2023-396 Bijlage 4 Herstelbesluit bp Binnenstad (City) Nieuwegein_Toelichting
Tekst van het document
Voor het laatste punt gaat het om de verplaatsing van planologische capaciteit binnen een locatie aangewezen in de Thematische Structuurvisie Kantoren, voor zover deze resteert na de inwerkingtreding van het nog vast te stellen Inpassingsplan Kantoren (de eerder genoemde 21.000 m2 ). Hiermee wordt het voor een gemeente mogelijk tot een andere stedenbouwkundige opzet van de betreffende locatie over te gaan, nadat een deel van de bouwmogelijkheden door middel van het voornoemde Inpassingsplan Kantoren zijn weggenomen. Dit biedt meer (schuif)mogelijkheden dan reeds op grond van het bestemmingsplan Kantoorreductie Binnenstad is toegestaan. Gemeentelijke aanpak lege kantoren – tweede fase Om de kantorenleegstand terug te dringen, stimuleert de gemeente Nieuwegein transformatie van leegstaande kantoren naar andere bestemmingen. In Nieuwegein hebben verschillende kantoorpanden inmiddels een andere functie gekregen, met name naar wonen. Beleggers, eigenaren, ontwikkelaars, maatschappelijke organisaties en corporaties hebben hiertoe initiatieven ingediend. En nog steeds komen nieuwe initiatieven binnen. Op basis van een goed verhaal denkt en werkt de gemeente mee om de transformatie mogelijk te maken. De verwachting is dat het grootste deel van de leegstaande kantoren en de leegkomende kantoren geen nieuwe kantoorgebruiker meer zal krijgen.
De Nota Kantorenvisie, vastgesteld op 20 december 2011, is hiermee onverminderd actueel en blijft als uitgangspunt gelden bij de programmatische aanpak van de leegstand. De volgende besluiten uit de visie zijn van toepassing: Er komen geen nieuwe kantorenplannen in Nieuwegein bij, conform de regionale afspraken. De binnenstad is de kantorenlocatie in Nieuwegein met de meeste toekomstpotentie, binnen de bestaande plancapaciteit is nieuwbouw van kantoren mogelijk. Bestaande kantoorgebouwen in de binnenstad mogen een andere functie krijgen (exclusief detailhandel). Het beeldkwaliteitsplan binnenstad bewaakt daarbij de kwaliteit. In alle kantoorgebieden van Nieuwegein worden transformatie-initiatieven naar andere functies (met uitzondering van detailhandel en horeca) met een positieve insteek bekeken. Uitgangspunt daarbij is wel dat de kwaliteit en duurzaamheid van het gebouw en de private omgeving worden verhoogd. Transformatie dient bij te dragen aan een verbetering van de leefbaarheid en mag geen verslechtering zijn van het vestigingsklimaat voor eigenaren en gebruikers van omliggende kantoren. Conclusie Op dit moment komt de feitelijke kantoorruimte overeen met de maximale planologische mogelijkheden op basis van het geldende bestemmingsplan, met uitzondering van de vier eerder genoemde locaties.
Voor deze locaties is sprake van geldende rechten voor kantoorruimte, waar overeenkomstig de Thematische structuurvisie kantoren (TSK) 2016-2027 maximaal 21.000 m2 kantoorruimte kan worden gerealiseerd.
29
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Voor de vier nog niet gerealiseerde kantoorlocaties is daarom reeds een gebruiksbeperking van maximaal 21.000 m2 bvo aan kantoorruimte opgenomen in het bestemmingsplan Kantoorreductie Binnenstad. Locatie 3 en 4 (Luifelstede) zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Voor locatie 2 (HN-locatie) geldt inmiddels een onherroepelijk bestemmingsplan ten behoeve van woningbouw waardoor de kantoor bestemming is komen te vervallen. Voor locatie 1 (Doorslag) zijn verregaande plannen voor ontwikkelingen die geen betrekking hebben op kantoren. Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld in West van deze oppervlakte (gedeeltelijk) gebruik te maken. De 2de partiële herziening van de provinciale ruimtelijke verordening (herijking 2016) maakt dit mogelijk. Om deze reden is een regeling opgenomen waardoor de 21.000 m2 gebruikt kan worden voor nieuwvestiging in de hele binnenstad, mits de betreffende bestemming de functie kantoren ook toelaat. 3.3.4
Overige functies
Detailhandel In de Winkelvisie (vastgesteld 26 januari 2017) worden onder andere uitgangspunten en actiepunten vastgelegd die de verschillende winkelcentra moet helpen hun doel te bereiken. Een belangrijk uitgangspunt is het schrappen van de mogelijkheden van (grootschalige) detailhandel in West. Dit is ook conform het OOB 2013. Wel is er een beperkte afwijkingsmogelijkheid (max. 250 m2 ) voor detailhandel opgenomen aan het Stationsplein, mits ondersteunend aan het nieuwe te realiseren hoogwaardige OV-knooppunt. Horeca Het horecabeleid is vastgelegd in de nota Horecaonderzoek Nieuwegein van 1992. In de nota wordt geconcludeerd dat in Nieuwegein een beperkte uitbreiding van de horeca mogelijk is en dat er een gericht stimuleringsbeleid kan worden gevoerd. Er worden drie horecaconcentratiegebieden onderscheiden: binnenstad, Jutphaas en Vreeswijk. Daarnaast is horeca mogelijk in winkelcentra. In de centrumbestemmingen is een flexibele regeling opgenomen voor de ontwikkeling van horeca overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Standplaatsenbeleid In het plangebied is mede het bestemmingsplan Sectorplan Standplaatsen van toepassing. De regeling en de bestaande standplaatsen zijn in dit bestemmingsplan overgenomen. 3.3.5
Mobiliteit
Gemeentelijk Mobiliteitsplan+ Het Gemeentelijk Mobiliteitsplan+ (GMP+) is onderdeel van het integrale strategische beleid van de gemeente Nieuwegein. Het sluit aan bij de belangrijkste, door de gemeenteraad vastgestelde nota's, zoals de Structuurvisie Nieuwegein 2030. Het GMP+ geeft een nadere uitwerking van de verkeer- en vervoerparagraaf uit de Structuurvisie Nieuwegein 2030. De gemeente Nieuwegein kiest er dan ook voor om de rol van de fiets en milieuvriendelijk openbaar vervoer te versterken. Daarbij maken we gebruik van vier pijlers: 1. 2. 3. 4.
duurzaamheid; bereikbaarheid; samenhang met de stadsontwikkeling; gedragsbeïnvloeding.
Wat sterk betrekking heeft tot het plangebied en daarbij, onder een eigen kernpunt is gelegd, is het OV-knooppunt Stadscentrum Nieuwegein. Nieuwegein Stadscentrum staat in de top 10 van belangrijkste knooppunten van (boven)regionaal belang. Voor de binnenstad van Nieuwegein, met de tramhalten Stadscentrum en Merwestein, spelen de volgende opgaven: afbouw van de centrumontwikkelingen, woningen en appartementen. De uitdagingen om in het centrum een nieuw bus-/tramstation te realiseren met voldoende capaciteit om het groeiend aantal bussen en (overstappende) reizigers te kunnen accommoderen (regionale 'hub') en om van halte Merwestein een hoogwaardige tramhalte te maken die
30
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
de oostzijde van de binnenstad bedient (o.a. Stadshuis en Theater De Kom). In Nieuwegein zetten we daarbij ook in op de fiets als voor- en/of natransport. Daartoe dienen goede fietsroutes van/naar en adequate fietsstallingsvoorzieningen bij dit knooppunt te worden gerealiseerd. Mobiliteitstoets Voor het OOB 2013 is een Mobiliteitstoets opgesteld. Er is verkend wat het effect van het aangepaste programma is voor de verkeersproductie en voor de parkeerbalans. De herziening van het programma leidt derhalve niet tot een toename van het verkeer. Het programma voor de ontwikkellocaties, zoals opgenomen in paragraaf 3.2, wijkt in beperkte mate af van de uitgevoerde Mobiliteitstoets. Een actualisatie van de Mobiliteitstoets is in het kader van de bestemmingsplanprocedure uitgevoerd, zie bijlage 5. De conclusies uit de mobiliteitstoets uit 2017 blijven overeind. De toevoeging van het programma levert op de Zuidstedeweg en de westzijde van de Noordstedeweg geen problemen op. Op de oostzijde van de Noordstedeweg neemt de overschrijding van de GMP+ streefwaarde toe, maar dit komt hoofdzakelijk door de autonome groei. De toename van de intensiteit op de Noordstedeweg Oost door het programma bedraagt slechts 5%.
De verwachte intensiteiten op het oostzijde van de Noordstedeweg blijven onder de technisch maximale intensiteit die ingeschat zijn op minimaal 16.000 voertuigen per etmaal: de weg kan de hoeveelheid verkeer dus wel verwerken, mits de rotonde Sluyterslaan deze aantallen ook kan verwerken. De capaciteit van een rotonde is lastig exact te duiden, want deze is sterk afhankelijk van onder andere de vormgeving, verdeling intensiteit over toevoerwegen en voorrangssituatie. Aanvullende mobiliteitsmaatregelen Naast de hierboven genoemde verschillen zijn er in de huidige GREX van City maatregelen opgenomen voor het verbeteren van de doorstroming en het comfort voor de fietsers in City. Een fietsbrug over kanaal de Doorslag (ten zuiden of noorden van Zuidstedeweg); Een opwaardering van de fietsroute tussen de Zuidstedeweg en Nieuwegein City; Een aanpak van de Karosbrug (toegankelijkheid voor fietsers); Een aanpak van sociale veiligheid Kolfstedetunnel (verbeteren verlichting en opheffen huidige knik). Deze maatregelen maken het aantrekkelijker om met de fiets naar City te gaan, wat voor de bezoekers van City kan leiden tot een afname van auto intensiteiten. Mobiliteitsvisie 2030 Deze Mobiliteitsvisie is een vervolg op het Gemeentelijk Mobiliteitsplan+ uit 2014 en is afgestemd met de Ontwerp Omgevingsvisie. In deze visie wordt een doorkijk gegeven naar het wensbeeld richting 2030.
Wens is om de veranderende mobiliteit integraal aan te pakken. Daarnaast worden deelmobiliteit en parkeren benoemd. Daarbij wordt opgemerkt dat er verschillende vormen van deelmobiliteit, zoals deelauto's, deelfietsen, deelscooters, maar ook carpoolen. Al deze vormen kunnen bijdragen aan minder autogebruik en –bezit. Dat zorgt voor een lagere parkeerdruk en is goed voor het milieu, zeker indien de deelauto's elektrisch zijn. Deze kunnen op strategische locaties aangeboden worden, zoals rond OV knooppunten. Ten aanzien van parkeren wordt de ambitie uitgesproken om de beschikbare ruimte in de stad zo efficiënt en flexibel mogelijk te benutten voor verplaatsen, spelen, groen en water en parkeren. In de visie wordt ook duidelijk de link gelegd met de mogelijkheden in het Koersdocument Parkeren waarin is vastgelegd hoe de gemeente wil omgaan met parkeren bij nieuwe ontwikkelingen (nieuwbouw en transformatie). Er wordt ontwikkelaars een alternatief geboden naast de bekende CROW parkeernormen, waarbij meer aandacht is voor de specifieke kenmerken van de omgeving (demografie, autobezit), de parkeerdruk op straat en aanvullende concrete mobiliteitsmaatregelen rond bijvoorbeeld deelauto's en deelfietsen. Op deze wijze draagt Nieuwegein bij nieuwe ontwikkelingen actief bij aan het stimuleren van deelmobiliteit en aan een efficiënt ruimtegebruik. Parkeerregulering
31
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Koersdocument Parkeren 2020-2025 (Besluit gemeenteraad, vastgesteld 24-09-2020 en geldend van 04-11-2020 t/m heden) Het parkeerbeleid van de gemeente Nieuwegein is opgenomen in de Nota Parkeren 2011-2015 en het Koersdocument Parkeren 2020-2025. Om in te kunnen spelen op de veranderende inzichten en beschikbare mobiliteitsopties, maar ook om beleidskeuzes ten aanzien van mobiliteit te kunnen doorvoeren heeft de gemeenteraad in 2021 het Koersdocument Parkeren 2020-2025 vastgesteld. Nieuwegein heeft steeds meer vooral te maken met binnenstedelijke verdichting. Het realiseren van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein of in de directe nabijheid is dan niet altijd mogelijk of wenselijk. Ook in andere steden doet deze situatie zich voor. Zo worden er in Den Haag, Utrecht en Amsterdam bouwplannen ontwikkeld zonder te voorzien in parkeerplaatsen, omdat de doelgroep die er komt wonen die niet nodig heeft en niet gebruikt. De verwachting is dat dit soort initiatieven onder de Omgevingswet een vlucht gaan nemen. Vanuit het doel om te voorzien in een goede fysieke omgeving zullen ontwikkelingen vanuit een integraal beleidskader worden ingestoken.
Juist in die gebieden die overbelast zijn, bijvoorbeeld op het gebied van luchtkwaliteit, stikstof of geluid, zullen mobiliteitsoplossingen een bijdrage kunnen leveren aan de manier waarop plannen wel van de grond kunnen komen zonder de fysieke leefomgeving zwaar te belasten. In die situatie zullen parkeernormen niet langer op de traditionele manier kunnen worden toegepast, maar zal gezocht worden naar mobiliteitsoplossingen in brede zin. Daarbij kan gedacht worden aan OV-oplossingen, fietsinfrastructuur, deelauto's, mobiliteitshubs waar op afstand geparkeerd kan worden om het laatste deel van de route per fiets of openbaar vervoer af te leggen. Parkeernormen gaan dan ook de komende jaren hun betekenis verliezen. Er zal veel meer om maatwerk worden gevraagd. Uit jurisprudentie in 2019 blijkt dat het bij de wens tot stedelijke verdichting gerechtvaardigd kan zijn om bij een ontwikkeling af te zien van het uitgangspunt dat moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Daartoe is dan wel vereist dat kan worden onderbouwd dat op andere manieren in mobiliteitsoplossingen wordt voorzien waarbij onder andere kan worden gedacht aan openbaar vervoer en fietsvoorzieningen.
Het gemeentelijk parkeerbeleid biedt de mogelijkheid om maatwerk te leveren voor het realiseren van voldoende parkeercapaciteit bij ruimtelijke ontwikkelingen en tevens te voldoen aan de eis dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening ex. artikel 3.1 van de Wro. Door breder in te zetten dan traditionele toetsing van plannen aan parkeernormen wordt rekening gehouden met ontwikkelingen die op de gemeente afkomen en wordt gezocht naar mobiliteitsoplossingen in brede zin. Doordat het Koersdocument Parkeren 2020-2025 een beleidsregel is en geen verordening (algemeen verbindende voorschrift) geeft dit ruimte om bij een ontwikkeling sterk gemotiveerd aan te geven hoe mobiliteit, dus al dan niet ook parkeren, bij een ruimtelijke ontwikkeling wordt opgelost. Wanneer bij een beoogde ontwikkeling er tussen belanghebbenden op het gebied van het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen, ondanks onderlinge afstemming en overleg, onenigheid bestaat en er tussen hen een patstelling is, wordt teruggevallen op algemene parkeernormen in het Koersdocument. De terugvaloptie is bedoeld om bewoners te kunnen beschermen en om – als de maatwerkbenadering niet tot resultaat leidt – toch te kunnen waarborgen dat er voldoende parkeercapaciteit wordt gerealiseerd. Bij de bepaling wat de meest passende oplossing is c.q.
of iets wenselijk is wordt een integrale afweging gemaakt: wat is voor de beoogde ontwikkeling de beste mix? Daarbij wordt naast parkeren beoordeeld wat voor de ruimtelijke kwaliteit in brede zin het meest passend is. Voor deze beoordeling wordt gebruik gemaakt van vastgestelde beleidskaders op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Er wordt ontwikkelaars een alternatief geboden naast de bekende CROW parkeernormen, waarbij meer aandacht is voor de specifieke kenmerken van de omgeving (demografie, autobezit), de parkeerdruk op straat en aanvullende concrete mobiliteitsmaatregelen rond bijvoorbeeld deelauto's en deelfietsen.
32
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Deze integrale afweging komt tot stand door de ontwikkelaar/initiatiefnemer aan te leveren onderbouwing van de parkeerbehoefte te toetsen aan de in het Koersdocument opgenomen toetsingscriteria voor een onderbouwing. Bij een beoogde ontwikkeling vormen deze criteria de bouwstenen van een betrouwbare en valide onderbouwing. Aangezien de beoogde ontwikkeling nog niet volledig is uitgewerkt en het bestemmingsplan daarom een globaal karakter heeft, ziet de parkeeronderbouwing alleen op de criteria die te maken hebben met de normstelling en deelautogebruik. De overige criteria hebben betrekking op de concrete invulling van de parkeerbehoefte in relatie tot bijvoorbeeld dubbelgebruik (met bijvoorbeeld gebruikmaking van parkeerdrukmetingen). Toetsing aan deze criteria ligt daarom voor de hand in een later stadium bij de uitvoering van één of meerdere concrete bouwplannen (toetsing omgevingsvergunning). Het is wenselijk om al wel de berekende parkeernormen als zodanig juridisch te verankeren in het bestemmingsplan, gelet op de uitvoerbaarheid en rechtszekerheid van de plannen. Gebiedsopgave 2019 en mobiliteitsbeleid City In de door de gemeenteraad vastgestelde Gebiedsopgave 2019 zijn de ambities voor de ontwikkeling van City geconcretiseerd naar uitgangspunten en leidende principes. Nieuwegein kiest voor duurzame en ruimte-efficiënte mobiliteit.
Mobiliteit die in City beschikbare verkeersruimte efficiënt benut: lopen, fietsen, gedeeld gebruik van vervoersmiddelen en gebruik van het openbaar vervoer. Bewoners, maar ook bezoekers of mensen die hier werken worden waar mogelijk gestimuleerd te kiezen voor duurzame mobiliteit. Lopen, fietsen of reizen met het OV moet daarom voor iedereen eenvoudig, snel en comfortabel zijn. De privé auto komt daarbij op de laatste plaats. Juist bij grotere verdichtingslocaties, waar City heel belangrijk in is, is het belangrijk dat hier de auto niet domineert over de ruimtelijke kwaliteit (ruimte voor groen en verblijven, oversteekbaarheid, geluidskwaliteit, verkeersveiligheid). Dit betekent dat een verhoudingsgewijs laag autogebruik nodig is en dat de infrastructuur voor autoverkeer een goede inpassing krijgt. De mobiliteitsstrategie voor City maakt het goed mogelijk om te wonen zonder een eigen auto voor de deur. De mogelijkheden om te lopen, fietsen of het OV te gebruiken zijn hier goed en worden sterk verbeterd. Deze omslag in mobiliteit is nodig om Nieuwegein gezond en bereikbaar te houden en om ruimte te maken voor duurzame en gezonde binnenstedelijke herontwikkeling. De gemeente treft in dit verband minimaal de volgende maatregelen: Er wordt geïnvesteerd in het OV-knooppunt. Er wordt geïnvesteerd in regionale fietspaden en fietsparkeervoorzieningen.
In de Gebiedsopgave 2019 is voor de ontwikkellocaties in City een ambitie uitgesproken in het gewenste maatwerk ten behoeve van de parkeerbehoefte. Het beleidskader schetst de hoge ambitie van de gemeente voor mobiliteit en mogelijke maatregelen en verbeteringen die bijdragen aan het realiseren van de ambities. Bij de uitwerking van de ontwikkeling van City zijn de ambities met betrekking tot mobiliteit bekeken in relatie tot de mogelijkheden om voldoende parkeergelegenheid te kunnen realiseren en de juridische borging ervan. Het Koersdocument geeft de mogelijkheid aan de raad om maatwerk te bieden aan moderne ontwikkelingen. Om van deze bevoegdheid gebruik te kunnen maken dient een goede ruimtelijke onderbouwing te voorzien in een check aan de in het Koersdocument opgenomen criteria. Ter onderbouwing van de op te nemen parkeernorm zijn in aanvullend onderzoek, uitgevoerd (zie bijlage 13 bij deze toelichting), deze criteria voor zover relevant, onderzocht en de uitkomsten onderbouwd. Toe te passen parkeernorm Met het parkeerbeleid van de gemeente is het mogelijk om in te zetten op maatwerk, waarbij rekening wordt gehouden met de beoogde doelgroep, de specifieke projectlocatie en veranderende fysieke
33
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
omstandigheden (zoals de verdichting binnen Nieuwegein Centrum). De gemeente heeft in onderhavig plan voor de woonfuncties gebruik gemaakt van deze maatwerkmogelijkheid. Op basis van het rapport Goudappel zijn hieronder de toe te passen parkeernormen voor het woningbouwprogramma inclusief deelautogebruik, uiteengezet en onderbouwd. Voor de overige functies gelden de standaard parkeernormen die zijn opgenomen in het Koersdocument parkeren 2020-2025. Beoordeling huidig autobezit Op basis van onderzoek naar de parkeerbehoefte van bewoners door Goudappel blijkt dat het personenautobezit per appartement op dit moment varieert tussen de 0,55 en 1,30 personenauto, afhankelijk van de grootte van het appartement (gebaseerd op microdata van CBS). In deze waarden is nog geen rekening gehouden met deelmobiliteit en ook is er geen verschil gemaakt tussen (sociale) huur- en koopappartementen. (Het gewogen autobezit in City is 0,77 per woning.) Tevens is het vanuit de gewenste mobiliteitstransitie voor de gemeente Nieuwegein onwenselijk de huidige parkeerbehoefte te volgen. De gemeente Nieuwegein wil een sturend parkeerbeleid volgen, zodat het personautobezit in de Binnenstad (City) beperkt wordt en andere vervoerwijzen als de fiets en het openbaar vervoer prioriteit krijgen. Om die reden wordt een strengere parkeernorm gehanteerd.
Dit is mogelijk, omdat in de Binnenstad (City) een parkeerregiem geldt. Het eigen autobezit wordt hiermee beperkt, omdat bewoners niet 'gratis' gebruik kunnen maken van de parkeerruimte. Voorstel voor de bewonersparkeernorm CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' wordt vaak landelijk als basis gebruikt voor het bepalen van de parkeernorm. De publicatie gaat uit van een gebiedsindeling: • Stedelijkheidsgraad, hier: sterk stedelijk. • Binnen of buiten de bebouwde kom, hier: binnen de bebouwde kom. • Centrum, schil centrum of rest van de bebouwde kom, hier: centrum. CROW publicatie 381 werkt voorts met een bandbreedte (minimum – maximum). Vanwege de investeringen in fiets en openbaar vervoer en de inzet op de mobiliteitstransitie wordt voor het gebied Nieuwegein Centrum gebruik gemaakt van de minimale parkeerkencijfers.
34
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Figuur: Personenautobezit per woning (Nieuwegein Stadscentrum)
In onderstaande tabel is een voorstel voor de parkeernorm aan de hand van de grootte van het appartement opgenomen.
Figuur: bewonersparkeernorm per appartementstype
Deelmobiliteit Met deelmobiliteit is het mogelijk om in te zetten op een duurzame vorm van mobiliteit. De Gebiedsopgave neemt een omzetting van 50% van het aantal parkeerplaatsen bij woningen naar plaatsen voor deelauto's als uitgangspunt. Gebleken is echter dat het (nog) niet reëel is om ervan uit te gaan dat 50% van de benodigde parkeerplaatsen voor de woningen ook daadwerkelijk vervangen wordt door deelauto's. In CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is aangegeven dat een deelauto 4 tot 8 normale personenauto's vervangt. De gekozen reductiefactor door de gemeente Nieuwegein (1 deelauto vervangt 5 normale personenauto's) is passend binnen deze range. De reductie geldt niet voor de volledige bewonersparkeervraag: dit zou betekenen dat de volledige parkeerbehoefte van bewoners opgelost kan worden met deelauto's en dat is niet de verwachting. Bij de inzet van deelmobiliteit geldt dus dat per 5 gereduceerde parkeerplaatsen 1 deelauto dient te worden aangeboden.
35
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Bezoekers Uit onderzoek blijkt dat de parkeernorm voor bezoekers (in CROW-publicatie 381, 0,3 parkeerplaats per woning) te hoog is. In gebieden met betaald parkeren is 0,1 parkeerplaats per woning voor bezoekers voldoende. Voor ongereguleerd gebied (geen betaald parkeren in de omgeving) blijkt dat 0,15 parkeerplaats per woning ruim voldoende is. Voor gereguleerd gebied is 0,1 parkeerplaats per woning ruim voldoende. In de Binnenstad (City) van Nieuwegein geldt betaald parkeren. Om die reden kan gerekend worden met 0,1 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Conclusie In de aangevulde toelichting is de in de Gebiedsvisie gebruikte parkeernorm nader toegelicht en is de in het plan opgenomen parkeernorm uitgewerkt langs de relevante criteria uit het Koersdocument, welke maatwerk mogelijkheden biedt om een norm te hanteren. De notitie 'Onderbouwing van de parkeernorm Nieuwegein Centrum' geeft hiervoor de onderbouwing (bijlage 13 van de toelichting). Dit alles leidt tot een norm die in lijn is met de in de beleidsstukken geuite ambities in de aanpak van mobiliteit en mogelijk op basis van het beschikbare juridische instrumentarium. 3.3.6
Duurzaamheid
De ambitie is om van City Nieuwegein de meest duurzaamste binnenstad van Nederland te maken. Dat is een stevige ambitie, maar wel een ambitie die gerechtvaardigd is gelet op de omvang van de opgave. Met het realiseren van een groot aantal woningen in City ontstaat namelijk volume om duurzaamheidsmaatregelen rendabel te implementeren. Het voorop blijven lopen als duurzame binnenstad vergt een langlopende inspanning, waarbij nu nog niet exact aan te geven is welke maatregelen nodig zijn en op langere termijn het meest effectief zijn. Gelet op de snel opeenvolgende ontwikkelingen op het terrein van verduurzaming en transitie blijft het nodig om voortdurend maatregelen af te wegen op effectiviteit en toekomstbestendigheid. Die maatregelen die op zichzelf bij de start (nog) niet rendabel zijn moeten wellicht gestimuleerd worden met een financiële bijdrage (vanwege bijvoorbeeld onrendabele toppen, risicoprofiel, onderzoek voor innovatie). Om deze reden is voor City een krediet van 2 miljoen euro beschikbaar voor het instellen van een Fonds Duurzaamheid City (FDC). Het Q-team adviseert het college over de inzet van het fonds. Ook de verduurzaming van City wordt in co-creatie opgepakt. Alle stakeholders worden nadrukkelijk uitgenodigd en uitgedaagd om in Nieuwegein City de duurzaamste binnenstad van Nederland te realiseren en met voorstellen daarvoor te komen.
Om de duurzaamste binnenstad te worden is een samenhangend en integraal pakket van (duurzaamheids)maatregelen nodig. Voor een aantal thema's zijn, op basis van de ambities uit het Koersdocument, passende maatregelen voor City onderzocht. Het gaat hierbij om de volgende thema's: Klimaatadaptatie en natuur-inclusiviteit Water Energie Mobiliteit Circulariteit De komende periode wordt (via co-creatie en onderzoek) nader onderzocht hoe de meeste synergie tussen maatregelen kan worden bereikt in relatie tot de beschikbare ruimte in gebouwen en openbaar gebied. In principe gaat het daarbij om: Het matchen van ruimtevraag van maatregelen in relatie tot de beschikbaarheid van de totale ruimte. Het prioriteren van maatregelen, teneinde de meest effectieve oplossingen te selecteren. Het maken van een keuze tussen maatregelen indien die elkaar uitsluiten c.q. te weinig synergie opleveren. Doel is een samenhangend pakket van maatregelen te definiëren dat ruimtelijk inpasbaar is. Op basis daarvan wordt per bouwblok een Ontwikkelkader opgesteld en worden de ruimtelijk relevante onderdelen opgenomen in het Omgevingskwaliteitsplan Binnenstad (City) Nieuwegein.
36
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Hoofdstuk 4
Onderzoek
In dit hoofdstuk worden de (onderzoeks)aspecten behandeld die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. Per aspect is aangegeven wat het wettelijk kader is en wat de consequenties zijn voor het bestemmingsplan.
4.1
Cultuurhistorie en archeologie
De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, stelden de lidstaten zich tot doel het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze regelgeving is opgenomen in de Monumentenwet, en geldt sinds de invoering van de Erfgoedwet in 2016 via overgangsrecht totdat de regels in de Omgevingswet geborgd worden. De kern van de Erfgoedwet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook te worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Voor de ligging van cultuurhistorische en archeologisch waardevolle plekken in het plangebied zijn de Archeologische beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaarten van de gemeente Nieuwegein geraadpleegd. Gebiedskarakteristiek In vergelijking met de omliggende woonwijken is relatief laat begonnen met de realisatie van het binnenstadsgebied. Als basis voor het centrumplan is uitgegaan van een zogenaamde megastructuur met meerdere maaiveldniveaus voor verkeer, winkelen en wonen, een sterk stedelijke en compacte bebouwing met veelal een sterk sculpuraal karakter. Er is sprake van een een grootschalige clustering van zakelijke, openbare en culturele functies. Langs de randen staan grootschalige kantoorpanden en woongebouwen. De binnenstad is hét winkelcentrum van Nieuwegein, men vindt er het stadshuis, het ziekenhuis en tal van kantoren en andere voorzieningen, maar ook woningen: etagewoningen en grondgebonden eengezinswoningen, vooral in de noordwesthoek van het gebied. Het is ook een heel nieuw gebied, zonder nog in het oog springende relicten uit de prestedelijke periode, zoals in de meeste andere wijken nog wel het geval is. De bebouwing in de binnenstad is massaal en stedelijk van karakter. Snel- en langzaam verkeer zijn er deels gescheiden, waarbij het langzaam verkeer via een brug of tunnel de brede Zuidstedeweg kan oversteken.
Midden in het centrumgebied bevindt zich het aan het winkelcentrum gekoppelde station voor de sneltram tussen Utrecht en Nieuwegein. In de afgelopen jaren is de binnenstad grootschalig op de schop gegaan. Dit heeft geleid tot de sloop van veel complexen en de herinvulling met onder meer een nieuw stadshuis, een theater en nieuwe winkelgebouwen. Veel bijzondere gebouwen uit de beginperiode van Nieuwegeins binnenstad zijn er niet meer. Vermeldenswaardig zijn het massale Weverstedehof 1 - 81 uit 1979 - 1980, een groot kantoor- en winkelcomplex met daarboven woonappartementen, onder invloed van het structuralisme. Aan de zuidrand van de binnenstad ligt het grote complex van het St. Antoniusziekenhuis (1977 en verder), dat inmiddels ook al veel wijzigingen heeft ondergaan. Een zeer bijzonder en in zijn soort in Nieuwegein uniek gebouw is de Hulp Warmtecentrale voor de Stadsverwarming (1979 - 1980), een ontwerp van het Ingenieurbureau voor Architectuur en Stedebouw Hoekstra-Roosenburg-Van Buul, dat in 1980 de Nationale Staalprijs ontving. De hoge schoorsteen is een markant oriëntatiepunt in de omgeving. Aan de zuidzijde wordt de binnenstad voor het langzaam verkeer ontsloten door de markante Weverbrug.
De betonnen brug uit circa 1980 heeft deels met baksteen beklede betonnen rondboogportalen, forse bordestrappen op de uiteinden, stalen, fel blauw geschilderde balustrades en een stalen pergola met rood geschilderde rondbogen.
37
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.1.1
Cultuurhistorie
Om adequaat invulling te kunnen geven aan de taak van de gemeente om rekening te houden met binnen het bestemmingsplan aanwezige cultuurhistorische waarden, heeft de gemeente een cultuurhistorisch onderzoek laten uitvoeren (RAAP-rapport 2538 Jonge stad, oude kwaliteiten). Het betreft een interdisciplinaire studie naar het aardkundig, historisch-geografisch, historisch-bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Nieuwegein. Cultuurlandschap In het plangebied is het historische landschap van cope ontginningen nauwelijks herkenbaar en heeft zodoende geen waarde. Een zeer waardevolle landschappelijke structuur is de Doorslag. Dit twaalfde-eeuwse kanaal begrenst de oostkant van het plangebied. Het kanaal verbond de stad Utrecht met de IJssel. Het historische karakter van het kanaal is nog goed aanwezig, doordat het nooit verbreed is. Bouwhistorie In het plangebied staan geen monumenten. Wel telt het plangebied een aantal cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken op basis van het rapport Jonge stad, oude kwaliteiten. Zeer hoge waarde: 1. 2.
De warmtecentrale van de stadsverwarming, gelegen op Koekoekslaan 1. Doorslagbrug over de Doorslag, verbindt de Noordstedeweg met de Vreeswijksestraatweg.
Hoge waarde: 3. 4. 5.
Zuidstedebrug, voetgangersbrug over de Zuidstedeweg. Weverstedehof 1 - 81. Karosbrug, voetgangersbrug over de A.C. Verhoefweg.
Enige waarde: 6.
Kolfstedetunnel, langzaam verkeertunnel onder de Zuidstedeweg.
De bouwwerken van zeer hoge en hoge waarden krijgen de aanduiding 'karakteristiek' in het bestemmingsplan.
38
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Historische bouwkunst en stedenbouw
Cultuurhistorisch erfgoed - Historisch- geografische elementen
Conclusie Binnen het plangebied zijn diverse cultuurhistorische elementen aanwezig, die behouden moeten blijven en opgenomen moeten worden in nieuwe stedenbouwkundige ontwerpen. De beoogde ontwikkelingen geven geen onevenredige belemmering voor de aanwezige historische stedenbouwkundige of geografische karakteristieken in het plangebied en omgeving. Het is niet mogelijk om bij ontwikkeling de historisch-ruimtelijke kwaliteiten van Nieuwegein te herstellen in het gebied en/of relatie met deze kwaliteiten buiten het gebied te versterken. Ten aanzien van de molen, gelegen ten zuiden van het plangebied, is de hiervoor weergegeven
39
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
molenbiotoop met bijbehorende regeling opgenomen in de regels van voorliggend bestemmingsplan. 4.1.2
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit is in lijn met het Europese Verdrag van Malta. Eind 2012 is een Beleidsnota archeologie opgesteld voor de gemeente Nieuwegein. Binnen deze nota is een beleidsadvieskaart opgenomen. Binnen het plangebied komen vier verschillende verwachtingswaarden voor op de beleidsadvieskaart, namelijk: Verwachtingswaarde 2 (rode zone ten noordwesten): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en plangebieden groter dan 500 m2 . Verwachtingswaarde 3 (oranje zone ten zuiden): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 150 cm -mv en plangebieden groter dan 2.500 m2 . Verwachtingswaarde 4 (gele zone): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 300 cm -mv en plangebieden groter dan 2.500 m2 . Verwachtingswaarde 6 (lichtgroene zone): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 150 cm -mv en plangebieden groter dan 10.000 m2 .
Archeologische beleidsadvieskaart
De gehanteerde vrijstellingsgrenzen zijn in archeologische dubbelbestemmingen vertaald. Beneden de grens is geen archeologisch onderzoek vereist. Indien bij een concreet bouwplan de betreffende de grenzen voor bodemingrepen worden overschreden, kan nader onderzoek aan de orde zijn. Conclusie
40
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
In het voorliggende bestemmingsplan zijn de archeologische waarden beschermd door middel van dubbelbestemmingen. Indien voor een ontwikkeling de bij de verwachtingswaarde behorende vrijstellingsgrens overschreden wordt, dient de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek uit te voeren.
4.2
Ecologie
4.2.1
Inleiding
Om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te toetsen, is een ecologische inventarisatie van de natuurwaarden uitgevoerd (zie bijlage 2. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Soortenbescherming Uit het onderzoek komt naar voren dat in en om het plangebied beschermde soorten voorkomen of kunnen voorkomen. In het kader van mogelijke verbodsovertredingen van de Wnb is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit onderzoek wordt in uitvoering genomen indien sprake is van concreet zicht op de uitvoeringc c.q. sloop van bestaande bebouwing. Voor andere beschermde soorten is op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie, gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied of provinciaal beschermde natuur (NNN of Groenblauwe mantel). Voor provinciaal beschermde gebieden is van belang of directe aantasting van beschermd gebied optreedt, voor Natura-2000 worden ook indirecte effecten beoordeeld, zoals effect van stikstofdepositie.
Om effect van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan te onderzoeken is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 4. De berekening met Aerius genereert een "leeg" rapport voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase, wat betekent dat er geen natuurgebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op in het kader van Wnb beschermde gebieden (Natura 2000) zijn uit te sluiten. Gezien de afstand zijn andere effecten ook uit te sluiten. Conclusie De plannen zijn ten aanzien van de soorten- en gebiedsbescherming niet in strijd met de Wnb en de Provinciale Ruimtelijk Verordening, Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016).
4.3
Bodem
In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied is verontreinigd, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd. Onderzoeken Voor het hele gebied van City, inclusief enkele aangrenzende locaties, is in 1999 een historisch onderzoek en in 2000 een verkennend bodemonderzoek verricht. Uit historische gegevens blijkt dat het gebied in de jaren '70 een meter is opgehoogd. Uit de resultaten blijkt dat de grond niet tot licht verontreinigd is met de
41
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
geanalyseerde parameters. De strook langs de Hollandse IJssel is sterk verontreinigd met PAK. In het grondwater is plaatselijk een matig of sterk verhoogde concentratie arseen gemeten. Dergelijke gehalten aan arseen in het grondwater komen vaak voor in deze regio en andere regio's met vergelijkbare grondslag en vormen geen belemmering voor ontwikkelingen. GD-A2 (NVM / Dyade locatie – aankomstplein) Het onbebouwde gebied waar een aankomstplein met een woongebouw is gepland, is met een verkennend bodemonderzoek uit 2017 vrijwel geheel onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bodemgrond licht verontreinigd is met minerale olie, PCB en PAK. Op basis van dit onderzoek zijn er voor het bodemaspect geen bezwaren voor de ontwikkeling van deze locatie. Verder onderzoek is daarvoor niet nodig. Als binnen enkele jaren een aanvraag volgt, kan het onderzoek worden gebruikt voor een omgevingsvergunning. Het oostelijk gelegen deel waar het NVM-gebouw staat dat wordt gesloopt, kan na sloop met een aanvullend verkennend bodemonderzoek worden onderzocht, zodat een compleet beeld van de bodemkwaliteit wordt verkregen. GD-A3 (Doorslagzone, buiten dit bestemmingsplan) Op deze locatie zijn diverse onderzoeken verricht. De locatie is vrijwel geheel onderzocht.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat, met uitzondering van de strook langs de kade, de grond en het grondwater hooguit licht verontreinigd zijn. Langs de kade is de laag van 0 tot 1 m onder het maaiveld vermengd met puin en koolasdeeltjes, deze is sterk verontreinigd met PAK. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging, die ter plaatse van de kade is gesaneerd. In 2017 is een verkennend onderzoek verricht voor locatie Stadsplein (Doorslagzone). Uit dit onderzoek is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met minerale olie, PCB en PAK. Op basis van beschikbaar onderzoek zijn er voor het bodemaspect geen bezwaren voor de ontwikkeling van deze locatie. Verder onderzoek is daarvoor niet nodig. Als binnen enkele jaren een aanvraag volgt, kan het onderzoek worden gebruikt voor een omgevingsvergunning. GD-A4 (Oud politiebureau) Op deze locatie zijn onderzoeken verricht in de periode 1995 tot en met 2005. Van de locatie is een politiebureau met schietinrichting, garage en opslag van brandstof bekend. Uit bodemonderzoeken uit de periode 1996 t/m 2005 bleek dat de grond en het grondwater ter plaatse destijds hooguit licht verontreinigd waren. Omdat de onderzoeken echter verouderd zijn, is met het oog op herontwikkeling en nieuwbouw voor een omgevingsvergunning ter actualisatie een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 noodzakelijk.
GD-B2 (voormalig busstation/ Erfstede) In 1988 is op deze locatie een indicatief onderzoek verricht. Hierbij zijn geen bijzonderheden geconstateerd. De gegevens zijn echter sterk verouderd. Met het oog op herontwikkeling en nieuwbouw is voor een omgevingsvergunning daarom ter actualisatie een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 noodzakelijk. GD-C (City-West) Een verkennend bodemonderzoek inclusief verkennend asbestonderzoek op een puinfundatie is recentelijk uitgevoerd voor City West, zie bijlage 10. De grond en het grondwater zijn voornamelijk licht verontreinigd. De kleiige ondergrond is plaatselijk matig verontreinigd met nikkel. Het grondwater is plaatselijk matig verontreinigd met barium. Zowel nikkel in kleigrond als barium in het grondwater worden regelmatig op diverse locaties in Nederland gemeten en hebben vermoedelijk een natuurlijke oorzaak. Met het oog op herontwikkeling en nieuwbouw met kantoren, detailhandel en woningen is er geen planologische belemmering te verwachten. Voor een omgevingsvergunning is mogelijk nog wel aanvullend onderzoek noodzakelijk.
42
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Conclusie Voor het plangebied geldt dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkelingen. Bij uitwerking van de plannen voor de verschillende locaties kan een actueel onderzoek volgens de NEN 5740 noodzakelijk zijn. In de grondexploitatie van City is hiervoor een post opgenomen.
4.4
Water
Voor het onderdeel water is het, in het kader van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan, nodig om het watertoetsproces te doorlopen. Dit proces omvat het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 4.4.1
Beleid
Gemeente Het jaarplan Water 2020 en de watervisie uit 2004 vormen samen het Waterplan van de gemeente Nieuwegein. De gemeente beschikt ook over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 met daarin het beleid voor de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook de ambities voor de waterkwaliteit en duurzaamheid van het (afval)watersysteem. Het klimaat verandert. We krijgen te maken met meer en heftigere regenbuien, langere droge periodes en meer hete zomerse dagen en nachten. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen moeten we nu al stap voor stap investeren in een klimaatbestendige inrichting van de stad en de samenleving hierop voorbereiden. Dit heet klimaatadaptatie en doet de gemeente niet alleen maar samen met de partners in de stad en de regio. De gemeente heeft in 2018 de visie klimaatadaptatie vastgesteld en het uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie 2019-2022. De ambities van de visie zijn in het Gebiedsdossier City 2019 vertaald naar uitgangspunten en leidende principes voor klimaatadaptatie de nieuwe bebouwing en ontwikkelingen. Daarnaast is voor City een TKI-project (Topsector Kennis & Innovatie) toegekend voor het ontwerp en de ontwikkeling van een Circulair (afval)watersysteem. In dit project wordt samengewerkt in een consortium met de stakeholders in het gebied, provincie, waterschap De Stichtse Rijnlanden, en marktpartijen.
Water en klimaatadaptatie zijn belangrijke thema's om City de meest duurzame binnenstad van Nederland te maken. Waterbeheerder Het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) is de waterkwaliteiten waterkwantiteitsbeheerder. Het concrete toetsingskader van HDSR voor de watertoets is gegeven in het Handboek Watertoets. De belangrijkste uitgangspunten zijn hierbij als volgt: het standstill-principe: voorkom negatieve effecten van ruimtelijke watersysteem; verbeteren: benut kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen.
ontwikkelingen op
het
De principes die bij het waterbeleid van belang zijn. Waterkwantiteit: de trits vasthouden - bergen - afvoeren; versnelde afvoer van regenwater naar oppervlaktewater moet worden voorkomen of worden gecompenseerd; 1. in verband met het voorkomen van versnelde afvoer adviseert het waterschap om wel een infiltratiesysteem aan te leggen. Voor een afname van verhard oppervlak in stedelijk gebied is geen compensatieplicht vanuit het waterschap; 2. om versnelde afvoer naar oppervlaktewater te voorkomen, adviseert het waterschap om een infiltratiesysteem aan te leggen met 45 mm berging per m2 afgekoppeld oppervlak. Indien infiltratie niet mogelijk is, zal automatisch moeten worden gecompenseerd. Voor een toename van
43
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
verhard oppervlak van 500 m2 tot 10.000 m2 in stedelijk gebied moet berging worden gerealiseerd. Waterkwaliteit: de trits schoon houden - scheiden - zuiveren. Voor bouwactiviteiten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan zorgvuldige materiaalkeuze. Verslechtering van de waterkwaliteit bij nieuwbouw en herstructurering kan worden voorkomen door geen uitlogende (bouw)materialen toe te passen; bij nieuwe ontwikkelingen adviseert het waterschap het regenwater gescheiden van het afvalwater te verwerken. 4.4.2
Waterberging
Het plangebied is reeds in de huidige situatie volledig bebouwd en/ of verhard. In het plangebied zal het verhard oppervlak dan ook niet verder toenemen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Bij uitwerking van de bouwplannen adviseert het waterschap om in elke situatie een infiltratiesysteem aan te leggen. Dit is afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem, gemiddeld hoogste grondwater en beschikbare ruimte. Het aanleggen van een infiltratiesysteem is niet verplicht. De gemeente hanteert bij nieuwe ontwikkelingen de eis dat hemelwater is afgekoppeld van de riolering en in het plangebied geen schade optreedt aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (bui van 90 mm/uur). Het plangebied wordt zodanig ingericht en ontworpen dat van een hevige bui minimaal 20 mm van het bestaande en het te realiseren oppervlak kan worden verwerkt en geïnfiltreerd in het plangebied zelf. Een groot gedeelte van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui op privaat terrein in de omgeving van het stationsgebied en City west wordt tijdelijk op dit terrein opgevangen en circulair ingezet. 4.4.3
Waterkering
De damwand en de achterliggende kade langs de Doorslag doet dienst als regionale waterkering. Ter bescherming van deze waterkering zijn beschermingszones aangewezen. Ontwikkelingen binnen deze zones dienen te worden voorgelegd aan de beheerder van de waterkering, HDSR. Daarmee wordt voorkomen dat de belangen van de waterkering worden geschaad. In de Keur van het hoogheemraadschap is bepaald dat ter bescherming van deze damwand een strook van 12 m breed (7 m kernzone plus 5 m beschermingszone) uit de damwand gevrijwaard moet blijven van elke bouw-, graaf-, plant- of rooiactiviteit. Voor werkzaamheden op kortere afstand is een ontheffing vereist. Het bestemmingsplan maakt geen directe ontwikkelingen mogelijk binnen deze zone. 4.4.4
Fietsbrug
De gemeente is voornemens om een fietsbrug over de Doorslag in Nieuwegein te realiseren, zie ook paragraaf 3.2.1. Hiervoor heeft de gemeente twee mogelijke locaties op het oog (ten noorden en ten zuiden van het viaduct van de Zuidstedeweg). HDSR is om advies gevraagd met betrekking tot de wateraspecten. HDSR verzoekt de gemeente rekening te houden met onderstaande waterthema's: a. b. c. d. e.
Watersysteem: peilgebieden en oppervlaktewater huidig watersysteem Omgang met overtollig hemelwater in relatie met waterkwaliteit KWA en opstuwing Vaarwegbeheer Baggeren en werkzaamheden Doorslagsluis
Bij de verdere uitwerking van de brug (en locatiekeuze) wordt rekening gehouden met deze waterthema's en (civieltechnische) voorwaarden van HDSR. Met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan kan gesteld worden dat realisatie van een brug vanuit de wateraspecten uitvoerbaar te achten is. Gelet op de afzonderlijke regelgeving met betrekking tot minimale doorvaarthoogte, doorvaartdiepte en doorvaartbreedte, kunnen aanvullende regelingen in het bestemmingsplan achterwege blijven. In het bestemmingsplan zijn de mogelijke locaties door middel van aanduidingen weergegeven.
44
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.4.5
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het watersysteem toereikend is om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. In het kader van het wettelijk overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan HDSR. Met betrekking tot de fietsbrug is afzonderlijk overleg gevoerd.
4.5
Geluid
Wet geluidhinder Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van woningen. De Wet geluidhinder beschouwt dergelijke gebouwen als zogenaamd geluidsgevoelige gebouwen. Onderzocht dient derhalve te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. Zones In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Binnen de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 200 m. In geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Onderzoek Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor de ontwikkellocaties (zie bijlage 3). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de planlocatie hoge geluidbelastingen ondervindt vanwege de A.C. Verhoefweg, de Zuidstedeweg en de sneltram. Ook wordt de plandrempel uit het Actieplan Geluid (65 dB voor de cumulatieve geluidbelasting) overschreden, voornamelijk op de gevels langs de Zuidstedeweg.
Voor woningen met een buitengevel die alleen grenst aan de zijde(n) van de gebouwen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moeten aanvullende (bouwkundige) maatregelen wordt getroffen om een geluidluwe zijde en buitenruimte te realiseren. Het toepassen van een stil wegdek op de Zuidstedeweg en A.C. Verhoefweg kan het aantal hogere waarden flink verminderen en mogelijk ook de overschrijding van de grens van 65 dB voor de cumulatieve geluidbelasting voorkomen. Aan de hand van een voorwaardelijke verplichting in de algemene bouw- en gebruiksregels is zeker gesteld dat in de eindsituatie wordt voldaan aan de eisen voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting. Op grond van deze bepaling dienen afhankelijk van de concrete situatie geluidwerende voorzieningen te worden aangebracht. Industrielawaai Ten zuiden van de Zuidstedeweg ligt direct in de omgeving van het St. Antonius ziekenhuis het terrein van de hulpwarmtecentrale ten behoeve van de stadsverwarming. Dit is een gezoneerd industrieterrein. Op dit industrieterrein is een inrichting gevestigd die "in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken", zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Binnen de geluidszone geldt een onderzoeksplicht voor nieuwe geluidsgevoelige functies, zoals woningen en andere gevoelige bestemmingen.
Indien de geluidsbelasting op de gevel meer dan 50 dB(A) bedraagt, gelden er beperkingen voor de nieuwbouw van geluidsgevoelige functies. Deze beperkingen zijn gegeven in het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen. Nieuwbouw van gevoelige functies binnen de 55 dB(A)-contour is zonder meer niet toegestaan. Binnen de geluidszone zijn geen nieuwe geluidsgevoelige functies voorzien; de uitbreiding van het ziekenhuis binnen de geluidszone van de hulpwarmtecentrale betreft alleen aan het ziekenhuis gerelateerde functies die niet geluidsgevoelig zijn. Conclusie De Wet geluidhinder verzet zich derhalve niet tegen de komst van deze woningen. Ook is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefmilieu.
45
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.6
Luchtkwaliteit
In het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip nibm. Sinds verlening van derogatie door de EU is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwalteit (NSL) in werking getreden en is nibm gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. De wijze van salderen in relatie tot het begrip nibm is uitgewerkt in de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007. Voor het OOB 2013 is een Mobiliteitstoets opgesteld. Er is verkend wat het effect van het aangepaste programma is voor de verkeersproductie en daarmee ook voor de luchtkwaliteit. De herziening van het programma leidt niet tot een significante toename van het verkeer en daarmee ook tot een verwaarloosbaar effect op de luchtkwaliteit. Uitgaande de gegevenrekenmethode beschreven in bijlage 3A en 3B van het Besluit NIBM, valt de verkeerstoename ruimschoots onder het 3%-criterium van 1,2 microgram/m3 voor zowel NO2 als PM10 . Het project draagt derhalve niet in betekenende mate (nibm) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien blijkt uit de NSL-monitoringsviewer dat in 2015 de jaargemiddelde PM10 en NO2 concentraties in het plangebied lager zijn dan 35 µg/m3 . Het aantal overschrijdingsdagen van PM10 ligt onder de 35 dagen.
Er wordt in de bestaande situatie voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan vormt geen belemmeringen ten aanzien het aspect luchtkwaliteit.
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op activiteiten die een risico voor de omgeving met zich kunnen meebrengen. Voorbeelden zijn de productie of transport van gevaarlijke stoffen. Om ongelukken te voorkomen, worden bij externe veiligheidsrisico's minimum afstanden gehanteerd van wonen, werken en recreëren tot activiteiten die een gevaar kunnen opleveren. Wettelijk kader De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit), en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: het plaatsgebonden risico het groepsrisico Plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft, aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt.
Groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico's bij elkaar in de buurt komen. Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting et cetera) in relatie tot de risicobron. Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde.
46
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Beleidsvisie externe veiligheid Naast het feit dat vanuit de Rijksoverheid risiconormen zijn gesteld, laat de wet- en regelgeving ook ruimte aan gemeenten (en provincies) om eigen veiligheidsambities te formuleren. In de Beleidsvisie externe veiligheid (raadsbesluit 2007-403) is aangegeven hoe Nieuwegein met deze beleidsvrijheid omgaat. Zo is onder nadere in de visie aangegeven dat de gemeente zich het recht houdt voor om bij nieuwe situaties af te zien van het zogenaamde “stand still"-beginsel voor het groepsrisico, zolang aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan. Toetsing In of nabij het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: Eneco hulpwarmtecentrale; Ecolab Production Netherlands BV. Het plangebied ligt verder buiten de toetsingsafstanden van andere risicobedrijven, buisleidingen vallend onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (bevb), of rijkswegen en vaarwegen die deel uitmaken van het zogenaamde Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen, of een gemeentelijke route voor gevaarlijke stoffen. Eneco hulpwarmtecentrale De Eneco hulpwarmtecentrale is in het plangebied gelegen. Het bedrijf is een inrichting met externe veiligheidsrisico's vanwege de bulkopslag van gasolie. De bedrijfsprocessen, aard en omvang van gebruikte gevaarlijke stoffen kunnen een risico vormen voor de omgeving.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een (reeds bestaande) bouwmogelijkheid binnen de zonering in de vorm van een parkeergarage. Een parkeergarage is geen verblijfsbestemming en wordt in het kader van het Bevi niet beschouwd als een beperkt- of kwetsbaar object. Nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is niet nodig. In het kader van de uitwerking van het bouwplan vindt nadere afstemming plaats met de Veiligheidsregio en de RUD Utrecht (provincie). Ecolab De ontwikkeling aan de Doorslagzone ligt buiten het invloedsgebied van Ecolab. Nader onderzoek in het kader van externe veiligheid is niet noodzakelijk. Conclusie Uit voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor vaststelling van het plan.
4.8
Bedrijven milieuzonering
De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken, is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed worden gesitueerd, zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Regelgeving Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. In de uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het
47
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: Tabel: richtafstanden volgens VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009'
De milieucategorie leidt in combinatie met een omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied) tot een bijbehorende richtafstand. Uitgangspunten milieucategorisering Het centrumgebied zelf kan bij uitstek gekarakteriseerd worden als een gemengd gebied, waar een veelheid aan functies aanwezig is (detailhandel, bedrijvigheid, kantoren, woonfunctie, maatschappelijke dienstverlening). Dit betekent dat kan worden aangesloten bij de richtafstanden tot 'gemengd gebied'. In het plangebied De bestemming van gronden die de hiervoor genoemde bedrijvigheid mogelijk maken, veranderen met onderhavig bestemmingsplan niet. Verder onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In de omgeving van het plangebied Bedrijventerrein Herenstraat-Kruyderlaan Ten noorden van het plangebied ligt het bedrijventerrein Herenstraat-Kruyderlaan. Volgens dit bestemmingsplan worden op het bedrijventerrein bedrijven toegelaten met een richtafstand van maximaal 30 m (gemengd gebied). De bedrijven die op dit terrein zijn gevestigd, liggen op voldoende afstand van de beoogde nieuwe gevoelige functies in de binnenstad (Doorslagzone).