2021-507 Herstelbesluit bestemmingsplan Zuidoostelijke Stadsrand.pdf
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
64
Figuur 4.6 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura‐2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator In het plangebied is gedeeltelijk een (aan te leggen) ecologische verbinding van Natuurnetwerk Nieuwegein aanwezig. Tevens grenst het plangebied aan ecologische verbindingen en natuur behorende bij het Natuurnetwerk Nieuwegein, zie figuur 4.7.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
65
Figuur 4.7 Ligging EHS (natuur) en ecologische verbindingszones (bron: gemeente Nieuwegein) Ter plaatse van het zuidelijk deelgebied worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot negatieve effecten op beschermde gebieden. Ter plaatse van het noordelijk deelgebied wordt de grond beschikbaar gemaakt voor bedrijven. Dit deel van het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermd gebied. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Tevens kunnen effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Ten behoeve van de beoogde bedrijvigheid is door Tauw een Aerius berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000‐gebieden te onderzoeken (zie bijlage 5). Dit onderzoek is uitgevoerd voor 2 scenario's waarin de maximum bouwhoogte verschilt. Het berekenen van de 2 scenario's ook bij het eerder vastgestelde bestemmingsplan gedaan. In voorliggend plan is uitgegaan van scenario 1. Dit scenario gaat ervan uit dat alle kavels een maximale toegestane bouwhoogte van 18 m hebben. Dit betreft de maximale planologische invulling: de bouwhoogte die met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid mogelijk is (de maximum bouwhoogte op de verbeelding bedraagt namelijk 12 m).
In het onderzoek zijn voor de gebruiksfase maximum plafondwaardes voor de NOx‐emissies berekend waarbij er geen waarde hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn op Natura2000‐gebieden. Wanneer de voorgenomen bedrijvigheid meer emissies veroorzaakt, dan zal er sprake zijn van een in potentie
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
66
significant negatief effect op stikstofgevoelige Natura 2000‐habitats. Daarom is in de planregels per bedrijfskavel de maximum emissie NOx kg/jaar vastgelegd voor het maatgevende scenario. Hiervan kan worden afgeweken indien uit een actueler rekenmodel blijkt dat significant negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000‐habitats kunnen worden uitgesloten. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plan niet in de weg. Soortenbescherming Ter plaatse van het zuidelijk deelgebied worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die nadelige gevolgen hebben voor mogelijk aanwezige beschermde soorten. Voor het nieuwe bedrijventerrein in het noordelijk deelgebied is ecologisch onderzoek uitgevoerd en is ontheffing verleend door het bevoegd gezag. Deze ontheffing is opgenomen in bijlage 6. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Wel leidt het plan tot negatieve effecten op de volgende beschermde soorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, heikikker, meervleermuis, laagvlieger, platte schijfhoren, poelkikker, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Voor deze soorten is ontheffing van de Wet Natuurbescherming verleend op basis van een maatregelenplan.
Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
67
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Gemeentelijk beleid In de beleidsvisie Externe veiligheid heeft de gemeente Nieuwegein veiligheidsambities geformuleerd naast de risiconormen vanuit de rijksoverheid. In deze visie is aangegeven op welke bedrijventerreinen in Nieuwegein zich risicovolle bedrijven mogen vestigen.
Conform deze visie is de vestiging van risicovolle inrichtingen in dit bestemmingsplan toegestaan in het toekomstig bedrijvenpark en alleen mogelijk middels gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid. Uitgangspunt hierbij is dat voldaan wordt aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, de verantwoording van het groepsrisico aanvaardbaar is, en de contour van het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt. Tevens dient hierbij afgewogen te worden of de inpassing op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. In de overige gebieden is de vestiging van risicovolle inrichtingen uitgesloten. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in en nabij het plangebied diverse risicobronnen aanwezig: Noordelijk deelgebied Propaantank Wijk Nieuwegein LNG tankstation Rolande Zuidelijk deelgebied Propaantank AC restaurant Propaantank Maatschap Goes Propaantank Groenen F.Z.A.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
68
LPG‐tankstation De Kroon LPG‐ tankstation De Knoest
Propaantanks De aan te houden veiligheidsafstand voor de propaantank Wijk Nieuwegein en AC restaurant (beide 8 m3) tot buiten de inrichting gelegen (beperkt) kwetsbare objecten bedraagt 25 m, en voor gebouwen voor minderjarigen, ouderen, zieken of gebouwen met grote aantallen personen is dat 50 m. Voor de propaantanks Maatschap Goes en Groenen is dat respectievelijk 15 m en 25 m. Binnen deze afstanden worden geen nieuwe objecten mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. De propaantanks vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer en een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. LNG tankstation Rolande Direct ten zuiden van het nieuwe bedrijventerrein bevindt zich het LNG‐tankstation Rolande. De veiligheidsafstand voor het plaatsgebonden risico en de effectafstand zijn bij dit tankstation volgens het Interimbeleid LNG tankstations identiek, namelijk 50 meter. Deze contour valt voor een klein deel over het toekomstig bedrijventerrein en het bestemmingsplan maakt binnen deze contour geen bebouwing mogelijk. Het LNG tankstation vormt derhalve geen belemmering voor de uitgifte van de kavels. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 200 m. Verderop in deze paragraaf vindt u de verantwoording van het groepsrisico. LPG tankstation de Kroon en OK Op de westelijke verzorgingsplaats bevindt zich LPG‐tankstation De Kroon, aan de oostelijke tankstation De Knoest.
De doorzet zoals vastgelegd in de milieuvergunningen bedraagt voor beiden tankstations minder dan 1.000 m³ per jaar. De aan te houden veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico zijn 35 m vanaf het vulpunt, 25 m vanaf de ondergrondse tank en 15 m vanaf de afleverzuil. Aan deze afstanden wordt voldaan, nieuwe objecten worden niet mogelijk gemaakt. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 150 m. En in de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG‐tankstations staan de effectafstanden genoemd waarmee rekening gehouden moet worden. Deze zijn 60 m tot kwetsbare objecten (zoals woningen en kantoren > 1.500 m2 bvo) en 160 m tot zeer kwetsbare objecten (groepen personen met beperkte zelfredzaamheid). Binnen de genoemde afstanden bevinden zich geen objecten bij tankstation de Kroon en worden ook niet mogelijk gemaakt. Op 140 m afstand van tankstation De Knoest bevindt een beperkt kwetsbaar object, het AC restaurant. Het groepsrisico bedraagt minder dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Gezien voorgaande vormen de LPG‐tankstations geen belemmering voor het plangebied.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
69
Figuur 4.8 Uitsnede professionele risicokaart plangebied en omgeving Transport van gevaarlijke stoffen In het plangebied komen twee transport routen voor die onderdeel zijn van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen: Amsterdam‐Rijnkanaal Rijksweg A27 Amsterdam Rijnkanaal De PR10‐6 contour voor het plaatsgebonden risico reikt niet tot buiten de oevers. Het invloedsgebied reikt deels over het noordelijk deelgebied. Het betreft een zwarte vaarroute waarvoor conform Basisnet Water geldt dat het groepsrisico berekend moet worden binnen 200 meter van de vaarweg indien het aantal inwoners de 1500 per hectare bij dubbelzijdige bebouwing overschrijdt. Bij enkelzijdige bebouwing geldt 2500 inwoners per ha. Ter hoogte van het plangebied ligt de dichtheid van personen hier ruim beneden en het groepsrisico bedraagt minder dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. De vaarroute heeft ook een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 m (zie figuur 4.9). Het PAG reikt deels over het noordelijk deelgebied. Het bestemminsplan maakt geen bebouwing mogelijk in deze strook. Nabij de plofsluis liggen voorts twee kegelmeerplaatsen met veiligheidszones van 100 en 300 meter. Deze contouren vallen niet over het plangebied.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
70
Figuur 4.9. Ligging plasbrandaandachtsgebied vaarroute Amsterdam ‐ Rijnkanaal. Bron: professionele risicokaart Rijksweg A27 In het plangebied ligt ook de rijksweg A27. Binnen de aanwezige PR 10‐6 contour worden geen (kwetsbare) objecten mogelijk gemaakt. Ook heeft de weg een PAG van 30 meter. Binnen het PAG wordt geen bebouwing. Daarnaast bedraagt de afstand minder dan 200 meter tot het nieuwe bedrijventerrein waarom conform het Bevt een berekening van het groepsrisico noodzakelijk is. In de notitie in Bijlage 2 is nader ingegaan op de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico ligt zowel in de huidige als in de toekomstige situatie meer dan een factor 10 onder de oriëntatiewaarde. Dat betekent dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen In en nabij het plangebied zijn geen relevante buisleidingen aanwezig. Windpark Grenzend aan het plangebied bevindt zich een windpark. De normstelling voor windturbines volgt uit het Besluit algemene regels Wet milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). In het Activiteitenbesluit is een grenswaarde opgenomen voor het plaatsgebonden risico ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Deze grenswaarde bedraagt respectievelijk 10‐6 en 10‐5 per jaar wat voor de turbines van het Nieuwegeinse windpark overeenkomt met respectievelijk 150 en 45 meter.
Een windturbine is in het plangebied gevestigd en de veiligheidzones van alle vijf windturbines vallen over het plangebied. In de regels is de vestiging van beperkt kwetsbare objecten onmogelijk gemaakt binnen de 45 m afstand van de turbine, en de vestiging van kwetsbare objecten binnen de 150 m. Verantwoording groepsrisico Maatgevende scenario Het maatgevend scenario voor het hele plangebied is een calamiteit bij het LNG‐tankstation. Hierna wordt de omvang van het groepsrisico in beeld gebracht, en wordt beschreven hoe het groepsrisico beïnvloed kan worden door maatregelen bij het bedrijf en eventuele maatregelen in de omgeving. Ook wordt beschreven welke factoren van invloed zijn op de inperking van het aantal slachtoffers voor het geval dat zich daadwerkelijk een zwaar ongeval voordoet. Enerzijds gaat het er om dat de hulpdiensten zich voorbereiden op het bestrijden van een zwaar ongeval, anderzijds gaat het er om dat personen snel naar een veilige plek kunnen vluchten. Voor de overige risicobronnen geldt dat het groepsrisico
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
71
beneden 0,1 x de oriëntatiewaarde ligt en wordt hieronder volstaan met een beperkte verantwoording (maatgevend scenario, zelfredzaamheid en rampenbestrijding). Maatgevend scenario LNG Door de opwarming van een LNG tank(wagen) kan een BLEVE ontstaan. In het Interimbeleid wordt ervan uit gegaan dat er voldoende tijd is om bij een dreigende BLEVE tijdig te ontruimen. Door de dubbelwandige uitvoering van de LNG tankwagen en de LNG‐installaties bezwijken deze niet bij een warmtestralingsflux van 35 kW/m2. In het Interimbeleid wordt daarom als meest relevante ongevalsscenario vermeld het falen van de slang tijdens het lossen door een tankwagen, gevolgd door een wolkbrand. In de omgevingsvergunning zijn maatregelen voorgeschreven waardoor de kans op een ongeval zeer klein is. Personendichtheid en groepsrisico LNG De personendichtheid en de berekening van het groepsrisico zijn beschreven in de QRA (zie bijlage 7). Het invloedsgebied is een contour met een straal van 342 meter. Het groepsrisico blijft onder de oriëntatiewaarde (0W) en bedraagt maximaal circa 0,8 x 0W bij 260 slachtoffers. In de bestaande situatie bedraagt het groepsrisico circa 0,4 x de OW bij 60 slachtoffers. De hoogte van het groepsrisico voldoet hiermee aan de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid, namelijk dat voor nieuwe situaties het GR onder de oriëntatiewaarde dient te liggen.
Daarnaast is dat het GR is uitgerekend voor een aanwezigheid van 80 personen/ha in de dag‐ en nachtperiode voor het hele bedrijventerrein. In de praktijk wordt deze dichtheid niet gehaald op het bedrijventerreinen en blijft het GR ruim derhalve ruim onder de oriëntatiewaarde. Verlaging groepsrisico door (voorgenomen) maatregelen bij het LNG tankstation De installatie voldoet aan een hoge technische standaard. Veel maatregelen vloeien voort uit de richtlijn PGS 33‐1 die (gedeeltelijk) gekoppeld is aan de omgevingsvergunning welke voor het tankstation is afgegeven. Veel van deze maatregelen zijn van invloed op de invoerparameters van het rekenmodel en daarmee ook van invloed op de hoogte van het groepsrisico. Die richtlijn kan worden beschouwd als de 'stand der techniek" voor dit type tankstations. De maatregelen kunnen gezien worden als de best haalbare op dit moment. Naast de maatregelen die voortvloeien uit de PGS 33‐1 zijn extra maatregelen getroffen die tot stand zijn gekomen in samenspraak met de Veiligheidsregio Utrecht: Een deskundige moet (op afstand) beschikbaar zijn voor de tankende chauffeur of de hulpdiensten en moet binnen 45 minuten ter plaatse kunnen zijn. Voldoende opstelplaatsen voor de brandweer en voldoende geboorde putten ten behoeve van de bluswatervoorziening.
Het tanken van LNG mag alleen gebeuren door personen welke een veiligheidstraining hebben gekregen van de exploitant. Niet in alle gevallen beïnvloeden deze maatregelen het rekenresultaat van het groepsrisico. Dit heeft te maken met de invoermogelijkheden van het rekenmodel. Maatregelen in de omgeving Op advies van de Veiligheidsregio Utrecht dienen nieuwe bedrijven binnen een zone van 200 m van het LNG tankstation wel de volgende maatregelen te treffen: bedrijven moeten (bedrijfs)noodplannen opstellen voor de verschillende maatgevende scenario's die hen kunnen bedreigen door het LNG tankstation. Hierin dient vastgelegd te worden wat de personen die verblijven in de gebouwen moeten doen in geval één van deze maatgevende scenario's zich voordoet en hoe men zichzelf in veiligheid kan brengen. nog te ontwikkelen gebouwen dienen zoveel mogelijk de in‐ en uitgangen alsook nooduitgangen uit te laten komen aan de zijde van het LNG tankstation. Hiermee wordt voorkomen dat mensen naar de risicobron (moeten) toe vluchten. Bovengenoemde maatregelen zijn vastgelegd in de planregels van dit bestemmingsplan. De 200 m zone is aangeduid met de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone ‐ LNG‐station 2'.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
72
Voor‐ en nadelen van andere ruimtelijke ontwikkelingen met lager risico Het tankstation is bedoeld voor de duurzame vrachtwagens op LNG van de bedrijven op het Klooster. Het meest nabije aaneengesloten woongebied bevindt zich in Houten op meer dan 1 km. Gezien voorgaande is een alternatieve ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Maatregelen m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval Op de rampenbestrijding van het hele plangebied is het Regionaal Crisisplan Utrecht 2018‐2020 van de Veiligheidsregio van toepassing. Hierin staat hoe de crisisorganisatie bijeen incident of crisis functioneert, en zijn de crisisorganisatie, alsmede de verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden van de betrokken partijen beschreven. Voor het LNG‐tankstation is geen apart rampenbestrijdingsplan opgesteld. De gevolgen van de nieuwe brandstof LNG voor de crisisorganisatie als beschreven zijn onderzocht. De conclusie is dat de grootste scenario's niet door hulpdiensten bestreden kunnen worden. Het betreft het ernstig falen van de opslagtank of een lossende tankwagen BLEVE, gaswolkexplosies, plasbrand of fakkelbrand. De kans dat dergelijke scenario's optreden is dermate klein dat eventuele investeringen in extra bestrijdingsmaatregelen niet in verhouding staan tot die kleine kans.
Met het uitsluiten van de niet bestrijdbare scenario's zijn er drie scenario's waarop de Veiligheidsregio zich zal prepareren: een ernstige calamiteit met ontsnapping van LNG met een kans op een vertraagde gaswolkontsteking; een ernstige calamiteit met ontsnapping van LNG met een fakkelbrand; een (voertuig)brand waarbij een LNG brandstoftank wordt opgewarmd met een dreigende BLEVE. De locatie is voor brandweervoertuigen bereikbaar vanaf het zuiden via de Waterliniedok en vanaf het noordwesten via het pad langs de wetering parallel aan de locatie. Het tankstation is hierdoor bij alle windrichtingen goed bereikbaar. Bij aankomst is de brandweer niet in staat om direct de bron te bestrijden. Dit heeft o.a. te maken met de specifieke eigenschappen van LNG. De brandweer kan zich alleen richten op het snel afschermen van de omgeving van de effecten bij incidenten met LNG door het realiseren van grote waterschermen. Hiervoor is veel bluswatercapaciteit nodig. Een snelle afscherming met een waterscherm is essentieel; over de noodzakelijke bluswatercapaciteit moet de brandweer dan ook direct kunnen beschikken. Rondom het LNG tankstation zijn in voldoende mate primaire bluswatervoorzieningen aanwezig waarop het eerste blusvoertuig kan aansluiten.
Omdat het niet mogelijk is om meerdere blusvoertuigen, nodig voor het realiseren van waterschermen, tegelijk aan te laten sluiten op een primaire bluswatervoorziening, zijn aanvullende secundaire en tertiaire voorzieningennodig. In het landelijk Brandweer overleg wordt momenteel bepaald welke bluswatervoorzieningen minimaal aanwezig dienen te zijn nabij een LNG‐tankstation. De Veiligheidsregio heeft ons meegedeeld dat tot de uitkomsten bekend zijn voor de secundaire en tertiaire bluswatervoorziening gebruikgemaakt kan worden van het aanwezig bluswaterriool aan de Waterliniedok(zuidzijde) en aan de noordzijde van het aanwezige open water. Indien de uitkomst van het landelijk Brandweer overleg is dat aanvullende bluswatervoorzieningen geboorde putten noodzakelijk zijn (zoals een geboorde put) dan zal de exploitant deze alsnog realiseren (PM: check veiligheidsregio: is voorgaande nog actueel). Maatgevend scenario LPG‐tankstations Het maatgevend scenario bij een LPG‐tankstation is normaliter een BLEVE van de tankauto. Omdat de tankauto's met een hittewerende bekleding zijn uitgerust is dit niet meer het geval. In deze situatie zijn de risico's als gevolg van de LPG‐tankbepalend voor de hoogte van het groepsrisico. Het maatgevende scenario hierbij is een gaswolkexplosie.
Bij zeer stabiel weer en belemmerende uitstroming bestaat de grootste kans op vorming van een vrije gaswolk die bij ontsteking een effectafstand van maximaal 240 meter heeft. De grootste effectafstand treedt echter op bij hoge windsnelheid, tot maximaal 300 meter. Ter vergelijking, de effectafstand van een BLEVE van de tankwagen is circa 320 meter.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
73
Rampenbestrijding LPG‐tankstations Voor het plangebied is geen apart rampenbestrijdingsplan. Wel is er een model rampbestrijdingsplan LPG veiligheidsregio Utrecht i.o. De brandweer zal trachten de uitstroomopening te dichten, ontstekingsbronnen te verwijderen uit de directe omgeving en de gaswolk te verdunnen door deze te vernevelen en te sturen. Bij tankstation de Knoest is als bluswatervoorziening is een brandput aanwezig op het terrein welke is aangesloten op een bluswaterriool. Bij tankstation De Kroon is een geboorde blusput aanwezig (en een ondergrondse brandkraan achter het AC restaurant). Er zijn voldoende opstelmogelijkheden voor de bluswagens bij beide tankstations. Het is de taak van de politie om het gebied af te zetten bij een vertraagde gaswolkontsteking. Direct na aankomst zal de beslissing genomen worden of de omgeving geëvacueerd moet worden. De procedure en organisatie hiervoor is onderdeel van het crisisbeheersingsplan. Maatgevend scenario rijksweg A27 Het maatgevend scenario bij de rijksweg is een zgn. koude BLEVE als gevolg van een ongeluk met een LPG‐tankauto. Door een mechanische beschadiging stroomt al het gas in zeer korte tijd uit de tankauto en vormt een gaswolk. In geval van een directe ontsteking resulteert dit in een grote vuurbal. Tot op 270 m kunnen er dodelijke slachtoffers vallen.
Rampenbestrijding rijksweg A27 In geval van een (dreigende) BLEVE bij een ongeval met een LPG tankwagen op de rijksweg wordt het gebied afgezet tot op 500 meter. Specifieke knelpunten in het plangebied met betrekking tot de rampenbestrijding zijn niet bekend. Ook hier wijken de taken voor de hulpdiensten brandweer, politie en GHOR in principe niet af van de reguliere taken tijdens incidentbestrijding zoals vastgelegd in het gemeentelijke crisisbeheersingsplan. De coördinatie van de medische hulpverlening ligt in handen van de regionaal geneeskundige functionaris van de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie bij Ongevallen en Rampen (GHOR) regio Utrecht. De Centraal Post Ambulancevervoer (CPA ) is belast met de zorg voor inzet van voldoende ambulances, het zenden van deze ambulances naar het rampterrein en de coördinatie van het transport van gewonden naar de ziekenhuizen. Onder ideale omstandigheden kunnen er binnen één uur 100 ambulances aanwezig zijn. Maatgevend scenario's Amsterdam Rijnkanaal De maatgevende scenario's voor het risico langs vaarwegen zijn mogelijke ongevallen met brandbare vloeistoffen (zoals benzine; gevolg plasbrand), brandbare gassen (zoals LPG; gevolg koude BLEVE) of het vrijkomen van een toxisch gas (zoals ammoniak).
Rampenbestrijding Amsterdam‐Rijnkanaal Voor het Amsterdam Rijnkanaal is er een apart rampbestrijdingsplan Amsterdam‐Rijnkanaal en Lekkanaal Nieuwegein (2005). Mogelijk dat dit op korte termijn vervangen wordt door het Incidentenbestrijdingsplan (IBP) Vaarwegen. Ten behoeve van de rampenbestrijding is een strook van 25 m langs het kanaal vrij gehouden in dit bestemmingsplan. Dit zorgt ervoor dat in geval van een calamiteit de hulpdiensten in de nabijheid van het ongeval kunnen komen. Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen bij een dreigend zwaar ongeval Onder zelfredzaamheid wordt de mogelijkheid verstaan om zichzelf in geval van een incident tijdig in veiligheid te kunnen brengen. Dat wil zeggen dat omwonenden en ook medewerkers zonder hulp van hulpdiensten op een plaats weten te komen waar zij de schadelijke effecten niet ondervinden. Hierover merken wij voor alle risicobronnen in het plangebied het volgende op: aard en aantal van de ontsluitingswegen in het plangebied is voldoende te noemen; de afstand om buiten het invloedsgebied te vluchten is relatief kort; in de omgeving van het tankstation komen geen objecten met verminderde zelfredzaamheid voor. Daarnaast wordt de zelfredzaamheid bevorderd in het plangebied door omwonenden en bedrijven rondom het LNG tankstation te informeren over de maatgevende incidenten die zich voor kunnen doen
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
74
alsmede welke handelingsperspectieven er zijn om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. Conform de Wet veiligheidsregio's is het bestuur van de veiligheidsregio verantwoordelijk voor risicocommunicatie. Conclusie groepsrisico Bij het LNG‐tankstation zijn scenario's denkbaar waarbij de brandweer niet adequaat kan optreden. Desondanks achten wij de vestiging van een nieuw bedrijventerrein nabij het LNG‐tankstation op het Klooster aanvaardbaar. Hierbij hebben wij de volgende overwegingen: voldaan wordt aan de veiligheidsafstanden uit het Interimbeleid; de hoogte van het groepsrisico blijft ruim onder de oriëntatiewaarde en voldoet aan de uitgangspunten van de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid; de genomen maatregelen door de exploitant van het tankstation waaronder de veiligheidsmaatregelen uit de richtlijn PGS 33‐1; de afwezigheid van objecten met verminderde zelfredzaamheid of met een woonfunctie in het effectgebied van het tankstation; het positieve advies van de Veiligheidsregio voor wat betreft de locatie op een bedrijventerrein; het belang van de aanwezigheid van een LNG‐tankstation voor de bedrijven op het bedrijventerrein het Klooster. Voor de overige risicobronnen geldt dat de hoogte van het groepsrisico geen belemmering is, en dat de mogelijkheden tot rampenbestrijding en zelfredzaamheid voldoende zijn.
De conclusie is derhalve dat externe veiligheid geen belemmering is voor het bestemmingsplan.
5.10
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
75
ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Gemeentelijk beleid De gemeente Nieuwegein heeft in het Luchtkwaliteitsplan beleid opgesteld om de luchtkwaliteit te verbeteren. Zo wil de gemeente de doorstroming op de wegen in haar grondgebied verbeteren, de verkeersintensiteit beperken, het gebruik van schone voertuigen stimuleren en voldoende afstand creëren tussen wegen en gevoelige bestemmingen. Onderzoek Ter plaatse van het zuidelijk deelgebied worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een toename van verkeer. Ter plaatse van het noordelijk deelgebied (Bedrijvenpark Het Klooster fase 4) neemt verkeer wel toe door de realisatie van bedrijvigheid. Het betreft met name bedrijvigheid in de logistieke sector waarvoor verkeer de belangrijkste bijdrage levert aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. De verkeersgeneratie van de beoogde bedrijvigheid ter plaatse van het noordelijk deelgebied bedraagt 1.740 mvt/etmaal licht verkeer en 340 mvt/etmaal zwaar verkeer. (zie paragraaf 5.5). Uit de NIBM‐tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 3,54 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,56 µg/m³ (zie figuur 4.10).
Hierdoor draagt de beoogde invulling van het bedrijventerrein mogelijk in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen.
Figuur 4.10 Uitsnede NIBM‐tool Met behulp van de NSL‐monitoringstool 2018 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort kan de luchtkwaliteit in de huidige situatie inzichtelijk worden gemaakt. De maatgevende wegen betreffen de A27, Waterliniedok en Lekdijk Oost. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Ter plaatse van het noordelijk deelgebied is de A27 de maatgevende weg. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2017 31,7 µg/m³ voor NO2, 19,9 µg/m³ voor PM10 en 7,5 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24‐uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 8 dagen. Zie figuur 4.11 voor het maatgevende punt. Wanneer de concentraties uit de NIBM‐tool worden opgeteld bij de genoemde concentraties wordt alsnog aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer voldaan.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
76
Figuur 4.11 Maatgevend toetspunt (rode markering) langs de A27. Bron: NSL‐Monitoringstool Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.
5.11
Waterhuishouding
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt zowel binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden als Rijkswaterstaat Midden‐Nederland. Beide instanties zijn verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerders over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerders zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
77
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Interim Omgevingsverordening Waterschapsbeleid Waterkoers 2016‐2021 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en langetermijnvisie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021. De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet‐planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond‐ en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van ruimtelijke adaptatie: De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.
Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond‐ en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid‐Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor.
De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst. Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
78
Visie Klimaatadaptie De gemeente Nieuwegein heeft in de 'Visie Klimaatadaptie' (d.d. 7 september 2018) de gemeentelijke visie ten aanzien van klimaatadaptie vastgelegd. De gemeente heeft als doel uiterlijk in 2050 volledig klimaatbestendig ingericht te zijn. In deze visie staan de doelen van de gemeente op thema's hittestress, wateroverlast, droogte en waterveiligheid. Met de inrichting van de ruimte moet rekening gehouden worden met bovenstaande thema's. Waterplan Nieuwegein Het Waterplan van Nieuwegein is in samenwerking met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en waterleidingbedrijf Vitens opgesteld en bestaat uit twee delen. In 2004 is de Watervisie Nieuwegein vastgesteld, de beleidsvisie op het waterbeheer van de gemeente. Vervolgens is het ingezette beleid van de Watervisie uitgewerkt naar concrete maatregelen op het gebied van de waterkwaliteit en het waterbeheer. In 2011 is de eerste uitvoeringsnota Waterplan 2006‐2010 geëvalueerd. Op basis hiervan heeft het college van besloten om jaarlijks een jaarplan Water op te stellen. Door ieder jaar een nieuwe uitvoeringsnota op te stellen in plaats van voor meerdere jaren kan beter ingespeeld worden op nieuwe ontwikkelingen of nieuw beleid. De watervisie is nog steeds actueel en de Structuurvisie Nieuwegein 2030 voegt hier waardevolle nieuwe elementen aan toe.
Samen met de watervisie uit 2004 vormt het jaarplan Water 2018 het Waterplan van Nieuwegein. Met het waterbeleid en de maatregelen streeft de gemeente naar een watersysteem met voldoende capaciteit en een grote belevingswaarde. Dit betekent dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater goed is en dat er geen overlast meer ondervonden wordt. Daarnaast wil de gemeente ook de aandacht voor het thema water onder haar inwoners vergroten. Huidige situatie Algemeen Het plangebied bestaat uit een noordelijk en zuidelijk deel. Het noordelijk deelgebied omvat een aannemersbedrijf met bedrijfswoning en onbebouwd agrarisch gebied. Aan de zuidkant van deze gronden ligt een onverharde weg. Het zuidelijk deelgebied bestaat uit een deel van de A27 en verzorgingsplaatsen 'de Kroon' en 'de Knoest' met bijbehorende voorzieningen. Aan de westzijde van de A27 staan vijf windmolens, waarvan één binnen het plangebied. Aan de oostzijde van de autosnelweg ligt het streektransferium Linieland. Verder bestaat het zuidelijk deel uit agrarische en woonpercelen. Bodem en grondwater De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat met name uit klei op veen, klei met zware tussenlaag of ondergrond en lichte klei met homogeen profiel. In figuur 4.12 zijn de watertrappen weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
79
Figuur 4.12
Watertrappen in en nabij plangebied (rode markering).
Conform de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht ligt het zuidelijk deelgebied in een boringsvrije zone ter bescherming van het grondwater. Binnen deze zone zijn regels opgesteld voor boringen, bodemenergie en mijnbouwactiviteiten. De dieptegrens ligt op 40m‐mv.
Figuur 4.13 ligging boringsvrije zone Bron: Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
80
Waterkwantiteit In zowel het noordelijk als zuidelijk deelgebied zijn diverse watergangen aanwezig (figuur 4.14 en 4.15). In het noordelijk deelgebied betreft het met name tertiaire watergangen met een beschermingszone van 2 meter. Langs de zuidgrens is een primaire watergang aanwezig met een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden. Ook in het zuidelijk deelgebied zijn diverse tertiaire watergangen aanwezig. Tevens is langs de A27 primair oppervlaktewater aanwezig.
Figuur 4.14 Watergangen noordelijk deelgebied. Bron: Legger Stichtse Rijnlanden
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
81
Figuur 4.15 Watergangen zuidelijk deelgebied. Bron: Legger Stichtse Rijnlanden Veiligheid en waterkeringen Ten westen van het noordelijk deelgebied is een overige waterkering aanwezig met bijbehorende beschermingszone (figuur 4.16). Binnen deze zone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. De waterstaatkundig beheerzone van Rijkswaterstaat Midden‐Nederland ter hoogte van het Amsterdam‐Rijnkanaal loopt tot door ten zuiden van de Vuilcopsekanaaldijk. Dit overlapt deels met de bestemming 'Bedrijf' in de noordwesthoek van het plangebied. In dat gebied geldt derhalve een watervergunningsplicht. Hoewel het bouwvlak van de bedrijfsbestemming buiten het waterstaatkundig beheergebied ligt (dit bouwvlak respecteert de Nieuwe Hollandse Waterlinie), is deze watervergunningsplicht in bepaalde situatie mogelijk relevant, bijvoorbeeld voor werkzaamheden zoals het aanbrengen van verharding.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
82
Figuur 4.16 Overige waterkering noordelijk deel plangebied Ook in het zuidelijk deelgebied is een overige waterkering aanwezig met beschermingszone (figuur 4.17). In het uiterste zuiden van het plangebied ligt de waterstaatswerkzone en beschermingzone van de Lekdijk. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
83
Figuur 4.17 Waterkeringen zuidelijk deel plangebied Toekomstige situatie Algemeen In het zuidelijk deelgebied worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nadelige effecten op de waterhuishouding of de waterkering zijn dan ook uitgesloten. Het noordelijk deelgebied voorziet in de verdere ontwikkeling van het bedrijvenpark Het Klooster. Waterkwantiteit Bij een toename in verhard oppervlak met meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en 1.000 m2 in landelijk gebied dient de toename gecompenseerd te worden. De compensatie‐eis van het hoogheemraadschap is 15% van de toename in verharding. Het dempen van een watergang dient 1 op 1 gecompenseerd te worden. Voor Rijkswaterstaat Midden‐Nederland is het uitgangspunt dat hemelwater in beginsel wordt opgevangen in het plangebied alvorens te lozen op het Amsterdam‐Rijnkanaal. Het plan voorziet in een uitbreiding van het bedrijvenpark Het Klooster. Dit leidt tot een toename van verharding. Ten behoeve van de ontwikkeling is daarom watercompensatie noodzakelijk en wordt het watersysteem aangepast. Voor de ontwikkeling is reeds een watervergunning verleend d.d. 23 december 2015). De belangrijkste maatregelen die genomen worden betreffen: aanleg van tenminste 8.022 m2 water waarvan circa 2.120 m2 ingepast dient te worden ten oosten van het bedrijventerrein; aanleg van circa 5.900 m2 aan oppervlaktewater rondom het bedrijventerrein.
aanleg van een aantal duikers (800 mm). Deze maatregelen zijn tevens geborgd in de planregels door middel van een voorwaardelijke verplichting. De te graven watergangen in het noorden en noordoosten van het plangebied zijn bestemd voor 'Water'.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
84
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐ uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in‐) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het noordelijk deelgebied wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Het afvalwater dat afkomstig is van drinkwater wordt gescheiden gehouden van ander afvalwater, zoals afvloeiend hemelwataer en overtollig grondwater. Alle bruikbare componenten (mineralen, energie, schoon water) in het afvalwater worden gebruikt. Wat niet kan worden hergebruikt, wordt (lokaal) terug in het milieu gebracht, na eventueel lokaal behandeld te zijn. Reststromen die dan nog overblijven, zuiveren we waarna ze in het milieu worden gebracht. Niet al het hemelwater wordt via buizen afgevoerd.
De tritsen 'vasthouden‐bergen‐zuiveren' en 'schoonhouden‐scheiden‐zuiveren' zijn leidend. Schoon hemelwater moet zo veel mogelijk infiltreren. Als dat niet kan, wordt het bovengronds aangeboden en zoveel mogelijk vertraagd, via het oppervlak afgevoerd naar plaatsen waar het geen schade veroorzaakt. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige woningbouw is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Bij concrete vestiging van bedrijven in de beschermingszone van de overige waterkering in het noordelijk deelgebied is mogelijk een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Dit geldt ook voor activiteiten binnen de beschermingszone van watergangen die zijn opgenomen in de legger van het waterschap. Ook voor eventuele aanpassingen in afwkijking van de verleende watervergunning dient een nieuwe watervergunning te worden gevraagd. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor de waterstaatswerkzone van de Lekdijk is de dubbelbestemming 'Waterstaat ‐ Waterkering' opgenomen en voor de beschermingszone de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone ‐ dijk'. Voor de Schalwijker Wetering is uitsluitend de waterstaatswerkzone bestemd. Om de waterstaatsdoeleinden in de vorm van de waterhuishouding, het verkeer te water en de afvoer van hoog oppervlaktewater, sediment en ijs in stand te houden is de dubbelbestemming 'Waterstaat ‐ Waterstaatkundige functie' opgenomen, zie
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
85
paragraaf 4.2. Ter bescherming van de Prinses Beatrixsluis (inclusief oevers) is de dubbelbestemming 'verblijfsrecreatie' opgenomen. Op deze gronden zijn alle voorzieningen mogelijk die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de waterstaatkundige functie. Boringsvrije zone Het plangebied ligt gedeeltelijk in de boringsvrije zone Tull en 't Waal. De boringsvrije zone is een zone rondom de grondwaterwinning TulI en 't Waal. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Nieuwegein. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse kleilaag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat een kleilaag die de onderliggende waterwinning beschermt, wordt doorboord en ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening stelt de provincie Utrecht in haar Provinciale Milieu Verordening 2013 (PMV) in art. 19 t/m 22 dat een aantal activiteiten aan voorschriften is gebonden. Het betreft onder andere een verbod op boor‐, grond‐, en funderingswerkzaamheden dieper dan 40 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Daarnaast geldt voor iedereen de bijzondere zorgplicht (art. 4 van de PMV 2013).
Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. De boringsvrije zone is opgenomen op de verbeelding met de gebiedsaanduiding 'Milieuzone ‐ boringsvrije zone'. Conclusie Bij concrete vestiging van bedrijven in het noordelijk deelgebied dient rekening te worden gehouden met de aanwezige watergangen en waterkering en toename van verharding. De ontwikkeling heeft verder geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
5.12
Geluid
Toetsingskader De Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe en bestaande geluidsgevoelige functies worden getoetst aan de geluidsnormen. Onderzoek Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. Gezien de ligging van de bestaande woningen in de omgeving van het plangebied zal de ontsluitingsstructuur die wordt gerealiseerd in verband met de ontwikkeling van fase 4 geen relevante geluidbelasting met zich meebrengen. In paragraaf 5.6 is ingegaan op de wijze waarop binnen de milieuzonering rekening is gehouden met de bestaande woningen in de omgeving. Op basis van het 'Uitvoeringsnota Geluidbeleid Het Klooster' (22 oktober 2021, zie bijlage 12) is een geluidverdeling gemaakt voor het Klooster fase 4. Dit om de gevoelige bestemmingen Groenendael 5 en Heemsteedseweg 40 en 30 te beschermen. Deze verdeling is weergegeven op een verkavelingskaart (zie figuur 4.18). De verkavelingskaart is binnen het planmatig zonebeheer het instrument dat bepaalt waar op het bedrijvenpark welke geluidsgebruiksruimte beschikbaar is. En wel zodanig dat het totaal aan toegekende geluidsgebruiksruimte de geluidsgrenswaarden respecteert.
Op de verkavelingskaart staat per kavel en hoeveel geluidsruimte beschikbaar is voor daar gevestigde, dan wel zich vestigende bedrijven. Dit wordt uitgedrukt in een getal, te weten de geluidsruimte zoals die is toebedeeld aan de kavel.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
86
De verkavelingskaart is tot stand gekomen op basis van drie uitgangspunten: 1. De verkaveling en kavelgrootte zoals in de bestemmingsplannen is vastgelegd. 2. Theoretisch voor de milieucategorie bedrijvigheid benodigde geluidsgebruiksruimte op de vrije kavels (het bestemmingsplan staat bijna bedrijvigheid toe tot SBI‐categorie 4.2.). Uitzondering hierop zijn de vier kavels langs de invalsweg en de vier kavels tussen deelgebied 2 en 3, deze zijn beperkt tot categorie 3.2. De vier kavels aan de noordzijde (deelgebied 4) zijn beperkt tot categorie 4.1. 3. Een balans tussen enerzijds het waarborgen van de vastgelegde geluidsgrenswaarden en anderzijds zo min mogelijk onderzoekslast voor bedrijven, alsmede zo min mogelijk administratieve lasten voor gemeente. De gemeente heeft de keuze gemaakt om een specifiek deel van de beschikbare geluidsgebruiksruimte als algemene reserve te benoemen en daarmee de geluidsruimte die gekoppeld is aan de kavels, eenmalig te beperken. Het resterende deel van de geluidsgebruiksruimte is en blijft gekoppeld aan de kavels. De gemeente heeft ervoor gekozen bij de toetsingspunten circa 50% van de geluidsruimte te reserveren. De andere 50% is beschikbaar als algemene reserve. Dit betekent voor alle kavels een geluidsreservering van 63 dB(A)/m2. Echter, voor de kavels in het plangebied is een uitzondering gemaakt.
Voor deze kavels is in het bestemmingsplan de volgende maximale geluidsemissie vastgelegd: A1 en B1: 55 dB(A)/m2 A2 en B2: 58 dB(A)/m2
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
87
Figuur 4.18: Verkavelingskaart maximale emissiesterkte toekomstige bedrijven (bron: DGMR) Conclusie Het bestemmingsplan geeft geen relevante nadelige gevolgen voor de akoestische situatie ter plaatse van bestaande woningen.
5.13
Planologisch relevante leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
88
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
89
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische opzet
Wettelijk kader
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
6.2
Opzet van de bestemmingsregeling
Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Voorts zijn de volgende eisen van toepassing: de ondergrond waarop de verbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie; op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan; op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen; de volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde zoals van de regels (alfabetisch). De bestemming wordt door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'BT' voor 'Bedrijventerrein'. Verder geldt het volgende: gebouwen mogen (uitsluitend) binnen het op de verbeelding aangeduide 'bouwvlak' worden opgericht; maatvoeringsaanduidingen zoals de minimum en maximum bouwhoogte worden aangegeven door middel van een matrix bij het bouwvlak; ten slotte kunnen er op de verbeelding aanduidingen, zoals een plangrens of een gebied met gebiedsaanduiding worden aangegeven.
De gehanteerde bestemmingen De keuze voor de gehanteerde bestemmingen is gebaseerd op het volgende. De bestaande agrarische percelen hebben de bestemming Agrarisch. Het bestaande bedrijf in het noorden van het plangebied heeft de bestemming Bedrijf. Ook het gemaal in het noorden en de tankstations op de verzorgingsplaatsen hebben deze bestemming, deze zijn voorzien van een functieaanduiding. De windturbine op de verzorgingsplaats heeft de bestemming Bedrijf ‐ Windturbine. Het toekomstige
Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04
90
bedrijvenpark fase 4 heeft de bestemming Bedrijventerrein. Om de toekomstige bedrijven ruimte voor de inrichting te geven, is gekozen voor ruime bouwvlakken. In het noordelijk deel van het plangebied zijn enkele delen bestemd met Groen. Dit gaat om een langzaamverkeersroute die van oost naar west door het plangebied loopt en een groenstrook aan de oost‐ en westzijde waarmee de structuur van de Nieuwe Hollandse Waterlinie beschermd wordt. Het wegrestaurant op de verzorgingsplaats is bestemd als Horeca. Het streektransferium heeft de bestemming Recreatie ‐ Streektransferium. De tuinen van woningen die niet in het achtererfgebied vallen, hebben de bestemming Tuin. De bestaande gebiedsontsluitingswegen, de autosnelweg, verzorgingsplaatsen en de te realiseren weg in het noorden van het plangebied zijn bestemd met Verkeer. De parkeerplaats en carpoolplaats hebben de bestemming Verkeer ‐ Verblijfsgebied. De watergangen aan de oostzijde van het plangebied en het Amsterdam‐Rijnkanaal hebben de bestemming Water. Voor de bescherming en het beheer van het Amsterdam‐Rijnkanaal is de kade hiervan bestemd als Waterstaatkundige voorzieningen. In het plangebied bevinden zich enkele burgerwoningen, deze hebben de bestemming Wonen. Voor de bescherming van de archeologische waarden in het plangebied zijn op basis van de archeologische advieskaart diverse dubbelbestemmingen opgenomen.
Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden in het plangebied zijn de dubbelbestemmingen Waarde ‐ Cultuurhistorie 1 en Waarde ‐ Cultuurhistorie 2 opgenomen. Ter bescherming en instandhouding van waterkeringen en waterstaatkundige werken zijn de dubbelbestemmingen Waterstaat ‐ Waterkering en Waterstaat ‐ Waterstaatkundige functie opgenomen. Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde: In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald; In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven; De Algemene regels bevatten een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti‐dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing); De Overgangs‐ en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming.