CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-464 Bijlage 3 Servicedocument.pdf

Raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Voorstel over Wijzigingsverordening Omgevingswet27.924 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De Bouwverordening Nieuwegein wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder:

-

asbest:

(vervallen);

-

bevoegd gezag:

bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders; bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 5.8 Omgevingswet

–

vervallen

–

vervallen

-

bouwbesluit: Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL)

de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; Besluit Bouwwerken Leefomgeving. De algemene maatregel van bestuur van de Omgevingswet waarin bouwtechnische voorschriften zijn opgenomen

-

bouwtoezicht:

-

-

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

-

deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:

(vervallen);

-

gebruiksoppervlakte:

-

degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht; toezichthouders die door het college van burgemeester en wethouders zijn aangewezen, als bedoeld in artikel 18.6 lid 1 Omgevingswet

de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit; de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het BBL

-

hoogte van de weg:

de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;

-

NEN:

een door de Stichting Nederlands NormalisatieInstituut uitgegeven norm;

-

NVN:

een door de Stichting Nederlands NormalisatieInstituut uitgegeven voornorm;

-

omgevingsvergunning voor het bouwen:

vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 aanhef en onder a omgevingswet.

-

omgevingsvergunning voor het slopen:

(vervallen);

-

straatpeil:

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

-

weg:

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

2.In deze verordening wordt mede verstaan onder:

-

bouwwerk:

een gedeelte van een bouwwerk;

-

gebouw:

een gedeelte van een gebouw.

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bestaat uit: a.

de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;

b.

vervallen;

c.

indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.

2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling Omgevingsrecht. geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het BBL , artikel 2.15f. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen als bedoeld in artikel 2.15f BBL 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoel in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijking van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 5.36 lid 1 en lid 2 Omgevingswet en artikel 10.23 lid 1 en lid 2 Omgevingsbesluit, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen.

5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. 6.Wat de omvang van het onderzoek betreft, dient het onderzoek zich niet te beperken tot de bouwput, maar tevens informatie te verschaffen over in de regel de gehele bouwkavel.

Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet van, oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: a.

onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

b.

andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoeld in artikel 22.27 sub h Bruidsschat omgevingsplan als onderdeel van hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, te weten: 1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.

Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn 1.In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a.

ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;

b.

bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; dan bedoeld in artikel 2.15f sub g, sub n of sub p van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving;

c.

laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden;

d.

erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;

e.

trappehuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;

f.

overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken.

g.

bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening als bedoeld in de Omgevingswet dan wel in de provinciale omgevingsverordening of de gemeentelijke erfgoedverordening. - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.

2.Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: -

4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;

-

2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;

en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.

Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg In afwijking van het verbod van bouwen op de weg kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a.

gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; dan bedoeld in artikel 2.15f sub p onder 1 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving;

b.

bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; dan bedoeld in artikel 2.15f sub p onder 2, 3 en 4 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving;

c.

vrijstaande winkel- of reclamevitrines;

d.

reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;

e.

andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.

Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: a.

buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;

b.

buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;

c.

onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3 of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; op grond van artikel 22.27 sub a Bruidsschat omgevingsplan als onderdeel van hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.

d.

onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; als bedoeld in artikel 22.27 sub h Bruidsschat omgevingsplan;

e.

andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht niet vallen onder de werking van artikel 22.27 sub h Bruidsschat omgevingsplan, te weten: 1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 2. terrassen, bordessen en bordestreden;

f.

antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. anders dan bedoeld in artikel 2.15f sub m en sub o Besluit Bouwwerken Leefomgeving.

Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a.

buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;

b.

binnen de bebouwde kom gelegen kassen;

c.

vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;

d.

gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;

e.

gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;

f.

bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel3 of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; die niet vallen onder artikel 22.27 sub a Bruidsschat Omgevingsplan;

g.

gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend;

h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; i.

ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;

j.

erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 22.27 sub a Bruidsschat Omgevingsplan;

k.

trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;

l.

bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening als bedoeld in de Omgevingswet dan wel in de provinciale omgevingsverordening of de gemeentelijke erfgoedverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.

Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen 1.Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die: a.

over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en

b.

voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.

2.De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. 3.Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in: a.

het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;

b.

het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; 2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; 3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.

Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen 1.Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht anders dan bedoeld in artikel 2.15f sub j Besluit Bouwwerken Leefomgeving of artikel 22.27 sub f Bruidsschat omgevingsplan, zijn niet toegelaten. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein. Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: a.

onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; als bedoeld in artikel 22.27 sub h Bruidsschat omgevingsplan;

b.

het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; als bedoeld in artikel 22.27 sub h Bruidsschat omgevingsplan;

c.

topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de

topgevel gemeten, niet groter is dan het produkt van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; d.

plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.

Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen voor: a.

gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;

b.

gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;

c.

gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein;

d.

agrarische bedrijfsgebouwen;

e.

het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht anders dan bedoeld in artikel 22.27 sub h Bruidsschat omgevingsplan , en indien: 1. de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; 2. bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;

f.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht anders dan bedoeld in artikel 22.27 sub h Bruidsschat omgevingsplan; topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard;

h. plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; i.

dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;

j.

draagconstructies voor een reclame;

k.

vrijstaande schoorstenen;

l.

bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening als bedoeld in de Omgevingswet, Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 of de Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020 - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historischesthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.

Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk belei In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: a.

er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of projectbesluit van kracht is; geen omgevingsplan of projectbesluit van kracht is;

b.

geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; zoals genoemd in artikel 4.14 Omgevingswet van toepassing zijn;

c.

de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;

d.

de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening niet in strijd is het in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en

e.

de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat een goede onderbouwing bevat ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken. Artikel 9.1 Beoordelingsniveau 1.De taakverdeling bij de welstandsbeoordeling is afhankelijk van het beoordelingsniveau. We kennen drie beoordelingsniveaus, te weten A, B en C volgens onderstaande figuur 1.1 afkomstig uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Het beoordelingsniveau geeft aan waar de welstandsbeoordeling in eerste instantie belegd is. Als de uitkomst van de beoordeling op het aanvankelijke beoordelingsniveau niet positief is, of twijfel oproept, wordt er overgeschakeld op een hoger beoordelingsniveau, waarbij de externe adviescommissie (i.e. de onafhankelijke welstandscommissie als bedoeld in lid 1 van de Woningwet i.e. de onafhankelijke Commissie Omgevingskwaliteit) als hoogste beoordelingsniveau geldt. Het beoordelingsniveau is afhankelijk van het beleidsniveau.

Er zijn vier beleidsniveaus: vrij, regulier, bijzonder en hoog. Deze staan in de eerste vier kolommen van figuur 1.1. Daarnaast zijn er nog locaties die kansrijk zijn om bij een herontwikkeling een kwaliteitsimpuls te geven (kolom 5). Tot slot worden voor grotere gebiedsontwikkelingen doorgaans beeldkwaliteitsplannen (BKP) opgesteld die het welstandskader vormen (kolom 6). Welke kolom in een bepaald geval van toepassing is, wordt bepaald op de beleidskaarten die onderdeel zijn van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (Nota RK). De wijze van toetsen hangt daarnaast af van het bouwtype zoals weergegeven in de verschillende rijen van het schema in figuur 1.1. Artikel 9.2 De commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK) 1. De gemeenteraad benoemt Stichting MooiSticht voor het leveren van de diensten van een onafhankelijke welstandscommissie als bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Woningwet (i.e. de externe adviescommissie als bedoeld in figuur 1.1), hierna te noemen: de commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK). 2. De welstandsbeoordeling is altijd gebaseerd op de richtlijnen uit de gemeentelijke Nota Ruimtelijke Kwaliteit (Nota RK). 3. De CRK adviseert, ingeval burgemeester en wethouders het inwinnen van advies noodzakelijk achten om een oordeel te kunnen vormen, over de ruimtelijke kwaliteitsaspecten van:

-

Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder a van de We algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

-

Principeaanvragen of vergelijkbare initiatieven die voorafgaan aan aanvragen voor een omgevingsvergunning;

-

Aanvragen voor reclames of standplaatsen (inzake de gemeentelijke APV).

-

In voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere beleidsstukken die relevant zijn vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit.

-

Stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.

-

Excessen, bouwenactiviteiten zonder vereiste vergunning, bezwaar- en beroepsprocedures en andere zaken waarbij ruimtelijke kwaliteit een rol speelt.

4. De CRK geeft op verzoek van de gemeente voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, het college van B&W, burgers, bedrijven en overige betrokkenen. Artikel 9.2 De Commissie Omgevingskwaliteit 1. De gemeenteraad benoemt Stichting MooiSticht voor het leveren advisering als een onafhankelijke adviescommissie, hierna te noemen: de Commissie Omgevingskwaliteit (COk). 2. De beoordeling is altijd gebaseerd op de richtlijnen uit de gemeentelijke Nota Ruimtelijke Kwaliteit (Nota RK). 3. De COk adviseert, ingeval burgemeester en wethouders het inwinnen van advies noodzakelijk achten om een oordeel te kunnen vormen, over de Omgevingskwaliteitsaspecten van: -

Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 5.1, lid 2 sub a van de Omgevingswet;

-

Principeaanvragen of vergelijkbare initiatieven die voorafgaan aan aanvragen voor een omgevingsvergunning;

-

Aanvragen voor reclames of standplaatsen (inzake de gemeentelijke APV).

-

In voorbereiding zijnde omgevingsvisie, omgevingsplan, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere beleidsstukken die relevant zijn vanuit het oogpunt van de Omgevingskwaliteit.

-

Stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de Omgevingskwaliteit in de gemeente.

-

Excessen, bouwenactiviteiten zonder vereiste omgevingsvergunning, bezwaar- en beroepsprocedures en andere zaken waarbij de Omgevingskwaliteit een rol speelt.

4. De COk geeft op verzoek van de gemeente voorlichting inzake de Omgevingskwaliteit aan de gemeenteraad, het college van B&W, burgers, bedrijven en overige betrokkenen. Artikel 9.3 Samenstelling van de commissie ruimtelijke kwaliteit 1. De CRK bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de adviseur ruimtelijke kwaliteit (ARK) van MooiSticht en tenminste twee externe deskundigen van buiten het bureau. De ARK fungeert tevens als secretaris-deskundige van de CRK. Naast de ARK zijn tenminste twee commissieleden deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De CRK kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door aanvullende

deskundigen van het bureau van MooiSticht of daarbuiten. Dit betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie en landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. De CRK kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden aanwezig zijn (waaronder de ARK of zijn vervanger). 2. Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de commissie, treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De ARK kan zich door een collega ARK of de directeur van MooiSticht laten vervangen. 3. De voorzitter, de ARK, de externe deskundigen en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies wordt beïnvloed. Artikel 9.3 Samenstelling van de Commissie Omgevingskwaliteit 1. De COk bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de adviseur Omgevingskwaliteit (AOk) van MooiSticht en tenminste twee externe deskundigen van buiten het bureau. De AOk fungeert tevens als secretaris-deskundige van de COk. Naast de AOk zijn tenminste twee commissieleden deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De COk kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door aanvullende deskundigen van het bureau van MooiSticht of daarbuiten.

Dit betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie en landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. De CRK kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden aanwezig zijn (waaronder de AOk of zijn vervanger). 2. Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de commissie, treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De AOk kan zich door een collega AOk of de directeur van MooiSticht laten vervangen. 3. De voorzitter, de AOk, de externe deskundigen en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies wordt beïnvloed. Artikel 9.4 Benoeming en zittingsduur van de commissie ruimtelijke kwaliteit 1. De gemeenteraad mandateert het College van Burgemeester en Wethouders om de voorzitter en deskundige leden van de CRK en hun plaatsvervangers te benoemen en te ontslaan. MooiSticht doet daartoe een voorstel. 2. Alle leden van de CRK en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Artikel 9.4 Benoeming en zittingsduur van de Commissie Omgevingskwaliteit 1.

De gemeenteraad mandateert het College van Burgemeester en Wethouders om de voorzitter en deskundige leden van de COk en hun plaatsvervangers te benoemen en te ontslaan. MooiSticht doet daartoe een voorstel. 2. Alle leden van de COk en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar.

Artikel 9.5 Afdoening bij Mandaat 1.De CRK kan de advisering, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een daartoe aangewezen lid. Het aangewezen lid adviseert over bouwplannen waarvan het oordeel van de CRK als bekend mag worden verondersteld. Bij twijfel zal het aangewezen lid altijd de adviesaanvraag aan de CRK voorleggen. De CRK blijft eindverantwoordelijk voor het advies. Artikel 9.5 Afdoening bij Mandaat De COk kan de advisering, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een daartoe aangewezen lid. Het aangewezen lid adviseert over bouwplannen waarvan het oordeel van de COk als bekend mag worden verondersteld. Bij twijfel zal het aangewezen lid altijd de adviesaanvraag aan de COk voorleggen. De COk blijft eindverantwoordelijk voor het advies. Artikel 9.6 Taken en leden van de commissie ruimtelijke kwaliteit 1. Adviseur ruimtelijke kwaliteit (ARK) a.

De ARK heeft het mandaat van de CRK om zelfstandig adviesaanvragen af te handelen (zie artikel 9.5). Tenminste één keer per jaar vindt evaluatieoverleg plaats tussen de ARK en de CRK over de invulling van het mandaat.

b.

De ARK is secretaris-deskundige van de commissie. De plannen waarvoor hij een mandaat heeft, worden door hem van een advies voorzien. Hij is eerste aanspreekpunt bij adviesverzoeken van de gemeente. Hij voert op verzoek van de gemeente overleg met aanvragers, architecten en andere belanghebbenden. Hij beoordeelt of een adviesverzoek onder mandaat wordt afgedaan of wordt voorgelegd aan de CRK.

c.

Als een plan aan de CRK wordt voorgelegd, verzamelt de ARK de relevante informatie. Hij bereidt de behandeling voor, stelt de agenda op voor de commissievergadering en maakt deze tijdig bekend bij de gemeente. Tijdens de commissievergadering licht de ARK de plannen toe. Ook verstrekt hij gegevens over het relevante gemeentelijke beleid voor het betreffende plan. Onder de verantwoordelijkheid van de ARK wordt de beraadslaging en conclusie uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen één week na de commissievergadering aan de gemeente wordt aangeboden.

d.

De ARK kan door de gemeente op elk moment om advies gevraagd worden. Daarnaast houdt hij minimaal tweewekelijks een voorbespreking op de gemeentelocatie om adviesaanvragen te beoordelen en indien mogelijk direct onder mandaat af te handelen. De regels omtrent deze vergaderingen staan in artikel 9.7.

e.

De ARK wordt op verzoek van de CRK, de gemeente of op eigen verzoek, bijgestaan door een ander commissielid. De zogenaamde ‘kleine commissie’ die in dat geval ontstaat, beschikt over hetzelfde mandaat als de ARK.

2. Voorzitter De voorzitter van de CRK wordt gekozen uit de kring van gemeentebestuurders. Hij is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering en treedt hierover desgevraagd naar buiten. Hij is niet alleen voorzitter maar ook gastheer tijdens de openbare vergaderingen. Hij heet iedereen welkom, geeft een korte toelichting van de vergaderprocedure en informeert wie van de aanwezigen wil inspreken. Hij leidt de inhoudelijke discussie over adviesaanvragen en sluit deze af met een korte, heldere samenvatting. Hij treedt namens de commissie naar buiten bij niet reguliere gebeurtenissen. Hij organiseert een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van het functioneren van de commissie. De resultaten hiervan staan in het jaarlijks verslag van de CRK (artikel 9.11). 3. Externe deskundigen In de CRK hebben tenminste twee externe deskundigen zitting op het gebied van de architectuur en stedenbouw. Zij geven een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Extra deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie en landschap kan in overleg met de gemeente aan de commissie worden toegevoegd. Op het moment dat er wel sprake is van enig belang met een bepaald bouwplan laat de externe deskundige zich voor dat betreffende plan

vervangen. In overleg tussen gemeente en de CRK kan in een dergelijke situatie besloten worden advies te vragen aan een andere commissie van binnen of buiten MooiSticht. Artikel 9.6 Taken en leden van de Commissie Omgevingskwaliteit 1. Adviseur Omgevingskwaliteit (AOk) a. De AOk heeft het mandaat van de COk om zelfstandig adviesaanvragen af te handelen (zie artikel 9.5). Tenminste één keer per jaar vindt evaluatieoverleg plaats tussen de AOk en de COk over de invulling van het mandaat. b. De AOk is secretaris-deskundige van de commissie. De plannen waarvoor hij een mandaat heeft, worden door hem van een advies voorzien. Hij is eerste aanspreekpunt bij adviesverzoeken van de gemeente. Hij voert op verzoek van de gemeente overleg met aanvragers, architecten en andere belanghebbenden. Hij beoordeelt of een adviesverzoek onder mandaat wordt afgedaan of wordt voorgelegd aan de COk. c.

Als een plan aan de COk wordt voorgelegd, verzamelt de AOk de relevante informatie. Hij bereidt de behandeling voor, stelt de agenda op voor de commissievergadering en maakt deze tijdig bekend bij de gemeente. Tijdens de commissievergadering licht de AOk de plannen toe. Ook verstrekt hij gegevens over het relevante gemeentelijke beleid voor het betreffende plan. Onder de verantwoordelijkheid van de AOk wordt de beraadslaging en conclusie uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen één week na de commissievergadering aan de gemeente wordt aangeboden.

d. De AOk kan door de gemeente op elk moment om advies gevraagd worden. Daarnaast houdt hij minimaal tweewekelijks een voorbespreking op de gemeentelocatie om adviesaanvragen te beoordelen en indien mogelijk direct onder mandaat af te handelen. De regels omtrent deze vergaderingen staan in artikel 9.7. e. De AOk wordt op verzoek van de COk, de gemeente of op eigen verzoek, bijgestaan door een ander commissielid. De zogenaamde ‘kleine commissie’ die in dat geval ontstaat, beschikt over hetzelfde mandaat als de AOk. 2. Voorzitter De voorzitter van de COk wordt gekozen uit de kring van gemeentebestuurders. Hij is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering en treedt hierover desgevraagd naar buiten. Hij is niet alleen voorzitter maar ook gastheer tijdens de openbare vergaderingen. Hij heet iedereen welkom, geeft een korte toelichting van de vergaderprocedure en informeert wie van de aanwezigen wil inspreken. Hij leidt de inhoudelijke discussie over adviesaanvragen en sluit deze af met een korte, heldere samenvatting. Hij treedt namens de commissie naar buiten bij niet reguliere gebeurtenissen. Hij organiseert een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van het functioneren van de commissie. De resultaten hiervan staan in het jaarlijks verslag van de COk (artikel 9.11). 3.

Externe deskundigen In de COk hebben tenminste twee externe deskundigen zitting op het gebied van de architectuur en stedenbouw. Zij geven een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Extra deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie en landschap kan in overleg met de gemeente aan de commissie worden toegevoegd. Op het moment dat er wel sprake is van enig belang met een bepaald bouwplan laat de externe deskundige zich voor dat betreffende plan vervangen. In overleg tussen gemeente en de COk kan in een dergelijke situatie besloten worden advies te vragen aan een andere commissie van binnen of buiten MooiSticht. Artikel 9.7 Vergaderingen van de commissie ruimtelijke kwaliteit 1. De CRK vergadert in de regel één keer per twee weken op de gemeentelocatie. De ARK houdt in de tussenliggende periode voorbesprekingen (zie artikel 9.6.1).

2. De vergaderingen waar bouwplannen behandeld worden door of onder verantwoordelijkheid van de CRK zijn openbaar. Datum, tijdstip en plaats van de vergaderingen worden door de gemeente tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, op de website dan wel op een andere geschikte wijze. 3. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. 4. Indien de aanvrager hierom tijdig verzoekt, wordt deze in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan tijdens een vergadering als bedoeld in lid 2. 5. Indien de aanvrager een verzoek tot het geven van een toelichting heeft gedaan, dient de aanvrager een uitnodiging te ontvangen van de gemeente voor de vergadering waarin de betreffende adviesaanvraag wordt behandeld. 6. Tijdens een vergadering als bedoeld in lid 2 is het spreekrecht beperkt tot commissieleden, afgevaardigden van de gemeenten en aanvragers en ontwerpers van adviesaanvragen die geagendeerd zijn. Artikel 9.7 Vergaderingen van de Commissie Omgevingskwaliteit 1. De COk vergadert in de regel één keer per twee weken op de gemeentelocatie.

De AOk houdt in de tussenliggende periode voorbesprekingen (zie artikel 9.6.1). 2. De vergaderingen waar bouwplannen behandeld worden door of onder verantwoordelijkheid van de COk zijn openbaar. Datum, tijdstip en plaats van de vergaderingen worden door de gemeente tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, op de website dan wel op een andere geschikte wijze. 3. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. 4. Indien de aanvrager hierom tijdig verzoekt, wordt deze in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan tijdens een vergadering als bedoeld in lid 2. 5. Indien de aanvrager een verzoek tot het geven van een toelichting heeft gedaan, dient de aanvrager een uitnodiging te ontvangen van de gemeente voor de vergadering waarin de betreffende adviesaanvraag wordt behandeld. 6. Tijdens een vergadering als bedoeld in lid 2 is het spreekrecht beperkt tot commissieleden, afgevaardigden van de gemeenten en aanvragers en ontwerpers van adviesaanvragen die geagendeerd zijn. Artikel 9.8 Het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit 1. Een advies wordt schriftelijk gemotiveerd.

De motivering is helder, consistent en nauwkeurig met verwijzing naar de richtlijnen zoals opgenomen in de Nota RK en geeft antwoord op de vraag of het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, lid 1 onder d van de Wabo. 2. Indien het advies positief luidt en de motivering objectief en direct te herleiden is uit de Nota RK, kan de schriftelijke motivering achterwege blijven. 3. De stukken waarop het advies betrekking heeft, worden vermeld in, of gevoegd bij het advies en worden als zodanig gewaarmerkt. 4. Een advies kan de volgende uitkomsten hebben: Akkoord:

De CRK is van oordeel dat het plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Akkoord mits: De CRK is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden die de CRK heeft geformuleerd. De CRK geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. Niet akkoord: De CRK is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd voordat de CRK een positief advies kan uitbrengen. Aanhouden: De CRK kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. 5. De CRK brengt het advies over een principeaanvraag of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is gevraagd, of binnen een week nadat de aanvraag aan de orde is geweest tijdens de vergadering van de CRK. 6. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de CRK een langere termijn dan genoemd in lid 5 van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. 7. Het advies wordt door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij het dossier waar het advies betrekking op heeft en is vanaf dat moment openbaar. Artikel 9.8 Het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit 1.

Een advies wordt schriftelijk gemotiveerd. De motivering is helder, consistent en nauwkeurig met verwijzing naar de richtlijnen zoals opgenomen in de Nota RK en geeft antwoord op de vraag of het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Indien het advies positief luidt en de motivering objectief en direct te herleiden is uit de Nota RK, kan de schriftelijke motivering achterwege blijven. 3. De stukken waarop het advies betrekking heeft, worden vermeld in, of gevoegd bij het advies en worden als zodanig gewaarmerkt. 4. advies kan de volgende uitkomsten hebben: Akkoord: De COk is van oordeel dat het plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Akkoord mits: De COk is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden die de COk heeft geformuleerd. De COk geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. Niet akkoord: De COk is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd voordat de COk een positief advies kan uitbrengen. Aanhouden:

De COk kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. 5. De COk brengt het advies over een principeaanvraag of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is gevraagd, of binnen een week nadat de aanvraag aan de orde is geweest tijdens de vergadering van de COk. 6. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de COk een langere termijn dan genoemd in lid 5 van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. 7. Het advies wordt door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij het dossier waar het advies betrekking op heeft en is vanaf dat moment openbaar. Artikel 9.9 Afwijken van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit Wanneer een bouwplan volgens de CRK strijdig is met redelijke eisen van welstand, kunnen burgemeester en wethouders niettemin van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning moet worden verleend (artikel 2.10, lid 1, onder d, Wabo). In dat geval moet uit de afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit blijken waarom wordt afgeweken van het welstandsadvies. De CRK wordt op de hoogte gesteld van een dergelijk besluit.

Artikel 9.9 Afwijken van het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Wanneer een bouwplan volgens de COk strijdig is met redelijke eisen van welstand, kunnen burgemeester en wethouders niettemin van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning moet worden verleend. In dat geval moet uit de afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit blijken waarom wordt afgeweken van het welstandsadvies. De COk wordt op de hoogte gesteld van een dergelijk besluit. Artikel 9.10 Second opinion Alvorens in voorkomende gevallen een second opinion te vragen, bieden burgemeester en wethouders de CRK de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies. Indien dan alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit gemeld aan de CRK. Bij een second opinion wordt de adviesaanvraag voorgelegd aan een andere commissie van MooiSticht dan wel aan een andere externe adviescommissie op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie Welstand. Artikel 9.10 Second opinion Alvorens in voorkomende gevallen een second opinion te vragen, bieden burgemeester en wethouders de COk de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies. Indien dan alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit gemeld aan de COk.

Bij een second opinion wordt de adviesaanvraag voorgelegd aan een andere commissie van MooiSticht dan wel aan een andere externe adviescommissie op het gebied van omgevingskwaliteit. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie Welstand. Artikel 9.11 Jaarlijkse verantwoording door de commissie ruimtelijke kwaliteit De CRK legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden (art. 12b, lid 3 Woningwet). In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de CRK. Artikel 9.11 Jaarlijkse verantwoording door de Commissie Omgevingskwaliteit De COk legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden (artikel 4.19 Omgevingswet jo. Artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet). In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan het gemeentelijk Omgevingskwaliteitsbeleid. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de COk.

Artikel 9.12.1 Casemanager Wabo (beoordelingsniveau A volgens figuur 1.1) a.

De gemeente wijst een Casemanager Wabo aan bij elke principeaanvraag of aanvraag voor een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

b.

De Casemanager Wabo beoordeelt of de aanvraag voldoende gegevens bevat voor een welstandsbeoordeling en vraagt zo nodig om aanvullende informatie.

c.

De Casemanager Wabo beoordeelt of het bouwplan past binnen het geldende ruimtelijke kader van de gemeente (bestemmingsplan, beheersverordening of daarmee gelijk te stellen kader) en geeft die informatie door bij de adviesaanvraag. Hij gaat na of sprake is van een herhalingsgeval. Dat blijkt door het plan te toetsen aan de voorwaarden die hieraan gesteld worden in hoofdstuk 5 van de Nota RK. Als dit het geval is, is de welstandsbeoordeling afgerond en luidt de uitkomst positief.

d.

Betreft het geen herhalingsgeval, dan bepaalt de Casemanager Wabo op basis van figuur 1.1 wat het beoordelingsniveau is. Het beleidsniveau dat van toepassing is, volgt uit de beleidskaarten behorende bij de Nota RK. Het bouwtype bepaalt de Casemanager zelf, indien nodig in afstemming met de Adviseur A&RK.

e.

Bij beoordelingsniveau A toetst de Casemanager Wabo het bouwplan van het bouwtype ‘verbouw, kleine bouwplannen’ aan de objectieve richtlijnen uit hoofdstuk 5. Als het plan voldoet aan die richtlijnen, is de welstandsbeoordeling afgerond en luidt de uitkomst positief.

f.

Als het plan niet voldoet, of twijfel oproept, schaalt de Casemanager Wabo het beoordelingsniveau op naar B.

g.

Als sprake is (en blijft) van beoordelingsniveau A, dan neemt de Casemanager Wabo in het besluit op de aanvraag op dat het bouwplan voldoet aan de richtlijnen van de Nota RK. Een nadere motivatie van de positieve uitkomst is niet nodig omdat deze objectief uit de Nota RK te herleiden is.

h. Als sprake is van beoordelingsniveau B, dan vraagt de Casemanager Wabo advies aan de Adviseur A&RK en stelt hij de noodzakelijke informatie beschikbaar voor de beoordeling van het plan. i.

Als sprake is van beoordelingsniveau C, dan vraagt de Casemanager Wabo advies aan de CRK. De Casemanager Wabo levert de noodzakelijke informatie voor de beoordeling van het bouwplan aan bij de Adviseur A&RK. In overleg met de Adviseur A&RK kan hij de adviesaanvraag gelijktijdig uitzetten bij de CRK via de ARK.

Artikel 9.12.1 Casemanager Omgevingswet (beoordelingsniveau A volgens figuur 1.1) a. De gemeente wijst een Casemanager Omgevingswet aan bij elke principeaanvraag of aanvraag voor een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de Omgevingswet. b. De Casemanager Omgevingswet beoordeelt of de aanvraag voldoende gegevens bevat voor een welstandsbeoordeling en vraagt zo nodig om aanvullende informatie. c.

De Casemanager Omgevingswet beoordeelt of het bouwplan past binnen het geldende ruimtelijke kader van de gemeente (omgevingsplan of projectbesluit) en geeft die informatie door bij de adviesaanvraag. Hij gaat na of sprake is van een herhalingsgeval. Dat blijkt door het plan te toetsen aan de voorwaarden die hieraan gesteld worden in hoofdstuk 5 van de Nota RK. Als dit het geval is, is de welstandsbeoordeling afgerond en luidt de uitkomst positief.

d. Betreft het geen herhalingsgeval, dan bepaalt de Casemanager Omgevingswet op basis van figuur 1.1 wat het beoordelingsniveau is. Het beleidsniveau dat van

toepassing is, volgt uit de beleidskaarten behorende bij de Nota RK. Het bouwtype bepaalt de Casemanager zelf, indien nodig in afstemming met de Adviseur A&Ok. e. Bij beoordelingsniveau A toetst de Casemanager Omgevingswet het bouwplan van het bouwtype ‘verbouw, kleine bouwplannen’ aan de objectieve richtlijnen uit hoofdstuk 5. Als het plan voldoet aan die richtlijnen, is de welstandsbeoordeling afgerond en luidt de uitkomst positief. f.

Als het plan niet voldoet, of twijfel oproept, schaalt de Casemanager Omgevingswet het beoordelingsniveau op naar B.

g. Als sprake is (en blijft) van beoordelingsniveau A, dan neemt de Casemanager Omgevingswet in het besluit op de aanvraag op dat het bouwplan voldoet aan de richtlijnen van de Nota RK. Een nadere motivatie van de positieve uitkomst is niet nodig omdat deze objectief uit de Nota RK te herleiden is. h. Als sprake is van beoordelingsniveau B, dan vraagt de Casemanager Omgevingswet advies aan de Adviseur A&Ok en stelt hij de noodzakelijke informatie beschikbaar voor de beoordeling van het plan. i.

Als sprake is van beoordelingsniveau C, dan vraagt de Casemanager Omgevingswet advies aan de CRK. De Casemanager Omgevingswet levert de noodzakelijke informatie voor de beoordeling van het bouwplan aan bij de Adviseur A&Ok. In overleg met de Adviseur A&Ok kan hij de adviesaanvraag gelijktijdig uitzetten bij de CRK via de AOk.

Artikel 9.12.2 Adviseur Architectuur en Ruimtelijke Kwaliteit (beoordelingsniveau B volgens figuur 1.1) a.

De Adviseur Architectuur en Ruimtelijke Kwaliteit (Adviseur A&RK) is een functie in dienst van de gemeentelijke organisatie. Deze functie wordt ingevuld door iemand met een afgeronde studie architectuur en/of veel ervaring op het vakgebied van architectuur en stedenbouw. Voor de Adviseur A&RK gelden qua opleiding en ervaring dus dezelfde eisen als voor een externe deskundige van de CRK.

b.

De Adviseur A&RK beoordeelt de bouwplannen die volgens figuur 1.1 als instap beoordelingsniveau B hebben. Daarnaast beoordeelt de Adviseur A&RK bouwplannen die volgens figuur 1.1 beoordelingsniveau A hebben maar door de Casemanager Wabo zijn opgeschaald naar beoordelingsniveau B.

c.

Bij de bouwtypen ‘verbouw, kleine bouwplannen’ en ‘reclame’ vormen de objectieve richtlijnen uit hoofdstuk 5 de basis van de beoordeling. Als het plan voldoet aan die richtlijnen, is de welstandsbeoordeling afgerond en luidt de uitkomst positief. Als het plan niet voldoet aan de richtlijnen uit hoofdstuk 5 van de Nota RK, beoordeelt de Adviseur A&RK of op basis van de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK toch een positief advies gegeven kan worden.

d.

Bij de bouwtypen ‘verbouw, overige bouwplannen’ en ‘nieuwbouw (+ verbouw te vergelijken met nieuwbouw)’ vormen de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK de basis van de beoordeling.

e.

Als voor het gebied waarin het betreffende bouwplan ligt een Beeldkwaliteitsplan (BKP) van toepassing is, vormt dat het beoordelingskader i.p.v. de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK.

f.

Bij twijfel over de uitkomst van de beoordeling of bij een negatieve uitkomst, schaalt de Adviseur A&RK het plan op naar beoordelingsniveau C.

g.

Als de Adviseur A&RK het bouwplan zelf beoordeelt, waarmerkt hij de ingediende stukken op basis waarvan de beoordeling van het bouwplan heeft plaatsgevonden met een datum en de uitkomst van de beoordeling. Bij een uitkomst die objectief uit de Nota RK te

herleiden is, kan een nadere motivatie van het advies achterwege blijven. In de andere gevallen motiveert de Adviseur A&RK het advies schriftelijk. h. De Adviseur A&RK ontvangt van de Casemanager Wabo de bouwplannen met als instap beoordelingsniveau C. Daarnaast bepaalt de Adviseur A&RK welke bouwplannen hij opschaalt van beoordelingsniveau B naar C. Van dit geheel aan bouwplannen, bepaalt de Adviseur A&RK welke bouwplannen direct (digitaal) doorgezet kunnen worden voor advies naar de ARK, en welke bouwplannen geagendeerd worden voor de voorbespreking met de ARK. De Adviseur A&RK woont altijd de voorbesprekingen bij of zorgt hij voor een waardige vervanger. i.

De Adviseur A&RK vormt samen met collega’s op het gebied van Stedenbouw, Archeologie, Cultuurhistorie en Landschapsarchitectuur de Vakgroep Ruimtelijke Kwaliteit. De vakgroep zorgt voor een afgestemd, gebundeld advies over alle aspecten die vallen onder de noemer “Ruimtelijke Kwaliteit”.

j.

De Adviseur A&RK bepaalt welke bouwplannen die hij voorgelegd krijgt (beoordelingsniveau B en C) tevens behandeld moeten worden door de Vakgroep Ruimtelijke Kwaliteit. Die worden veelal aangeleverd door de Casemanager Wabo maar kunnen ook worden aangedragen door een projectleider of een accounthouder bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen. Als een plan in aanmerking komt voor de Vakgroep, dan zal de Adviseur A&RK eerst zorgen voor een gebundeld en afgestemd advies vanuit de Vakgroep Ruimtelijke Kwaliteit, alvorens hij het plan voorlegt aan de ARK.

k.

De Adviseur A&RK stelt de agenda op van de voorbespreking met de ARK. Indieners van aanvragen voor bouwplannen die tijdig te kennen hebben gegeven bij de voorbespreking aanwezig te willen zijn, worden hiervoor uitgenodigd. De Adviseur A&RK kan in overleg met de Casemanager Wabo ook besluiten om aanvragers op eigen initiatief uit te nodigen als daartoe aanleiding bestaat.

l.

De Adviseur A&RK woont altijd de vergaderingen van de CRK bij. Als de Adviseur A&RK verhinderd is, zorgt hij voor een waardige vervanger.

m. De Adviseur A&RK zorgt voor de voorbereiding van de verslaglegging als bedoeld in artikel 9.13. Artikel 9.12.2 Adviseur Architectuur en Omgevingskwaliteit (beoordelingsniveau B volgens figuur 1.1) a. De Adviseur Architectuur en Omgevingskwaliteit (Adviseur A&Ok) is een functie in dienst van de gemeentelijke organisatie. Deze functie wordt ingevuld door iemand met een afgeronde studie architectuur en/of veel ervaring op het vakgebied van architectuur en stedenbouw. Voor de Adviseur A&Ok gelden qua opleiding en ervaring dus dezelfde eisen als voor een externe deskundige van de COk. b. De Adviseur A&Ok beoordeelt de bouwplannen die volgens figuur 1.1 als instap beoordelingsniveau B hebben. Daarnaast beoordeelt de Adviseur A&Ok bouwplannen die volgens figuur 1.1 beoordelingsniveau A hebben maar door de Casemanager Omgevingswet zijn opgeschaald naar beoordelingsniveau B. c.

Bij de bouwtypen ‘verbouw, kleine bouwplannen’ en ‘reclame’ vormen de objectieve richtlijnen uit hoofdstuk 5 de basis van de beoordeling. Als het plan voldoet aan die richtlijnen, is de welstandsbeoordeling afgerond en luidt de uitkomst positief. Als het plan niet voldoet aan de richtlijnen uit hoofdstuk 5 van de Nota RK, beoordeelt de Adviseur A&Ok of op basis van de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK toch een positief advies gegeven kan worden.

d. Bij de bouwtypen ‘verbouw, overige bouwplannen’ en ‘nieuwbouw (+ verbouw te vergelijken met nieuwbouw)’ vormen de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK de basis van de beoordeling. e. Als voor het gebied waarin het betreffende bouwplan ligt een Beeldkwaliteitsplan (BKP) van toepassing is, vormt dat het beoordelingskader i.p.v. de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK.

f.

Bij twijfel over de uitkomst van de beoordeling of bij een negatieve uitkomst, schaalt de Adviseur A&Ok het plan op naar beoordelingsniveau C.

g. Als de Adviseur A&Ok het bouwplan zelf beoordeelt, waarmerkt hij de ingediende stukken op basis waarvan de beoordeling van het bouwplan heeft plaatsgevonden met een datum en de uitkomst van de beoordeling. Bij een uitkomst die objectief uit de Nota RK te herleiden is, kan een nadere motivatie van het advies achterwege blijven. In de andere gevallen motiveert de Adviseur A&Ok het advies schriftelijk. h. De Adviseur A&Ok ontvangt van de Casemanager Omgevingswet de bouwplannen met als instap beoordelingsniveau C. Daarnaast bepaalt de Adviseur A&Ok welke bouwplannen hij opschaalt van beoordelingsniveau B naar C. Van dit geheel aan bouwplannen, bepaalt de Adviseur A&Ok welke bouwplannen direct (digitaal) doorgezet kunnen worden voor advies naar de AOk, en welke bouwplannen geagendeerd worden voor de voorbespreking met de AOk. De Adviseur A&Ok woont altijd de voorbesprekingen bij of zorgt hij voor een waardige vervanger. i.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=6222b2d1-728c-42cd-8d4a-190313bd3a6b