische bewoning aangetroffen (waarvan een ca. 100 m ten zuidwesten van het werkterrein bij Mast 17; ‘vindplaats 5’), deze bevinden zich op de flank van crevassegeulen, of op de top van zandige crevasse-afzettingen, en in een gerijpt pakket oeverafzettingen op ca. 0,8 tot 1,1 m beneden maaiveld; -0,75 tot -1 m NAP.
• OM-nummer 2167174100 betreft een bureau- en inventariserend veldonderzoek bij de Reinesteijnseweg 5.18 Op basis van het bureauonderzoek gold er voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-late middeleeuwen, vanwege de ligging van het plangebied op de Blokstroomgordel. Bij het veldonderzoek zijn oever- op geulafzettingen aangetroffen. De oeverafzettingen werden afgedekt door een pakket opgebrachte grond van maximaal 0,6 m dik. De intacte 16 Haarhuis en Graafstal, 1993. 17 Jansen en Van de Laan, 2009. 18 De Groot, 2007.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
oeverafzettingen hadden een dikte die varieerde tussen 0,8 en 1,5 m. Vervolgens zijn vanaf een diepte variërend van 1,65 tot 1,90 m -mv (-0,64 en -0,96 m NAP) geulafzettingen aangetroffen. In de oever- en geulafzettingen werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ook zijn geen archeologisch kansrijke niveaus, zoals een archeologische laag of een laklaag, aangetroffen. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten werd ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. • OM-nummer 4745112100 en 4745120100 betreffen een bureau- en inventariserend veldonderzoek bij de Reinesteijnseweg 4.19 In het plangebied zijn acht boringen gezet tot minimaal 30 cm in het beddingzand. De bodemopbouw bestond uit een pakket uiterst siltig en zwak tot sterk zandig klei op een pakket zwak siltig, matig fijn tot zeer grof zand. Dit was in overeenstemming met de verwachtte ligging van het plangebied op de Blokstroomgordel. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een restgeul. Er werd geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Rondom en tussen Mast 23 en 24 zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd (van OM-nummer 2010673100, 2040887100 en 2148625100 zijn geen online rapporten beschikbaar).
• OM-nummer 2187668100 betreft een proefsleuvenonderzoek bij de Blokhoeve. 20 Het onderzoek heeft nederzettingssporen uit de Romeinse tijd opgeleverd. Het sporenbestand bestaat uit greppels, kuilen, paalkuilen en cultuurlagen. De conservering van de sporen is goed, hoewel plaatselijk verstoord. De vindplaats is gesitueerd op de binnenbocht van een geul die vermoedelijk in de Romeinse tijd nog enkel als een depressie in het landschap aanwezig was. Verwacht kan worden dat de nederzetting zich verder zuidwaarts uitstrekt. Het bijbehorende grafveld bevindt zich vermoedelijk in de omgeving van het Nieuwegeins Business Center waar tijdens de aanleg daarvan mogelijk resten van graven zijn aangetroffen. Het advies luidt dat de vindplaats behoudenswaardig is. Indien behoud in situ niet mogelijk zou zijn werd een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving aanbevolen. • OM-nummer 2254662100 betreft een opgraving bij de Blokhoeve. Er werden naast sloten, greppels, kuilen en verstoringen uit de nieuwe tijd bewoningssporen uit de late ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen.21 • OM-nummer 2328478100 betreft een archeologische begeleiding bij de atletiekbaan bij de Blokhoeve. Tijdens de begeleiding zijn naast kuilen en verstoringen uit de nieuwe tijd bewoningssporen uit de (pre-)Romeinse tijd en sloten uit de nieuwe tijd aangetroffen.
De Romeinse bewoning heeft zich geconcentreerd op het centraal westelijke deel van het terrein. De bodemopbouw ter plaatse bestond uit sterk gelaagde bedding- en oeverafzettingen, variërend van pakketten zand tot zware zavel en op enkele plaatsen de (humeuze) kleipakketten van een restgeul. 22 • OM-nummer 3299425100 betreft een archeologische begeleiding bij de Blokhoeve, en overlapt grotendeels met AMK 11475. Tijdens de begeleiding zijn ondanks de vele recente verstoringen van kabels en leidingen, sporen van een greppel, een sloot en een kuil uit de Romeinse tijd en een greppel uit de nieuwe tijd aangetroffen. De vondsten van aardewerk en keramisch bouwmateriaal duiden er op dat er omstreeks de 2e eeuw na Christus een erf op de locatie is geweest. • OM-nummer 3987415100 lag binnen het hiervoor genoemde plangebied, in de buitenbocht van een restgeul van de Blok stroomgordel. In de top van de natuurlijke oeverafzettingen zijn 19 Barth, 2019. 20
Schurmans, 2008.
21 easy.dans.knaw.nl/ui/datasets/id/easy-dataset:47210/tab/1;jsessionid=6337449B88C5F7120866E8A160BDA585 (het
rapport is (tijdelijk) niet downloadbaar via de website). 22 Williams-Kodde, 2012.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
aanwijzingen voor een archeologische vindplaats (cultuurlaag en funderingsresten) aangetroffen die verband houden met de voormalige hofstede uit de nieuwe tijd. De bovenste 0,3-0,6 m van de bodem bestond uit recent opgebrachte grond. 23 Ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (nabij Mast 29) zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Van OM-nummer 2043340100 is geen online rapport beschikbaar. • OM-nummer 4558108100 betreft een aanvullend archeologisch bureauonderzoek voor bedrijventerrein De Liesbosch.24 Het bleek dat de archeologische verwachting voor het noordelijke deel van het plangebied (tot en met de Ravenswade; nabij het onderhavige plangebied) laag was voor alle archeologische perioden. Daarom werd geadviseerd dat deel vrij te geven. • OM-nummer 3999347100 betreft een archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek van het voormalige ‘The Greenery’ terrein en drie in de buurt gelegen zoekgebieden voor aansluitingen (gelegen aan de Ravenswade).25 Voor de rivierkomafzettingen gold een lage archeologische verwachting voor de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Deze werd geadviseerd vrij te geven. Voor de afzettingen behorende tot de Jutphaas (de bovenkant kan direct onder de bouwvoor voorkomen; tussen +1,7 tot -0,6 m NAP) gold een (middel)hoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de Romeinse tijd.
In geval van bodemroerende ingrepen dieper dan 0,3 m –mv werd geadviseerd een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren. Voor de onderliggende pleistocene afzettingen (de bovenkant ligt tussen -4 en -2 m NAP; tussen 3 en 6 m –mv) gold een onbekende verwachting op het aantreffen van bewoningssporen uit het paleolithicum en het mesolithicum. In geval van bodemroerende ingrepen dieper dan 3 m – mv werd geadviseerd een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren. • Bij het archeologisch vervolgonderzoek d.m.v. boringen ter plaatse van het voormalige ‘The Greenery’ terrein (OM-nummer 4008296100) werd aan het maaiveld een recentelijk geroerde laag van >2 m dik aangetroffen.26 Daaronder kwam klei, veen en gedeeltelijk geërodeerd pleistoceen dekzand voor (de top van het dekzand lag op ca. 5,4 m -mv, ca. -3,1 en -3,7 m NAP). Voor het dekzand werd de middelhoge archeologische verwachting voor de periode paleolithicum tot en het mesolithicum bijgesteld naar laag. • OM-nummer 4591383100 betreft een archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek voor een parkeerterrein bij de Veldwade (ca. 100 m ten oosten van AMK 5627.27 Op basis van het bureauonderzoek gold er een hoge archeologische verwachting voor de periodes ijzertijd en Romeinse tijd. Deze zouden zich kunnen bevinden aan de top van oeverafzettingen van de Jutphaas stroomgordel.
Uit het booronderzoek bleek dat de oeverafzettingen geen kenmerken van bodemvorming of leeflagen vertoonden (de top van de oeverafzettingen bevond zich onder een recente ophooglaag tussen 0,9 en 1,2 m -mv; tussen 0,9 en 0,5 m +NAP). Ook zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen (mogelijk door recente vergravingen). Ook op de beddingafzettingen zijn geen kenmerken van bodemvorming aangetroffen (de top van de beddingafzettingen bevond zich tussen 1,6 en 2,1 m -mv; tussen +0,2 en -0,3 m NAP). Er werd geadviseerd het plangebied vrij te geven. • OM-nummer 4631607100 betreft een archeologisch booronderzoek voor en watergang langs de Veldwade; deze loopt gedeeltelijk langs de oostzijde van AMK 5627.28 Op basis van het bureauonderzoek (OM-nummer 4602252100) gold er een hoge archeologische verwachting 23 Coppens, 2016. 24 Visser en Schrijvers, 2017. 25
Visser, 2016.
26 Schrijvers en Visser, 2016. 27 Weerheijm en Van Puijenbroek, 2018. 28 Weerheijm et al., 2018.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
voor de periodes ijzertijd en de Romeinse tijd, en een middelhoge archeologische verwachting voor de periode tussen het midden-neolithicum en de late bronstijd, vanwege de aanwezigheid van stroomgordelafzettingen binnen 50 cm beneden maaiveld. Er gold een lage archeologische verwachting voor de periodes middeleeuwen en de nieuwe tijd. Uit het booronderzoek bleek dat de oorspronkelijke bodemopbouw is verstoord tot een diepte van 80 tot 150 centimeter beneden maaiveld. Bij deze verstoringen is de top van de natuurlijke oeverwal verstoord geraakt. De top van de oeverafzettingen is vergraven en vervangen door bouwzand met puin. Er werd geadviseerd het plangebied vrij te geven. • OM-nummer 4919239100 betreft een archeologisch bureauonderzoek voor Veldwade 8; het plangebied ligt binnen AMK 5627.29 De vindplaats is in 1978 op basis van een oppervlaktekartering vastgesteld dat plaatsvond eind jaren 70 van de 20 e eeuw. In de periode daarna (jaren 90 van de 20e eeuw) is in de omgeving van het plangebied het huidige bedrijventerrein tot stand gekomen. Voorafgaand aan de ontwikkeling van het bedrijventerrein heeft mogelijk kleiwinning plaatsgevonden ten behoeve van de baksteenindustrie (ter plaatse van het plangebied).
Hierbij zou een deel van de oeverafzettingen zijn afgetiggeld, waarbij het goed mogelijk is dat eventueel aanwezige archeologische resten zijn verwijderd/beschadigd, omdat Romeinse resten verwacht worden in de top van de oeverafzettingen. Ten behoeve van de aanleg van het bestaande bedrijventerrein is het maaiveld opgehoogd (zie OM-nummer 4591383100). Geadviseerd werd om het plangebied vrij te geven. • OM-nummer 4931178100 betreft een archeologisch booronderzoek voor Veldwade 14-16; het plangebied overlapt met AMK 5627.30 Uit de eerste bevindingen blijkt dat de intacte top van de oeverafzettingen is aangetroffen op een diepte tussen 1,15 en 1,8 m-mv. Dit is dieper dan verwacht maar komt door de aanwezigheid van een pakket opgebracht zand. Aangezien er geen overige sporen van bodemvorming binnen het pakket oeverafzettingen zijn aangetroffen, kan de verwachting op archeologische resten uit het laat neolithicum en de bronstijd worden bijgesteld naar laag. Wel geldt er nog steeds een hoge verwachting voor nederzettingsresten en sporen van landgebruik uit de periode ijzertijd, Romeinse tijd en late middeleeuwen. De verwachting op archeologische resten uit de overige perioden is laag.
29 Satijn en Van Puijenbroek, 2021. 30 https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Archis3/Zaakdocumenten/493/4931178/afm/Veldwerk_4931178100.pdf.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Tabel 3. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied.31 OM-nummer Archis2 Betrokken(e) Verwerving
2.6
2010673100
2998
2040887100 2043340100 2082659100
2631 5574 4411
2148625100 2167174100
21524 24112
2187668100
27096
2209578100
30252
2252531100 2254662100 2328478100 3299425100 3987415100
36252 36540 46609 -
3999347100 4008296100 4558108100 4591383100 4602252100 4631607100 4745112100 4745120100 4919239100
-
RAAP Archeologisch Adviesbureau ADC ArcheoProjecten Archis beheer RAAP Archeologisch Adviesbureau BAAC BV RAAP Archeologisch Adviesbureau VUhbs archeologie RAAP Archeologisch Adviesbureau BAAC BV ADC ArcheoProjecten ADC ArcheoProjecten ADC ArcheoProjecten RAAP Archeologisch Adviesbureau Vestigia BV Vestigia BV Vestigia BV Vestigia BV Vestigia BV Vestigia BV Bureau voor Archeologie Bureau voor Archeologie Vestigia BV
archeologisch: boring
In de buurt van Mast 23 en 24
archeologisch: begeleiding archeologisch: (veld)kartering archeologisch: boring
23 en 24 23 en 24 18
archeologisch: boring archeologisch: boring
23 en 24 18
archeologisch: proef-putten/proefsleuven archeologisch: boring
23 en 24
archeologisch: bureauonderzoek archeologisch: opgraving archeologisch: begeleiding archeologisch: begeleiding archeologisch: boring
18 23 en 24 23 en 24 23 en 24 23 en 24
archeologisch: bureauonderzoek archeologisch: boring archeologisch: bureauonderzoek archeologisch: boring archeologisch: bureauonderzoek archeologisch: boring archeologisch: bureauonderzoek archeologisch: boring archeologisch: bureauonderzoek
23 en 24
23 en 24
18 18
Gespecificeerde archeologische verwachting Datering Voor het westen van het plangebied bij Mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1), Mast 18, Mast 19, en open ontgraving 2, geldt een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd, en een hoge archeologische verwachting voor periode de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Deze verwachtingen hangen samen met de aanwezigheid van de Blokstroomgordel in de ondergrond. Verder geldt er voor Mast 21 en 22 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de middeleeuwen, omdat de Galecopperdijk een ontginningsas was en deze mastlocaties daar in de buurt liggen. Voor Mast 23 en 24 geldt er, op basis van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de periode tussen de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, wat samenhangt met de aanwezigheid van de Jutphaas stroomgordel. Daarnaast geldt er voor mast 23 en 24 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting voor crashlocaties uit de Tweede Wereldoorlog. Voor 31 https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden/#/kaart. Geraadpleegd op 27-07-2021.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Mast 29 geldt een hoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit alle perioden, maar met name voor de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Deze mast staat binnen AMK 5627. De rest van het plangebied ligt in rivierkommen. Binnen de te verwachte diepte waar grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden (ca. 0,8-1,5 m) geldt op basis van bestaande geologische boringen in DINOloket en de archeologische verwachtingskaart van gemeente Nieuwegein een lage archeologische verwachting voor alle archeologische periodes. Voor het pleistocene dekzand geldt een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden neolithicum tot en met de late bronstijd. Complextype Uit het midden neolithicum kunnen resten worden verwacht die samenhangen met de mobiele leefwijze van de mens, zoals kleine kampementen die slechts tijdelijk (en/of periodiek) werden bewoond. Dergelijke vindplaatsen zijn te herkennen aan vuursteenconcentraties en haardkuilen. Vanaf het laat neolithicum tot en met de Romeinse tijd kunnen op de hooggelegen locaties binnen het landschap resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals greppels.
Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Ook off-site materiaal kan worden verwacht. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele honderden vierkante meters. Locatie en diepteligging Op de oevers van de restgeul van de Blok kunnen archeologische resten direct onder de bouwvoor tot ca. 1,4 m beneden maaiveld worden verwacht. Bij mastlocatie 21 en 22, en op en nabij de oevers van de restgeul van de Jutphaas (nabij mastlocatie 23 en 24) kunnen archeologische resten direct onder de bouwvoor tot enkele meters beneden maaiveld worden verwacht. Ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal is de bodem grotendeels opgehoogd. Archeologische resten kunnen direct onder de recente ophooglaag, tot enkele meters beneden maaiveld worden verwacht. Ter plaatse van mast 28 en open ontgraving 5 is de bodem afgegraven en later weer gedempt. Het is onbekend op welke diepte de nog eventueel aanwezige archeologische niveaus aanwezig zijn. Het onderste potentiële archeologische niveau in de bodem betreft de top van het pleistocene dekzand, dat in het onderzoeksgebied op ca. 3-9 m beneden maaiveld ligt en dat bij de werkzaamheden niet geroerd zal worden.
Uiterlijke kenmerken Midden neolithicum: vuursteenverspreiding, indicaties van bewerking van vuursteen, halffabricaten, productieafval, en productiegereedschap. Indicaties van kortdurende nederzettingen/kampen: haardkuilen en verbrand vuursteen. Indicaties voor
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
jacht/voedselverzameling en –bereiding: werktuigen, spitsen, bijlen, schrabbers, en stekers etc. Laat neolithicum tot en met de Romeinse tijd: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch en/of dorps bestaan. Nederzettingen: paalgaten (huizen, spiekers, opstallen, schuren), greppels, waterputten (met of zonder houten beschoeiingen) en afvalkuilen. Tussen het laat neolithicum en de bronstijd/ijzertijd: periodespecifieke wijze van het begraven/cremeren van de doden. Mogelijke verstoringen Waarschijnlijk is het westelijke gedeelte van het tracé, ter plaatse van open ontgraving 1 en het werkterrein bij mast 17, het meest intact. Hier kunnen wel recente bodemverstoringen verwacht worden als gevolg van agrarische activiteit. Het grootste gedeelte van het tracé is recentelijk verstoord door de aanleg van de woonwijken en wegen, waterpartijen en groenstroken; de geluidswal langs de A2; het Amsterdam-Rijnkanaal en het bedrijventerrein in het oosten van het tracé. Hierbij kan de bodem zijn opgehoogd en/of afgegraven. De precieze diepte van de te verwachten bodemverstoringen is onbekend. In de omgeving van AMK 5627 (in het oostelijke gedeelte van het tracé) is het oorspronkelijke maaiveld mogelijk afgegraven voor de baksteenindustrie.32 De precieze diepte van alle te verwachten bodemverstoringen is onbekend.
32 Satijn en Van Puijenbroek, 2021.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
3
Veldonderzoek
3.1
Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-O) is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting (Hoofdstuk 0) dat in het archeologisch bureauonderzoek is opgesteld. Bij het IVO-O worden de bodemopbouw en eventueel aanwezige (recente) bodemverstoringen beschreven om de kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie in kaart te brengen. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: • •
• • • • • •
3.2
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
24 en 25 januari 2022, 29 juni 2022, 10 mei 2023.
Veldteam
Maricke Modderkolk en Marcel van Dasselaar (in samenwerking met Erik Wechstapel en Wessel Huis in ’t Veld). 8 oC, bewolkt (24 en 25 januari); 22 oC, zon (29 juni); 16 oC, bewolkt (10 mei) Edelmangrondboor met een diameter van 6, 10 of 12 cm; guts met een diameter van 2 cm N.v.t.: verkennend booronderzoek.
Weersomstandigheden Boortype Methode conform Leidraad SIKB33 Motivatie methode
33 Tol et. al., 2012.
Ter plaatse van Mast 17 (met de open ontgraving 1 en het omliggende werkterrein) en open ontgraving 2 werd een boordiepte van 2 m gehanteerd: >50 cm dieper dan de voorgenomen bodemverstoringen. Naar verwachting is dit diep genoeg om de locatie en diepteligging van de Blokstroomgordel vast te stellen.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Er werd geprobeerd om elke vijfde boring tot 3 m beneden maaiveld te boren, zodat de bodemopbouw van de diepere ondergrond kan worden vastgesteld. Ter plaatse van mastlocatie 17 werd een boring geplaatst, en bij mastlocaties 18-19,21-24 en 29 werden drie boringen per mastlocatie gezet. De voorgenomen boordiepte was minimaal 2,8 m: 30 cm dieper dan de te verwachten verstoringsdiepte van 2,5 m beneden maaiveld.
Aantal boringen Boordiepte
Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap Wijze inmeten boringen
3.3
De boringen bij de masten zijn gemiddeld op ca. 1 m vanaf de mastvoet gezet (tussen ca. 0,8 en 4 m afstand vanaf de mastvoet). De boorafstand tussen de drie boringen per mast bedraagt ca. 6-11 m. 31 Werkterreinen en open ontgraving: 2 m. Boring 204 (tevens bij mastlocatie 17) en 209: 3 m. Bij de te verwijderen masten: 2,8 m (30 cm dieper dan de te verwachten verstoringsdiepte van 2,5 m). N.v.t.: de boringen liggen verspreid over de werkterreinen of rondom de mastlocatie. TopCon (fixed GPS).
Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering
Kalkgehalte bepaling d.m.v. zoutzuuroplossing.
Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering Afwijkingen t.o.v. PvA
Geen/slechte vondstzichtbaarheid door begroeiing.
Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden
Onbekend.
NEN 5104/ASB. Snijden/verbrokkelen. N.v.t.
N.v.t. Geen.
Onbekend.
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in Bijlage 3, de dwarsdoorsnede door de bodemprofielen in Bijlage 5, en de boorpuntenkaarten in de kaartenbijlage.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Afbeelding 3. Impressie van het plangebied bij Mast 19 (boorpunt 103). Foto genomen richting het oosten.
A
B 0
C 0
F 0
D E F 0 0 A: recente bouwvoor (0-35 cm -mv); B:0oude bouwvoor Afbeelding 4. Het bodemprofiel bij boorpunt 103. (35-45 cm -mv); C: C-horizont met ‘fining upwards’ (45-115 cm); D: gelaagde C-horizont met lemige zwakhumeuze laagjes tussen humusloze zandige laagjes (115-135 cm); E: C-horizont bestaande uit slecht gesorteerd, scherp zand (beddingafzettingen; 135-185 cm); F: C-horizont bestaande uit een gelaagd pakket (oeverafzettingen; dieper dan 185 cm).
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
3.3.1
Bodemopbouw Mast 17 (de open ontgraving 1 en het omliggende werkterrein; boring 201-207) Bij boring 201, 204, 206 werd er onder de recente bouwvoor van 15-30 cm dik een donker zwartgrijze oude bouwvoor aangetroffen van 17-30 cm dik (tussen +0,35 en -0,15 m NAP). Bij boring 202-203, 205 en 207 bestond de bodem uit een (recente) bouwvoor op de C-horizont; er was geen sprake van de aanwezigheid van een oude bouwvoor. Behalve bij boorpunt 203 werd de klei onder de recente of oude bouwvoor over het algemeen naar beneden toe meer siltig en ging over in uiterst fijn zand. Dit kleipakket wordt geïnterpreteerd als oeverafzetting en het (sterk gelaagde) zand wordt geïnterpreteerd als crevasse-achtige afzettingen van de Blok. Bij boorpunt 202 kwam direct op het zand van de crevasse-achtige afzettingen een zwak humeus, kleiig laagje voor van ca. 5 cm dik (tussen 1,4 en 1,45 m beneden maaiveld; ca. -1 en -1,05 m NAP). De beddingafzettingen van de Blokstroomgordel bevinden zich dieper dan -2 m NAP34, en zijn onderin boring 204 aangetroffen (ca. 2,4 m beneden maaiveld; ca. -2,05 m NAP). Mast 18 en Mast 19 (Blokstroomgordel; boring 4, 5, 101-104) Bij boring 4-5 en 102-104 werd er onder de recente ophooglaag en/of recente bouwvoor van 3545 cm dik een donker blauwgrijze tot bruinbeige oude bouwvoor aangetroffen van 10-38 cm dik (tussen +0,1 en -0,3 m NAP).
Bij boring 101 en 104 kwamen er direct onder de oude bouwvoor vegetatiehorizonten voor. Onder de recente en/of oude bouwvoor werd matig tot sterk siltige, kalkhoudende klei aangetroffen. Daaronder kwamen gelaagde, uiterst fijne tot matig grove zandige afzettingen voor die werden geïnterpreteerd als oever- en/of beddingafzettingen van de Blokstroomgordel. De opbouw van de aangetroffen kleipakketten tussen de bouwvoor en de zandige afzettingen verschilden sterk tussen de boorpunten. • Bij Mast 19, boring 5, 103 (Afbeelding 3) en 104, werd de klei onder de bouwvoor naar beneden toe meer siltig en ging over in uiterst fijn zand. Dit kleipakket wordt geïnterpreteerd als oeverafzetting van de Formatie van Echteld. • Bij boring 4 vertoonde de bovenzijde van het kleipakket onder de bouwvoor een duidelijke gelaagdheid. Wat dieper naar beneden toe kwam er vegetatiehorizont voor van 10 cm dik (105 cm beneden maaiveld; -0,63 m NAP). Daaronder kwam matig siltige klei voor. De onderzijde van het kleipakket was scherp begrensd met het onderliggende zand. De kleilagen worden vanwege de gelaagdheid en scherpe begrenzing met het onderliggende zand geïnterpreteerd als geulopvulling en/of als crevasse-afzettingen. • Bij boring 101 was de klei gelaagd en bestond uit uiterst siltig en zwakzandige klei. Deze laag wordt geïnterpreteerd als oeverafzetting.
• Bij boring 102 was het kleipakket vrij homogeen en naar beneden toe werd de klei zwaarder. De onderkant van het kleipakket was scherp begrensd met het onderliggende zand. Vanwege de scherpe begrenzing van de klei met het onderliggende zand, wordt het kleipakket geïnterpreteerd als geulopvulling.
Open ontgraving 2 (Blokstroomgordel; boring 208-210) 34 Jansen en Van de Laan, 2009: Figuur 11.
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Bij boring 210 werd er onder de recente bouwvoor van 20 cm dik een donker zwartgrijze oude bouwvoor aangetroffen van 10 cm dik (tussen -0,1 en -0,2 m NAP). Bij boring 208 en 209 bestond de bodem uit een (recente) bouwvoor op de C-horizont; er was geen sprake van de aanwezigheid van een oude bouwvoor. Het zou kunnen zijn dat deze bodemprofielen zijn afgegraven, gezien de relatieve lage ligging van het maaiveld vergeleken met alle andere boorpunten (het maaiveld van boorpunt 208 en 209 ligt op ca. -0,3 m NAP; Bijlage 5). De klei onder de recente of oude bouwvoor werd over het algemeen naar beneden toe meer siltig en ging over in uiterst fijn zand. Dit kleipakket wordt geïnterpreteerd als oeverafzetting en het (gelaagde) zand wordt geïnterpreteerd als crevasse-achtige afzettingen van de Blok. Onderin het boorprofiel bij boorpunt 210 kwam ook grind voor; mogelijk is hier sprake van beddingafzettingen van de Blok (ca. 1,7 m beneden maaiveld; -1,6 m NAP). Mast 21 en 22 (ontginningsas Galecopperdijk; boring 6-7, 107-110) Bij boring 6, 107-109 werd er onder de recente ophooglaag en/of recente bouwvoor van 30-70 cm dik een intacte bouwvoor aangetroffen van ca. 25-55 cm dik. Bij boring 7 en 110 (Mast 22) was het bodemprofiel vergraven tot 65-90 cm diepte, waardoor er een intacte bouwvoor ontbrak.
Onder de bouwvoor of vergraven bodem kwam een gelaagd pakket van (soms humeuze) klei en (riet)veenlagen voor, wat geïnterpreteerd werd als komafzettingen. De (humeuze) kleilagen die voorkwamen tussen de bouwvoor en een diepte van ca. 1 m beneden maaiveld waren sterk siltig, waardoor geconcludeerd kan worden dat de kom in de buurt van een rivier lag. Verder naar beneden toe bevatten de (humeuze) kleilagen minder silt, waardoor geconcludeerd kan worden dat de kom verder weg van een rivier lag. Mast 23 en 24 (Jutphaas stroomgordel; boring 8-9, 111-114) Bij boring 8-9, 111-113 werd er onder de recente ophooglaag en/of recente bouwvoor van 30100 cm dik een intacte bouwvoor aangetroffen van ca. 40-75 cm dik. Bij boring 8 en 112 (Mast 23) was het moeilijk te zien op welke diepte de recente vergraving (aan de bovenzijde van het bodemprofiel) overging in de intacte bouwvoor onder de recente vergraving. Bij boring 114 was het bodemprofiel vergraven tot 50 cm diepte, waardoor er een intacte bouwvoor ontbrak. Net als bij Mast 21 en 22 kwam er onder de bouwvoor of vergraven bodem een gelaagd pakket van vaak sterk siltige (soms humeuze) klei en (riet)veenlagen voor, wat geïnterpreteerd werd als komafzettingen. Vanwege het voorkomen van sterk siltige kleilagen (en bij boring 113 een uiterst siltige laag op ca.
-2,1 m NAP) kan geconcludeerd worden dat de boorlocaties meestal in de buurt van een rivier lagen. Mast 29 (AMK 5627 en Jutphaas stroomgordel; boring 211-213) Bij boring 211-213 was de recente ophooglaag en/of recente bouwvoor aan het maaiveld 40-100 cm dik. Daaronder was bij boorpunt 211 een oude bouwvoor aanwezig van ca. 30 cm dik (tussen 40 en 70 cm beneden maaiveld). De oude bouwvoor is humushoudend en werd gekenmerkt door de aanwezigheid van schelpenresten, grind en houtskool. Bij boorpunt 212 kwam onder de recente bouwvoor een bodemlaag voor wat een oude cultuurlaag zou kunnen zijn (tussen 55 en 70 cm beneden maaiveld). Deze cultuurlaag werd gekenmerkt door een vlekkerige bodemkleur (grijsbruine bodem met geelbeige vlekjes), veel houtskool en enkele oranjerode baksteenspikkels. Daaronder kwam een andere gevlekte bodemlaag voor die verder werd gekenmerkt door witte sporen, mogelijk bestaande uit schelpresten of verbrand bot (tussen 70 en 100 cm beneden maaiveld). Vervolgens kwam er onder deze gevlekte bodemlaag een vegetatiehorizont (laklaag) voor van 20 cm dik (tussen 100 en 120 cm beneden maaiveld). Bij boorpunt 213 kwam onder de recente ophooglaag en/of recente bouwvoor een vegetatiehorizont (laklaag) voor van 20 cm dik (tussen 100 en 120 cm beneden maaiveld).
Antea Group Archeologie 2022/29 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Bij de drie boorpunten begon dieper in het bodemprofiel de natuurlijke bodemopbouw; bovenin bestaande uit stugge, gerijpte klei. Bij boorpunt 211 kwam in de top van de natuurlijke klei een houtskoolbrokje voor (op 80 cm beneden maaiveld). De stugge, gerijpte klei werd naar beneden toe minder gerijpt en lichter van textuur. Bij boring 212 en 213 was het natuurlijke bodemprofiel gelaagd (crevasse-achtig). Bij de drie boorpunten kwamen onderin het bodemprofiel matig fijn tot matig grofzandige beddingafzettingen van de Jutphaas stroomgordel voor (bij boorpunt 212 met grind), gelegen tussen 1,9 en 2,7 m beneden maaiveld (tussen -0,55 en -1,25 m NAP). De bovenkant van de stroomgordel, incl. de vegetatiehorizonten, ligt op ca. 0,7 tot 1 m beneden maaiveld (tussen ca. 0,85 en 0,4 m +NAP). Extra boringen buiten de scope van het IVO-O (Blokstroomgordel; boring 1-3) Bij een eerder ontwerp van het tracé (tracéontwerp 20211103) zouden er graafwerkzaamheden kunnen plaatsvinden ter hoogte van boring 1-3. In het huidige ontwerp van het tracé (tracéontwerp 20220506) is er ter hoogte van deze boorpunten een HDD-boring gepland. Boorpunt 1 en 2 bevonden zich op een opgehoogde groenstrook. De boorprofielen bestonden uit opgebracht materiaal (boordiepte 2 m; maaiveldhoogte tussen 3,7 en 4,5 m +NAP; Bijlage 4).