CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-363 Bijlage 4 BP Doorslagzone Toelichting.pdf

Raadsvergadering 14 oktober 2021, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Voorstel over het vaststellen van het bestemmingsplan Doorslagzone13.333 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit onderzoek is als Bijlage 6 (PFAS-onderzoek) opgenomen bij deze toelichting. Met het verrichte onderzoek kan een uitspraak gedaan worden over de gehalten PFAS in de bodem op de locatie Doorslagzone te Nieuwegein. Er bestaan op basis van voorliggend onderzoek geen belemmeringen voor de voorgenomen locatieontwikkeling. In de bovengrond (0,0 – 0,5 m -mv) is ten hoogste 0,3 µg/kg d.s. PFOS en 0,2 µg/kg d.s. PFOA aangetoond. Er zijn geen overige individuele PFAS aangetoond boven de detectielimiet. In de ondergrond (0,5 – 1,0 m -mv) is 0,4 µg/kg d.s. PFOS en 0,5 µg/kg d.s. PFOA aangetoond. Er zijn geen overige individuele PFAS aangetoond boven de detectielimiet. De aangetoonde gehalten voldoen aan de verwachting volgens de bodemkwaliteitskaart, de grond voldoet op basis van de aangetoonde gehalten PFAS aan klasse 'Landbouw/natuur'. Er is geen aanvullend onderzoek nodig met betrekking tot PFAS. Op basis van de onderzoeksresultaten van huidig en voorgaand onderzoek kan de grond op de onderzoekslocatie worden afgevoerd Conclusie Uit de resultaten blijkt dat de bodemkwaliteit voldoende is voor uitvoering van het bouwplan. Voor de Doorslagzone geldt dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling. Het bestemmingsplan is op dit onderdeel uitvoerbaar te achten.

4.4

Water en klimaatadaptatie

Voor het onderdeel water is het, in het kader van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan, nodig om het watertoetsproces te doorlopen. Dit proces omvat het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 4.4.1

Beleid

Gemeente Het jaarplan Water 2020 en de watervisie uit 2004 vormen samen het Waterplan van de gemeente Nieuwegein. De gemeente beschikt ook over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 met daarin het beleid voor de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook de ambities voor de waterkwaliteit en duurzaamheid van het (afval)watersysteem. Het klimaat verandert. We krijgen te maken met meer en heftigere regenbuien, langere droge periodes en meer hete zomerse dagen en nachten. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen moeten we nu al stap voor stap investeren in een klimaatbestendige inrichting van de stad en de samenleving hierop voorbereiden. Dit heet klimaatadaptatie en doet de gemeente niet alleen maar samen met de partners in de stad en de regio. De gemeente heeft in 2018 de visie klimaatadaptatie vastgesteld en het uitvoeringsprogramma

26

bestemmingsplan Doorslagzone

klimaatadaptatie 2019-2022. De ambities van de visie zijn in het Gebiedsdossier City 2019 vertaald naar uitgangspunten en leidende principes voor klimaatadaptatie de nieuwe bebouwing en ontwikkelingen. Daarnaast is voor City een TKI-project (Topsector Kennis & Innovatie) toegekend voor het ontwerp en de ontwikkeling van een Circulair (afval)watersysteem. In dit project wordt samengewerkt in een consortium met de stakeholders in het gebied, provincie, waterschap De Stichtse Rijnlanden, en marktpartijen. Water en klimaatadaptatie zijn belangrijke thema's om City de meest duurzame binnenstad van Nederland te maken. Waterbeheerder Het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) is de waterkwaliteiten waterkwantiteitsbeheerder. Het concrete toetsingskader van HDSR voor de watertoets is gegeven in het Handboek Watertoets. De belangrijkste uitgangspunten zijn hierbij als volgt: het standstill-principe: voorkom negatieve effecten van ruimtelijke watersysteem; verbeteren: benut kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen.

ontwikkelingen op

het

De principes die bij het waterbeleid van belang zijn: Waterkwantiteit: de trits vasthouden - bergen - afvoeren; versnelde afvoer van regenwater naar oppervlaktewater moet worden voorkomen of worden gecompenseerd; 1. in verband met het voorkomen van versnelde afvoer adviseert het waterschap om wel een infiltratiesysteem aan te leggen. Voor een afname van verhard oppervlak in stedelijk gebied is geen compensatieplicht vanuit het waterschap; 2. om versnelde afvoer naar oppervlaktewater te voorkomen, adviseert het waterschap om een infiltratiesysteem aan te leggen met 45 mm berging per m2 afgekoppeld oppervlak. Indien infiltratie niet mogelijk is, zal automatisch moeten worden gecompenseerd. Voor een toename van verhard oppervlak van 500 m2 tot 10.000 m2 in stedelijk gebied moet berging worden gerealiseerd. Waterkwaliteit: de trits schoon houden - scheiden - zuiveren. Voor bouwactiviteiten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan zorgvuldige materiaalkeuze. Verslechtering van de waterkwaliteit bij nieuwbouw en herstructurering kan worden voorkomen door geen uitlogende (bouw)materialen toe te passen; bij nieuwe ontwikkelingen adviseert het waterschap het regenwater gescheiden van het afvalwater te verwerken. 4.4.2

Waterberging

Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig onbebouwd en onverhard. In het plangebied zal het verhard oppervlak door de te bouwen gebouwen toenemen ten opzichte van de feitelijke situatie. Bij uitwerking van de bouwplannen adviseert het waterschap om in elke situatie een infiltratiesysteem aan te leggen. Dit is afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem, gemiddeld hoogste grondwater en beschikbare ruimte. Het aanleggen van een infiltratiesysteem is niet verplicht. Bij compensatie is de stelregel: vijftien procent van het te verharden oppervlak toevoegen aan oppervlaktewater of 45 millimeter regenwater kunnen infiltreren. De gemeente streeft verder naar het vergroten van het aandeel groendaken. In de binnenstad is in verband met de waterbergingsopgave specifiek voor het gebied een te realiseren oppervlakte aan groendaken vastgelegd van 2,7 hectare. De nieuwbouwprojecten in de binnenstad zijn of worden vrijwel alle voorzien van groendaken, zo ook de Doorslagzone. Ten aanzien van waterberging geldt dat dit zal plaatsvinden in het plangebied. Voor de Doorslagzone geldt dat het verschil in verhard oppervlak tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie 4.437 m2 bedraagt. Dit resulteert in een benodigde berging van 200 m3. In bijlage 7 is de waterberging uitgewerkt.

Voor het milieuaspect waterberging worden daarom geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht.

27

bestemmingsplan Doorslagzone

4.4.3

Waterkering

De damwand en de achterliggende kade langs de Doorslag doet dienst als regionale waterkering. Ter bescherming van deze waterkering zijn beschermingszones aangewezen. Ontwikkelingen binnen deze zones dienen te worden voorgelegd aan de beheerder van de waterkering, HDSR. Daarmee wordt voorkomen dat de belangen van de waterkering worden geschaad. In de Keur van het hoogheemraadschap is bepaald dat ter bescherming van deze damwand een strook van 12 m breed (7 m kernzone plus 5 m beschermingszone) uit de damwand gevrijwaard moet blijven van elke bouw-, graaf-, plant- of rooiactiviteit. Voor werkzaamheden op kortere afstand is een ontheffing vereist. Het bestemmingsplan maakt geen directe ontwikkelingen mogelijk binnen deze zone. 4.4.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het watersysteem toereikend is om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. In het kader van het wettelijk overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het plan voorgelegd aan het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden.

4.5

Geluid

4.5.1

Wet geluidhinder

Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van woningen. De Wet geluidhinder beschouwt dergelijke gebouwen als zogenaamd geluidsgevoelige gebouwen. Om die reden moet onderzocht worden of toetsing aan de Wet geluidhinder nodig is. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden in industrielawaai en wegverkeerslawaai. De onderstaande tekst bespreekt deze onderdelen afzonderlijk. 4.5.2

Zones

In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van dertig kilometer per uur. Binnen de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen tweehonderd meter. In geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. 4.5.3

Onderzoek

Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor de Doorslagzone om te toetsen of het bouwplan voldoet aan de eisen die worden gesteld in het Bouwbesluit 2012 en de Wet geluidhinder. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 8 (Akoestisch onderzoek) bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidwering van de gevels van de bouwvolumes voldoet, met voorgestelde voorzieningen, aan het Bouwbesluit 2012, Wet geluidhinder en het geluidbeleid van de gemeente Nieuwegein. Wel is een hogere grenswaarde benodigd. 4.5.4

Industrielawaai

Ten zuiden van de Zuidstedeweg ligt direct in de omgeving van het St. Antonius ziekenhuis het terrein van de hulpwarmtecentrale ten behoeve van de stadsverwarming. Dit is een gezoneerd industrieterrein. Op dit industrieterrein is een inrichting gevestigd die "in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken", zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Binnen de geluidszone geldt een onderzoeksplicht voor nieuwe geluidsgevoelige functies, zoals woningen en andere gevoelige bestemmingen. Indien de geluidsbelasting op de gevel meer dan 50 dB(A) bedraagt, gelden er beperkingen voor de nieuwbouw van geluidsgevoelige functies. Deze beperkingen zijn gegeven in het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen. Nieuwbouw van gevoelige functies binnen de 55 dB(A)-contour is zonder meer niet toegestaan. Het plangebied van dit onderhavige bestemmingsplan ligt daarbuiten.

28

bestemmingsplan Doorslagzone

4.5.5

Conclusie

De Wet geluidhinder en het Bouwbesluit 2012 verzetten zich, met inachtneming van de genoemde maatregelen, derhalve niet tegen de komst van deze woningen. Ook is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefmilieu. Het bestemmingsplan is op dit onderdeel uitvoerbaar te achten.

4.6

Luchtkwaliteit

In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: Besluit NIBM) en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds verlening van derogatie door de EU is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden en is NIBM gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. De wijze van salderen in relatie tot het begrip NIBM is uitgewerkt in de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007. Voor het OOB 2013 is een Mobiliteitstoets opgesteld. Er is verkend wat het effect van het aangepaste programma is voor de verkeersproductie en daarmee ook voor de luchtkwaliteit. De herziening van het programma leidt niet tot een significante toename van het verkeer en daarmee ook tot een verwaarloosbaar effect op de luchtkwaliteit. Uitgaande de gegeven rekenmethode beschreven in bijlage 3A en 3B van het Besluit NIBM, valt de verkeerstoename ruimschoots onder het 3%-criterium van 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 . De Regeling NIBM geeft voor specifieke projecten kwantitatieve grenzen. Zo is een nieuwbouwproject met niet meer dan 1.500 woningen (bij één ontsluitingsweg) per definitie NIBM. Het project draagt derhalve niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Bovendien blijkt uit de NSL-monitoringsviewer dat in 2015 de jaargemiddelde PM10 en NO2 concentraties in het plangebied lager zijn dan 35 µg/m3 . Het aantal overschrijdingsdagen van PM10 ligt onder de 35 dagen. Er wordt in de bestaande situatie voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Conclusie Met milieuaspect lucht vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan en het bestemmingsplan is op dit onderdeel als uitvoerbaar te achten.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op activiteiten die een risico voor de omgeving met zich kunnen meebrengen. Voorbeelden zijn de productie of transport van gevaarlijke stoffen. Om ongelukken te voorkomen, worden bij externe veiligheidsrisico's minimum afstanden gehanteerd van wonen, werken en recreëren tot activiteiten die een gevaar kunnen opleveren. 4.7.1

Wettelijk kader

De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit), en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: het plaatsgebonden risico; het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft, aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt.

29

bestemmingsplan Doorslagzone

Groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico's bij elkaar in de buurt komen. Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting et cetera) in relatie tot de risicobron. Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied en berekent de kans op tien of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. 4.7.2

Beleidsvisie externe veiligheid

Naast het feit dat vanuit de Rijksoverheid risiconormen zijn gesteld, laat de wet- en regelgeving ook ruimte aan gemeenten (en provincies) om eigen veiligheidsambities te formuleren. In de Beleidsvisie externe veiligheid (raadsbesluit 2007-403) is aangegeven hoe de gemeente Nieuwegein met deze beleidsvrijheid omgaat. Zo is onder adere in de visie aangegeven dat de gemeente zich het recht houdt voor om bij nieuwe situaties af te zien van het zogenaamde “stand still"-beginsel voor het groepsrisico, zolang aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan. 4.7.3

Toetsing

In of nabij het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: 1. 2.

Ecolab Production Netherlands BV: Deze risicobron bevindt zich aan de noordzijde op circa 280 meter afstand; Eneco hulpwarmtecentrale: Deze risicobron bevindt zich aan de zuidzijde op circa tachtig meter afstand.

Het plangebied ligt verder buiten de toetsingsafstanden van andere risicobedrijven, buisleidingen vallend onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (bevb), of rijkswegen en vaarwegen die deel uitmaken van het zogenaamde Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen, of een gemeentelijke route voor gevaarlijke stoffen. De onderstaande tekst bespreekt de risicobronnen afzonderlijk. 4.7.3.1 Ecolab Production Netherlands BV Ten noordwesten van de locatie in de wijk Merwestein bevindt zich het Brzo-bedrijf Ecolab Production Netherlands BV. Het invloedsgebied is op 100 m van de ontwikkellocatie gelegen en vormt geen belemmering. 4.7.3.2 Eneco hulpwarmtecentrale De Eneco hulpwarmtecentrale is buiten het plangebied gelegen. Het bedrijf is een inrichting met externe veiligheidsrisico's vanwege de bulkopslag van gasolie. De bedrijfsprocessen, aard en omvang van gebruikte gevaarlijke stoffen kunnen een risico vormen voor de omgeving. De veiligheidscontouren reiken niet tot in het plangebied en vormen daarmee geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen. 4.7.4

Conclusie

Uit voorgaande blijkt dat de hoogte van het groepsrisico als gevolg van nieuwe woningen geen aandachtspunt is, noch dat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid of rampen bestrijding nadelig beïnvloed worden. Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect externe veiligheid als uitvoerbaar te achten.

4.8

Bedrijven milieuzonering

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken, is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed worden gesitueerd, zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

30

bestemmingsplan Doorslagzone

Regelgeving Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. In de uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld:

Tabel: richtafstanden volgens VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009. De milieucategorie leidt in combinatie met een omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied) tot een bijbehorende richtafstand. Uitgangspunten milieucategorisering Het plangebied betreft de oostzijde van het centrumgebied van Nieuwegein. Het centrumgebied wordt gekarakteriseerd als een gemengd gebied, waar een veelheid aan functies aanwezig is (detailhandel, bedrijvigheid, kantoren, woonfunctie, maatschappelijke dienstverlening). Dit betekent dat kan worden aangesloten bij de richtafstanden tot 'gemengd gebied'. Afweging In het plangebied wordt de nieuwbouw van circa 450 woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied is de volgende bedrijvigheid aanwezig: theater De Kom; gemeentekantoor; bibliotheek; detailhandel; kantoren. Voor vrijwel alle bovenstaande bedrijvigheid geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van tien meter indien geen sprake zou zijn van gemengd gebied. Omdat echter sprake is van gemengd gebied geldt geen richtafstand. Voor het theater geldt een richtafstand van tien meter indien sprake is van gemengd gebied. Aan deze afstand wordt voldaan. Conclusie In dit bestemmingsplan wordt zorg gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en worden de bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.

31

bestemmingsplan Doorslagzone

4.9

Hoogbouw

4.9.1

Windhinder

Windhinder treedt op rondom hoge gebouwen. Hier kan sprake zijn van verhoogde windsnelheden die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kunnen maken. Voor een goede ruimtelijke ordening is aandacht voor het windklimaat bij met name stedelijke hoogbouw noodzakelijk. Een windhinderonderzoek heeft tot doel om in kaart te brengen wat mogelijke knelpunten zijn en waar deze kunnen ontstaan op verblijfsniveau. Windhinder hangt voor een groot deel af van de architectonische uitwerking van bebouwing (vorm, volume en breedte). Voor de locatie is een onderzoek uitgevoerd naar het windklimaat, zie Bijlage 9 (Onderzoek windklimaat) bij deze toelichting. Conclusie Op basis van het windonderzoek kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen onevenredige windhinder veroorzaakt. In het grootste deel van het onderzochte gebied is sprake van een goed windklimaat. Ook zijn er enkele aandachtspunten vastgesteld. Als windverbeterende ingrepen zijn de volgende zaken in het plan toegevoegd: 1. 2. 3.

4.

Windscherm op rand Stadsplein aan de zuidzijde tussen het Theater en de entree van bouwdeel A. Glazen windschermen op de horeca terrassen op het verblijfsplein (trap) ter verbetering van het windklimaat op de terrassen en op het verblijfsplein. Ter verbetering van het windklimaat ten zuiden van bouwdeel A zijn diverse zaken onderzocht. De grootste verbetering is te bereiken door het invoegen van vaste plantenbakken met begroeiing op maaiveld rondom het trottoir en de ondergrondse vuilcontainers. Een en ander zal in de uitwerking van het ontwerp van de openbare ruimte door de Gemeente moeten worden onderzocht. Ter verbetering van het windklimaat op het Stadsplein is het wenselijk om op meer plekken vaste plantenbakken met begroeiing toe te voegen.

Met behulp van de beschreven maatregelen is in de geplande situatie een overwegend goed tot plaatselijk matig windklimaat te verwachten. Nergens is dan meer sprake van een beoordeling slecht of van een risico op windgevaar. 4.9.2

Schaduwhinder

Een bezonningsonderzoek geeft inzicht in de mogelijke schaduwwerking van de potentiële bouwvolumes op de omgeving. Van belang voor de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en (openbare) buitenruimte is een goede bezonning/lichttoetreding. Er dient zoveel mogelijk bezonning op straatniveau en binnen de bouwblokken mogelijk te worden gemaakt door te zoeken naar een goede geleding in de bouwblokken in hoogte en vorm. Voor alle ontwikkelingen in het centrum van Nieuwegein is een bezonningsstudie uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 10 (Bezonningsstudie City) bij deze toelichting. Voor de locatie is ook een specifiek bezonningsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 11 (Bezonningsstudie Doorslagzone) bij deze toelichting. Voor de beoordeling van het de bezonningsstudie is de lichte TNO-norm toegepast. Deze norm geeft aan dat een gebouw voldoet wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. De figuren tonen aan dat ontwerp op de locatie voldoet aan de eisen van de 'lichte' TNO-norm en dus geen onevenredige negatieve gevolgen heeft voor de omgeving.

4.10 Kabels en leidingen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt. Of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in het bestemmingsplan. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is.

32

bestemmingsplan Doorslagzone

Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die aanwezige functies en ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plangebied belemmeren. Nabij de oostgrens van het plangebied zijn wel niet-planologisch relevante leidingen aanwezig. Deze brengen echter die geen belemmeringen met zich mee.

4.11 Radarverstoring Er dient rekening te worden gehouden met de verstoringen van radarstations voor vliegverkeer vanwege radarstation Herwijen. De verstoring is bij een bouwhoogte van meer dan 90 m een aandachtspunt. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk met een dergelijke bouwhoogte. Radarverstoring is dan ook niet aan de orde, waardoor dit aspect geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.12 Milieueffectrapportage 4.12.1

Wettelijk kader

De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. 4.12.2

Onderzoek

Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. In Bijlage 12 (M.e.r.-beoordeling) bij deze toelichting is de m.e.r.-beoordeling opgenomen. 4.12.3

Conclusie

Op dit bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De beoogde ontwikkelingen veroorzaken geen nadelige gevolgen voor het milieu. 4.12.4

M.e.r.-beoordelingsbeslissing

Op PM heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein besloten dat een project-m.e.r. in dit geval niet noodzakelijk is.

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische opzet

Planomschrijving

Het bestemmingsplan geeft een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van de locatie. Het bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde bestemmingen; weergegeven op de verbeelding en uit regels voor het gebruik van de gronden en de daarop te realiseren opstallen, voor zover die regels in verband met de bestemming nodig zijn. Tevens gaat het bestemmingsplan vergezeld van deze toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken, de uitkomsten van het overleg (op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening) en een rapportering van de inspraak zijn opgenomen. De regels en verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.

33

bestemmingsplan Doorslagzone

5.2

Verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Deze bestemmingen betreffen aanduidingen van de doeleinden waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling in de planregels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de planregels een juridische betekenis.

5.3

Regels

De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels worden, conform de SVBP2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. In het navolgende worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht. 5.3.1

Inleidende regels

In het hoofdstuk Inleidende regels wordt een aantal begrippen verklaard en wordt aangegeven hoe, bij toepassing van de regels, dient te worden gemeten. 5.3.2

Bestemmingsregels

Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels waarin de materiële inhoud van de gegeven bestemmingen is opgenomen, waaronder het gebruik van de opstallen en de gronden en de toegestane maatvoering. Binnen de bestemmingsvlakken en bouwvlakken mag bebouwing ten dienste van de bestemming worden opgericht met een maximale hoogte zoals aangegeven in de regels. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), naast het bestemmingsplan, wel het een en ander vergunningsvrij mag worden gebouwd. Dit wordt in het bestemmingsplan niet expliciet benoemd. Hierna wordt per bestemming een korte toelichting gegeven. Gemengd - A3 De voornaamste bestemming van dit bestemmingsplan betreft de bestemming 'Gemengd - A3'. Deze bestemming maakt het mogelijk om wonen al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroep te realiseren evenals horeca in de categorieën 1 en 2. Door middel van een aanduiding op de verbeelding is aangegeven hoe hoog bebouwing mag worden gerealiseerd. In het bestemmingsgebied loopt dat uiteen van circa 50 meter tot circa 70 meter. Tot slot zijn in deze bestemming niet meer dan 452 woningen toegestaan en mag de functie horeca niet groter zijn dan 650 m2 . Verkeer - Verblijfsgebied De tweede bestemming betreft de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

Deze voorzien in wegen en straten, wandel- en fietspaden en trappen met een functie voornamelijk gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Ook zijn terrassen en markten toegestaan. 5.3.3

Algemene regels

In het hoofdstuk Algemene regels wordt in de artikelen 'Anti-dubbeltelregel', 'Algemene bouwregels', 'Algemene gebruiksregels', 'Algemene afwijkingsregels' en de 'Algemene wijzigingsregels'. De 'Anti-dubbeltelregel' bepaalt dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de 'Algemene bouwregels' worden regels vermeld omtrent

34

bestemmingsplan Doorslagzone

ondergronds bouwen. In deze regels is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen die voorschrijft aan welke parkeernormen voldaan moet worden.In de 'Algemene gebruiksregels' zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik en aan-huis-verbonden beroepen. In de 'Algemene afwijkingsregels' worden enkele afwijkingsbevoegdheden aan het college van burgemeester en wethouders toegekend die geringe afwijkingen mogelijk maken van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald. Het gaat bijvoorbeeld om het in geringe mate afwijken van het plan. Verder bevat het bestemmingsplan ook 'Algemene wijzigingsregels'. Die voorzien in het mogelijk maken van een overschrijding van bestemmingsgrenzen onder bepaalde voorwaarden. 5.3.4

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 tot slot worden de overgangs- en slotregels geformuleerd. In het artikel 'Overgangsrecht' worden regels bepaald omtrent bouwwerken, die in de bestaande situatie aanwezig zijn of mogen worden gebouwd. In de 'Slotregel' wordt aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 van de Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien, wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemeente Nieuwegein heeft de gronden in het plangebied in eigendom. Daarom is de gemeente in staat om de kavel uit te geven aan een ontwikkelende partij. Het kostenverhaal is anderszins, namelijk via de gronduitgifte, verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerpbestemmingsplan Binnenstad Nieuwegein lag ter inzage van 19 juni 2017 t/m 3 juli 2017. Voorliggend plangebied maakte daar destijds onderdeel van uit. Gedurende deze periode kon een ieder een inspraakreactie indienen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt en zijn er ook enkele reacties ingediend die betrekking hadden op de Doorslagzone. Ook in het kader van het verplichte vooroverleg heeft een aantal instanties op het voorontwerpbestemmingsplan gereageerd. In het voortraject van voorliggend bouwplan is het plan op meerdere momenten besproken met de omgeving, zie het overzicht in bijlage 13. Bij de uitwerking van het plan zijn de destijds ingediende inspraakreactie mede betrokken en waar mogelijk meegenomen in het voorliggende plan. Tevens heeft naar aanleiding van de ingediende vooroverlegreacties nog nadere afstemming plaatsgevonden met deze partijen. Het bestemmingsplan zal te zijner tijd ter inzage worden gelegd conform de daarvoor geldende regels.

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=b3723f60-9486-417f-a70d-b457f0fa5647