2021-399 Bijlage Transitievisie Warmte Nieuwegein 2021.pdf
Tekst van het document
Voor dat aardgas zoeken we een alternatief. Hoe hoger de leveringstemperatuur van dat alternatief, hoe minder er veranderd hoeft te worden aan de huidige situatie in onze woningen: het warmte-afgiftesysteem (radiatoren) en aan isolatie van de gebouwschil, omdat de temperatuur dan waarschijnlijk aansluit bij de huidige temperatuur die de CV-ketel levert en die de woning ook in de winter comfortabel verwarmt. Ook bij woningen aangesloten op de huidige stadsverwarming kan er verduurzaamd worden door te isoleren: door te besparen kunnen meer woningen worden voorzien van verwarming met dezelfde hoeveelheid warmte. De benodigde temperatuur in de woning is daarmee een van de belangrijkste bepalende eigenschappen voor de kosten van een alternatief voor aardgas. In het algemeen geldt voor een woning verwarmd met aardgas: hoe lager de aanvoertemperatuur van de warmte wordt, hoe
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 33 van 93
hoger de kosten van aanpassingen in de woning zijn, en hoe lager de kosten voor de (sterk afgenomen) energievraag nadien zijn. Hoe hoger de aanvoertemperatuur, hoe lager de (initiële) kosten aan de woning om deze goed warm te krijgen. Verschillende temperatuurniveaus We onderscheiden drie temperatuurniveaus wanneer we kijken naar alternatieven voor aardgas:
hoogtemperatuur (HT)warmtebronnen: diepe geothermie, restwarmte, biomassa, hernieuwbare gassen, doorgaans 70-90°C;
middentemperatuur (MT) warmtebronnen: ondiepe geothermie, restwarmte, doorgaans 40-70°C;
laagtemperatuur (LT) en zeer lage temperatuur (ZLT) warmtebronnen: grondwater, lucht, energie uit afvalwater, oppervlaktewater, doorgaans 10 tot maximaal 40°C.
In de volgende figuur staan verschillende voorbeelden van warmtetechnieken op een as van lage naar hoge temperatuur om een - indicatief - beeld te geven. De meeste varianten van omgevingswarmte hebben een relatief lage temperatuur.
Waterstof en groengas nog even niet Brandstoffen zoals waterstof en groengas11 kunnen door verbranding de hoogste temperatuur warmte opleveren. Dit is weliswaar aantrekkelijk, maar deze bronnen zijn nu en de komende jaren ook het meest schaars. Bovendien is de inzet van waterstof voor de verwarming van de gebouwde omgeving op dit moment nog niet aannemelijk. Er zijn andere terreinen die nog veel lastiger te verduurzamen zijn dan de gebouwde omgeving en die deze brandstoffen veel harder nodig hebben. Denk aan de mobiliteit (waterstof voor transport maar ook kerosine uit waterstof voor vliegtuigen),
11
Groengas is de duurzame variant van aardgas en wordt gemaakt door biogas op te waarderen tot het dezelfde kwaliteit heeft als aardgas
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 34 van 93
de chemische industrie, processen die hoge temperaturen nodig hebben (hoogovens) of de zware industrie. De verwachting op basis van een TNO-onderzoek12 van de huidige plannen is dat er pas na 2030 significante volumes (groene) waterstof13 beschikbaar zijn. Het is nog lastig te voorspellen tegen welke prijs waterstof daadwerkelijk beschikbaar komt en of deze prijs ook voor de gebouwde omgeving tot een betaalbare optie leidt. We sluiten daarom aan bij het ‘waterstofmanifest’ van de gemeente Utrecht. Dat betekent dat de gemeente duurzame gassen, zoals groene waterstof en groengas, op termijn als belangrijk onderdeel in het totale energiesysteem ziet, maar dat we op de korte termijn (tot 2030) geen grootschalige praktische en betaalbare toepassingsmogelijkheden in de gebouwde omgeving verwachten en daarmee waterstof en groengas als duurzame warmtebron uitsluiten. Zie voor het gehele manifest bijlage 4. In bijlage 2 bespreken we verschillende soorten bronnen in nader detail. Hybride warmtepomp Wanneer er gesproken wordt over een hybride warmtepomp (luchtwarmtepomp in combinatie met aardgas CV-ketel), dan is dat een mogelijke tussenoplossing op weg naar aardgasvrij en energieneutraal. Deze tussenoplossing naar hybride is mogelijk bij meerdere verwachte eindsituaties.
Zowel met bijvoorbeeld ‘all-electric met individuele warmtepomp' als bij de keuze voor een warmtenet als eindsituatie levert de hybride warmtepomp vanaf installatie direct CO 2reductie op ten opzichte van de situatie met alleen een aardgas CV-ketel. Doordat hybride warmtepomp een tussenoplossing is en een mogelijke extra stap van een nieuwe installatie, zorgt dit altijd voor extra kosten tot aan de eindsituatie. Het is een punt van zorg dat deze extra kosten voor een hybride warmtepomp er naar verwachting toe leiden dat er minder gedaan wordt aan structurele energiebesparing door bijvoorbeeld beter te isoleren. De energievraag zou dan niet verminderd worden en dat maakt energieneutraal worden moeilijker bereikbaar. Hybride warmtepomp-oplossing wordt in deze Transitievisie niet nader uitgewerkt omdat het, ook gelet op de onzekerheid over beschikbaarheid van duurzame gassen, niet tot een eindsituatie zonder CO2emissie leidt. Koeling In de Omgevingsvisie en de Visie Klimaatadaptatie spreekt de gemeente de ambitie uit om de stad klaar te maken voor klimaatverandering. Zo wil de gemeente in 2050 klimaatbestendig zijn. Dat wil zeggen dat de stad klaar is voor extreme neerslag afgewisseld met langdurige warme en droge periodes. Tijdens warme periodes – bijvoorbeeld een hittegolf – neemt de behoefte aan verkoeling toe.
De verwachting is dat de koeltebehoefte de komende jaren verder zal toenemen (Klimaatverbond, 2020)14. Omdat de koelbehoefte sterk kan verschillen per gebouw, is het (nu) niet verstandig om de warmte-infrastructuur van de koelbehoefte afhankelijk te maken. Tegelijkertijd staan we voor de opgave om de bestaande woningen ‘hittestressbestendig’ te maken. Dit gebeurt met het
12 13
TNO, Waterstof als optie voor een klimaatneutrale warmtevoorziening in de bestaande bouw (2020). Groene waterstof is waterstof die afkomstig is uit een hernieuwbare bron en die is geproduceerd met duurzame energie. De meeste waterstof wordt nog
geproduceerd met behulp van fossiele brandstoffen. Als de daarbij veroorzaakte uitstoot niet wordt afgevangen en opgeslagen heet dit grijze waterstof. Bij afvang en opslag van de uitstoot noemt men dit blauwe waterstof. 14
https://klimaatverbond.nl/actueel/stijgende-koeltebehoefte-grote-kans-voor-warmtetransitie/
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 35 van 93
toepassen van zogenaamde klimaatadaptieve maatregelen die zich richten op beschaduwing, warmtewering, ventilatie en verkoeling. Voor de bestaande gebouwde omgeving betekent dit het toepassen van ‘klimaatadaptieve’ maatregelen zoals het: - realiseren van groene (sedum)daken en groene gevels; - gebruik van warmtewerende (bouw)materialen; - toepassen van zonwering en/of zonwerend glas; - toepassen van nachtventilatie en (actieve) koeling in de woning; Het toepassen van airco’s willen we zoveel mogelijk vermijden. Tijdens warme dagen dragen deze namelijk bij aan een opwarming van de omgeving en dus aan de hittestress die inwoners ervaren. Ook bestaat het risico op toenemende geluidsoverlast. In relatie tot de Transitievisie Warmte (TVW) is een aantal aspecten kansrijk: a) het benutten van het momentum waarop gebouweigenaren aanpassingen doen ten behoeve van verduurzaming van het gebouw ook aangrijpen om bovenstaande maatregelen toe te passen om het gebouw klimaatbestendiger te maken; b) het – indien financieel en technisch haalbaar – inzetten op duurzame warmtevoorzieningen die zowel duurzaam kunnen verwarmen als verkoelen. Het liefst met een laag energiegebruik; c) bij de totstandkoming en uitvoering van de wijkontwikkelingsplannen gebouweigenaren en gebruikers informeren over een optimaal gebruik van het pand, zowel tijdens warme als koude periodes.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 36 van 93
Elektrisch koken en tapwater Bij de overstap naar volledig aardgasvrij hoort de overstap naar elektrisch koken. Hoewel dit voor bewoners soms voelt als een grote stap, vraagt koken slechts een geringe hoeveelheid van het totale aardgasverbruik in de woning; gemiddeld ca. 3%. Wat sowieso helpt bij de transitie naar aardgasvrij, is om bij aanschaf van een nieuwe keuken meteen over te gaan op elektrisch koken. En dat is tegenwoordig ook het advies van de verkoper van die keuken. Ook noodzakelijk bij de overstap naar aardasvrij is een tapwatervoorziening die kan verwarmen tot een niveau van zo’n 60 °C. Dit is nodig in verband met het bestrijden van de legionellabacterie. Dat kan betekenen dat er naast de ruimteverwarming op lage temperatuur, een tapwatervoorziening is die het tapwater opwaardeert tot de benodigde temperatuur.
Conclusie alternatieve warmteopties Om in 2040 uit te komen op energieneutraal is een grote vermindering van de warmtevraag noodzakelijk. Dat betekent isoleren, oftewel energie besparen, voor vrijwel iedereen. Bij mogelijke alternatieven voor aardgas bestaat er variatie in collectief of individueel, in de temperatuur van de verwarming en daarmee ook in de verdeling van de (latere) kosten. Groene waterstof en groengas wordt op termijn als belangrijk onderdeel in het totale energiesysteem gezien, maar op de termijn (tot 2030) wordt geen grootschalige praktische en betaalbare toepassingsmogelijkheid in de gebouwde omgeving verwacht. Groene waterstof en groengas komen terug in de (landelijke) modellen maar worden in Nieuwegein in deze TVW niet opgenomen als alternatief voor aardgas voor verwarming in de gebouwde omgeving. De informatie wordt in het volgende hoofdstuk gebruikt in de modellen. Na de uitgangspunten, de stand van nu en de verschillende alternatieven voor aardasgas, wordt in het volgende hoofdstuk het gebruik van (reken)modellen toegelicht.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 37 van 93
5. Starten met transitiemodellen Om gemeenten te ondersteunen in de warmtetransitie, worden op landelijk niveau modellen gebruikt en studies gedaan. Dat hielp gemeenten in de afgelopen periode op weg en dat maakte rapportages en berekeningen meer vergelijkbaar. Een model is altijd een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Voor de Nieuwegeinse route naar energieneutraal zijn de uitkomsten van drie – elkaar aanvullende – modellen en analyses gebruikt. Daarop bouwen we dan verder.
Meest kansrijk alternatief op wijkniveau Om te komen tot een ‘meest kansrijk alternatief’ (voor verwarming met aardgas) voor elke wijk streven we naar warmteopties met de meest gunstige verhouding van kosten en baten voor alle betrokkenen. De Transitievisie Warmte lost niet alle vragen rond de betaalbaarheid van de transitie op, maar sorteert wel voor op de meest betaalbare transitie. Dat doen we door per buurt de warmteoptie met de laagste nationale kosten te kiezen. Daaronder verstaan we alle kosten en baten die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Dat is nog niet het niveau van kosten voor iedere eindgebruiker. Daaraan gaan we wel rekenen, maar dat zal gebeuren in een volgende fase, die van het wijk specifiek plan of het ‘wijkuitvoeringsplan’. De vraag hoe de kosten voor de warmtetransitie eerlijk verdeeld worden en de roep om instrumenten die kunnen zorgen voor die eerlijke verdeling, zijn vraagstukken waar de Rijksoverheid zich over buigt en waar op nationaal niveau nu in de eerste wijkuitvoeringsplannen ervaring mee wordt opgedaan. Uiteindelijk maken we in Nieuwegein wel zelf de keuzes wat we gaan doen. In hoofdstuk 8 staan de stappen rondom besluitvorming door gemeenteraad en bewoners uitgewerkt Terug naar de laagste nationale kosten per warmtealternatief. Die bepalen we met een vergelijking van drie modelstudies:
De landelijke Startanalyse van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
Het Openingsbod 1.0 van Stedin voor haar gehele leveringsgebied
Het Integrale kostenmodel van DWA
Goed om te weten is dat elk van deze modellen kijkt naar een (CBS)wijk als geheel. Dat doet niet altijd recht aan de verschillen die er kunnen zijn binnen de bebouwing in een wijk. De landelijke Startanalyse van Planbureau voor de Leefomgeving De Startanalyse is een technisch-economische analyse van effecten en kosten van alternatieven – ‘strategieën’– om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Die analyse is uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving met behulp van rekenmodel Vesta MAIS15. Het Rijk heeft het PBL gevraagd de Startanalyse te maken, zodat gemeenten een transparant en openbaar instrument ter beschikking hebben voor ondersteuning van lokale besluitvorming. Dit is, zoals de naam zegt, een startpunt; geen eindbeeld. Aardgasvrij verwarmen kan volgens PBL met vijf
15
https://www.pbl.nl/modellen/vesta
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 38 van 93
strategieën, die per wijk uitgewerkt zijn. Per wijk, dus nog zonder respect voor het feit dat de aard van de bebouwing binnen een wijk nogal uiteen kan lopen. PBL komt voor alle wijken in Nederland tot vijf strategieën op basis van: 1
Een individuele elektrische warmtepomp
2
Een warmtenet met midden- tot hoge temperatuurbron
3
Een warmtenet met lage temperatuurbron
4
Groengas
5
Groene waterstof
Beperkte waarde PBL Startanalyse voor Nieuwegein Een belangrijk punt van aandacht is dat de PBL Startanalyse uitgaat van een zekere hoeveelheid duurzaam gas die beschikbaar gaat komen voor de gebouwde omgeving in Nederland. Deze is verdeeld over de buurten in gemeentes in Nederland, waar het verschil in kosten met alle andere opties het grootst is. In alle gemeenten zijn er daarom enkele buurten waar groengas als ‘laagste kosten’-optie uit het model komt. In Nieuwegein is dat ook het geval. De wijken waar groengas de eerste optie is, kunnen gezien worden als die gebieden waar de warmtetransitie volgens het model de hoogste kosten zal hebben ten opzichte van andere wijken. Voor deze wijken is veelal een warmtenet de eerstvolgende goedkoopste optie. Dat is relevant, omdat Nieuwegein groengas en groene waterstof beschouwt als een brandstof die we beter kunnen gebruiken in de industrie en de mobiliteit, zoals we hiervoor al schetsten. Verder is een grote beperking van de PBL Startanalyse dat het geen rekening houdt met een reeds aanwezig stadsverwarmingsnet zoals het warmtenet Utrecht/Nieuwegein. De PBL strategieën 2 en 3 gaan weliswaar over warmtenetten maar over nieuw aan te leggen warmtenetten en niet over bestaande warmtenetten als het warmtenet Utrecht/Nieuwegein. Het model gaat uit van de aanwezigheid van aardgas-infrastructuur bij alle woningen.
De mogelijkheid van het gebruiken van stadswarmte die bijvoorbeeld aanwezig is in een aangrenzende wijk is in dit model geen optie.
In de verdere uitwerking per buurt, zal altijd opnieuw berekend worden of het gekozen scenario ook het meest optimale en gewenste is voor de gebruikers. Het PBL-model heeft vanwege deze twee beperkingen voor Nieuwegein een beperkte waarde. We combineren het PBL-model daarom aan met de twee modellen van Stedin en van DWA. Het openingsbod van Stedin Het ‘Openingsbod Warmtetransitie’ van netbeheerder Stedin laat zien voor welke buurten op korte termijn toekomstbestendige keuzes voor aardgasvrij wonen, werken en leven gemaakt kunnen worden. De uitkomst van het Openingsbod komt tot stand door de rekenkracht van een aantal energietransitiemodellen te combineren. Door te kijken naar de overlap tussen de modellen ontstaat een beeld voor kansrijke warmteopties in het verzorgingsgebied van Stedin (waar gemeente Nieuwegein ook in ligt). Voor sommige buurten is dit beeld robuust terwijl voor andere buurten een eenduidige eindoplossing op dit moment nog niet robuust is. De robuustheid is weergegeven op een schaal met 1 tot 3 plusjes (‘+’), waarbij 3 het meest robuust is. Een minpunt van het Openingsbod is dat het beperkt rekening houdt met een reeds aanwezig stadsverwarmingsnet. De mogelijkheid van het gebruiken van stadswarmte die bijvoorbeeld aanwezig is in een aangrenzende wijk is in dit model geen optie. Op de kaart in bijlage 7 staan de
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 39 van 93
uitkomsten van het model van Stedin. Ook hierin staat duurzaam gas nog genoemd als warmtebron voor een groot deel van de stad. Dat zien we op dit moment niet als kansrijk perspectief voor de stad. Het Integrale kostenmodel van DWA Een belangrijk selectiecriterium voor het starten in een wijk is: de kosten van het alternatief, met name van alternatieven ten opzichte van elkaar. In aanvulling op de voorgaande twee modellen, bepalen we met het DWA Integrale kostenmodel ook de kostenafstand: de afstand in de (totale) kosten voor een warmtealternatief. Hoe groter het verschil in kosten met het eerstvolgende alternatief, hoe robuuster of aannemelijker het meest kansrijke alternatief is. De kans is dan immers zeer klein dat bij een veranderingen van variabelen het meest kansrijke alternatief ineens erg onzeker wordt. Een minpunt van het DWA-model is dat het geen rekening houdt met een reeds aanwezig stadswarmtenet. De mogelijkheid van lagere kosten door het gebruiken van stadswarmte die bijvoorbeeld aanwezig is in een aangrenzende wijk, is in dit model niet meegenomen. Per CBS-buurt laat het model zien welk alternatief voor aardgas de laagste kosten heeft door de berekende kosten per alternatief te vergelijken.
We doen dit op basis van ‘integrale kosten’: we tellen alle werkelijke kosten die gemaakt worden bij elkaar op in de vorm van jaarlasten, zoals investeringen in de woning en in het netwerk, jaarlijkse energielasten en onderhoud. Zo is goed zichtbaar welke optie de maatschappij het minste kost, onafhankelijk van wie dit betaalt. De uitkomst van het DWA-model is dat in bijna alle wijken van Nieuwegein een collectief warmtenet de goedkoopste optie zou zijn (uitzondering zijn de bedrijventerreinen), maar voor sommige wijken geldt dat een individuele oplossing met warmtepompen maar een klein beetje duurder is; het kostenverschil (de kostenafstand) tot dit alternatief is relatief klein. Voor weer andere wijken geldt juist dat die individuele oplossing eigenlijk niet haalbaar is; het kostenverschil met het gebruik van warmtepompen is erg groot. Voor die wijken lijkt het warmtenet het meest kansrijk, veel kansrijker dan de wijken waar het niet veel uitmaakt. De kostenafstand gebruiken we om de robuustheid van de uitkomsten aan te geven. De robuustheid is in de tabel hierna ook weergegeven op een schaal met 1 tot 3 plusjes (‘+’).
Conclusie over drie modellen De uitkomsten van de drie modellen zijn hieronder in de tabel weergegeven. Wat de modellen gemeen hebben, is dat de mogelijk lagere kosten door aanwezigheid van stadswarmte niet ‘meegerekend’ kon worden. Stadswarmte is wél van invloed op de kansrijkheid. Het aandeel stadswarmte per wijk is daarom als percentage van de aangesloten woningen meegenomen bij de beoordeling van de meest kansrijke optie voor duurzame verwarming. Een belangrijk verschil is dat de PBL Startanalyse en het Openingsbod van Stedin uitgaan van een zekere hoeveelheid duurzaam gas die beschikbaar gaat komen voor de gebouwde omgeving in Nederland. De wijken in Nieuwegein waar groengas de eerste optie is in deze modellen, kunnen gezien worden als die wijken waar de warmtetransitie volgens het model de hoogste kosten zal hebben ten opzichte van andere wijken. Voor deze wijken is veelal een warmtenet de eerstvolgende goedkoopste optie. Dat is relevant, omdat we groengas beschouwen als een brandstof die we beter kunnen gebruiken in de industrie en de mobiliteit. In de uitkomsten van het DWA-model, waarin groengas geen doorgerekende optie is, zien we dan ook dat voor dezelfde gebieden in Nieuwegein een warmtenet de eerste optie is.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 40 van 93
Perspectief per wijk volgt uit combinatie van 3 modeluitkomsten Wanneer we de modellen naast elkaar zetten zoals in de onderstaande tabel, volgt uit de combinatie voor die wijk een ‘route’ op weg naar een energieneutraal Nieuwegein. Er worden in totaal zes mogelijke routes onderscheiden. Op de schaal van de wijk is deze route voor het grootste deel van de wijk het meest kansrijke alternatief voor aardgas. Deze route biedt voor iedere wijk een perspectief over wat er in die wijk volgens de modeluitkomsten voor de laagste nationale kosten gerealiseerd kan worden. De combinaties van de modeluitkomsten en de aanwezigheid van stadsverwarming die leiden tot de conclusie voor de beste warmteoplossing als aardagasalternatief kan als volgt worden beschreven. Indien het DWA-model de uitkomst ‘collectief’ met voldoende robuustheid aangeeft, en de andere modellen géén all-electric, dan leidt dat tot Route 2: collectieve oplossing kansrijk. Is er met deze uitkomsten ook nog stadswarmte aanwezig bij meer dan 60% van de woningen, dan leidt dat tot Route 1: Bestaande collectieve oplossing. Wanneer DWA de uitkomst ‘Individueel Allelectric’ aangeeft, er geen stadswarmte is, én de andere modellen dat bevestigen, leidt dat tot Route 3: Individuele oplossing.
Indien DWA de uitkomst ‘collectief’ met weinig robuustheid aangeeft en er geen stadswarmte aanwezig is, dan leidt dat tot Route 5: Onvoldoende zeker eindbeeld. De conclusies uit de drie modellen voor de wijken met nu al (vrijwel) 100% stadswarmte, voor de ontwikkelgebieden City en Rijnhuizen én voor de bedrijventerreinen worden voor deze Transitievisie niet gebruikt en staan daarom niet weergegeven. Voor deze wijken zijn de respectievelijke routes Route 1: Bestaande collectieve oplossing, Route 4 Ontwikkelgebieden en Route 6 Bedrijventerreinen. Zoals hiervoor beschreven werken deze modellen alle drie anders, en worden er net even andere termen gebruikt. De uitkomsten staan hieronder wel in dezelfde benaming weergegeven.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 41 van 93
circa 75%
Legenda: Duurzaam gas = groengas / duurzaam gas
+
= geringe afstand tot alternatief, weinig
robuust Collectief = collectief (warmtenet LT/MT/HT) ++
= duidelijke afstand tot alternatief, matig
robuust All-Electric = individueel All-Electric
+++
= grote afstand tot alternatief, meest
robuust
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 42 van 93
Route 1. Bestaande collectieve oplossing In deze buurten zijn vrijwel alle woningen aangesloten op stadswarmte, ofwel de conclusies uit de modellen is dat collectief hier de meest kansrijke oplossing is én al voor 60% of meer van de bestaande bebouwing is aangesloten op stadswarmte (van Eneco). Dit zijn de wijken Galecop, Blokhoeve, Batau-Noord, Merwestein, Fokkesteeg, Doorslag, en Lekboulevard. Route 2. Collectieve oplossing kansrijk Dit zijn buurten en wijken die nu niet of slechts voor een kleiner deel aangesloten zijn op het bestaande warmtenet, maar waar een collectieve oplossing met afstand het meest kansrijke alternatief is. Dat geldt voor Zuilenstein, Jutphaas Wijkersloot, Batau-Zuid, Zandveld en Hoog Zandveld. Route 3. Individuele oplossing organiseren Dit zijn wijken waar een collectieve oplossing zó onwaarschijnlijk is, dat met relatieve zekerheid gesteld kan worden dat gebouwen hier in de toekomst van een individuele energievoorziening afhankelijk zijn. We zien dat bij Park Oudegein en voor Hogelanden. Route 4. Ontwikkelgebieden City (Stadscentrum) en Rijnhuizen zijn wat we noemen ‘ontwikkelgebieden’. Hierover zijn de analyses met de bestaande bebouwing niet van toepassing vanwege de (her)ontwikkeling. Hiervoor zijn we aan de hand van de actuele ontwikkelambitie in gesprek met de stad en met onze partners over een duurzame en aardgasvrije warmtevoorziening.
Route 5. Onvoldoende zeker eindbeeld Voor Huis De Geer en Vreeswijk is het beeld nog niet eenduidig. Het verschil in de modeluitkomsten is te klein om het meest kansrijke alternatief te bepalen. Omdat we deze Transitievisie minimaal elke vijf jaar gaan herijken, kan het zijn dat bij een volgende analyse meer duidelijkheid ontstaat over het eindbeeld voor deze wijken. Route 6. Bedrijventerreinen De Wiers, Liesbosch (Laagraven), Plettenburg en Het Klooster zijn een aparte categorie ‘wijken’, die op termijn vanzelfsprekend ook verduurzaamd gaan worden. Dat vraagt per terrein een individuele aanpak, die zal samenhangen met de energiebehoefte van de bedrijfsprocessen die er plaatsvinden. De gebruikte modellen zijn niet geschikt om de diversiteit van gebouwen (voor bijvoorbeeld productie, logistiek of kantoor) goed te analyseren. Bedrijventerreinen maken voor nu een beperkt onderdeel uit van deze eerste Transitievisie Warmte.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 43 van 93
In dit hoofdstuk hebben we de routes per wijk toegelicht. In het volgende hoofdstuk gaan we op zoek naar een antwoord op de vraag in welke wijk(en) het met deze kennis kansrijk is om te gaan starten. Starten met een gesprek met de buurt en belanghebbenden over de transitie naar aardgasvrij.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 44 van 93
Nieuwe buurtindeling Nieuwegein Wat opvalt aan de kaarten in dit hoofdstuk, is dat ze minder fijnmazig zijn dan de meest recente buurtindeling van Nieuwegein: de stad heeft vrij weinig – en daarmee erg grote – (CBS)buurten voor een gemeente van deze omvang. Een verandering van de buurtgrenzen is in 2020 doorgegeven aan CBS en Kadaster. In de TVW 2021 worden nu nog de oude buurtgrenzen aangehouden. Redenen daarvoor zijn: 1
CBS heeft de buurten nog niet aangepast. CBS brengt allerlei data van gemeenten, wijken en buurten in kaart. Dit doet het met de wijkindeling aan het begin van het kalenderjaar. Zo kan gedurende het jaar data verzameld worden. Wanneer een gemeente in de loop van 2020 de buurtgrenzen wijzigt, zal pas in 2021 met de data voor deze nieuwe wijken worden gerekend. Deze komen in 2022 beschikbaar. Deze overgangsperiode is lastig voor gemeenten, aangezien de verandering dus pas in 2022 waar te nemen is in de data.
2
De analyses van PBL en DWA draaien op openbare data, waaronder de data van het CBS. Het is mogelijk buurten te wijzigen in ons model, maar omdat de input onveranderd is zal dit niet veel invloed hebben op de uitkomsten. Het maken van deze analyses kost veel tijd.
3
Een andere wijkindeling is moeilijk te vergelijken met andere analyses als de startanalyse of analyses van CBS.
4
De Transitievisie warmte wordt (minimaal) elke 5 jaar herzien. Bij de volgende versie worden de nieuwe buurten dan gebruikt.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 45 van 93
6. Koppelkansen In het vorige hoofdstuk is er met de modellen gezocht naar het meest kansrijke alternatief. In dit hoofdstuk wordt gezocht naar de meest kansrijke situaties om te starten met de transitie naar aardgasvrij en energieneutraal. Dat bepalen we met name door te inventariseren of concrete aanleidingen oftewel ‘meekoppelkansen’ een reden kunnen zijn om met een buurt aan de slag te gaan en een wijkuitvoeringsplan te ontwikkelen. In hoofdstuk 3 (stand van nu) kwamen die al kort aan de orde. Koppelen van acties en aanleidingen in een wijk doen we omdat we als uitgangspunt hebben dat we bewoners zo min mogelijk overlast (om en in het huis) willen opzadelen en omdat het koppelen van werkzaamheden efficiënt is en geld zou kunnen besparen. Koppelen van actie en aanleidingen in een wijk kunnen ook zeker zijn inwonersinitiatieven om tot een duurzamere warmtevoorziening te komen. In overleg met de groep betrokken stakeholders hebben we deze meekoppelkansen geïnventariseerd en gedefinieerd. Die beschrijven we hierna. Door de uitgangspunten, modeluitkomsten en meekoppelkansen ‘bij elkaar op te tellen’, wordt zichtbaar welke situaties in welke wijken in Nieuwegein kansrijk zijn om over in gesprek te gaan als startgebieden. Dat samenvoegen doen we in het hoofdstuk hierna.
Koppelkansen benutten betekent mogelijk ook dat de mogelijk te combineren kansen van het initiële plan gaan afwijken, bijvoorbeeld door eerder of later te beginnen. Het bereiken van lagere kosten of minder werkzaamheden vraagt meer flexibiliteit en aandacht in de voorbereiding.
Welke meekoppelkansen zijn er? Meekoppelkansen die we identificeren zijn:
Renovaties in de openbare ruimte
Energiebesparingspotentie koopwoningen
Bezit en renovatieplannen woningcorporaties
Actieve bewoners en lokale initiatieven
Werkzaamheden aan het warmtenet
Beschikbaarheid (landelijke) subsidies
Deze worden hieronder per paragraaf toegelicht. Dat er sprake is van een koppelkans betekent niet altijd dat iedere kans benut gaat worden. Over tijd zullen
Geplande werkzaamheden
zich ook andere nieuwe kansen
Bron: Gemeente Nieuwegein (2018)
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 46 van 93
voordoen die nu niet meegenomen zijn. Of ontwikkelingen gaan sneller of minder snel dan nu verwacht. Dergelijke veranderingen zijn van groot belang in het co-creatieproces of traject dat kan volgen op deze Transitievisie. Renovaties in de openbare ruimte Geplande werkzaamheden aan straten, riolering of waterleidingen zijn goedkoper als deze gezamenlijk uitgevoerd kunnen worden. Dat geldt ook voor de aanleg van een warmtenet of de verzwaring van het elektriciteitsnet. Daarnaast leidt grondroering bij bepaalde soorten gasleidingen tot het (voortijdig) vervangen hiervan. Vervanging van aardgasleidingen moet zoveel mogelijk vermeden worden: leidingen die voortijdig afgeschreven moeten worden in de periode tussen 2035 en 2050, veroorzaken een grote kostenpost voor de maatschappij. Sinds enkele jaren werkt Nieuwegein met het programma Betere Buurten, een programma om de buitenruimte in Nieuwegeinse jaren ’70 en ’80 buurten duurzaam te vernieuwen, zodat bewoners ook in de toekomst prettig in hun buurt kunnen wonen. Samen werken we aan een groenere buurt waar jong en oud zich thuis voelt en waar het toegankelijk, schoon en veilig is. We richten de buurten zo in dat deze de gevolgen van klimaatverandering goed kunnen opvangen. Deze herinrichting is een belangrijke ‘koppelkans’ voor de warmtetransitie.
Energiebesparingspotentie koopwoningen Ongeveer tweederde van de woningen in Nieuwegein bestaat uit koopwoningen. Het CBS heeft een studie gedaan naar de waarschijnlijkheid dat mensen uit de doelgroep die bereid zijn te investeren in energiebesparende maatregelen, op basis van sociaal-economische factoren en bouwkundige eigenschappen van de woningen in die buurt. Een wijk met veel koopwoningen in deze doelgroep is kansrijk, omdat dat deel van de inwoners de middelen en de aanleiding heeft om hun huis te verduurzamen. Op de kaart ‘CBS besparingspotentie’ is de potentie op het niveau van de wijk weergegeven. Bezit en renovatieplannen woningcorporaties De woningbouwcorporaties leveren een belangrijke bijdrage aan het doel dat er
CBS besparingspotentie
voldoende betaalbare, kwalitatief goede
Bron: CBS (2018)
woningen in Nieuwegein zijn en het inlopen op het nog steeds bestaande woningtekort. Goed geïsoleerde energiezuinige woningen met daarbij horende lage energielasten en energiecomfort dragen bij aan die
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 47 van 93
doelen van de woningbouwcorporaties. In de verwachting dat de aardgasprijs via CO2-beprijzing omhoog gaat, is het dan ook zinvol over te schakelen op CO2vrije duurzame warmtebronnen. Renovatieplannen van de woningcorporatie zijn een belangrijke koppelkans. De woningcorporaties zijn belangrijke gesprekspartners van de gemeente omdat zij zeggenschap hebben over de aanpak van grotere aantallen woningen, ruim 8.500 in de gemeente16. Als die woningen als project of bouwblok op enig moment aan groot onderhoud toe zijn, is dat het juiste moment om met de betreffende wijk in gesprek te gaan over de warmtetransitie, bijvoorbeeld over betere woningisolatie en dus minder warmtegebruik, waardoor met dezelfde hoeveelheid warmte meer woningen kunnen worden verwarmd. In
Woningcorporatiebezit Nieuwegein Bron: Portaal, Mitros, Jutphaas (2019, 2021)
Nieuwegein is een deel van de woningen van de woningcorporaties al aangesloten op het warmtenet. Deze woningen zijn dus niet op aardgas aangesloten, mogelijk zijn er nog wel duurzame maatregelen te kiezen om het energieverbruik van de woningen terug te brengen (zoals isolatie). Actieve inwoners en lokale initiatieven Naast fysieke werkzaamheden die toch al gaan plaatsvinden, kan ook gekeken worden naar de bereidheid (op termijn) van inwoners over te gaan op een alternatief voor aardgas. Zeer belangrijk zijn de inwoners die al op één of andere manier bezig zijn met de transitie en die bijvoorbeeld interesse hebben getoond in het isoleren van hun huis (of dit al gedaan hebben). Hoe groter het aandeel van deze mensen in een wijk, hoe meer aanjagers er kunnen zijn om de transitie in een buurt te realiseren. Dergelijke kleine of grotere initiatieven zijn een duidelijke kans voor een buurt of wijk. Werkzaamheden aan stadswarmte Geplande werkzaamheden aan het bestaande warmtenet kunnen een reden zijn om te onderzoeken of er een koppelkans is. Juist als er in dat gebied al een hoge maar nog geen 100% aansluitingsgraad is. Dit zou zowel kunnen bij werkzaamheden van Eneco alsook in de omgeving van nieuwe aansluitingen van nieuwbouw of bestaande bouw. Het is onlogisch om willekeurige wijken in Nieuwegein aan te sluiten zonder te kijken naar de geografische verdeling.
We leggen daarom de uitkomsten uit de analyse van koppelkansen naast de locatie en aansluitingsgraad van het bestaande warmtenet.
16
https://rwu-utrecht.nl/wp-content/uploads/2020/07/RWU-Regionale-Corporatiemonitor-2020.pdf
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 48 van 93
Beschikbaarheid landelijke en provinciale subsidies De Rijksoverheid is continu bezig om alle spelers die bezig zijn met de verduurzaming van hun bezit (bewoners, VvE’s en verhuurders17) te stimuleren om aan de slag te gaan. Daarnaast zijn er regelingen die raken aan verduurzaming, of daar kansen voor bieden. Denk aan het programma Vitale Wijken en het Fonds Volkshuisvesting. Specifieke bruikbaarheid van een subsidie voor een situatie in Nieuwegein kan aanleiding zijn om te starten met onderzoeken of er een koppeling met verduurzaming en vermindering aardgasgebruik mogelijk is.
Conclusie Meekoppelkansen Er zijn verschillende koppelkansen of ‘aanleidingen’ om te kunnen starten met een buurt en om die op deze manier gefaseerd naar energieneutraal, aardgasvrij of naar aardgasvrij-ready in 2030 te brengen. Daarnaast hebben we nu in beeld dat wanneer er in een buurt bijvoorbeeld bewonersinitiatieven zijn of er andere grootschalige ontwikkelingen op stapel staan, we deze gebruiken als koppelkans voor de energietransitie. Dat er sprake is van een koppelkans betekent niet altijd dat iedere kans benut gaat worden, maar kansen zijn er zeker. In de trajecten volgend op deze Transitievisie wordt dat specifieker per situatie.
17
Zie bijvoorbeeld alle regelingen in de brief: Stand van zaken Klimaatakkoord Gebouwde omgeving | Brief | Rijksoverheid.nl
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 49 van 93
7. Aan de slag in de stad; een handelingsperspectief We hebben scherp wat we belangrijk vinden (de uitgangspunten), wat de drie modellen adviseren en waar er (ruimtelijk) koppelkansen zijn als aanleiding om in een wijk te gaan starten met de warmtetransitie. De doelstelling met deze transitievisie is tweeledig. Ten eerste om voor alle wijken in Nieuwegein het handelingsperspectief aan te geven. Dat is het meest kansrijke alternatief voor aardgas, realistisch en gebaseerd op de laagste kosten per wijk. Ten tweede is het doel om aan te geven in welke gebieden en met welke trajecten er gestart zou kunnen worden met het verduurzamen van de woningen en gebouwen. Het startmoment zal ruim voor 2030 liggen en verschilt per gebied of traject. Om in de praktijk betere stappen te zetten, in dit hoofdstuk ook aandacht voor de samenwerkingen die de gemeente wil versterken.
Handelingsperspectief per route (voor iedere wijk als geheel) Op basis van de analyse van de drie modellen kwamen we tot verduurzamingsroutes per wijk (hoofdstuk 5). Elk van die routes beschrijven we hierna, inclusief een eerste handelingsperspectief als het gaat om de verduurzamingsstappen die bewoners en eigenaren al kunnen nemen. Voor elk van de wijken bij één Route is straks wellicht een vergelijkbare werkwijze kansrijk. Waar het gaat om energiebesparing, verwijzen we bovendien naar bijlage 6, waar concrete stappen uitgewerkt staan. Route 1. Bestaande collectieve oplossing In deze buurten is bijna alle bestaande bebouwing al aangesloten op een warmtenet van Eneco. Dit zijn de wijken Galecop, Merwestein, Fokkesteeg, Blokhoeve en Lekboulevard. Tevens geldt deze route voor twee wijken waar de collectieve oplossing het meest kansrijk is én meer dan 60% van de gebouwen op dit moment op het warmtenet is aangesloten. Dat zijn de wijken Batau-Noord en Doorslag. Warmtebedrijf Eneco heeft de ambitie het bestaande warmtevoorziening in 2035 te verduurzaamd te hebben18. Zie een uitgebreidere toelichting hierop ook bijlage 5. Het starten of uitbreiden van isolatiemaatregelen aan de woning om de energievraag te verkleinen, is hier voor alle woningen van toepassing.
Voor de woningen die nog op het aardgas zijn aangesloten, is het logische voorkeursalternatief –naast alvast gaan isoleren– een aansluiting op het warmtenet. In de wijkuitvoeringsplannen gaan we hier, samen met bewoners en alle andere betrokkenen, nader onderzoek naar doen en hier uitvoering aan geven. Route 2. Collectieve oplossing kansrijk Dit zijn buurten en wijken waar een nieuw te ontwikkelen collectieve oplossing in de toekomst het meest kansrijk is. Dat geldt voor Hoog Zandveld, Batau-Zuid, Zuilenstein, Zandveld en Jutphaas Wijkersloot. Voor deze gebieden is starten of uitbreiden van de isolatiemaatregelen altijd relevant. Bij de woningen van vóór 1945 is vaak maatwerk nodig. Soms vanwege het beschermd 18
https://nieuws.eneco.nl/eneco-en-zijn-klanten-klimaatneutraal-in-2035/
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 50 van 93
stadsgezicht, vaak omdat standaard of seriematige oplossingen niet van toepassing zijn. Voor enkele van deze wijken geldt dat er een leiding van het warmtenet of aanwezig is of langs de wijk loopt, of dat een deel van de wijk al is aangesloten op het warmtenet (zoals in Zuilenstein, Jutphaas Wijkersloot, Zandveld). Deze aanwezigheid is echter onvoldoende reden om de bestaande stadswarmte het meest kansrijk alternatief te laten zijn. De collectieve oplossing in deze wijken zou stadswarmte kunnen zijn, of juist een andere collectieve warmteoplossing. Als er in één van deze gebieden gestart gaat worden met een traject, zullen bewoners nadrukkelijk mee bepalen welke vormen er nader onderzocht en uitgewerkt gaan worden. Route 3. Individuele oplossing organiseren In de groene gebieden Park Oudegein, De Hogelanden en in de buitengebieden van onder andere Laagraven en Het Klooster bestaat relatief weinig bebouwing. Het is daarom niet waarschijnlijk dat een groter collectief systeem daar rendabel is te ontwikkelen. Een individuele oplossing ligt hier voor de hand. Starten of uitbreiden van de isolatiemaatregelen aan het gebouw is een belangrijke actie om de energievraag kleiner te maken. Mogelijk nu al in combinatie met een duurzame warmtebron.
Route 4: Ontwikkelgebieden Voor de ontwikkelgebieden Rijnhuizen en City (Stadscentrum) zijn gebiedsvisies opgesteld waarin energiezuinige en energieneutrale nieuwbouw is vastgelegd. De ontwikkeling van duurzame warmtebronnen voor deze gebieden kan ook een kans opleveren voor omwonenden om ook van deze bronnen gebruik te maken. In deze groep vallen de wijken City en Rijnhuizen, met uitzondering van de bestaande woningen in die gebieden. In deze ontwikkelgebieden wordt aardgasloze nieuwbouw gerealiseerd en worden hoge duurzaamheidseisen meegegeven. Overigens is alle nieuwbouw sinds de wetwijziging in 2018 aardgasloos. Het is de bedoeling dat de gebieden na realisatie positief bijdragen aan het doel energieneutraal Nieuwegein 2040. Route 5. Onvoldoende zeker eindbeeld Voor de woningen in Huis De Geer en Vreeswijk is het voorkeursalternatief nog niet duidelijk. De modeluitkomsten bij deze wijken zijn het minst robuust. Omdat we deze Transitievisie minimaal elke vijf jaar gaan herijken, kan het zijn dat bij een volgende analyse meer duidelijkheid ontstaat over het eindbeeld voor deze wijken. Starten of uitbreiden van de isolatiemaatregelen aan het gebouw is ook voor deze wijken een belangrijke actie om de energievraag kleiner te maken. In bijlage 6 staan concrete stappen hiervoor uitgewerkt. Route 6.
Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen Liesbosch (Laagraven), Het Klooster, De Wiers en Plettenburg zijn een andere, al eerder benoemde, bijzondere groep. Bedrijventerreinen volgen een eigen ‘transitiepad’ met veelal maatwerk. De warmtevraag van bedrijven verschilt, afhankelijk van de functie van het bedrijf. Sommige bedrijven hebben geen of minimale warmtevraag, zoals opslagloodsen, anderen hebben juist een koeling- of koudevraag, zoals kantoren, datacentra of vrieshallen en weer andere bedrijven hebben hoge temperatuur nodig voor bedrijfsprocessen. Veel bedrijven maken momenteel al werk van energiebesparing, omdat er voor bedrijven al energieregels zijn vanuit de Wet milieubeheer. Het ligt voor de hand dat losstaande gebouwen en bedrijfspanden aan de slag gaan met isolatiemaatregelen om de energievraag kleiner te maken. Het selecteren van een alternatief voor aardgas om daarmee de CO2-uitstoot te verminderen, komt op een later moment in de volgende versie van de Transitievisie Warmte Nieuwegein. De TVW wordt immers elke vijf jaar geactualiseerd.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 51 van 93
We zorgen dat we de komende jaren een beter beeld krijgen van de warmte- en koudevraag van bedrijfsonderdelen naast verwarming en koeling van kantoorruimtes en het gebruik van aardgas welke wordt ingezet voor de productie.
Starten vóór 2030 – Tien kansrijke startprojecten Waar is het dan nu kansrijk en realistisch om concreet te starten de komende jaren? Met de blik op 2040 voor Nieuwegein en op 2050 voor heel Nederland is het belangrijk om te beginnen en ervaring op te doen. Om de doelstellingen te behalen zullen er in vele gebouwen en woningen aanpassingen nodig zijn. We kiezen daarom voor tien kansrijke ‘startprojecten’ met elk een verschillende beginsituatie, een andere aanpak en een andere (meest kansrijke) oplossing of verduurzamingsstap (zowel isoleren als geheel aardgasvrij, maar ook betere afspraken maken gericht op verduurzaming). Zo doen we veel verschillende ervaringen op, die we kunnen doorvertalen naar de latere werkwijze in vergelijkbare wijken en wijktypen uit de categorieën hiervoor. Een belangrijke noot bij het identificeren van kansrijke startgebieden is dat er niet steeds sprake is of hoeft te zijn van een gehele wijk of buurt die in het geheel van het aardgas gaat of dezelfde maatregelen treft. Dit kan ook een deel van de wijk of buurt zijn, waarvoor de aanleiding het grootst is. De rest volgt dan, wellicht, stap voor stap. De wijk/buurt is simpelweg het startpunt voor het gesprek. Kortom: we sluiten aan bij wat er speelt in (een substantieel deel van) de wijk en in de buurt. Er loopt al een initiatief of één van de stakeholders is al bezig in de stad. 1.
Betere Buurt Gebouwendrift19 Het doel van het Betere Buurten-programma beschreven we al: de buitenruimte in Nieuwegeinse jaren ’70 en ’80 buurten duurzaam te vernieuwen. De gemeente zal eind 2021 starten met de eerste gesprekken in deze buurt. Ook bestaat er in de buurt Gebouwendrift veel corporatiebezit van Jutphaas Wonen dat zij de komende jaren verder willen verduurzamen. Eneco kan hier mogelijk het warmtenet uitbreiden zoals gevraagd door Jutphaas. Jutphaas en Eneco zijn de ‘startmotor voor de huursector’20 voor dit gebied. Nu deze ontwikkeling er is, kunnen we deze benutten en opschalen om voor de gehele buurt tot verduurzaming te komen. Verduurzaming wordt dan onderdeel van Betere Buurten. Bij een mogelijk koppeling zoals deze is flexibiliteit van belang om uiteindelijk gezamenlijk lagere kosten en een efficiëntere werkwijze mogelijk te maken. Bijvoorbeeld: de projectduur van Betere Buurten is mogelijk anders dan de projectduur voor verduurzaming van de woningen in het gebied, goede afstemming is dus noodzakelijk. 2. Betere Buurt Muntplein De buurt Muntplein is ook een Betere Buurt, reeds zonder aardgas want aangesloten op stadswarmte. Het blijkt uit CBS gegevens dat hier nog een duidelijke vermindering van het energiegebruik mogelijk is door verbetering van de woningen. Hier starten we met een isolatieprogramma, omdat hier energie is voor een collectieve aanpak.
Het gaat dan met namen om het VvE-bezit; zo’n 100 appartementen die een grote sprong maken in comfort en in 19
In wijk Batau Zuid; het wijkniveau is in dit geval niet de optimale schaal om te starten. 20 Zie Kamerbrief “ 2020BetreftStand van zaken Klimaatakkoord Gebouwde Omgeving” van 28 september 2020
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 52 van 93
energiebesparing wanneer we daar door besparingsmaatregelen de warmtevraag terugdringen en de woning verbeteren. 3. Wijktraject Zandveld In de wijk Zandveld is een collectieve oplossing het meest kansrijke alternatief, met zelfs de meest robuuste modeluitkomst van alle wijken. In deze wijk zijn geen woningen of gebouwen aangesloten op stadswarmte waardoor de mogelijke alternatieven goed te vergelijken zijn. Met een aantal van iets minder dan 1.000 woningen is Zandveld een van de kleinere wijken in Nieuwegein, en dat maakt een traject samen met de hele wijk meer realistisch. Naast de bewoners zal ook Woningcorporatie Mitros een belangrijke partij zijn in de samenwerking, vanwege het aandeel woningen van deze corporatie in de wijk. In dit gebied gaan we samen met alle betrokkenen in de buurt, aan de slag met het maken van het Wijkuitvoeringsplan, waarin we onderzoeken of en hoe we de verduurzaming kunnen gaan realiseren. Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn betaalbaarheid, keuzevrijheid, overlast beperken en transparante communicatie. 4. Wijktraject Doorslag In de wijk Doorslag is volgens de modeluitkomsten een collectieve oplossing het meest kansrijk. Het warmtenet van Eneco ligt in de wijk, waar ruim 60% van de woningen ook op aangesloten is. Dat maakt dat aan gaan sluiten op de bestaande stadswarmte voor deze wijk de Route is.
In dit gebied gaan we het gesprek met bewoners aan om samen aan de slag te gaan met het Wijkuitvoeringsplan, waarin we ook andere kansrijke collectieve oplossingen bespreken en gaan onderzoeken. Een ‘opt-out’ ofwel het niet meedoen aan een collectieve oplossing staat bewoners uiteraard vrij, en dan is de individuele duurzame oplossing aan de woningeigenaar zelf. In de wijk staan bovendien relatief veel grondgebonden woningen; een belangrijke ‘doelgroep’ om een isolatie-aanpak voor te ontwikkelen vanwege de mogelijk grotere vermindering van de warmtevraag. Goede isolatie is ook voor de woningen die nu zijn aangesloten op stadswarmte van groot belang om de warmtevraag te verminderen. 5. Aanpak oudere woningen Begin met besparen is een van de uitgangspunten in Nieuwegein. Woningen van vóór 1945 hebben veelal meer isolatie-aandacht nodig omdat er bij nieuwbouw toentertijd nog niet zoveel mogelijk was. Deze woningen vragen relatief veel warmte en wanneer we deze woningen dus verder kunnen verduurzamen, neemt de ‘CO2-winst’ snel toe. Hiervoor ontwikkelen we een collectieve maatwerk aanpak. Dat betekent dat we met de eigenaren de huidige situatie in kaart brengen en helpen om de vergelijkbare maatregelen en aanpassingen voor verduurzaming bekend te maken. Mogelijk kunnen deze collectief ingekocht worden.
We hebben het dan met name over woningen in de wijken Vreeswijk, Huis de Geer en Jutphaas-Wijkersloot. 6. Gemeentelijk vastgoed verduurzamen Een categorie die we onder de uitgangspunten al kort aanhaalden en die soms een sleutelrol kan spelen, is ons gemeentelijke vastgoed. We nemen dit op in een programma om energieneutraal en aardgasvrij te worden. In ons Duurzaamheidsprofiel (raadsnummer 2019-283) schreven we in 2019 immers al: wij geven het goede voorbeeld. De verduurzaming van zo’n 30 gemeentelijke panden kunnen een impuls geven aan het gebied waar ze zich bevinden. 7. Samen optrekken met woningcorporaties Woningcorporaties zijn een logische partner bij de verduurzaming van vastgoed in de gemeente. Corporaties werken met langjarige onderhoudsplannen. Groot onderhoud of renovatie biedt een
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 53 van 93
grote kans om bij woningen het warmteverbruik terug te dringen en om woningen direct aardgasvrij te maken. Zo’n renovatieproject kan een vliegwiel zijn voor verduurzaming van de buurt er omheen (het Klimaatakkoord spreekt over startmotor en renovatieversneller voor de voor huursector). Andersom kan het zo zijn dat er in een gebied dat volgens de gemeente kansrijk is een ook woningen van de corporatie zijn. Door die woningen in te passen in het wijktraject ontstaat er winst voor beide partijen door grotere schaal en lagere kosten. In onze ‘prestatieafspraken’ maken we zo scherp mogelijk hoe de renovatieactiviteiten van de corporaties de verduurzaming van Nieuwegein versterken en versnellen en op welke wijze de gemeente daarin zal ondersteunen of organiseren. 8. Verduurzaming bestaande warmtenet We maken afspraken met Eneco, samen met de gemeente Utrecht, waarin we de verduurzamingsambitie van het bestaande warmtenet vastleggen. Met 15.000 aangesloten woningen heeft het (bestaande) warmtenet een grote impact op de CO 2-reductie in Nieuwegein. Het gaat dan specifiek over de warmtebronnen voor het bestaande net en mogelijk over lagere leveringstemperatuur. De warmtebronnen die het net voeden moeten duurzaam zijn.
NB: Voor eventueel nieuw aan te sluiten woningen (die nu nog met aardgasketels worden verwarmd) worden in een wijkuitvoeringsplan (en het proces er naartoe) afspraken gemaakt over onder andere duurzaamheid, temperatuur en invloed van gebruikers. 9. Initiatieven van bewoners faciliteren Wanneer bewoners zich op één of andere manier organiseren en er zo een realistisch plan ontstaat om in hun gebouw of straat aan de slag te gaan met de energietransitie, dan ondersteunen we dat actief. We organiseren dat via het bestaande energieloket; Energie-N is hierin een belangrijke partner voor de gemeente. Het wordt dan mogelijk om onafhankelijke professionele ondersteuning te krijgen en zo mogelijk een initiatief van buren te vergroten naar de straat of zelfs de hele buurt. 10. Bedrijventerreinen aanpak ontwikkelen Om tot een goede aanpak te komen en ook de bedrijventerreinen CO2-uitstoot vrij te maken hebben we meer inzicht nodig in wat voor afzonderlijke delen van een bedrijf naast de aanwezige kantoorruimtes verwarming en/of koeling wordt gebruikt. Tevens gaan we na welke bedrijven aardgas niet als bron voor ruimteverwarming en warm water maar voor proceswarmte dan wel als grondstof voor productie gebruiken. Op basis hiervan gaan we na of er voor een bedrijventerrein als geheel een aanpak is te formuleren om de CO2-uitstoot te verminderen.
De uitvoering van het Klimaatakkoord onder de sectortafel Industrie zal naar verwachting de komende jaren nuttige tips en handelingsperspectieven leveren voor de aanpak op bedrijventerreinen. De verwachting is dat daarnaast maatwerk voor individuele bedrijven noodzakelijk blijft om de bedrijventerreinen CO 2uitstoot vrij te maken. In de volgende tabel zetten we de projecten nog een keer onder elkaar.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 54 van 93
Nr Traject in het kort
Aanleidingen
Impact
Start
1
Betere Buurt Gebouwendrift:
Stapeling van aanleidingen: onderdeel van
Ca. 800 woningen
2021
onderzoek naar de haalbaarheid van
het ‘Betere buurten’-programma,
(gaat ook om het
isoleren en aardgasvrij maken, door
renovatieplannen van de woningcorporaties
zuiddeel van
woningcorporatie Jutphaas Wonen en
en nabij warmteleveringsgebied Eneco.
Apolloburg)
Betere Buurt Muntplein: inzetten op
Vooral sociale en ruimtelijke aanleiding:
Ca. 100
een collectief energiebesparings-
onderdeel van het ‘Betere buurten’-
appartementen
programma en op warmtetransitie in
programma en sluit aan bij uitgangspunten
(gaat met name om
combinatie met sociaal en
‘begin met besparen’, ‘betaalbaar voor
VvE-bezit, is al
stadsvernieuwingsproces.
iedereen’ en: ‘realistische stappen’.
aangesloten op
Eneco, opschalen naar de buurt 2
2022
stadswarmte) 3
Co-creatietraject Zandveld:
Een collectief komt als meest kansrijke
927 woningen
2023
vertrekpunt collectieve oplossing in co- oplossing uit de modellen. We gaan met de creatie met de wijk verder onderzoeken buurt onderzoeken hoe we dit met elkaar gaan doen. Een besparingsaanpak hoort daarbij. 4
Co-creatietraject Doorslag:
Het bestaande warmtenet gaan gebruiken is 2.883 woningen,
vertrekpunt collectieve oplossing
de Route voor deze wijk. We gaan met de
waarvan 66% al op
(stadswarmte) in co-creatie met de
buurt onderzoeken hoe we dit met elkaar
bestaande
wijk verder onderzoeken
gaan doen. Een besparingsaanpak hoort
warmtenet.
2022
daarbij. 5
Aanpak oude woningen met hoog
Kansrijk wanneer we kijken naar de
Ca. 600 woningen
2022
Ca. 30 objecten
2021
2021
energie verbruik: voor woningen ouder wijkanalyse; er is veel energiewinst te dan 1945. Dit overlapt soms met
behalen in (delen van) de wijken Vreeswijk,
andere trajecten.
Huis de Geer en Jutphaas Wijkersloot. Uitgangspunt is: begin met besparen, realistische stappen.
6
De gemeente geeft het goede
Uitvoering van het uitgangspunt gedurfd
voorbeeld met het energieneutraal
duurzaam, en afspraak Klimaatakkoord.
maken van gemeentelijk vastgoed. 7
Verbinden van de warmtetransitie aan
Op basis van de uitgangspunt: betaalbaar
Ca. 8.500
renovatie en groot onderhoud van
voor iedereen en zo min mogelijk overlast.
corporatiewoningen
woningcorporaties door samen een
Als we toch aan de slag gaan, dan doen we
uitvoeringsprogramma op te stellen
het meteen integraal (collectief) en goed.
voor de verduurzaming van het woningbezit . 8
Verduurzaming bestaande warmtenet: Uitgangspunten gedurfd duurzaam, zo min
Ca. 15.000
heldere en ambitieuze afspraken
mogelijk overlast en betaalbaar voor
woningen op
met het warmtebedrijf.
iedereen.
bestaand
2021
warmtenet 9
We ondersteunen
Uitgangspunt: voor en door iedereen; we
bewonersinitiatief en moedigen dit
starten daar waar initiatief is. Keuzevrijheid
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Nader te bepalen
2022
Pagina 55 van 93
aan met onafhankelijke ondersteuning
en transparantie zijn andere belangrijke uitgangspunten.
10 Bedrijventerreinen
Onderzoek naar mogelijke gezamenlijke
4 grote
aanpak voor gebied of bedrijfssector in
bedrijventerreinen
2023
combinatie met maatwerk per situatie
Nieuwe samenwerkingen De warmtetransitie is gestart met ondertekening van het nationale Klimaatakkoord. Dat betekende een nieuwe rol voor de gemeente. De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en wil in de uitvoering van deze Transitievisie met een aantal belangrijke stakeholders afspraken maken om de (gezamenlijke) ambities te kunnen realiseren. We denken daarbij aan de stakeholders:
Stichting Energie-N, om sterkere verbinding te leggen met (energie-)initiatieven in de stad;
Woningcorporaties Jutphaas Wonen, Mitros en Portaal, voor de verduurzaming van hun bezit;
Huurdersverenigingen, die we willen betrekken bij de verduurzaming van sociale huurwoningen;
Warmtebedrijf Eneco, voor zowel het tempo van de verduurzaming van het bestaande warmtenet en als voor concrete uitwerking van (gebiedsgericht) nieuwe aansluitingen op het warmtenet;
Netbeheerder Stedin, om de energietransitie als netbeheerder mogelijk te maken;
Het regionale energieloket jouwhuisslimmer.nl en de lokale energie-initiatieven, voor de isolatie van particuliere woningen en bedrijfspanden.
Inwonersinitiatieven, nieuwe initiatieven en samenwerkingen van inwoners om hun warmtevoorziening op eigen kracht met steun vanuit de gemeente te verduurzamen
Herijken elke vijf jaar Met deze tien startprojecten hebben we zowel een aantal wijken als een aantal partners en lokale projecten in het vizier waarvan we denken dat het kansrijk is om nu al te gaan starten met de warmtetransitie of de ingang gezette trajecten verder uit te bouwen. Hiermee verduurzamen we een groot aantal woningen die nu nog op aardgas zijn aangesloten. De overige gebieden komen vanaf 2030 aan bod. We herijken deze TVW elke vijf jaar. We onderzoeken dan of het kansrijk is om weer een aantal nieuwe projecten of wijken te identificeren. Tegelijkertijd kan het zijn dat er tussentijds initiatieven ontstaan in de buurten die nu niet geselecteerd zijn. Daar wachten we dan niet mee, want we vinden het belangrijk om dáár aan de slag te gaan waar er energie is in de stad. Om de doelstelling van 2040 Energieneutraal te behalen zal er in de volgende TVW’s op grotere schaal ingezet moeten worden. Waarschijnlijk is er over enkele jaren in Nieuwegein en in Nederland véél meer ervaring opgedaan waardoor een opzet op grotere schaal ook realistisch is.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 56 van 93
Van project naar Wijkuitvoeringsplan Bij de tien startprojecten zijn, zoals gezegd, hele wijken, maar ook individuele projecten. In een wijk noemen we de lokale verduurzaming een project. Denk aan de renovatie-actie van een woningcorporatie, initiatief en bouwplannen van een ontwikkelaar of een isolatieprogramma van de gemeente en haar partners. Starten met een hele wijk, dan hebben we het al snel over een wijkuitvoeringsplan of een ‘WUP’. En om het nog ingewikkelder te maken: een project kan ook leiden tot een WUP. Want waarom niet de gehele wijk meenemen als we toch gaan isoleren? We hebben scherp wat de route is, dus laten we daar samen naartoe werken. Het opstellen van een wijkuitvoeringsplan is een afspraak uit het Klimaatakkoord. Het is een logische vervolgstap voor de wijkgerichte aanpak en een concretisering van deze Transitievisie. Met een wijkuitvoeringsplan geven we zoveel mogelijk bewoners en betrokken partijen zoveel mogelijk duidelijkheid. De gemeenteraad stelt uiteindelijk de WUP voor een wijk vast.
Transitievisie Warmte Nieuwegein
Pagina 57 van 93
8. Uitvoering en betaalbaarheid Na de vaststelling van het wijkuitvoeringsplan wordt begonnen met de realisatie van de gebiedsbrede gebouwverduurzaming en/of de voorbereidingen om de gebouwen van het aardgas af te halen en over te schakelen naar een duurzame warmtebron.
Betaalbaarheid We kunnen pas overgaan tot uitvoering als de randvoorwaarden op orde zijn. Een van die randvoorwaarden is een goede financiering van de warmtetransitie voor iedereen. Zoals aangegeven is het uitgangspunt dat we de energietransitie realiseren tegen zo laag mogelijke nationale kosten. We sluiten hiermee aan bij het Rijksbeleid; ook in het Klimaatakkoord wordt gestreefd naar ‘woonlastenneutraliteit’. Onder woonlastenneutraliteit wordt verstaan een situatie waarbij voor de eindgebruiker de financieringslast kan worden betaald uit de besparing op de energierekening. Daarnaast moet de transitie redelijkerwijs betaalbaar zijn voor elke inwoner
op het moment dat de uitvoering in het betreffende gebied loopt. In april 2021 vroeg de VNG aan het nieuwe kabinet om een ruimhartige tegemoetkoming aan de eigenaren die als eersten van het aardgas af willen zo snel mogelijk in te vullen. Minister Ollongren geeft in haar Kamerbrief van 6 juli 2021 aan dat “de onderzoeken laten ook zien dat de betaalbaarheid nog verder verbeterd moet worden en er nog flinke investeringen nodig zijn om de doelen van 2030 te halen. … Niet alleen moeten er meer middelen beschikbaar worden gesteld. Ook een beter passende wet- en regelgeving, adequate beprijzing van CO2 en het ontzorgen van en het handelingsperspectief bieden voor huiseigenaren moeten de voor 2030 gestelde doelen dichterbij brengen.” “Additionele maatregelen zijn naar verwachting nodig, in het bijzonder voor degenen die als eersten bewegen in de energietransitie en daardoor met hogere kosten worden geconfronteerd.” We kunnen pas met de uitvoering aan de slag gaan wanneer het Rijk voldoende financiële middelen –zowel voor gebouweigenaren als voor apparaatskosten voor gemeenten- beschikbaar stelt. Keuzemoment van de gebouweigenaar In het WUP staat voor het betreffende gebied de duurzame warmteoplossing aangegeven. Elke gebouweigenaar kan zelf de keuze maken of hij deelneemt aan deze duurzame warmteoplossing.
De gebouweigenaar kan zelf besluiten een eigen duurzaam warmtesysteem aan te leggen. Vaak zal latere deelname aan de duurzame warmteoplossing uit het WUP ook nog mogelijk zijn, maar de verwachting is dat aansluiting dan duurder is. In een aardgasgebied wordt er een datum aangegeven vanaf wanneer de aardgaslevering stopt. De gebouweigenaar die niet deelneemt aan de warmtevoorziening uit het WUP moet dan zelf op tijd zorgen dragen voor een warmteoplossing. Afkoppelen aardgas In het WUP wordt vastgelegd wanneer voor het geselecteerde gebied het aardgas wordt afgekoppeld. Juridisch wordt dit geregeld in het Omgevingsplan.