CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-026 Ondergrondse verkabeling Nieuwegein_Bijlagen_Bijlage 4 Bureauonderzoek archeologie

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein13.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Volgens de archeologische beleidskaart geldt dat er bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en plangebieden groter dan 500 m² vroegtijdig inventariserend onderzoek moet worden uitgevoerd.

50

utrecht.maps.arcgis.com.

51 Gemeente Utrecht, Archeologische waardenkaart, 2009. 52 Een gestapeld verleden. RAAP-rapport 2145, kaartbijlage 7, schaal 1:10.000. 53 Een gestapeld verleden. RAAP-rapport 2145, kaartbijlage 4, schaal 1:10.000.

Blad 25 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Voor de rest van het tracé geldt er een lage archeologische verwachting voor de periode middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Volgens de archeologische beleidskaart geldt dat er bij bodemingrepen dieper dan 150 cm -mv en plangebieden groter dan 10.000 m² vroegtijdig inventariserend onderzoek moet worden uitgevoerd. • Tweede Wereldoorlog: Er geldt een middelhoge archeologische verwachting voor crashlocaties. Ter plaatse van het tracé is dit een gebied tussen de A.C. Verhoefweg en de Middelhoeve met mast 23 en 24, en waar het tracé d.m.v. een gestuurde boring (HDD) wordt aangelegd. Op de archeologische beleidskaart staan crashzones aangeduid als ‘attentiezone’ waar geen specifiek beleid van toepassing is. Verder ligt er ten zuiden van open ontgraving 6 een ‘fort of werk’, met een hoge archeologische verwachting.

Blad 26 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

4.2

Gespecificeerde archeologische verwachting Datering Voor het westen van het plangebied bij mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1), mast 18, mast 19, en open ontgraving 2, geldt een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd, en een hoge archeologische verwachting voor periode de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Deze verwachtingen hangen samen met de aanwezigheid van de Blokstroomgordel in de ondergrond. Verder geldt er voor mast 21 en 22 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de middeleeuwen, omdat de Galecopperdijk een ontginningsas was en deze mastlocaties daar in de buurt liggen. Voor mast 23 en 24 geldt er, op basis van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de periode tussen de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, wat samenhangt met de aanwezigheid van de Jutphaas stroomgordel. Daarnaast geldt er voor mast 23 en 24 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting voor crashlocaties uit de Tweede Wereldoorlog. Voor mast 29 geldt een hoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit alle perioden, maar met name voor de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Deze mast staat binnen AMK-terrein 5627.

De rest van het plangebied ligt in rivierkommen. Binnen de te verwachte diepte waar grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden (ca. 0,8-1,5 m) geldt op basis van bestaande geologische boringen in DINOloket en de archeologische verwachtingskaart van gemeente Nieuwegein een lage archeologische verwachting voor alle archeologische periodes. Voor het pleistocene dekzand geldt een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden neolithicum tot en met de late bronstijd. Complextype Uit het midden neolithicum kunnen resten worden verwacht die samenhangen met de mobiele leefwijze van de mens, zoals kleine kampementen die slechts tijdelijk (en/of periodiek) werden bewoond. Dergelijke vindplaatsen zijn te herkennen aan vuursteenconcentraties en haardkuilen. Vanaf het laat neolithicum tot en met de Romeinse tijd kunnen op de hooggelegen locaties binnen het landschap resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals greppels. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Ook off-site materiaal kan worden verwacht. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele honderden vierkante meters.

Locatie en diepteligging Op de oevers van de restgeul van de Blok kunnen archeologische resten direct onder de bouwvoor tot ca. 1,4 m beneden maaiveld worden verwacht.

Blad 27 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Bij mastlocatie 21 en 22, en op en nabij de oevers van de restgeul van de Jutphaas (nabij mastlocatie 23 en 24) kunnen archeologische resten direct onder de bouwvoor tot enkele meters beneden maaiveld worden verwacht. Ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal is de bodem grotendeels opgehoogd. Archeologische resten kunnen direct onder de recente ophooglaag, tot enkele meters beneden maaiveld worden verwacht. Ter plaatse van mast 28 en open ontgraving 5 is de bodem afgegraven en later weer gedempt. Het is onbekend op welke diepte de nog eventueel aanwezige archeologische niveaus aanwezig zijn. Het onderste potentiële archeologische niveau in de bodem betreft de top van het pleistocene dekzand, dat in het onderzoeksgebied op ca. 3-9 m beneden maaiveld ligt en dat bij de werkzaamheden niet geroerd zal worden. Uiterlijke kenmerken Midden neolithicum: vuursteenverspreiding, indicaties van bewerking van vuursteen, halffabricaten, productieafval, en productiegereedschap. Indicaties van kortdurende nederzettingen/kampen: haardkuilen en verbrand vuursteen. Indicaties voor jacht/voedselverzameling en –bereiding: werktuigen, spitsen, bijlen, schrabbers, en stekers etc. Laat neolithicum tot en met de Romeinse tijd: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch en/of dorps bestaan.

Nederzettingen: paalgaten (huizen, spiekers, opstallen, schuren), greppels, waterputten (met of zonder houten beschoeiingen) en afvalkuilen. Tussen het laat neolithicum en de bronstijd/ijzertijd: periodespecifieke wijze van het begraven/cremeren van de doden. Mogelijke verstoringen Waarschijnlijk is het westelijke gedeelte van het tracé, ter plaatse van open ontgraving 1 en het werkterrein bij mast 17, het meest intact. Hier kunnen wel recente bodemverstoringen verwacht worden als gevolg van agrarische activiteit. Het grootste gedeelte van het tracé is recentelijk verstoord door de aanleg van de woonwijken en wegen, waterpartijen en groenstroken; de geluidswal langs de A2; het Amsterdam-Rijnkanaal en het bedrijventerrein in het oosten van het tracé. Hierbij kan de bodem zijn opgehoogd en/of afgegraven. De precieze diepte van de te verwachten bodemverstoringen is onbekend. Ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal is de bodem ter plaatse van mast 28 en open ontgraving 5 afgegraven en later weer gedempt, omdat er een haven aanwezig is geweest.

Deze zone staat aangegeven als ‘opgehoogd’ op de archeologische beleidskaart van de gemeente Nieuwegein.54 Verder blijkt uit eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal, dat er een recent ophoogpakket aanwezig is waarvan de dikte varieert tussen 0,8 tot >2 m.55 In sommige gevallen is de top van de onderliggende oeverafzettingen verstoord, maar in sommige gevallen niet. In de omgeving van AMK 5627 (in het oostelijke gedeelte van het tracé) is het oorspronkelijke maaiveld mogelijk afgegraven voor de baksteenindustrie.56 54 Een gestapeld verleden. RAAP-rapport 2145, kaartbijlage 7, schaal 1:10.000. 55 Schrijvers en Visser, 2016; Weerheijm en Van Puijenbroek, 2018; Weerheijm et al., 2018; Beckers en De Boer, 2018. 56 Satijn en Van Puijenbroek, 2021.

Blad 28 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Blad 29 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

5

Conclusies en advies

5.1

Conclusies Dit bureauonderzoek heeft betrekking op het verkabelen van ‘150 kV-verbinding Utrecht Lage Weide - Oudenrijn – Nieuwegein’, tussen mast 17 en het 150 kV-station Nieuwegein nabij mast30 (Afbeelding 1, Afbeelding 2 en de overzichtskaart in de Kaartbijlage). Nieuwegein ligt in de archeoregio Utrechts-Gelders rivierengebied. Het westen van het plangebied bij mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1), mast 18, mast 19, en open ontgraving 2, ligt op de Blokstroomgordel die actief was tussen 3795 en 3000 BP (Before Present). De bovenkant van de stroomgordel ligt op ca. -0,1 tot -0,6 m NAP; ter plaatse van het westelijke gedeelte van het tracé is dit ca. 0,5 tot 1,4 m beneden maaiveld. Op basis van de datering van de Blokstroomgordel, de gemeentelijke verwachtingskaarten en van geregistreerde archeologische vondsten, geldt er voor dit gedeelte van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd en een hoge archeologische verwachting voor de periode de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen direct onder de bouwvoor tot ca. 1,4 m beneden maaiveld worden verwacht, op de oevers van de restgeul van de Blok.

Verder geldt er voor de zone tussen mast 21 en 22 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de middeleeuwen, omdat de Galecopperdijk een ontginningsas was en deze mastlocaties daar in de buurt liggen. Voor mast 23 en 24 geldt op basis van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de periode tussen de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, wat samenhangt met de aanwezigheid van de Jutphaas stroomgordel. Daarnaast geldt er voor mast 23 en 24 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting voor crashlocaties uit de Tweede Wereldoorlog. Voor mast 29 geldt een hoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit alle perioden, maar met name voor de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Deze mast staat binnen AMK-terrein 5627 en ligt in de buurt van de Jutphaas stroomgordel. Het oorspronkelijke maaiveld is in de buurt van mast 29 mogelijk afgegraven ten behoeven van de baksteenindustrie. De rest van het plangebied ligt in rivierkommen. Binnen de te verwachte diepte waar grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden (ca.

0,8-1,5 m) geldt op basis van bestaande geologische boringen in DINOloket en de archeologische verwachtingskaart van gemeente Nieuwegein een lage archeologische verwachting voor alle archeologische periodes. Het onderste potentiële archeologische niveau in de bodem betreft de top van het pleistocene dekzand, dat in het onderzoeksgebied op ca. 3-9 m beneden maaiveld ligt en dat bij de werkzaamheden niet geroerd zal worden.

Blad 30 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

5.2

(Selectie)advies Bij mast 17 (het werkterrein en open ontgraving 1) en open ontgraving 2 wordt er vanwege de (middel)hoge archeologische verwachting een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, geadviseerd omdat er bodemroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden (Afbeelding 12). Indien bij het verkennend booronderzoek intacte archeologische lagen worden aangetroffen, wordt er over gegaan in een karterend booronderzoek. Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek (uit het jaar 1993) blijkt dat er veel indicaties waren voor de aanwezigheid van nederzettingen uit de ijzertijdRomeinse tijd, gelegen op stroomgordels. Met een verkennend booronderzoek wordt dan in eerste instantie bepaald of de bodem (met archeologische lagen) nog steeds intact is. Indien hoogspanningsmasten 18-26 worden verwijderd, dan wordt er bij mast 18-19, 21-24 en 29 vanwege de (middel)hoge archeologische verwachting een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, geadviseerd. Het is onbekend of er bij het verwijderend van deze masten daadwerkelijk eventueel aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden, vandaar dat er wel een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) wordt geadviseerd. Verder wordt er geadviseerd om de rest van het plangebied tot 2,5 m beneden maaiveld vrij te geven.

Binnen 2,5 m beneden maaiveld geldt er voor deze locaties een lage archeologische verwachting. Dieper dan 2,5 m beneden maaiveld (maar waarschijnlijk dieper) kan de top van het pleistocene dekzand voorkomen, waarvoor een archeologische verwachting geldt voor de periode tussen het midden neolithicum en de late bronstijd.

Blad 31 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Een IVO-O is erop gericht om de archeologische verwachting te toetsen aan de hand van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologische lagen. Bij de verkennende fase wordt geadviseerd om een boordichtheid van 40x50 m te hanteren. Gezien de breedte van de stroomgordel wordt verwacht dat deze boordichtheid voldoende is. Ter plaatse van de eventueel te onderzoeken mastlocaties 17-19, 21-24 en 29 wordt geadviseerd om drie boringen per mastlocatie uit te voeren, die 30 cm dieper reiken dan de te verwachten verstoringsdiepte. Bij een karterende fase wordt geadviseerd om een boordichtheid van 17x20 m te hanteren. Er moet wordt dan geboord met een edelmangrondboor met een diameter van 12 cm. Als waarnemingstechniek worden de boorkernen zo volledig mogelijk verbrokkeld of versneden (methode C357). Ter plaatse van het werkterrein bij mast 17 wordt er geadviseerd om een boordiepte van 2 m te hanteren. Deze boordiepte reikt >50 cm dieper dan de voorgenomen bodemverstoringen, en is naar verwachting diep genoeg om de locatie en diepteligging van de Blokstroomgordel vast te stellen. Daarnaast wordt geadviseerd elke vijfde boring tot 3 m beneden maaiveld door te zetten, zodat de bodemopbouw van de diepere ondergrond kan worden vastgesteld.

Er bestaat altijd de mogelijkheid dat er bij vrijgegeven delen van het plangebied tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en/of vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog, of bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Antea Group Oosterhout, September 2023

57 Tol et al., 2012.

Blad 32 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Afbeelding 12. Binnen de rood omlijnde gebieden wordt bij de open ontgravingen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase of karterende fase (IVO-O).

Blad 33 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Literatuur en geraadpleegde bronnen Barth, R. 2019. Reinesteijnseweg 4, Nieuwegein, gemeente Nieuwegein: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende en karterende fase. Bureau voor Archeologie Rapport 848. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J., Geurts, A.H. 2012. Rhine‐Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Dept. Physical University. Digital dataset: http://persistent‐identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13‐nqjn‐zl. Coppens, C.F.H. 2016. Plangebied Blokhoeve 7 te Nieuwegein, gemeente Nieuwegein; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fase). RAAP-notitie 5449. De Groot, R.W. 2007. Plangebied Reinesteijnseweg 5 Gemeente Nieuwegein. Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-NOTITIE 2377. De Mulder, E.F.J., Geluk, M.C. Ritsema, I., Westerhof, W.E. , Wong, T.E. 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Gemeente Nieuwegein. 1981. Bestemmingsplan Blokhoeve. Afdeling Stedebouw/Projectbureau. Haarhuis, H.F.A., Graafstal, E.P. 1993. Rijnenburg, een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. RAAP-rapport 81. Satijn O.P.N., Van Puijenbroek, F.P.J. 2021.

Archeologisch vooronderzoek in het kader van funderingsaanpassingen en uitbreiding van een bedrijfsgebouw aan de Veldwade 8 te Nieuwegein, gemeente Nieuwegein. Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek. Vestigia V2014. Schrijvers, R., Visser, C.A. 2016. Geo-archeologische boringen in het kader van de herontwikkeling van het voormalige ‘The Greenery’ terrein, gemeente Nieuwegein. Vestigia V1404. Schurmans, M.D.R. 2008. IVO d.m.v. proefsleuven in het plangebied Nieuwegein-Blokhoeve. Zuidnederlandse Archeologische Notities 155. Schutte, A.H. 2018. Archeologisch bureauonderzoek Ring Utrecht. Econsultancy rapport 6263.002. Tol, A.J., Verhagen, J.W.H.P., Verbruggen, M. 2012. Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek. Status: versie 2.0. SIKB. Uffink, V., Brokke, A.J. In prep. Bureauonderzoek. 50kV-tracé Nieuwegein-Houten - gemeenten Nieuwegein en Houten. Antea Group Archeologie 2021/233.

Van der Roest, J. 2019. Archeologisch onderzoek kabeltacé Laagraven-Gelderlantlaan – bureauonderzoek. Archeologische Rapporten Geonius 126.

Blad 34 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Visser, C.A. 2016. Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek in het kader van de herontwikkeling van het voormalige ‘The Greenery’ terrein, gemeente Nieuwegein. Ruimtelijk advies op basis van archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek. Vestigia V1387. Visser, C.A., Schrijvers, R. 2017. Aanvullend archeologisch vooronderzoek in het kader van de ontsluiting van bedrijventerrein De Liesbosch te Nieuwegein, gemeente Nieuwegein. Vestigiarapport V1529. Weerheijm, W.J., Visser, C.A., Van Puijenbroek, F.P.J. 2018. Aanvullend archeologisch vooronderzoek in het kader van de verbreding van een watergang langs de Veldwade te Nieuwegein, gemeente Nieuwegein. Ruimtelijk advies op basis van inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Vestigia V1698. Weerheijm, W.J., Van Puijenbroek, F.P.J. 2018. Archeologisch vooronderzoek in het kader van de aanleg van een ‘Drive-in’ en een parkeerterrein bij de Hornbach-vestiging aan de Veldwade te Nieuwegein, gemeente Nieuwegein. Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase). Vestigia V1622. Williams-Kodde, S.W. 2012. Archeologie in het buurtpark. Een archeologische begeleiding aan de Blokhoeve te Nieuwegein. ADC-rapport 3178.

Kaarten • Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, Wageningen Environmental Research • Grondwatertrappen: http://maps.bodemdata.nl/bodemdatanl/index.jsp • Geomorfologische kaart 1:50.000, Wageningen Environmental Research • Topografische kaart: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl • Historische topografische kaarten: www.topotijdreis.nl Internet • ahn.maps.arcgis.com • https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens • https://landschapsleutel.wur.nl/documentatie/htm/Legendas%20Bodemkaarten.htm#_Toc2 43886627 • www.archis.cultureelerfgoed.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.topotijdreis.nl • www.nieuwegein.nl/fileadmin/bestanden/Inwoner/In_en_om_nieuwegein/beleidsnota_arc heologie_gemeente_Nieuwegein.pdf • www.plaatsengids.nl/vreeswijk • www.museumwarsenhoeck.nl/home-3/historie/vreeswijk-2 • utrecht.maps.arcgis.com

Blad 35 van 36

Antea Group Archeologie 2021/178 Bureauonderzoek projectnummer 471703 14 september 2023 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1. De ligging van het plangebied op de topografische kaart (J.W. van Aalst, www.opentopo.nl; zie ook de overzichtskaart in de Kaartbijlage). De graafwerkzaamheden waarbij eventueel aanwezige archeologische resten kunnen worden verstoord, vinden plaats bij open ontgraving 1-6; op het werkterreinen indien er cultuurtechnisch herstel zal gaan plaats vinden, en bij het verwijderen van de hoogspanningsmasten. .........................................................1 Afbeelding 2. De ligging van het plangebied en de onderzoeksgebieden op de topografische kaart. ...........................................................................................................................................................7 Afbeelding 3. Uitsnede uit de archeologische waardenkaart behorende bij bestemmingsplan ‘Galecop’. Binnen de gebieden met een (middel)hoge archeologische verwachting (licht oranje gearceerd) wordt een verkennend veldonderzoek geadviseerd om te bepalen of de verwachte waarden aanwezig zijn. .....................................................................................................................9 Afbeelding 4. Uitsnede uit de archeologische waardenkaart behorende bij beheersverordening ‘De Liesbosch 2013’.

........................................................................................................................10 Afbeelding 5. Ligging van het plangebied op een uitsnede van de stroomgordelkaart. .................11 Afbeelding 6. Ligging van het plangebied op de geomorfologische kaart. .....................................12 Afbeelding 7. Ligging van het plangebied op de hoogtekaart (AHN). .............................................13 Afbeelding 8. Ligging van het plangebied op de 1:50.000 bodemkaart van Nederland met grondwatertrappen. ........................................................................................................................14 Afbeelding 9. Ligging van tracé op de topografische kaart van 1815. .............................................15 Afbeelding 10. Ligging van tracé op de topografische kaart van 1900............................................15 Afbeelding 11. Ligging van tracé op de topografische kaart van 1950............................................16 Afbeelding 12. Binnen de rood omlijnde gebieden wordt bij de open ontgravingen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase of karterende fase (IVO-O). ...............................................................33

Bijlagen 1 Archeologische perioden 2 AMZ-cyclus Kaartbijlagen 471703 - OK – Tracélijn 24-02-2023 471703-ARCHIS Verwachtingskaart Middeleeuwen Verwachtingskaart Prehistorie

Overzichtskaart Gegevens uit ARCHIS

Blad 36 van 36

Bijlage 1: Archeologische perioden

Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.

Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.

Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.

Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.

Bijlage 2: Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.

Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)

Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.

Tijdens de opgraving worden archeologische resten gedocumenteerd, gefotografeerd en bestudeerd. Hierdoor wordt informatie over het verleden zo goed mogelijk vastgelegd en behouden. Plan van Aanpak (PvA) (STAP 2a) Voor een booronderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) noodzakelijk. Het PvA beschrijft hoe het veldwerk wordt uitgevoerd en uitgewerkt. Programma van Eisen (PvE) (STAP 2d of 5a) Voor het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek proefsleuven, archeologische begeleiding of opgraving is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het PvE beschrijft het doel, vraagstelling en uitvoeringsmethode van het archeologisch onderzoek. Dit document wordt beschouwd als basisdocument voor archeologisch veldonderzoek waarmee de inhoudelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Het PvE wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente, provincie of het rijk). Quickscan In een quickscan wordt geïnventariseerd of en waar archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Selectieadvies (STAP 3) In het selectieadvies wordt op archeologisch inhoudelijke argumenten het advies gegeven welke delen van het plangebied vrijgegeven kunnen worden voor verdere ontwikkeling en welke delen behouden of opgegraven moeten worden. Selectiebesluit (STAP 4) De bevoegde overheid (gemeente, provincie of soms het rijk) geeft op basis van het selectieadvies aan welke maatregelen genomen worden.

De bevoegde overheid kan van het selectieadvies afwijken indien zij dat nodig acht. Veldkartering Bij een veldkartering wordt het plangebied systematisch belopen om archeologische oppervlaktevondsten te verzamelen.

Kaartbijlagen

ARCHIS-kaart Door afwijkingen in de projectie van de ondergrond kan het tracé minimaal verschoven zijn. Deze kaart dient dan ook als indicatief te worden beschouwd.

Tracé Gestuurde boring

Archis Vondstlocaties

Hartlijn gestuurde boring

Monumenten (AMK)

Open ontgraving

Onderzoeksmeldingen

Werkterrein

Bestaande masten Archeologische begeleiding

Verwachtingskaarten: Prehistorie tot en met de Romeinse tijd Door afwijkingen in de projectie van de ondergrond kan het tracé

minimaal verschoven zijn. Deze kaart dient dan ook als indicatief te worden beschouwd.

Tracé Gestuurde boring Hartlijn gestuurde boring Open ontgraving Werkterrein Bestaande masten Archeologische begeleiding

www.anteagro

Verwachtingskaarten: Middeleeuwen tot en met Nieuwe Tijd Door afwijkingen in de projectie van de ondergrond kan het tracé

minimaal verschoven zijn. Deze kaart dient dan ook als indicatief te worden beschouwd.

Tracé Gestuurde boring Hartlijn gestuurde boring Open ontgraving Werkterrein Bestaande masten Archeologische begeleiding

www.anteagro

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Beneluxweg 125 4904 SJ OOSTERHOUT Postbus 40 4900 AA OOSTERHOUT T. (0162) 48 70 00 E. mathijs.vanriel@anteagroup.nl ISSN: 1570-6273 Copyright © 2023 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. Disclaimer Antea Group aanvaardt op generlei wijze aansprakelijkheid voor schade welke voortvloeit uit beslissingen genomen op basis van de resultaten van archeologisch (voor)onderzoek.

www.anteagroup.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=9ef45e45-07f2-4104-a3fd-651f9c152098