CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-464 Bijlage 3 Servicedocument.pdf

Raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Voorstel over Wijzigingsverordening Omgevingswet27.924 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De Adviseur A&Ok vormt samen met collega’s op het gebied van Stedenbouw, Archeologie, Cultuurhistorie en Landschapsarchitectuur de Vakgroep Omgevingswaliteit. De vakgroep zorgt voor een afgestemd, gebundeld advies over alle aspecten die vallen onder de noemer “Omgevingskwaliteit”.

j.

De Adviseur A&Ok bepaalt welke bouwplannen die hij voorgelegd krijgt (beoordelingsniveau B en C) tevens behandeld moeten worden door de Vakgroep Omgevingskwaliteit. Die worden veelal aangeleverd door de Casemanager Omgevingswet maar kunnen ook worden aangedragen door een projectleider of een accounthouder bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen. Als een plan in aanmerking komt voor de Vakgroep, dan zal de Adviseur A&Ok eerst zorgen voor een gebundeld en afgestemd advies vanuit de Vakgroep Omgevingskwaliteit, alvorens hij het plan voorlegt aan de AOk.

k. De Adviseur A&Ok stelt de agenda op van de voorbespreking met de AOk. Indieners van aanvragen voor bouwplannen die tijdig te kennen hebben gegeven bij de voorbespreking aanwezig te willen zijn, worden hiervoor uitgenodigd. De Adviseur A&Ok kan in overleg met de Casemanager Omgevingswet ook besluiten om aanvragers op eigen initiatief uit te nodigen als daartoe aanleiding bestaat. l.

De Adviseur A&Ok woont altijd de vergaderingen van de COk bij. Als de Adviseur A&Ok verhinderd is, zorgt hij voor een waardige vervanger.

m. De Adviseur A&Ok zorgt voor de voorbereiding van de verslaglegging als bedoeld in artikel 9.13. Artikel 9.13 Verslaglegging door B&W Het college van Burgemeester en Wethouders legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de welstandsbeoordeling. Daarin komen de volgende aspecten gebundeld aan de orde. a.

Het verslag dat de CRK van de door haar verrichte werkzaamheden (art. 9.11).

b.

Het verslag van hoe het college is omgegaan met haar mandaat voor de benoeming en het ontslag van de voorzitter en deskundige leden van de CRK en hun plaatsvervangers (artikel 9.4, lid 1)

c.

Het verslag over de wijze waarop het college is omgegaan met de adviezen van de CRK en in welke gevallen zij is overgegaan tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op basis van de richtlijnen uit de Nota RK (art. 12c Woningwet).

d.

Een actualisatie van (het kaartmateriaal behorende bij) de Nota RK indien er in het betreffende jaar projectgebonden besluiten (omgevingsvergunningen of beeldkwaliteitsplannen) zijn genomen die beleidsmatige gevolgen hebben voor de Nota RK.

Artikel 9.13 Verslaglegging door B&W Het college van Burgemeester en Wethouders legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de welstandsbeoordeling. Daarin komen de volgende aspecten gebundeld aan de orde. a. Het verslag dat de COk van de door haar verrichte werkzaamheden (art. 9.11). b. Het verslag van hoe het college is omgegaan met haar mandaat voor de benoeming en het ontslag van de voorzitter en deskundige leden van de COk en hun plaatsvervangers (artikel 9.4, lid 1) c.

Het verslag over de wijze waarop het college is omgegaan met de adviezen van de COk en in welke gevallen zij is overgegaan tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op basis van de richtlijnen uit de Nota RK (artikel 4.19 Omgevingswet jo. 4.114 Invoeringswet Omgevingswet.

d. Een actualisatie van (het kaartmateriaal behorende bij) de Nota RK indien er in het betreffende jaar projectgebonden besluiten (omgevingsvergunningen of beeldkwaliteitsplannen) zijn genomen die beleidsmatige gevolgen hebben voor de Nota RK. Artikel 10.4 Overdragen mededeling Binnen de in artikel 42, tiende lid, van de Woningwet bedoelde termijn van dertien weken geldt de mededeling op een melding als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder b, van de Woningwet zowel voor degene die de melding heeft gedaan, als voor zijn rechtverkrijgenden. Artikel 10.4 Overdragen mededeling Binnen de in artikel 5.37 tweede lid van de Omgevingswet bedoelde termijn van vier weken geldt de mededeling op een melding als bedoeld in artikel 5.37 tweede lid van de Omgevingswet zowel voor degene die de melding heeft gedaan, als voor zijn rechtverkrijgenden.

De Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020 wordt als volgt gewijzigd: Intitulé Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Nieuwegein houdende regels omtrent het erfgoed (Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020) De raad van de gemeente Nieuwegein; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 juli 2020; gelet op de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; gelet op artikel 2.1 lid 3 sub f jo. 5.1 lid 1 sub b jo. 5.2 lid 2 Omgevingswet jo. artikel 5.130 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving jo. artikel 9.1 Erfgoedwet gezien het advies van de gemeentelijke monumentencommissie; besluit vast te stellen de volgende verordening: Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: a.

gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

b.

archeologisch monument: een Archeologisch Waardevol Gebied (AWG) zoals is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart;

c.

archeologisch verwachtingsgebied: een Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) zoals weergegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;

d.

waardevolle gemeentelijke cultuurgoederen en waardevolle gemeentelijke verzamelingen: roerende zaken die deel uitmaken van cultureel erfgoed en aangewezen zijn op grond van deze erfgoedverordening;

e.

stads - en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken en/of landschapselementen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.

f.

minister : Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;g. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 sub f jo. artikel 2.4 van de Omgevingswet jo. 5.130 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving;

g.

monumentencommissie : de overeenkomstig art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college en de raad op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet 2016, de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, deze verordening en het erfgoedbeleid; Monumentencommissie : de overeenkomstig art. 16.15 jo. 17.9 Omgevingswet ingestelde commissie met als taak het college en de raad op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van Omgevingswet, deze verordening en het erfgoedbeleid;

h. erfgoedplan : beleidskaart van het gemeentelijke grondgebied met daarop ten minste aangegeven het landschappelijk en gebouwde erfgoed;

i.

cultuurhistorische waardenkaarten: topografische kaarten van het gemeentelijke grondgebied waarop zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, cultuurhistorische waardevolle objecten, beschermde dorpsgezichten, cultuurhistorisch waardevolle stedenbouwkundige, landschappelijke en groenstructuren, cultuurhistorische wegen en waterlopen met de daarbij behorende gegevensbestanden;

j.

gemeentelijke archeologische beleidskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, met daarop de archeologische monumenten en gebieden met archeologische verwachting en het daarbij horende beleid;

k.

gemeentelijke archeologische waardenkaarten: topografische kaarten van het gemeentelijke grondgebied, met daarop de archeologische monumenten en gebieden met archeologische verwachting met de daarbij behorende gegevensbestanden;

Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed en overige conform het gemeentelijk erfgoedbeleid relevante waarden (gemeentelijk erfgoedregister). 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat in ieder geval: a.

gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder gemeentelijke monumenten, beschermde dorpsgezichten, waardevolle cultuurgoederen en waardevolle verzamelingen;

b.

gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet als bedoeld in artikel 10.36 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, alsmede gegevens over rijksbeschermde dorpsgezichten.

Artikel 3. Aanwijzing als waardevolle gemeentelijke cultuurgoederen of waardevolle gemeentelijke verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve en op verzoek van een belanghebbende roerende goederen als waardevol cultuurgoed of waardevolle verzameling aanwijzen, wanneer dit goed of deze goederen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of schoonheid zijn en als onvervangbaar en onmisbaar worden beschouwd binnen de gemeente Nieuwegein. Tot dit cultuurgoed kan ook mobiel erfgoed, zoals varend-, rail-, rijdend- en vliegend erfgoed gerekend worden. 2. De aanwijzing van een cultuurgoed of een verzameling is mogelijk wanneer de gemeente eigenaar is, wanneer het cultuurgoed of de verzameling aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd of wanneer de eigenaar toestemming geeft. 3. Burgemeester en wethouders vragen advies aan een commissie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening in de volgende gevallen: a.

Het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid;

b.

Het voornemen tot vervreemding van een waardevol gemeentelijk cultuurgoed of een waardevolle gemeentelijke verzameling in eigendom van de gemeente;

c.

Het voornemen tot het afstand doen van een cultuurgoed of verzameling waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd.

4. Dit artikel is niet van toepassing op:

a.

beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en

b.

cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. de Provinciale omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 sub f jo. 2.6 Omgevingswet.

Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als waardevol gemeentelijke cultuurgoed of waardevolle gemeentelijke verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a.

beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of

b.

beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. de Provinciale omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 sub f jo. 2.6 Omgevingswet

3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 13. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn artikelen 14, 15, 16, 17 en 18 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is teniet gegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. in artikel 3.17, vierde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 19. Advies omgevingsvergunning rijksmonument 1.

Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als bedoeld in artikel 5.1 eerste lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet jo. artikel 5.130 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8 en 17, eerste lid. Artikel 8 en 17, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Het bevoegd gezag kan voorschrijven dat de aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch onderzoek.

Artikel 20 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 28 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7.

Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 8. Voor zover in een gebied dat is aangewezen als een beschermend stads- of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan als bedoeld in dit artikel van kracht is, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder schriftelijke vergunning van het college. 9. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 20 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.

De gemeenteraad beslist binnen 28 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht regels vast in het omgevingsplan op grond van de Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre de geldende regels in het omgevingsplan voldoende beschermend zijn in de zin van het vorige lid, danwel dat de regels gewijzigd worden vastgesteld. 7. Voor zover in een gebied dat is aangewezen als een beschermend stads- of dorpsgezicht nog geen regels in het omgevingsplan onherroepelijk zijn vastgesteld, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder schriftelijke vergunning van het college. 8. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen in het omgevingsplan op grond van een instructieregel van het Rijk op grond van artikel 2.34 lid 4 Omgevingswet of in de provinciale omgevingsverordening door de provincie op grond van artikel 2.6 Omgevingswet. Artikel 21. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stadsen dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 31, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 31, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a.

beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet bedoeld in artikel 2.34 lid 4 van de Omgevingswet, of

b.

beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. de Provinciale Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 Omgevingswet.

3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 22. Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a van de Omgevingswet in samenhang met artikel 5.130 tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2 van het Besluit Kwaliteiten Leefomgeving, een bouwwerk te slopen. 2. Het is daarnaast verboden om in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zonder omgevingsvergunning of in strijd met bij zodanige omgevingsvergunning gestelde voorschriften: a.

bouwwerken te verstoren, te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig ander opzicht te wijzigen;

b.

bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

c.

onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, zoals straten, wegen, pleinen, wateren, bomen, erfafscheidingen- niet zijnde een bouwwerk- en straatmeubilair te realiseren, aan te leggen, planten of wijzigen.

3. Het verbod en de vergunningplicht, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden niet bij normaal onderhoud en beheer en indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd, welke in dienst staan van de verbetering van de cultuurhistorische kwaliteit van het stads- en dorpsgezicht. 4. Aan de omgevingsvergunning kunnen, ingeval van afbraak als bedoeld in het eerste lid, voorwaarden met betrekking tot archeologisch onderzoek worden verbonden. 5. De omgevingsvergunning kan, ingeval van afbraak als bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd indien een bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk nieuw op te richten bouwwerk, doch deze nog niet is aangevraagd. 6. De omgevingsvergunning kan, ingeval van afbraak als bedoeld in het eerste lid, worden aangehouden indien de bouwvergunning voor een in plaats van het te slopen bouwwerk nieuw op te richten bouwwerk is aangevraagd, doch op die aanvraag nog niet is beslist. De aanhouding duurt totdat onherroepelijk op die aanvraag is beslist. 7. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 8. De artikelen 16, 17 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing. 9.

Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. als bedoeld in artikel 3.5 jo. 3.7 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving jo. Artikel 4.3 eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet. Artikel 23. Erfgoedplan 1. De gemeenteraad stelt een erfgoedplan vast, waarin staat hoe toegezien wordt op instandhouding van op kaart aangeduide cultuurhistorische waarden en wanneer de monumentencommissie een adviesrol heeft. 2. Het college is bevoegd het erfgoedplan te wijzigen. 3. Voor vaststelling of wijziging van het erfgoedplan wordt de monumentencommissie om advies gevraagd, met uitzondering van archeologische verwachtingsgebieden. 4. Aan ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan of een projectbesluit (artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 Wabo) nodig is waarvoor een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is en die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten dan wel cultuurhistorische waarden, die op de cultuurhistorische waardenkaart en/of het erfgoedplan zijn aangegeven, verleent de gemeenteraad of het college slechts medewerking indien de initiatiefnemer aantoont dat de voorgenomen ontwikkeling met de cultuurhistorische waarden en het beleid in overeenstemming is. 5.

Het bevoegd gezag kan ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning, dan wel een procedure als bedoeld in het 3e lid bepalen dat nader cultuurhistorisch onderzoek nodig is, zoals een bouwhistorisch, tuinhistorisch of archeologisch onderzoek. a.

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het te verrichten cultuurhistorisch onderzoek.

Artikel 24. Vangnet archeologie 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het college: a.

In een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingsgebied, de bodem onder de oppervlakte te verstoren, behoudens archeologisch onderzoek door een daartoe gekwalificeerd archeoloog. Het betreft archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zoals opgenomen op de archeologische waarderings- en beleidskaarten van de gemeente Nieuwegein. Dit geldt ook als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

b.

aanwezige (delen van) fundamenten of andere, met de archeologische structuren verband houdende zaken af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a.

het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt:

1 º in een gebied aangeduid als AWG 2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm; 2 º in een gebied aangeduid als AWV 1 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm maaiveld; 3 º in een gebied aangeduid als AWV 2 en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 4 º in een gebied aangeduid als AWV 3 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; 5 º in een gebied aangeduid als AWV 4 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 300 cm - maaiveld; 6 º in een gebied aangeduid als AWV 5 en het te verstoren gebied kleiner is dan 5000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 7 º in een gebied aangeduid als AWV 6 en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; met dien verstande dat er in gebieden met meerdere archeologische verwachtingsgebieden dan wel archeologische monumenten als uitgangspunt geldt de voorwaarden behorend bij het archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied met de strengste onderzoekseis; b.

In het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

c.

Er sprake is van een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.12 lid 1 en 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

d.

Het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart;

e.

Een rapport is overgelegd waarin de archeologische verwachtingen en waarden van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld en waaruit blijkt dat:

•

Het behoud van de archeologische verwachtingen en waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of

•

De archeologische verwachtingen en waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

•

In het geheel geen archeologische verwachtingen en waarden in het geding zijn.

Artikel 24. Vangnet archeologie 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het college: a. In een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingsgebied, de bodem onder de oppervlakte te verstoren, behoudens archeologisch onderzoek door een daartoe gekwalificeerd archeoloog. Het betreft archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zoals opgenomen op de archeologische waarderings- en beleidskaarten van de gemeente Nieuwegein. Dit geldt ook als op basis van het omgevingsplan geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist voor deze activiteit. b. aanwezige (delen van) fundamenten of andere, met de archeologische structuren verband houdende zaken af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a.

het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt: 1 º in een gebied aangeduid als AWG 2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm; 2 º in een gebied aangeduid als AWV 1 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm -maaiveld; 3 º in een gebied aangeduid als AWV 2 en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 4 º in een gebied aangeduid als AWV 3 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; 5 º in een gebied aangeduid als AWV 4 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 300 cm - maaiveld; 6 º in een gebied aangeduid als AWV 5 en het te verstoren gebied kleiner is dan 5000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 7 º in een gebied aangeduid als AWV 6 en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; met dien verstande dat er in gebieden met meerdere archeologische verwachtingsgebieden dan wel archeologische monumenten als uitgangspunt geldt de voorwaarden behorend bij het archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied met de strengste onderzoekseis; b.

In het omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

c.

Er sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is verleend en in de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

d. Het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; e. Een rapport is overgelegd waarin de archeologische verwachtingen en waarden van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld en waaruit blijkt dat: • Het behoud van de archeologische verwachtingen en waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of • De archeologische verwachtingen en waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of • In het geheel geen archeologische verwachtingen en waarden in het geding zijn.

De Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019 Gemeente Nieuwegein wordt als volgt gewijzigd: Artikel 3.1.4 Weigeringsgronden Een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 kan worden geweigerd als: a.

naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid groter is dan het met de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming gediende belang;

b.

het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning;

c.

niet wordt voldaan aan de leefbaarheidstoets als bedoeld in artikel 3.1.5;

d.

de aanvrager niet bereid is financiële compensatie te betalen, of

e.

vergunningverlening zou leiden tot strijdigheid met het bestemmingsplan, de beheersverordening, of met een omgevingsvergunning op grond waarvan afgeweken mag worden van het bestemmingsplan of de beheersverordening. het omgevingsplan, of met een omgevingsvergunning op grond waarvan afgeweken mag worden van het omgevingsplan.

Artikel 3.2.4 Weigeringsgronden Een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.2 kan worden geweigerd als: a.

naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid groter is dan het met de kadastrale splitsing gediende belang;

b.

het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning;

c.

niet wordt voldaan aan de leefbaarheidstoets als bedoeld in artikel 3.2.5.;

d.

de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en/of

e.

ook overigens sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan of de beheersverordening, tenzij een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan of de beheersverordening is verleend. het omgevingsplan, tenzij een omgevingsvergunning om af te wijken van het omgevingsplan is verleend.

f.

Er geen omgevingsvergunning is verleend voor een bouwkundige splitsing.

De Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008 wordt als volgt gewijzigd: Intitulé Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008 De raad van de gemeente Nieuwegein; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 augustus 2008; gelet op artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3. Besluit ruimtelijke ordening gelet op artikel 15.9 Omgevingswet; besluit vast te stellen de verordening; “Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008”

Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: a.

aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;

b.

adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit op de Ruimtelijke ordening

c.

adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van deze verordening;

d.

besluit: Besluit ruimtelijke ordening;

e.

het college: het college van burgemeester en wethouders;

f.

gemeente: gemeente Nieuwegein;

g.

planologische maatrege l: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, wet ruimtelijke ordening;

h. planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; i.

wet: Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: a. aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 15.1 Omgevingswet indient; b. adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking. c.

adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van deze verordening;

d. besluit: Het Omgevingsbesluit;

e. het college: het college van burgemeester en wethouders; f.

gemeente: gemeente Nieuwegein;

g. planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 15.1 lid 1 Omgevingswet h. planschade: schade als bedoeld in artikel 15.1 lid 1 Omgevingswet; i.

wet: De Omgevingswet.

Artikel 2 Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1. van het besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 4:5 jo. 4:130 van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 4:5 en 4:130 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 5 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1. Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of b.

meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.

2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen. 3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel 5 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1. Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in 13.3c van de Omgevingswet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid. 2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in 13.3c van de Omgevingswet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.

3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel 6 Werkwijze adviseur of adviescommissie 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet als bedoeld in artikel 13.3c van de Omgevingswet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 4.

De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 5. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 6. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 7. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan een eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de wet als bedoeld in artikel 13.3c van de Omgevingswet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogte vier weken verlengen. 8.

De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de wet als bedoeld in artikel 13.3c van de Omgevingswet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te reageren. 9. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 10. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

De Riolering- en drainageverordening Nieuwegein 2013 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2 Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder een aansluitvergunning een particuliere afvoerleiding op het aansluitpunt of het openbaar riool tot stand te brengen, in stand te houden of te wijzigen. 2. De aansluitvergunning is perceelsgebonden. 3. Een aansluitvergunning wordt uitsluitend verleend voor het aanbrengen, in stand houden of wijzigen van een aansluiting tussen de particuliere afvoerleiding en de perceelaansluitleiding voor: a.

de afvoer van stedelijk afvalwater naar het openbaar riool;

b.

de afvoer van afvloeiend hemelwater dan wel drainagewater naar het daarvoor bedoelde leidingenstelsel;

c.

het afvoeren van bronneringswater;

d.

de afvoer van bedrijfsafvalwater, niet zijnde uit een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. uit een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

4. Indien de rechthebbende een aansluitvergunning aanvraagt voor meer dan één particuliere afvoerleiding, wordt deze aanvraag in een aansluitvergunning verleend, waarin alle particuliere afvoerleidingen afzonderlijk worden vermeld. 5. Aan een aansluitvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Aan de aansluitvergunning worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden: 6. a.

de wijze van het tot stand brengen van de aansluitleiding;

b.

het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding;

c.

de sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende;

d.

de periode waarvoor de aansluitvergunning wordt verleend is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater en dit een tijdelijke aansluitleiding betreft;

e.

de mechanische voorziening in de vorm van een pomp wanneer het bouwwerk niet onder vrij verval kan aansluiten op het openbaar riool;

f.

de maximale hoeveelheid te lozen afvalwater per tijdseenheid.

7. Als de rechthebbende binnen een jaar na verlening van de aansluitvergunning geen verzoek, bedoeld in artikel 7 heeft gedaan om de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarop die aansluitvergunning betrekking heeft, uit te voeren, komt de 8. aansluitvergunning van rechtswege te vervallen.

Artikel 3 Aanvraag 1. De aanvraag voor een aansluitvergunning wordt ingediend door een rechthebbende. 2. Bij de aanvraag voor een aansluitvergunning worden de volgende gegevens verstrekt: a.

de naam en het adres van de rechthebbende;

b.

de dagtekening;

c.

de ligging van het aan te sluiten perceel:

1°.aan de hand van een straatnaam en huisnummer of 2°. bij het ontbreken van daarvan, het kadastraal nummer van het perceel; 3.° aangegeven op een situatieschets 1:1000 of grotere schaal. d.

indien het een lozing van stedelijk afvalwater betreft, of er daarnaast ook afvloeiend hemelwater dan wel grondwater zal worden afgevoerd.

e.

indien de rechthebbende afvloeiend hemelwater dan wel grondwater wil afvoeren middels een gemengd, gescheiden of verbeterd gescheiden stelsel, dan wordt aannemelijk gemaakt dat het redelijkerwijs van hem niet gevergd kan worden het afvloeiend hemelwater dan wel grondwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen;

f.

van de aan te sluiten of te wijzigen particuliere afvoerleiding in ieder geval:

1.° het leidingverloop en de dimensionering; 2.° de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt; 3.° een duidelijke aanduiding van de verschillende afvoerleidingen ten behoeve van stedelijk afvalwater en infiltratiestelsels; 4.° en de wijze waarop de functies van de verschillende leidingen van de particuliere afvoerleiding ter plaatse van het aansluitpunt zullen worden gemarkeerd g.

voor zover het lozing van bedrijfsafvalwater betreft dat niet vanuit een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt geloosd:

1.° de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij dient te worden aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen of koelwater, dan wel verontreinigd water, zoals huishoudelijk of industrieel afvalwater, zal worden afgevoerd. 2.° een verklaring van geen bezwaar, verleend door het college Artikel 4 Weigeringsgronden 1. Een aansluitvergunning kan geweigerd worden als een aansluiting van een particuliere afvoerleiding of een wijziging van die aansluiting op het openbaar riool, de uitvoering van de gemeentelijke watertaken op het gebied van stedelijk afvalwater belemmert. 2. De aansluiting van de particuliere afvoerleiding op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk als: a.

gedeputeerde staten een ontheffing heeft verleend aan het college op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer;(Vervallen)

b.

de aangevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater betreft, waarvoor een omgevingsvergunning dan wel een vergunning op grond van de Waterwet is vereist, maar niet is verleend of niet toereikend is gelet op de lozingssituatie, of dat niet aan Bouwbesluit 2012 is voldaan de aangevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater betreft, waarvoor een omgevingsvergunning dan wel een vergunning op grond van de Omgevingswet is vereist, maar niet is verleend of niet toereikend is gelet op de lozingssituatie, of dat niet aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving voldoet;

c.

de lozing van het afvalwater de doelmatige werking van het openbaar riool en de RWZI belemmert moet voldoen om voor vergunningverlening in aanmerking te komen.

Artikel 8 Uitvoering aanleg of wijziging aansluiting 1. De uitvoering van aanleg of wijziging van de particuliere afvoerleiding wordt uitsluitend door of namens de gemeente uitgevoerd. 2. De rechthebbende voert zelf de aansluiting van de particuliere afvoerleiding uit, nadat de gemeente de perceelaansluitleiding inclusief het aansluitpunt heeft aangelegd. 3. In overleg met de rechthebbende wordt in ieder geval door de gemeente bepaald: a.

op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor het maken van een aansluitleiding noodzakelijke particuliere afvoerleiding het aansluitpunt kruist;

b.

of voor de kwaliteit en de goede werking van de aansluitleiding voorzieningen in de particuliere afvoerleiding moeten worden aangebracht voor het verpompen van water of ter voorkoming van het terugvloeien van stedelijk afvalwater indien de particuliere afvoerleiding te laag is gelegen om onder vrij verval op het openbaar riool te lozen.

4. Na controle door de gemeente dekt de rechthebbende de aansluitleiding af. 5. Bij het toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in tweede lid, kan artikel 5.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overeenkomstig worden toegepast. (Vervallen)

De Schoonheidsverordening Nieuwegein 1983 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 7 1. Het is verboden op een onroerend goed te storten, te bergen of op te slaan: a.

oud ijzer, glas, aardewerk, huisvuil, lompen, puin, bouw- en sloopafval, shredderafval en andere afvalstoffen;

b.

zand, grond, slib, bagger, grind;

c.

oud hooi, mest, boomstobben, takken;

d.

oude en nieuwe materialen;

e.

al dan niet buiten gebruik gestelde huishoudelijke of andere apparaten;

f.

onbruikbare of al dan niet aan hun bestemming onttrokken werktuigen en machines, motor- en andere rij- of voertuigen, vaar- en vliegtuigen of onderdelen daarvan.

2. Het is de zakelijk gerechtigde en/of gebruiker van enig onroerend goed voorts verboden dat goed of een gedeelte daarvan te gebruiken als stort-, bewaar-, berg- of opslagplaats of de aanwezigheid daarvan te gedogen. 3. Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enig onroerend goed verboden toe te staan dat daarop door derden wordt gestort, geborgen, opgeslagen of bewaard in strijd met de bepalingen van deze verordening. De zakelijke gerechtigde, of gebruiker van het onroerend goed wordt geacht geen toestemming te hebben verleend indien hij van de overtreding onverwijld bij brief kennis geeft aan burgemeester en wethouders, die de ontvangst daarvan schriftelijke bevestigen. 4. Stort-, bewaar, berg- of opslagplaatsen welke als zodanig zijn opgenomen in een onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan in het onherroepelijk goedgekeurde omgevingsplan, worden geacht met ontheffing als bedoeld in artikel 9 van deze verordening aanwezig te zijn. Burgemeester en wethouders kunnen aan een zodanige ontheffing voorschriften verbinden, welke slechts mogen strekken ter bescherming van de belangen ter behartiging waarvan deze verordening is vastgesteld. Alvorens daartoe over te gaan wordt de zakelijk gerechtigde en/of de gebruiker van het desbetreffende onroerend goed ter zake door burgemeester en wethouders gehoord. 5.

Het is verboden wateren, hoe ook genaamd geheel of gedeeltelijk te dempen en gedempt te houden. 6. Het hiervoor in het vierde lid bepaalde geldt eveneens ten aanzien van het geheel of gedeeltelijk dempen van wateren, hoe ook genaamd. Artikel 8 De in artikel 7 gestelde verboden zijn niet van toepassing: a.

op het hebben van afbraak, puin en materialen op een onroerend goed, ten behoeve van uitvoering of het onderhoud van openbare werken voor zolang die uitvoering of dat onderhoud duurt, mits de opslag is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar die uitvoering of dat onderhoud plaatsvindt;

b.

op het hebben van afbraak, puin en materialen op een onroerend goed, waarop onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, mits deze zaken voor de uit te voeren werkzaamheden nodig of van het object, dat hersteld op gesloopt wordt, afkomstig zijn, zulks voor zolang de uitvoering duurt;

c.

op stort-, bewaar-, berg- of opslagplaatsen, die zich bevinden in gebouwen in de zin van de Woningwet in de zin van de Omgevingswet;

d.

op het leggen van dammen met duikers in wateren, indien deze worden aangevuld met schone grond en/of schone slootbagger;

e.

indien en voor zover de Afvalstoffenwet, de Wet Chemische Afvalstoffen of de Hinderwet van toepassing is. indien en voor zover de Wet milieubeheer of de Omgevingswet van toepassing is.

Artikel 15 1. Indien burgemeester en wethouders na het verstrijken van de in artikel 14 onder eerste lid, sub b, en derde lid bedoelde termijn een ontheffing voor het behouden van een stort-, bewaar-, berg- of opslagplaats weigeren of geweigerd hebben of vóór het verstrijken van de termijn als bedoeld in het eerste lid van artikel 14 een ontheffing intrekken en belanghebbende dientengevolge schade lijdt, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent de gemeenteraad hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2. De "Procedureverordening planschadevergoeding 1973" is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, met dien verstande, dat waar in die verordening staat vermeld "artikel 49" van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" wordt gelezen "artikel 15 van de Schoonheidsverordening Nieuwegein 1983". De "Procedureverordening voor tegemoetkoming in planschade 2008 " is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, met dien verstande, dat waar in die verordening staat vermeld "artikel 15.1 Omgevingswet wordt gelezen "artikel 15 van de Schoonheidsverordening Nieuwegein 1983". 3. Van een beschikking van de gemeenteraad bedoeld in het eerste lid staat beroep open op gedeputeerde staten.

De Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein wordt als volgt gewijzigd: Artikel 4 Gegevensverstrekking 1. Bij een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening, verstrekt de aanbieder in ieder geval de volgende gegevens: a.

naam, (e-mail)adres en telefoon- en faxnummer van degene die de kabel of het netwerk in eigendom heeft, beheert of exploiteert.

b.

een opgave van het aantal kabels en/of buizen dat direct met kabels wordt gevuld of ingeblazen en een opgave van het aantal buizen dat leeg wordt aangebracht;

c.

een opgave van belanghebbenden en instanties die vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en de aard van de werkzaamheden;

d.

een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: 1e een opgave van het gewenste tracé met daarbij duidelijke (digitale) tekeningen en daarop aangegeven wat de te verbinden locaties zijn; 2e een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, alsmede van de gewenste situering daarvan; 3e een omschrijving van de opbrekingen van de verharding; 4e de doorsnede van de kabel en indien van toepassing de kabelgoot; 5e de opgave van ondergrondse (handholes en dergelijke) of bovengrondse kasten waarvoor geen bouwvergunning noodzakelijk is waarvoor geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist, alsmede de situering en afmetingen daarvan; 6e naam, (e-mail)adres, telefoon- en faxnummer van de contactpersoon, aannemers of onderaannemers die belast zijn met de werkzaamheden en van een door hen aangewezen contactpersoon die ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden vierentwintig uur per dag bereikbaar is in verband met mogelijke calamiteiten; 7e de maatregelen die de bereikbaarheid van de in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen waarborgen; 8e de bereikbaarheid van percelen en opstallen in de nabijheid van de uit te voeren werkzaamheden; 9e alle overige van belang zijnde feiten en omstandigheden gelet op de in artikel 5.4 leden 2 en 3 van de wet genoemde belangen;

2. Het college kan nadere regels stellen aan de gegevens die bij de melding worden verstrekt alsook over de wijze waarop deze gegevens worden verstrekt. Artikel 5 Beslistermijn en aanhouding 1. Een beslissing op een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening wordt genomen uiterlijk acht weken na ontvangst van de melding. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel houdt het college de beslissing aan, indien er in verband met werkzaamheden ten behoeve van het openbare elektronisch communicatienetwerk een vergunning als bedoeld in de Woningwet, de Wet milieubeheer of een kapvergunning is vereist. een omgevingsvergunning als bedoeld in de Woningwet, de Omgevingswet of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, het vellen van een houtopstand, op basis van het omgevingsplan is vereist. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 wordt als volgt gewijzigd: Intitulé Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 gemeente Nieuwegein De raad van de gemeente Nieuwegein; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2016; gelet op; Artikel 5.4, eerste lid, en artikel 5.5van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 18.20

en 18.23 van de Omgevingswet en artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet; De toelichting bij de model Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 provincie Utrecht; Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -

betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;

-

kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;

-

wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -

betrokken wetten: De Omgevingswet inclusief de Algemene Maatregelen van Bestuurs, te weten het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit Bouwwerken Leefomgeving, het Besluit Activiteiten Leefomgeving en het Omgevingsbesluit.

-

kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;

-

wet: De Omgevingswet

Artikel 4. Kwaliteitsdoelen 1. Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen, krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht artikel 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit, gestelde doelen. 2. De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval betrekking op: a.

de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;

b.

de dienstverlening;

c.

de financiën.

De Verordening speelautomatenhallen Nieuwegein 2019 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 7 Weigeringsgronden 1. De vergunning speelautomatenhal wordt geweigerd, indien; a.

het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;

b.

de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;

c.

de aanvrager(s)/leidinggevende(n) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

d.

indien de aanvrager(s)/leidinggevende(n) niet beschikken over een geldig Certificaat Bewijsstuk Verslavingszorg voor Amusementscentra van GGZ Nederland;

e.

door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving het goede woon- en leefklimaat in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

f.

de aanwezigheidsvergunning kansspelautomaten wordt geweigerd.

g.

de aanvrager(s) of de leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is (zijn);

h. niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d lid 4 van de Wet op de Kansspelen gestelde eisen aan leidinggevenden; i.

de vrees gewettigd is, dat het verlenen van de vergunning ernstig gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

j.

de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of de geldende beheersverordening en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend. met het geldende omgevingsplan en geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend.

2. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 5 van deze verordening gestelde eisen. 3. De burgemeester kan de vergunning voorts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

De Verordening winkeltijden Nieuwegein 2012 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 6 Individuele ontheffingen 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in artikel 2, van de Winkeltijdenwet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op zon- en feestdagen of werkdagen. 2. Een ontheffing kan worden verleend aan bedrijven gedurende een bepaalde periode van het jaar of bij bepaalde evenementen dan wel bij een andere plotseling opkomende bijzondere omstandigheid van tijdelijke aard. 3. Aan de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kan de beperking worden verbonden dat een ontheffing niet verleend kan worden tussen 02.00 uur en 06.00 uur; 4. De ontheffing kan worden geweigerd als de woon- en leefsituatie het woon- en leefklimaat of de openbare orde in de omgeving van het bedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van het bedrijf op basis van de ontheffing. Artikel 8 Nachtwinkels 1. Een ontheffing kan worden verleend ten behoeve van ten hoogste twee nachtwinkels, enkel in het stadscentrum, met dien verstande dat aan de ontheffing in ieder geval de beperking wordt verbonden dat uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren wordt verkocht, met uitzondering van sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Drank- en Horecawet. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=6222b2d1-728c-42cd-8d4a-190313bd3a6b