2021-226 Bijlage 4 Bp Binnenstad (City) Nieuwegein_Toelichting.pdf
Tekst van het document
In alle kantoorgebieden van Nieuwegein worden transformatie-initiatieven naar andere functies (met uitzondering van detailhandel en horeca) met een positieve insteek bekeken. Uitgangspunt daarbij is wel dat de kwaliteit en duurzaamheid van het gebouw en de private omgeving worden verhoogd. Transformatie dient bij te dragen aan een verbetering van de leefbaarheid en mag geen verslechtering zijn van het vestigingsklimaat voor eigenaren en gebruikers van omliggende kantoren. Conclusie Op dit moment komt de feitelijke kantoorruimte overeen met de maximale planologische mogelijkheden op basis van het geldende bestemmingsplan, met uitzondering van de vier eerder genoemde locaties. Voor deze locaties is sprake van geldende rechten voor kantoorruimte, waar overeenkomstig de Thematische structuurvisie kantoren (TSK) 2016-2027 maximaal 21.000 m2 kantoorruimte kan worden gerealiseerd. Voor de vier nog niet gerealiseerde kantoorlocaties is daarom reeds een gebruiksbeperking van maximaal 21.000 m2 bvo aan kantoorruimte opgenomen in het bestemmingsplan Kantoorreductie Binnenstad. Locatie 3 en 4 (Luifelstede) zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Voor locatie 2 (HN-locatie) geldt inmiddels een onherroepelijk bestemmingsplan ten behoeve van woningbouw waardoor de kantoor bestemming is komen te vervallen.
Voor locatie 1 (Doorslag) zijn verregaande plannen voor ontwikkelingen die geen betrekking hebben op kantoren. Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld in West van deze oppervlakte (gedeeltelijk) gebruik te maken. De 2de partiële herziening van de provinciale ruimtelijke verordening (herijking 2016) maakt dit mogelijk. Om deze reden is een regeling opgenomen waardoor de 21.000 m2 gebruikt kan worden voor nieuwvestiging in de hele binnenstad, mits de betreffende bestemming de functie kantoren ook toelaat. 3.3.4
Overige functies
Detailhandel In de Winkelvisie (vastgesteld 26 januari 2017) worden onder andere uitgangspunten en actiepunten vastgelegd die de verschillende winkelcentra moet helpen hun doel te bereiken. Een belangrijk uitgangspunt is het schrappen van de mogelijkheden van (grootschalige) detailhandel in West. Dit is ook conform het OOB 2013. Wel is er een beperkte afwijkingsmogelijkheid (max. 250 m2 ) voor detailhandel opgenomen aan het Stationsplein, mits ondersteunend aan het nieuwe te realiseren hoogwaardige OV-knooppunt. Horeca Het horecabeleid is vastgelegd in de nota Horecaonderzoek Nieuwegein van 1992. In de nota wordt geconcludeerd dat in Nieuwegein een beperkte uitbreiding van de horeca mogelijk is en dat er een gericht stimuleringsbeleid kan worden gevoerd. Er worden drie horecaconcentratiegebieden onderscheiden: binnenstad, Jutphaas en Vreeswijk. Daarnaast is horeca mogelijk in winkelcentra. In de centrumbestemmingen is een flexibele regeling opgenomen voor de ontwikkeling van horeca
30
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Standplaatsenbeleid In het plangebied is mede het bestemmingsplan Sectorplan Standplaatsen van toepassing. De regeling en de bestaande standplaatsen zijn in dit bestemmingsplan overgenomen. 3.3.5
Mobiliteit
Gemeentelijk Mobiliteitsplan+ Het Gemeentelijk Mobiliteitsplan+ (GMP+) is onderdeel van het integrale strategische beleid van de gemeente Nieuwegein. Het sluit aan bij de belangrijkste, door de gemeenteraad vastgestelde nota's, zoals de Structuurvisie Nieuwegein 2030. Het GMP+ geeft een nadere uitwerking van de verkeer- en vervoerparagraaf uit de Structuurvisie Nieuwegein 2030. De gemeente Nieuwegein kiest er dan ook voor om de rol van de fiets en milieuvriendelijk openbaar vervoer te versterken. Daarbij maken we gebruik van vier pijlers: 1) duurzaamheid, 2) bereikbaarheid, 3) samenhang met de stadsontwikkeling en 4) gedragsbeïnvloeding. Wat sterk betrekking heeft tot het plangebied en daarbij, onder een eigen kernpunt is gelegd, is het OV-knooppunt Stadscentrum Nieuwegein. Nieuwegein Stadscentrum staat in de top 10 van belangrijkste knooppunten van (boven)regionaal belang. Voor de binnenstad van Nieuwegein, met de tramhalten Stadscentrum en Merwestein, spelen de volgende opgaven: afbouw van de centrumontwikkelingen, woningen en appartementen. De uitdagingen om in het centrum een nieuw bus-/tramstation te realiseren met voldoende capaciteit om het groeiend aantal bussen en (overstappende) reizigers te kunnen accommoderen (regionale 'hub') en om van halte Merwestein een hoogwaardige tramhalte te maken die de oostzijde van de binnenstad bedient (o.a.
Stadshuis en Theater De Kom). In Nieuwegein zetten we daarbij ook in op de fiets als voor- en/of natransport. Daartoe dienen goede fietsroutes van/naar en adequate fietsstallingsvoorzieningen bij dit knooppunt te worden gerealiseerd. Mobiliteitstoets Voor het OOB 2013 is een Mobiliteitstoets opgesteld. Er is verkend wat het effect van het aangepaste programma is voor de verkeersproductie en voor de parkeerbalans. De herziening van het programma leidt derhalve niet tot een toename van het verkeer. Het programma voor de ontwikkellocaties, zoals opgenomen in paragraaf 3.2, wijkt in beperkte mate af van de uitgevoerde Mobiliteitstoets. Een actualisatie van de Mobiliteitstoets is in het kader van de bestemmingsplanprocedure uitgevoerd, zie bijlage 5. De conclusies uit de mobiliteitstoets uit 2017 blijven overeind. De toevoeging van het programma levert op de Zuidstedeweg en de westzijde van de Noordstedeweg geen problemen op. Op de oostzijde van de Noordstedeweg neemt de overschrijding van de GMP+ streefwaarde toe, maar dit komt hoofdzakelijk door de autonome groei. De toename van de intensiteit op de Noordstedeweg Oost door het programma bedraagt slechts 5%.
De verwachte intensiteiten op het oostzijde van de Noordstedeweg blijven onder de technisch maximale intensiteit die ingeschat zijn op minimaal 16.000 voertuigen per etmaal: de weg kan de hoeveelheid verkeer dus wel verwerken, mits de rotonde Sluyterslaan deze aantallen ook kan verwerken. De capaciteit van een rotonde is lastig exact te duiden, want deze is sterk afhankelijk van onder andere de vormgeving, verdeling intensiteit over toevoerwegen en voorrangssituatie. Aanvullende mobiliteitsmaatregelen Naast de hierboven genoemde verschillen zijn er in de huidige GREX van City maatregelen opgenomen voor het verbeteren van de doorstroming en het comfort voor de fietsers in City. „h Een fietsbrug over kanaal de Doorslag (ten zuiden of noorden van Zuidstedeweg); Een opwaardering van de fietsroute tussen de Zuidstedeweg en Nieuwegein City; Een aanpak van de Karosbrug (toegankelijkheid voor fietsers); Een aanpak van sociale veiligheid Kolfstedetunnel (verbeteren verlichting en opheffen huidige knik). Deze maatregelen maken het aantrekkelijker om met de fiets naar City te gaan, wat voor de bezoekers van City kan leiden tot een afname van auto intensiteiten. Behalve de concrete fietsmaatregelen uit de GREX zet gemeente Nieuwegein in algemene zin de komende jaren met haar beleid meer in op toekomstgerichte en bewegingsvriendelijke mobiliteit. De bestaande OV
31
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Knoop City wordt aangepast en er zijn meerdere plannen om de kwaliteit van het openbaar vervoer te verbeteren. Een concrete uitwerking van deze en andere plannen vindt plaats in de Strategische Mobiliteitsvisie die momenteel opgesteld wordt, als voorbereiding op een nieuw Mobiliteitsplan in 2021. Een van de aandachtspunten hierin is het verminderen van korte autoritten. Deze zitten ook op de Noordstedeweg. Ook hiervan kunnen momenteel geen concrete effecten bepaald worden, maar in algemene zin wordt verwacht dat er minder gebruik gemaakt zal worden van de auto op korte ritten naar City of tussen andere wijken. Parkeerregeling Op 1 november 2014 is de AMvB Quick wins (Stb. 2014, nummer 333) en op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014-458) van kracht geworden. De AMvB wijzigt artikel 3.1.2 (lid 2) van het Besluit ruimtelijke ordening terwijl de Reparatiewet enkele bepalingen in de Woningwet herziet. Het eerste artikel legt expliciet vast dat een bestemmingsplan regels mag bevatten die betrekking hebben op een bevoegdheid waarvan de uitoefening afhankelijk is gesteld van beleidsregels.
De aanpassing van de Woningwet komt er op neer dat de stedenbouwkundige bepalingen uit de gemeentelijke bouwverordeningen niet meer van toepassing zijn op na 29 november 2014 nieuw vast te stellen bestemmingsplannen of beheersverordeningen en in ieder geval volledig vervallen op 1 juli 2018. Gezien het nieuwe artikel 3.1.2 Bro bestaat de mogelijkheid om via algemene regels in het bestemmingsplan op de parkeerbehoefte te kunnen sturen. Daarom is in de regels van dit bestemmingsplan een parkeerregeling opgenomen. Deze regels sluiten aan bij artikel 2.5.30 van de gemeentelijke Bouwverordening. In deze regels wordt uitdrukkelijk uitgegaan van regulering bij het aanvragen en verlenen van omgevingsvergunningen. Hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid? De vraag hoe wordt bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in de Nota Parkeernormen 2011-2015. In de nota wordt aangegeven hoe het aantal parkeerplaatsen bij bepaalde functies moet worden berekend. Op deze wijze wordt ten aanzien van de hiervoor genoemde punten een duidelijk houvast geboden voor het beoordelen van aanvragen van een omgevingsvergunning.
In de Nota Parkeernormen 2011-2015 (23 februari 2011) zijn de parkeernormen gedifferentieerd, wordt bij het bepalen van de norm veel meer rekening gehouden met locatiespecifieke eigenschappen en zijn er minimum parkeernormen bij vrijstelling. Dit zijn lagere normen dan de standaard parkeernormen die kunnen worden toegepast wanneer uit een mobiliteitstoets blijkt dat die toelaatbaar zijn. Om te voorkomen dat een bouwvergunning om formele reden zou moeten worden geweigerd, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen. De verwachting is dan ook dat de parkeernormen in deze nota veel meer rekening houden met de dagelijkse praktijk dan de parkeernormen uit de eerdere Nota Parkeren uit 1999. Om parkeernormen te definiëren zonder alles in ieder bestemmingsplan te beschrijven, is de Nota Parkeernormen gemaakt. In de regels van dit bestemmingsplan wordt naar deze nota verwezen. Voor de ontwikkellocaties wordt conform de Gebiedsopgave 2019 uitgegaan van 0,5 parkeerplaats per woning, waarin zowel het individuele als het deelauto parkeren opgelost worden (0,25 individuele parkeerplaats per woning en 0,05 parkeerplek per woning voor deelauto's). De norm voor toepassing van deelauto's is 1 deelauto per 5 woningen. Dit betekent dat er 3 parkeerplaatsen op 10 woningen gerealiseerd worden. De norm voor het bezoekersparkeren is 0,1 per woning.
Leidend principe daarbij is dat bezoekers gebruikmaken van het openbaar vervoer en het langzaam verkeer netwerk. Het bezoekersparkeren wordt gerealiseerd in het openbaar gebied, bij voorkeur rond de Spoorstede en de Borgstede. Bezoekers kunnen eveneens parkeren in bestaande parkeergarages. Voor de ontwikkellocaties geldt dat voldoende parkeerplaatsen dienen te worden aangelegd. Op voorhand zijn echter geen onoverkomelijke belemmeringen op dit punt te verwachten. 3.3.6
Duurzaamheid
De ambitie is om van City Nieuwegein de meest duurzaamste binnenstad van Nederland te maken. Dat is een stevige ambitie, maar wel een ambitie die gerechtvaardigd is gelet op de omvang van de opgave. Met het realiseren van een groot aantal woningen in City ontstaat namelijk volume om duurzaamheidsmaatregelen rendabel te implementeren.
32
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Het voorop blijven lopen als duurzame binnenstad vergt een langlopende inspanning, waarbij nu nog niet exact aan te geven is welke maatregelen nodig zijn en op langere termijn het meest effectief zijn. Gelet op de snel opeenvolgende ontwikkelingen op het terrein van verduurzaming en transitie blijft het nodig om voortdurend maatregelen af te wegen op effectiviteit en toekomstbestendigheid. Die maatregelen die op zichzelf bij de start (nog) niet rendabel zijn moeten wellicht gestimuleerd worden met een financiële bijdrage (vanwege bijvoorbeeld onrendabele toppen, risicoprofiel, onderzoek voor innovatie). Om deze reden is voor City een krediet van 2 miljoen euro beschikbaar voor het instellen van een Fonds Duurzaamheid City (FDC). Het Q-team adviseert het college over de inzet van het fonds. Ook de verduurzaming van City wordt in co-creatie opgepakt. Alle stakeholders worden nadrukkelijk uitgenodigd en uitgedaagd om in Nieuwegein City de duurzaamste binnenstad van Nederland te realiseren en met voorstellen daarvoor te komen. Om de duurzaamste binnenstad te worden is een samenhangend en integraal pakket van (duurzaamheids)maatregelen nodig. Voor een aantal thema's zijn, op basis van de ambities uit het Koersdocument, passende maatregelen voor City onderzocht.
Het gaat hierbij om de volgende thema's: Klimaatadaptatie en natuur-inclusiviteit, Water, Energie, Mobiliteit, Circulariteit. De komende periode wordt (via co-creatie en onderzoek) nader onderzocht hoe de meeste synergie tussen maatregelen kan worden bereikt in relatie tot de beschikbare ruimte in gebouwen en openbaar gebied. In principe gaat het daarbij om: Het matchen van ruimtevraag van maatregelen in relatie tot de beschikbaarheid van de totale ruimte; Het prioriteren van maatregelen, teneinde de meest effectieve oplossingen te selecteren; Het maken van een keuze tussen maatregelen indien die elkaar uitsluiten c.q. te weinig synergie opleveren. Doel is een samenhangend pakket van maatregelen te definiëren dat ruimtelijk inpasbaar is. Op basis daarvan wordt per bouwblok een Ontwikkelkader opgesteld en worden de ruimtelijk relevante onderdelen opgenomen in het Omgevingskwaliteitsplan Binnenstad (City) Nieuwegein.
33
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
34
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Hoofdstuk 4
Onderzoek
In dit hoofdstuk worden de (onderzoeks)aspecten behandeld die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. Per aspect is aangegeven wat het wettelijk kader is en wat de consequenties zijn voor het bestemmingsplan.
4.1
Cultuurhistorie en archeologie
De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, stelden de lidstaten zich tot doel het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze regelgeving is opgenomen in de Monumentenwet, en geldt sinds de invoering van de Erfgoedwet in 2016 via overgangsrecht totdat de regels in de Omgevingswet geborgd worden. De kern van de Erfgoedwet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook te worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Voor de ligging van cultuurhistorische en archeologisch waardevolle plekken in het plangebied zijn de Archeologische beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaarten van de gemeente Nieuwegein geraadpleegd. Gebiedskarakteristiek In vergelijking met de omliggende woonwijken is relatief laat begonnen met de realisatie van het binnenstadsgebied. Als basis voor het centrumplan is uitgegaan van een zogenaamde megastructuur met meerdere maaiveldniveaus voor verkeer, winkelen en wonen, een sterk stedelijke en compacte bebouwing met veelal een sterk sculpuraal karakter. Er is sprake van een een grootschalige clustering van zakelijke, openbare en culturele functies. Langs de randen staan grootschalige kantoorpanden en woongebouwen. De binnenstad is hét winkelcentrum van Nieuwegein, men vindt er het stadshuis, het ziekenhuis en tal van kantoren en andere voorzieningen, maar ook woningen: etagewoningen en grondgebonden eengezinswoningen, vooral in de noordwesthoek van het gebied. Het is ook een heel nieuw gebied, zonder nog in het oog springende relicten uit de prestedelijke periode, zoals in de meeste andere wijken nog wel het geval is. De bebouwing in de binnenstad is massaal en stedelijk van karakter. Snel- en langzaam verkeer zijn er deels gescheiden, waarbij het langzaam verkeer via een brug of tunnel de brede Zuidstedeweg kan oversteken.
Midden in het centrumgebied bevindt zich het aan het winkelcentrum gekoppelde station voor de sneltram tussen Utrecht en Nieuwegein. In de afgelopen jaren is de binnenstad grootschalig op de schop gegaan. Dit heeft geleid tot de sloop van veel complexen en de herinvulling met onder meer een nieuw stadshuis, een theater en nieuwe winkelgebouwen. Veel bijzondere gebouwen uit de beginperiode van Nieuwegeins binnenstad zijn er niet meer. Vermeldenswaardig zijn het massale Weverstedehof 1-81 uit 1979-1980, een groot kantoor- en winkelcomplex met daarboven woonappartementen, onder invloed van het structuralisme. Aan de zuidrand van de binnenstad ligt het grote complex van het St. Antoniusziekenhuis (1977 en verder), dat inmiddels ook al veel wijzigingen heeft ondergaan. Een zeer bijzonder en in zijn soort in Nieuwegein uniek gebouw is de Hulp Warmtecentrale voor de Stadsverwarming (1979-1980), een ontwerp van het Ingenieurbureau voor Architectuur en Stedebouw Hoekstra-Roosenburg-Van Buul, dat in 1980 de Nationale Staalprijs ontving. De hoge schoorsteen is een markant oriëntatiepunt in de omgeving. Aan de zuidzijde wordt de binnenstad voor het langzaam verkeer ontsloten door de markante Weverbrug.
De betonnen brug uit circa 1980 heeft deels met baksteen beklede betonnen rondboogportalen, forse bordestrappen op de uiteinden, stalen, fel blauw geschilderde balustrades en een stalen pergola met rood geschilderde rondbogen.
35
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.1.1
Cultuurhistorie
Om adequaat invulling te kunnen geven aan de taak van de gemeente om rekening te houden met binnen het bestemmingsplan aanwezige cultuurhistorische waarden, heeft de gemeente een cultuurhistorisch onderzoek laten uitvoeren (RAAP-rapport 2538 Jonge stad, oude kwaliteiten). Het betreft een interdisciplinaire studie naar het aardkundig, historisch-geografisch, historisch-bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Nieuwegein. Cultuurlandschap In het plangebied is het historische landschap van cope ontginningen nauwelijks herkenbaar en heeft zodoende geen waarde. Een zeer waardevolle landschappelijke structuur is de Doorslag. Dit twaalfde-eeuwse kanaal begrenst de oostkant van het plangebied. Het kanaal verbond de stad Utrecht met de IJssel. Het historische karakter van het kanaal is nog goed aanwezig, doordat het nooit verbreed is. Bouwhistorie In het plangebied staan geen monumenten. Wel telt het plangebied een aantal cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken op basis van het rapport Jonge stad, oude kwaliteiten. Zeer hoge waarde: 1. 2.
De warmtecentrale van de stadsverwarming, gelegen op Koekoekslaan 1 Doorslagbrug over de Doorslag, verbindt de Noordstedeweg met de Vreeswijksestraatweg
Hoge waarde: 3. 4. 5.
Zuidstedebrug, voetgangersbrug over de Zuidstedeweg Weverstedehof 1-81 Karosbrug, voetgangersbrug over de A.C. Verhoefweg
Enige waarde: 6.
Kolfstedetunnel, langzaam verkeertunnel onder de Zuidstedeweg
De bouwwerken van zeer hoge en hoge waarden krijgen de aanduiding 'karakteristiek' in het bestemmingsplan.
36
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Historische bouwkunst en stedenbouw
Cultuurhistorisch erfgoed - Historisch- geografische elementen
Conclusie Binnen het plangebied zijn diverse cultuurhistorische elementen aanwezig, die behouden moeten blijven en opgenomen moeten worden in nieuwe stedenbouwkundige ontwerpen. De beoogde ontwikkelingen geven geen onevenredige belemmering voor de aanwezige historische stedenbouwkundige of geografische karakteristieken in het plangebied en omgeving. Het is niet mogelijk om bij ontwikkeling de historisch-ruimtelijke kwaliteiten van Nieuwegein te herstellen in het gebied en/of relatie met deze kwaliteiten buiten het gebied te versterken. Ten aanzien van de molen, gelegen ten zuiden van het plangebied, is de hiervoor weergegeven molenbiotoop met bijbehorende regeling opgenomen in de regels van voorliggend bestemmingsplan.
37
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.1.2
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit is in lijn met het Europese Verdrag van Malta. Eind 2012 is een Beleidsnota archeologie opgesteld voor de gemeente Nieuwegein. Binnen deze nota is een beleidsadvieskaart opgenomen. Binnen het plangebied komen vier verschillende verwachtingswaarden voor op de beleidsadvieskaart, namelijk: Verwachtingswaarde 2 (rode zone ten noordwesten): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en plangebieden groter dan 500 m2 . Verwachtingswaarde 3 (oranje zone ten zuiden): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 150 cm -mv en plangebieden groter dan 2500 m2 . Verwachtingswaarde 4 (gele zone): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 300 cm -mv en plangebieden groter dan 2500 m2 . Verwachtingswaarde 6 (lichtgroene zone): vroegtijdig inventariserend onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 150 cm -mv en plangebieden groter dan 10.000 m2 .
Archeologische beleidsadvieskaart
De gehanteerde vrijstellingsgrenzen zijn in archeologische dubbelbestemmingen vertaald. Beneden de grens is geen archeologisch onderzoek vereist. Indien bij een concreet bouwplan de betreffende de grenzen voor bodemingrepen worden overschreden, kan nader onderzoek aan de orde zijn. Conclusie In het voorliggende bestemmingsplan zijn de archeologische waarden beschermd door middel van dubbelbestemmingen. Indien voor een ontwikkeling de bij de verwachtingswaarde behorende
38
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
vrijstellingsgrens overschreden wordt, dient de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek uit te voeren.
4.2
Ecologie
4.2.1
Inleiding
Om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te toetsen, is een ecologische inventarisatie van de natuurwaarden uitgevoerd (zie bijlage 2. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Soortenbescherming Uit het onderzoek komt naar voren dat in en om het plangebied beschermde soorten voorkomen of kunnen voorkomen. In het kader van mogelijke verbodsovertredingen van de Wnb is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit onderzoek wordt in uitvoering genomen indien sprake is van concreet zicht op de uitvoeringc c.q. sloop van bestaande bebouwing. Voor andere beschermde soorten is op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie, gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied of provinciaal beschermde natuur (NNN of Groenblauwe mantel). Voor provinciaal beschermde gebieden is van belang of directe aantasting van beschermd gebied optreedt, voor Natura-2000 worden ook indirecte effecten beoordeeld, zoals effect van stikstofdepositie.
Om effect van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan te onderzoeken is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 4. De berekening met Aerius genereert een "leeg" rapport voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase, wat betekent dat er geen natuurgebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op in het kader van Wnb beschermde gebieden (Natura 2000) zijn uit te sluiten. Gezien de afstand zijn andere effecten ook uit te sluiten. Conclusie De plannen zijn ten aanzien van de soorten- en gebiedsbescherming niet in strijd met de Wnb en de Provinciale Ruimtelijk Verordening, Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016).
4.3
Bodem
In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied is verontreinigd, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd. Onderzoeken Voor het hele gebied van City, inclusief enkele aangrenzende locaties, is in 1999 een historisch onderzoek en in 2000 een verkennend bodemonderzoek verricht. Uit historische gegevens blijkt dat het gebied in de jaren '70 een meter is opgehoogd. Uit de resultaten blijkt dat de grond niet tot licht verontreinigd is met de geanalyseerde parameters. De strook langs de Hollandse IJssel is sterk verontreinigd met PAK. In het grondwater is plaatselijk een matig of sterk verhoogde concentratie arseen gemeten.
Dergelijke gehalten aan arseen in het grondwater komen vaak voor in deze regio en andere regio's met vergelijkbare grondslag en vormen geen belemmering voor ontwikkelingen.
39
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
GD-A2 (NVM / Dyade locatie – aankomstplein) Het onbebouwde gebied waar een aankomstplein met een woongebouw is gepland, is met een verkennend bodemonderzoek uit 2017 vrijwel geheel onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bodemgrond licht verontreinigd is met minerale olie, PCB en PAK. Op basis van dit onderzoek zijn er voor het bodemaspect geen bezwaren voor de ontwikkeling van deze locatie. Verder onderzoek is daarvoor niet nodig. Als binnen enkele jaren een aanvraag volgt, kan het onderzoek worden gebruikt voor een omgevingsvergunning. Het oostelijk gelegen deel waar het NVM-gebouw staat dat wordt gesloopt, kan na sloop met een aanvullend verkennend bodemonderzoek worden onderzocht, zodat een compleet beeld van de bodemkwaliteit wordt verkregen. GD-A3 (Doorslagzone, buiten dit bestemmingsplan) Op deze locatie zijn diverse onderzoeken verricht. De locatie is vrijwel geheel onderzocht. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat, met uitzondering van de strook langs de kade, de grond en het grondwater hooguit licht verontreinigd zijn. Langs de kade is de laag van 0 tot 1 meter onder het maaiveld vermengd met puin en koolasdeeltjes, deze is sterk verontreinigd met PAK. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging, die ter plaatse van de kade is gesaneerd. In 2017 is een verkennend onderzoek verricht voor locatie Stadsplein (Doorslagzone).
Uit dit onderzoek is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met minerale olie, PCB en PAK. Op basis van beschikbaar onderzoek zijn er voor het bodemaspect geen bezwaren voor de ontwikkeling van deze locatie. Verder onderzoek is daarvoor niet nodig. Als binnen enkele jaren een aanvraag volgt, kan het onderzoek worden gebruikt voor een omgevingsvergunning. GD-A4 (Oud politiebureau) Op deze locatie zijn onderzoeken verricht in de periode 1995 tot en met 2005. Van de locatie is een politiebureau met schietinrichting, garage en opslag van brandstof bekend. Uit bodemonderzoeken uit de periode 1996 t/m 2005 bleek dat de grond en het grondwater ter plaatse destijds hooguit licht verontreinigd waren. Omdat de onderzoeken echter verouderd zijn, is met het oog op herontwikkeling en nieuwbouw voor een omgevingsvergunning ter actualisatie een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 noodzakelijk. GD-B2 (voormalig busstation/ Erfstede) In 1988 is op deze locatie een indicatief onderzoek verricht. Hierbij zijn geen bijzonderheden geconstateerd. De gegevens zijn echter sterk verouderd. Met het oog op herontwikkeling en nieuwbouw is voor een omgevingsvergunning daarom ter actualisatie een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 noodzakelijk.
GD-C (City-West) Een verkennend bodemonderzoek inclusief verkennend asbestonderzoek op een puinfundatie is recentelijk uitgevoerd voor City West, zie bijlage 10. De grond en het grondwater zijn voornamelijk licht verontreinigd. De kleiige ondergrond is plaatselijk matig verontreinigd met nikkel. Het grondwater is plaatselijk matig verontreinigd met barium. Zowel nikkel in kleigrond als barium in het grondwater worden regelmatig op diverse locaties in Nederland gemeten en hebben vermoedelijk een natuurlijke oorzaak. Met het oog op herontwikkeling en nieuwbouw met kantoren, detailhandel en woningen is er geen planologische belemmering te verwachten. Voor een omgevingsvergunning is mogelijk nog wel aanvullend onderzoek noodzakelijk. Conclusie Voor het plangebied geldt dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkelingen. Bij uitwerking van de plannen voor de verschillende locaties kan een actueel onderzoek
40
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
volgens de NEN 5740 noodzakelijk zijn. In de grondexploitatie van City is hiervoor een post opgenomen.
4.4
Water
Voor het onderdeel water is het, in het kader van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan, nodig om het watertoetsproces te doorlopen. Dit proces omvat het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 4.4.1
Beleid
Gemeente Het jaarplan Water 2020 en de watervisie uit 2004 vormen samen het Waterplan van de gemeente Nieuwegein. De gemeente beschikt ook over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 met daarin het beleid voor de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook de ambities voor de waterkwaliteit en duurzaamheid van het (afval)watersysteem. Het klimaat verandert. We krijgen te maken met meer en heftigere regenbuien, langere droge periodes en meer hete zomerse dagen en nachten. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen moeten we nu al stap voor stap investeren in een klimaatbestendige inrichting van de stad en de samenleving hierop voorbereiden. Dit heet klimaatadaptatie en doet de gemeente niet alleen maar samen met de partners in de stad en de regio. De gemeente heeft in 2018 de visie klimaatadaptatie vastgesteld en het uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie 2019-2022. De ambities van de visie zijn in het Gebiedsdossier City 2019 vertaald naar uitgangspunten en leidende principes voor klimaatadaptatie de nieuwe bebouwing en ontwikkelingen. Daarnaast is voor City een TKI-project (Topsector Kennis & Innovatie) toegekend voor het ontwerp en de ontwikkeling van een Circulair (afval)watersysteem. In dit project wordt samengewerkt in een consortium met de stakeholders in het gebied, provincie, waterschap De Stichtse Rijnlanden, en marktpartijen.
Water en klimaatadaptatie zijn belangrijke thema's om City de meest duurzame binnenstad van Nederland te maken. Waterbeheerder Het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) is de waterkwaliteiten waterkwantiteitsbeheerder. Het concrete toetsingskader van HDSR voor de watertoets is gegeven in het Handboek Watertoets. De belangrijkste uitgangspunten zijn hierbij als volgt: het standstill-principe: voorkom negatieve effecten van ruimtelijke watersysteem; verbeteren: benut kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen.
ontwikkelingen op
het
De principes die bij het waterbeleid van belang zijn: Waterkwantiteit: de trits vasthouden - bergen - afvoeren; versnelde afvoer van regenwater naar oppervlaktewater moet worden voorkomen of worden gecompenseerd; 1. in verband met het voorkomen van versnelde afvoer adviseert het waterschap om wel een infiltratiesysteem aan te leggen. Voor een afname van verhard oppervlak in stedelijk gebied is geen compensatieplicht vanuit het waterschap; 2. om versnelde afvoer naar oppervlaktewater te voorkomen, adviseert het waterschap om een infiltratiesysteem aan te leggen met 45 mm berging per m2 afgekoppeld oppervlak. Indien infiltratie niet mogelijk is, zal automatisch moeten worden gecompenseerd. Voor een toename van verhard oppervlak van 500 m2 tot 10.000 m2 in stedelijk gebied moet berging worden gerealiseerd. Waterkwaliteit: de trits schoon houden - scheiden - zuiveren. Voor bouwactiviteiten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan zorgvuldige materiaalkeuze. Verslechtering van de waterkwaliteit bij nieuwbouw en herstructurering kan worden voorkomen door geen uitlogende (bouw)materialen toe te passen;
41
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
bij nieuwe ontwikkelingen adviseert het waterschap het regenwater gescheiden van het afvalwater te verwerken. 4.4.2
Waterberging
Het plangebied is reeds in de huidige situatie volledig bebouwd en/ of verhard. In het plangebied zal het verhard oppervlak dan ook niet verder toenemen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Bij uitwerking van de bouwplannen adviseert het waterschap om in elke situatie een infiltratiesysteem aan te leggen. Dit is afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem, gemiddeld hoogste grondwater en beschikbare ruimte. Het aanleggen van een infiltratiesysteem is niet verplicht. De gemeente hanteert bij nieuwe ontwikkelingen de eis dat hemelwater is afgekoppeld van de riolering en in het plangebied geen schade optreedt aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (bui van 90 mm/uur). Het plangebied wordt zodanig ingericht en ontworpen dat van een hevige bui minimaal 20 mm van het bestaande en het te realiseren oppervlak kan worden verwerkt en geïnfiltreerd in het plangebied zelf. Een groot gedeelte van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui op privaat terrein in de omgeving van het stationsgebied en City west wordt tijdelijk op dit terrein opgevangen en circulair ingezet. 4.4.3
Waterkering
De damwand en de achterliggende kade langs de Doorslag doet dienst als regionale waterkering. Ter bescherming van deze waterkering zijn beschermingszones aangewezen. Ontwikkelingen binnen deze zones dienen te worden voorgelegd aan de beheerder van de waterkering, HDSR. Daarmee wordt voorkomen dat de belangen van de waterkering worden geschaad. In de Keur van het hoogheemraadschap is bepaald dat ter bescherming van deze damwand een strook van 12 m breed (7 m kernzone plus 5 m beschermingszone) uit de damwand gevrijwaard moet blijven van elke bouw-, graaf-, plant- of rooiactiviteit. Voor werkzaamheden op kortere afstand is een ontheffing vereist. Het bestemmingsplan maakt geen directe ontwikkelingen mogelijk binnen deze zone. 4.4.4
Fietsbrug
De gemeente is voornemens om een fietsbrug over de Doorslag in Nieuwegein te realiseren, zie ook paragraaf 3.2.1. Hiervoor heeft de gemeente twee mogelijke locaties op het oog (ten noorden en ten zuiden van het viaduct van de Zuidstedeweg). HDSR is om advies gevraagd met betrekking tot de wateraspecten. HDSR verzoekt de gemeente rekening te houden met onderstaande waterthema's: a. b. c. d. e.
Watersysteem: peilgebieden en oppervlaktewater huidig watersysteem Omgang met overtollig hemelwater in relatie met waterkwaliteit KWA en opstuwing Vaarwegbeheer Baggeren en werkzaamheden Doorslagsluis
Bij de verdere uitwerking van de brug (en locatiekeuze) wordt rekening gehouden met deze waterthema's en (civieltechnische) voorwaarden van HDSR. Met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan kan gesteld worden dat realisatie van een brug vanuit de wateraspecten uitvoerbaar te achten is. Gelet op de afzonderlijke regelgeving met betrekking tot minimale doorvaarthoogte, doorvaartdiepte en doorvaartbreedte, kunnen aanvullende regelingen in het bestemmingsplan achterwege blijven. In het bestemmingsplan zijn de mogelijke locaties door middel van aanduidingen weergegeven. 4.4.5
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het watersysteem toereikend is om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. In het kader van het wettelijk overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan HDSR. Met betrekking tot de fietsbrug is afzonderlijk overleg gevoerd.
42
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.5
Geluid
Wet geluidhinder Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van woningen. De Wet geluidhinder beschouwt dergelijke gebouwen als zogenaamd geluidsgevoelige gebouwen. Onderzocht dient derhalve te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. Zones In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Binnen de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 200 m. In geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Onderzoek Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor de ontwikkellocaties (zie bijlage 3). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de planlocatie hoge geluidbelastingen ondervindt vanwege de A.C. Verhoefweg, de Zuidstedeweg en de sneltram. Ook wordt de plandrempel uit het Actieplan Geluid (65 dB voor de cumulatieve geluidbelasting) overschreden, voornamelijk op de gevels langs de Zuidstedeweg.
Voor woningen met een buitengevel die alleen grenst aan de zijde(n) van de gebouwen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moeten aanvullende (bouwkundige) maatregelen wordt getroffen om een geluidluwe zijde en buitenruimte te realiseren. Het toepassen van een stil wegdek op de Zuidstedeweg en A.C. Verhoefweg kan het aantal hogere waarden flink verminderen en mogelijk ook de overschrijding van de grens van 65 dB voor de cumulatieve geluidbelasting voorkomen. Aan de hand van een voorwaardelijke verplichting in de algemene bouw- en gebruiksregels is zeker gesteld dat in de eindsituatie wordt voldaan aan de eisen voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting. Op grond van deze bepaling dienen afhankelijk van de concrete situatie geluidwerende voorzieningen te worden aangebracht. Industrielawaai Ten zuiden van de Zuidstedeweg ligt direct in de omgeving van het St. Antonius ziekenhuis het terrein van de hulpwarmtecentrale ten behoeve van de stadsverwarming. Dit is een gezoneerd industrieterrein. Op dit industrieterrein is een inrichting gevestigd die "in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken", zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Binnen de geluidszone geldt een onderzoeksplicht voor nieuwe geluidsgevoelige functies, zoals woningen en andere gevoelige bestemmingen.
Indien de geluidsbelasting op de gevel meer dan 50 dB(A) bedraagt, gelden er beperkingen voor de nieuwbouw van geluidsgevoelige functies. Deze beperkingen zijn gegeven in het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen. Nieuwbouw van gevoelige functies binnen de 55 dB(A)-contour is zonder meer niet toegestaan. Binnen de geluidszone zijn geen nieuwe geluidsgevoelige functies voorzien; de uitbreiding van het ziekenhuis binnen de geluidszone van de hulpwarmtecentrale betreft alleen aan het ziekenhuis gerelateerde functies die niet geluidsgevoelig zijn. Conclusie De Wet geluidhinder verzet zich derhalve niet tegen de komst van deze woningen. Ook is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefmilieu.
4.6
Luchtkwaliteit
In het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip nibm. Sinds verlening van derogatie door de EU is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwalteit (NSL) in werking getreden en is nibm gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. De wijze van salderen in relatie tot het begrip nibm is uitgewerkt in de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007. Voor het OOB 2013 is een Mobiliteitstoets opgesteld. Er is verkend wat het effect van het aangepaste
43
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
programma is voor de verkeersproductie en daarmee ook voor de luchtkwaliteit. De herziening van het programma leidt niet tot een significante toename van het verkeer en daarmee ook tot een verwaarloosbaar effect op de luchtkwaliteit. Uitgaande de gegevenrekenmethode beschreven in bijlage 3A en 3B van het Besluit NIBM, valt de verkeerstoename ruimschoots onder het 3%-criterium van 1,2 microgram/m3 voor zowel NO2 als PM10 . Het project draagt derhalve niet in betekenende mate (nibm) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien blijkt uit de NSL-monitoringsviewer dat in 2015 de jaargemiddelde PM10 en NO2 concentraties in het plangebied lager zijn dan 35 µg/m3 . Het aantal overschrijdingsdagen van PM10 ligt onder de 35 dagen. Er wordt in de bestaande situatie voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan vormt geen belemmeringen ten aanzien het aspect luchtkwaliteit.
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op activiteiten die een risico voor de omgeving met zich kunnen meebrengen. Voorbeelden zijn de productie of transport van gevaarlijke stoffen. Om ongelukken te voorkomen, worden bij externe veiligheidsrisico's minimum afstanden gehanteerd van wonen, werken en recreëren tot activiteiten die een gevaar kunnen opleveren. Wettelijk kader De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit), en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: het plaatsgebonden risico het groepsrisico Plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft, aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt.
Groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico's bij elkaar in de buurt komen. Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting et cetera) in relatie tot de risicobron. Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Beleidsvisie externe veiligheid Naast het feit dat vanuit de Rijksoverheid risiconormen zijn gesteld, laat de wet- en regelgeving ook ruimte aan gemeenten (en provincies) om eigen veiligheidsambities te formuleren. In de Beleidsvisie externe veiligheid (raadsbesluit 2007-403) is aangegeven hoe Nieuwegein met deze beleidsvrijheid omgaat. Zo is onder nadere in de visie aangegeven dat de gemeente zich het recht houdt voor om bij nieuwe situaties af te zien van het zogenaamde “stand still"-beginsel voor het groepsrisico, zolang aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan. Toetsing In of nabij het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: Eneco hulpwarmtecentrale; Ecolab Production Netherlands BV.
Het plangebied ligt verder buiten de toetsingsafstanden van andere risicobedrijven, buisleidingen vallend
44
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (bevb), of rijkswegen en vaarwegen die deel uitmaken van het zogenaamde Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen, of een gemeentelijke route voor gevaarlijke stoffen. Eneco hulpwarmtecentrale De Eneco hulpwarmtecentrale is in het plangebied gelegen. Het bedrijf is een inrichting met externe veiligheidsrisico's vanwege de bulkopslag van gasolie. De bedrijfsprocessen, aard en omvang van gebruikte gevaarlijke stoffen kunnen een risico vormen voor de omgeving. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een (reeds bestaande) bouwmogelijkheid binnen de zonering in de vorm van een parkeergarage. Een parkeergarage is geen verblijfsbestemming en wordt in het kader van het Bevi niet beschouwd als een beperkt- of kwetsbaar object. Nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is niet nodig. In het kader van de uitwerking van het bouwplan vindt nadere afstemming plaats met de Veiligheidsregio en de RUD Utrecht (provincie). Ecolab De ontwikkeling aan de Doorslagzone ligt buiten het invloedsgebied van Ecolab. Nader onderzoek in het kader van externe veiligheid is niet noodzakelijk. Conclusie Uit voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor vaststelling van het plan.
4.8
Bedrijven milieuzonering
De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken, is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed worden gesitueerd, zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Regelgeving Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. In de uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.
Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: Tabel: richtafstanden volgens VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009'
De milieucategorie leidt in combinatie met een omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied) tot een bijbehorende richtafstand. Uitgangspunten milieucategorisering Het centrumgebied zelf kan bij uitstek gekarakteriseerd worden als een gemengd gebied, waar een veelheid aan functies aanwezig is (detailhandel, bedrijvigheid, kantoren, woonfunctie, maatschappelijke
45
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
dienstverlening). Dit betekent dat kan worden aangesloten bij de richtafstanden tot 'gemengd gebied'. In het plangebied De bestemming van gronden die de hiervoor genoemde bedrijvigheid mogelijk maken, veranderen met onderhavig bestemmingsplan niet. Verder onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In de omgeving van het plangebied Bedrijventerrein Herenstraat-Kruyderlaan Ten noorden van het plangebied ligt het bedrijventerrein Herenstraat-Kruyderlaan. Volgens dit bestemmingsplan worden op het bedrijventerrein bedrijven toegelaten met een richtafstand van maximaal 30 m (gemengd gebied). De bedrijven die op dit terrein zijn gevestigd, liggen op voldoende afstand van de beoogde nieuwe gevoelige functies in de binnenstad (Doorslagzone). Ook de bedrijvigheid zelf wordt door de herstructurering niet in zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering beperkt, mede vanwege de ligging van de bestaande woningen (waaronder Kruyderlaan 37) en het feit dat de geldende bestemmingsplan reeds gevoelige functies (maatschappelijk) toestaat. Ecolab Ten noordoosten van het plangebied ligt het bedrijf Ecolab (voormalig Henkel). De Henkelfabrieken gaven in het verleden wel reden tot klachten voor de woningen in de directe nabijheid van de fabrieken.
Inmiddels hebben strengere milieuregelgeving en structureel overleg tussen het bedrijf en de omwonenden geresulteerd in reductie van het aantal klachten tot een minimum. Ecolab, dat was- en reinigingsmiddelen produceert, heeft volgens de VNG-uitgave Bedrijvigheid en milieuzonering een aantal richtafstanden voor verschillende milieuaspecten (uitgaande van gemengd gebied), te weten: 50 m voor stof en voor gevaar; 100 m voor geluid; 200 m voor geur. Stof en gevaar De productieactiviteiten van Ecolab (daar waar de aspecten stof en gevaar een rol spelen) liggen op een grotere afstand dan 50 m vanaf de grens van het plangebied (namelijk meer dan 150 m). Voor deze productieactiviteiten wordt dus voldaan aan de richtafstand. Langs de Herenstraat, tussen de productiehal en het plangebied, staan bovendien reeds een aantal woningen, waarmee Ecolab in zijn bedrijfsvoering reeds rekening moet houden. Op het terreindeel van Ecolab dat het dichtstbij het plangebied ligt (80 m), vinden parkeer- en kantooractiviteiten plaats. Deze activiteiten hebben geen negatieve gevolgen voor het aspect stof. Dit aspect levert geen beperkingen op voor de ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. Voor het aspect externe veiligheid in verband met de aanwezigheid van Ecolab in de omgeving van het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 4.7.
Geluid De afstand tussen de nieuw te bouwen woningen in het plangebied en de terreingrens van Ecolab bedraagt circa 150 m. Er wordt bij deze nieuwe functies voldaan aan de richtafstand voor geluid. Langs de Herenstraat, tussen de productiehal en het plangebied, liggen bovendien reeds een aantal woningen, waarmee Ecolab in zijn bedrijfsvoering reeds rekening moet houden. Ook de kantoor- en parkeeractiviteiten van Ecolab hebben geen negatieve effecten op de geluidsbelasting nabij deze nieuwe woningen. Derhalve levert het aspect geluid geen beperkingen op voor de ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. Geur Voor de geurproblematiek van Ecolab zijn, in overleg met de gemeente, voor omliggende ontwikkelingen diverse berekeningen uitgevoerd (o.a. LBP-Sight, Herbestemming kantoor Meentwal 1, 7 juni 2012 en LBP Sight, Kruyderlaan 25-29 Nieuwegein, 17 oktober 2012). Conclusie In dit bestemmingsplan wordt zorg gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande en nieuwe woningen en worden de bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.
46
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.9
Hoogbouw
4.9.1
Windhinder
Windhinder treedt op rondom hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kunnen maken. Voor een goede ruimtelijke ordening is aandacht voor het windklimaat bij met name stedelijke hoogbouw noodzakelijk. Een windhinderonderzoek heeft tot doel om in kaart te brengen wat mogelijke knelpunten zijn en waar deze kunnen ontstaan op verblijfsniveau. Windhinder hangt voor een groot deel af van de architectonische uitwerking van bebouwing (vorm, volume en breedte). Bij de ontwikkeling van hoge gebouwen (> 15 m) kan er bij het uiteindelijke gebouwontwerp om een aanvullend windhinderonderzoek worden gevraagd. Voor de ontwikkellocaties is op voorhand echter geen onevenredige windhinder te verwachten, aangezien het bouwvolume per saldo niet toeneemt ten opzichte van de geldende planologische situatie. Conclusie Ontwikkelingen die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, vormen geen directe belemmeringen ten aanzien van een goed windklimaat. Echter dient er bij gebouwontwerp in geval van hoogbouw rekening te worden gehouden met dit aspect en wordt er om een aanvullend windonderzoek gevraagd. Dit is opgenomen in de planregels. 4.9.2
Schaduwhinder
Een bezonningsonderzoek geeft inzicht in de mogelijke schaduwwerking van de potentiële bouwvolumes op de omgeving. Van belang voor de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en (openbare) buitenruimte is een goede bezonning/lichttoetreding. Er dient zoveel mogelijk bezonning op straatniveau en binnen de bouwblokken mogelijk te worden gemaakt door te zoeken naar een goede geleding in de bouwblokken in hoogte en vorm. Het uitgevoerde bezonningsonderzoek voor de Binnenstad (zie bijlage 7) geeft een indruk van de schaduwwerking van de bebouwing in de verschillende seizoenen en op verschillende momenten van de dag. Bij de ontwikkeling van hoge gebouwen (> 20 m) wordt bij het uiteindelijke gebouwontwerp om een aanvullend bezonningsonderzoek gevraagd. Voor de ontwikkellocaties is op voorhand echter geen onevenredige hinder te verwachten, aangezien het bouwvolume per saldo niet toeneemt ten opzichte van de geldende planologische situatie.
4.10 Kabels en leidingen Binnen het plangebied, dan wel in de nabij omgeving zijn geen kabels of leidingen aanwezig die aanwezige functies en ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plangebied belemmeren.
4.11 Radarverstoring Er dient rekening te worden gehouden met de verstoringen van radarstations voor vliegverkeer vanwege radarstation Herwijen. De verstoring is bij een bouwhoogte van meer dan 90 m een aandachtspunt. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk met een dergelijke bouwhoogte. Radarverstoring is dan ook niet aan de orde, waardoor dit aspect geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het plan.
47
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
4.12 Milieueffectrapportage 4.12.1
Wettelijk kader
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. 4.12.2
Onderzoek
Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. In bijlage 8 is de mer-beoordeling opgenomen. 4.12.3
Conclusie
Op dit bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De beoogde ontwikkelingen veroorzaken geen nadelige gevolgen voor het milieu. 4.12.4
M.e.r.-beoordelingsbeslissing
Op pm heeft het college van Nieuwegein besloten dat een project-m.e.r. in dit geval niet noodzakelijk is.
48
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Planomschrijving
Het bestemmingsplan geeft een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van de binnenstad. Het bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde bestemmingen; weergegeven op de verbeelding en uit regels voor het gebruik van de gronden en de daarop te realiseren opstallen, voor zover die regels in verband met de bestemming nodig zijn. Tevens gaat het bestemmingsplan vergezeld van deze toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken, de uitkomsten van het overleg (ex artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening) en een rapportering van de inspraak zijn opgenomen. De regels en verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.
5.2
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Deze bestemmingen betreffen aanduidingen van de doeleinden waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling in de planregels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de planregels een juridische betekenis.
5.3
Regels
De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels worden, conform de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het navolgende worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht. 5.3.1
Inleidende regels
In het hoofdstuk Inleidende regels wordt een aantal begrippen verklaard en wordt aangegeven hoe, bij toepassing van de regels, dient te worden gemeten. 5.3.2
Bestemmingsregels
Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels waarin de materiële inhoud van de gegeven bestemmingen is opgenomen, waaronder het gebruik van de opstallen en de gronden en de toegestane maatvoering. Binnen de bestemmingsvlakken en bouwvlakken mag bebouwing ten dienste van de bestemming worden opgericht met een maximale hoogte zoals aangegeven op de verbeelding. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), naast het bestemmingsplan, wel het een en ander vergunningsvrij mag worden gebouwd. Dit wordt in het bestemmingsplan niet expliciet benoemd. Hierna wordt per bestemming een korte toelichting gegeven. Bedrijf - Nutsvoorziening Deze bestemming is bedoeld voor de bestaande hulpwarmtecentrale. Een bebouwingspercentage en een maximale bouwhoogte is opgenomen voor het perceel. De bouwhoogte mag worden overschreden door schoorstenen tot een hoogte van 20 m. Ook voor de aanwezige opslagtanks (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) is een specifieke regeling opgenomen. De hulpwarmtecentrale is een gezoneerd industrieterrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Centrum - 1
49
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Het bestemmingsplan bevat de bestemming Centrum - 1 voor het kernwinkelgebied en sluit aan op de geldende regeling. De bestemming staan verschillende functies toe, die onderling uitwisselbaar zijn. Voorbeelden van de toegestane functies zijn: detailhandel, dienstverlening en horeca in de categorieën 1 en 2 uit de Staat van Horeca-activiteiten. Centrum - B3 Deze bestemming is opgenomen voor de ABC-locatie en sluit qua toegestane functies zoveel mogelijk aan op de bestemming Centrum - 1. Gemengd - 1 Deze bestemming maakt het mogelijk om met name maatschappelijke en kantoorfuncties te mengen. Met aanduidingen zijn aanvullende functies, zoals dienstverlening en detailhandel toegestaan tot ten hoogste 5 m boven peil. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden is aangesloten bij de geldende regelingen. Gemengd - A2, Gemengd - A4 en Gemengd - C Deze gemengde bestemmingen zijn opgenomen voor drie ontwikkellocaties. De bestemmingen staan verschillende functies toe, zoals beschreven in paragraaf 3.2. Groen Binnen de bestemming Groen zijn alleen de hoofdgroenstructuren opgenomen. Het overige groen is niet apart bestemd, maar valt binnen andere bestemmingen zoals Verkeer of Verkeer - Verblijfsgebied. In de bestemming Groen zijn tevens waterpartijen bijvoorbeeld voor waterberging en waterlopen toegestaan.
Onder waterlopen wordt ook het water begrepen dat door middel van duikers de verschillende singels met elkaar verbindt. Deze duikers liggen vaak op gronden met de bestemming Groen of in een verkeersbestemming. Eveneens zijn binnen deze bestemming geluidswerende voorzieningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'verkeer' zijn inritten mogelijk gemaakt voor het ziekenhuis. Kantoor De bestemming Kantoor is met name te vinden aan de rand van het centrumgebied. Binnen deze bestemming is een specifieke regeling opgenomen om, naast kantoren en daarbij behorende dienstverlening op de locatie nabij de centrumbestemmingen, ook centrumfuncties toe te laten. Dit is geregeld met de aanduiding 'centrum' op de verbeelding. Op enkele locaties geeft de aanduiding (wonen) aan dat tevens wonen is toegelaten vanaf de tweede bouwlaag boven het maaiveld. Maatschappelijk Deze bestemming is bedoeld voor het St. Antonius ziekenhuis. Gekozen is voor globale bestemming waarbinnen ook gebouwde parkeervoorzieningen, verkeers- en verblijfsgebied en waterberging kunnen worden gerealiseerd. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. De uiterste contour van de hoofdgebouwen is aangegeven door middel van een bouwvlak. Voor het grootste gedeelte geldt een bouwhoogte van 23 m. Aan de kant van de Zuidstedeweg kan worden gebouwd tot 37 m. Langs de Doorslag mag worden gebouwd tot 23 m.