Zienswijzennota gecoördineerde ontwerpbesluiten (n.a.v. vraag 18)
Tekst van het document
Zienswijzennota Gecoördineerde ontwerpbesluiten Willemspolder fase 1
1
Inhoudsopgave 1
Ingebrachte Zienswijzen .................................................................................................................. 3
2
Algemene zienswijzen ..................................................................................................................... 5
3
4
5
2.1
Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe ...................... 5
2.2
Inwoner IJzendoorn ................................................................................................................. 6
Ontwerp-Bestemmingplan .............................................................................................................. 7 3.1
Diverse bewoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe ...................... 7
3.2
Grondgebruiker 1 en Grondgebruiker 2 in Willemspolder ................................................... 12
3.3
Dorpshuis IJzendoorn “ons Tehuis’ ....................................................................................... 14
3.4
Ambtshalve aanpassingen ..................................................................................................... 14
Ontwerpbesluit Ontgrondingenwet .............................................................................................. 16 4.1
Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe .................... 16
4.2
Grondgebruiker 1 en Grondgebruiker 2 in Willemspolder ................................................... 18
4.3
Grondgebruiker 3 in Willemspolder ...................................................................................... 19
Ontwerpbesluit Vergunning Wet natuurbescherming.................................................................. 20 5.1
6
Ontwerpbesluit Wet natuurbescherming, onderdeel soorten ..................................................... 23 6.1
7
8
Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe .................... 20 Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe .................... 23
Ontwerpbesluit omgevingsvergunning activiteit milieu ............................................................... 26 7.1
Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe .................... 26
7.2
Grondgebruiker 1 en Grondgebruiker 2 in Willemspolder ................................................... 39
Wijzigingen n.a.v. ingebrachte zienswijzen ................................................................................... 40
2
1 Ingebrachte Zienswijzen Initiatiefnemer wil een deel van de Willemspolder gaan ontgronden en herinrichten als waterrijke natuur met extensieve recreatie. Tevens wordt in het gebied een drijvend zonneveld aangelegd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken zijn er diverse besluiten nodig van verschillende overheden. Initiatiefnemer heeft verzocht om de coördinatieprocedure van toepassing te verklaren, zodat alle benodigde ontwerpbesluiten gelijktijdig ter inzage worden gelegd. Onderstaande ontwerpbesluiten hebben van donderdag 17 maart 2022 tot en met donderdag 28 april 2022 gedurende zes weken gelijktijdig ter inzage gelegen. 1. Ontwerpbestemmingsplan ‘Willemspolder fase 1’ (gemeente Neder-Betuwe); 2. Ontwerpbesluit op grond van de Ontgrondingenwet (provincie Gelderland); 3. Ontwerpbesluit - vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (gebieden) (provincie Gelderland); 4. Ontwerpbesluit - ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (soorten) (provincie Gelderland); 5. Ontwerpbesluit – omgevingsvergunning, activiteit milieu (ontgronden en herinrichten) (Omgevingsdienst Rivierenland, namens gemeente Neder Betuwe). In deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn/haar zienswijze omtrent een of meerdere ontwerpbesluiten kenbaar te maken. Naast bovengenoemde besluiten is een watervergunning aangevraagd.
De procedure met betrekking tot deze vergunning verloopt separaat. De tijdelijke vergunning voor afwijken bestemmingsplan en de tijdelijke milieuvergunning voor bedrijfsterrein Binnenwaard zijn eveneens niet meegenomen bij deze coördinatieprocedure. Van de mogelijkheid tot het kenbaar maken van een schriftelijke zienswijze is gebruik gemaakt door: a) Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe b) Inwoner IJzendoorn c) Grondgebruiker Willemspolder fase 2 d) Grondgebruiker Willemspolder fase 2 e) Grondgebruiker Willemspolder fase 2 f) Dorpshuis IJzendoorn “ons Tehuis’
3
In onderstaande tabel is aangegeven op welke besluiten de ingebrachte zienswijzen betrekking hebben. Indiener a
Indiener b Indiener c
Indiener d
Algemeen / procedureel
X
Ontwerpbestemmingsplan
X
X
X
Ontwerp besluit Ontgrondingenwet
X
X
X
Ontwerp besluit Wet natuurbescherming (gebieden)
X
X
X
Ontwerp besluit Wet natuurbescherming (soorten)
X
Ontwerp besluit omgevingsvergunning, activiteit milieu (ontgronden en herinrichten)
X
X
X
Indiener e
Indiener f
X X
X
In de navolgende zienswijzennota wordt een reactie gegeven op de ingebrachte zienswijzen. Daar waar dit heeft geleid tot een aanpassing in de definitieve besluiten wordt dit specifiek aangegeven. Verschillende zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing van het ontwerp besluit. De wijzigingen zijn in hoofdstuk 8 samengevat. Indien een zienswijze heeft geleid tot een wijziging is dit in de reactie opgenomen en met een nummerverwijzing, bijvoorbeeld 1) naar hoofdstuk 8 opgenomen.
4
2 Algemene zienswijzen 2.1 Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe Drie besluiten zijn niet betrokken in coördinatie De ontwerp watervergunning, de ontwerp omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan en de tijdelijke omgevingsvergunning voor milieu maken geen onderdeel uit van de gecoördineerde besluitvormingsprocedure. Het gevolg daarvan is dat de omgevingsvergunningen voor de (permanente) ontwikkeling van de bouwgrondstoffen HUB aparte besluitvormingstrajecten doorlopen. In plaats van hierover één samenhangende zienswijze te kunnen indienen, zijn indieners genoodzaakt om meerdere zienswijzen in te dienen. Indieners constateren dat de doelstelling van de coördinatie daardoor niet wordt bereikt. Gelet op samenhang met de omgevingsvergunning tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan gaan de zienswijzen ook in op deze omgevingsvergunning. Reactie: De drie genoemde ontwerpbesluiten waren niet tijdig gereed. Initiatiefnemer heeft verzocht om de coördinatieprocedure toe te passen ten aanzien van de ontwerpbesluiten die toen beschikbaar waren. Ten tijde van de voorbereiding van de ontwerpbesluiten was niet bekend wanneer de drie ontwerpbesluiten gereed zouden zijn.
Zienswijze op toepassing Crisis en herstelwet (Chw) Op alle ter inzage gelegde ontwerpbesluiten is de Crisis en herstelwet van toepassing. Indieners begrijpen niet goed waarom. Dit is nergens gemotiveerd. Indieners kunnen dit nergens terug vinden bij de stukken die ter inzage liggen. Indieners vinden het vreemd dat de Crisis en herstelwet niet meteen bij de start van het project van toepassing is verklaard. Indieners vragen zich af onder welke categorie (1, 2 en/of 3) van de Crisis en herstelwet dit project valt. Indieners vragen zich af of deze categorieën wel van toepassingen kunnen worden verklaard. Indieners denken van niet. Categorie 2 of 3 kan niet van toepassing zijn, omdat het project niet samenhangt met projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen, vaarwegen, wegen of luchthavens. Slechts 6 ha van het 160 ha plangebied wordt in het ontwerpbestemmingsplan bestemd voor de opwekking, opslag, transport, en benutting van duurzame energie en bijbehorende voorzieningen, in de vorm van zonnepanelen. Voor het zonnepark is nog geen omgevingsvergunning aangevraagd. Dat is ook pas mogelijk als de ontgrondingswerkzaamheden zijn afgerond. Indieners ondervinden hierdoor extra belemmeringen bij een eventuele rechtsgang. Het brengt hen als burger in een nadelige positie. Dit nadeel staat in geen verhouding tot het betrokken belang van de initiatiefnemer.
Indiener is van mening dat de Crisis en herstelwet ten onrechte van toepassing is verklaard en zij vragen om de Crisis en herstelwet niet van toepassing te verklaren op de definitieve besluiten. Reactie: Indieners signaleren terecht dat is voorgesteld om de Crisis- en herstelwet van toepassing te verklaren. Daardoor is bij indieners kennelijk de indruk ontstaan dat de Crisis- en herstelwet van toepassing verklaard moet worden. Dat is niet juist. De toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet volgt rechtstreeks uit de wet. De Crisis- en herstelwet is (onder andere) van toepassing omdat het ontwerpbestemmingsplan de aanleg van een drijvend zonnepark van ongeveer 6 ha mogelijk maakt. Volgens artikel 1.1 lid 1 onder a van de Crisis- en herstelwet zijn de bepalingen van de Crisis- en herstelwet onder meer van toepassing op: 5
‘alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;’
De aanleg van een zonnepark wordt vermeld in Categorie 1.1 van Bijlage I bij de Crisis- en herstelwet: “Bijlage I. Categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid 1. duurzame energie 1.1.aanleg of uitbreiding van productie-installaties ten behoeve van de productie van biogas, biomassa, getijdenenergie, golfenergie, hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte met behulp van aardwarmte, omgevingswarmte, osmose, rioolwaterzuiveringsgas, stortgas, waterkracht en zonneenergie”
De NvT (Stb. 2013, 279) vermeldt hierover: “1. Nieuwe subcategorie bij categorie 1 (duurzame energie) In Europees verband is afgesproken dat in 2020 16% van de energie duurzaam moet zijn (opgewekt). Om aan deze verplichting te kunnen voldoen, wordt het verlenen van vergunningen voor de aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor duurzame energie vereenvoudigd. Hiervoor wordt categorie 1. Duurzame energie uitgebreid met de duurzame energie technologieën die onder het Besluit Stimulering Duurzame Energieproductie zijn gebracht.”
Het geldende bestemmingsplan (het bp ‘Buitengebied Dodewaard en Echteld’ van 30 mei 2013) maakt de aanleg van het zonnepark niet mogelijk. Daarom is het bestemmingsplan ‘Willemspolder fase 1’ een besluit dat vereist is om de aanleg van het zonnepark mogelijk te maken. Dit betekent dat de Crisis- en herstelwet op het bestemmingsplan van toepassing is. Dat het bestemmingsplan naast het zonnepark ook nog andere ontwikkelingen mogelijk maakt, doet aan de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet niet af. Ook het gegeven dat voor de bouw van het zonnepark nog andere besluiten nodig zijn, kan niet afdoen aan de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet. Overigens, mocht de Crisis- en herstelwet onverhoopt niet van toepassing zijn, dan heeft dat verder geen gevolgen voor de inhoud van het door de raad te nemen besluit over het bestemmingsplan. Wij delen de opvatting van de indieners dat de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet in deze fase van de procedure voor hen nadelig is, daarom niet.
2.2 Inwoner IJzendoorn Indiener verzet zich tegen de wijze waarop wijze de ontwerpbesluit zijn gepubliceerd. Het veelvoud aan documenten en de naamgeving van de bestanden maken het de burger lastig om zich inhoudelijk op een ontwerpbesluit te oriënteren. Indiener verwacht van het bevoegd gezag ten minste een overkoepelend schrijven dat de burger een leeswijzer of stroomschema geeft en helpt om een weg te vinden door de stukken. Reactie: Gelet op de complexiteit van de procedures en de grote hoeveelheid aan stukken is het begrijpelijk dat de burger moeite heeft om hierin zijn weg te vinden. De provincie Gelderland heeft getracht de ontwerpbesluiten met bijbehorende stukken zo overzichtelijk mogelijk via digitale weg weer te geven op haar website www.coordinatiegelderland.nl. Per ontwerpbesluit zijn de bijbehorende bijlagen bijgevoegd. Het klopt dat niet alle bestandsnamen even duidelijk omschreven staan. We nemen de suggestie van indiener over. Om de leesbaarheid te vergroten zullen we bij de ter inzage legging van de definitieve besluiten een leeswijzer toevoegen. 1)
6
3 Ontwerp-Bestemmingplan 3.1 Diverse bewoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe Zienswijze over bedrijfsbestemming en monitoringsproef Indieners hebben in maart 2021 zienswijzen op het voorontwerp bestemmingsplan Willemspolder fase 1 ingediend met betrekking op de voorgenomen vestiging van het op-, overslag en verwerkingsbedrijf voor bouwgrondstoffen op de Binnenwaard. Zij betreuren dat zij nog geen inhoudelijke reactie hebben gehad op deze zienswijzen. Indieners zijn van mening dat de vestiging van het op-, overslag en verwerkingsbedrijf op de Binnenwaard niet past binnen de gestelde randvoorwaarden. Daarom achten zij tijdelijke omgevingsvergunningen voor de duur van maximaal 5 jaar, alsmede monitoring en evaluatie gericht op het nemen van een besluit over het al dan niet omzetten naar een permanente bedrijfsbestemming, niet nodig. Reactie: Onder andere naar aanleiding van de ingediende reacties op het voorontwerpbestemmingsplan is besloten om de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan te halen. Vanwege deze beslissing was het niet meer noodzakelijk om inhoudelijk op de aangegeven gronden te reageren. Op een daartoe strekkende aanvraag van de initiatiefnemer is een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de locatie die in het voorontwerpbestemmingsplan voor bedrijfsdoeleinden was bestemd.
De tijdelijke omgevingsvergunning is voor een periode van 5 jaar verleend. Gedurende deze periode wordt gemonitord welke overlast een duurzame bouwgrondstoffen hub geeft voor de omgeving. Maar ook of de milieugevolgen in de praktijk overeenkomen met de informatie uit het MER, de ruimtelijke onderbouwing en de vergunningaanvragen. Op basis van de uitkomsten van de monitoring zal beslist worden of de bedrijfsactiviteiten permanent kunnen worden toegestaan. Voor de (eventuele) permanente inpassing zal een nieuw besluitvormingstraject doorlopen moeten worden. In het kader van dat besluitvormingstraject zal ook met de inwoners van IJzendoorn gesproken worden. De bezwaren tegen de tijdelijke vergunning voor de bedrijfsbestemming zijn in de onderhavige bestemmingsplanprocedure niet aan de orde. Er wordt daarom niet inhoudelijk gereageerd op de zienswijzen die betrekking hebben op de bedrijfsbestemming. De indieners hebben inmiddels ook bezwaar ingediend tegen de verleende tijdelijke omgevingsvergunning. De bezwaren tegen de bedrijfsactiviteiten die door middel van de tijdelijke omgevingsvergunning zijn vergund en die in de zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan aan de orde worden gesteld, kunnen in de bezwaarprocedure tegen de tijdelijke omgevingsvergunning naar voren gebracht worden.
Zienswijze tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingplan In de toelichting op het bestemmingsplan (blz. 9) is aangegeven dat de activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard niet meer in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, maar worden beschreven in de ruimtelijke onderbouwing, behorend bij de aanvraag tot het verlenen van de tijdelijke omgevingsvergunning. Op 25 maart 2022 is de omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan verstuurd naar initiatiefnemer. Indieners zijn van mening dat deze omgevingsvergunning niet met de reguliere voorbereidingsprocedure verleend kan worden, vanwege onlosmakelijkheid met de omgevingsvergunning milieu en het feit dat er een haven wordt aangelegd. Reactie: De bezwaren tegen de tijdelijke vergunning voor de bedrijfsbestemming zijn in de deze procedure niet aan de orde. Er wordt daarom niet inhoudelijk gereageerd op de zienswijzen die hierop betrekking hebben.
7
Zienswijze artikel 5 enkelbestemming Water en 'witte vlek' In het ontwerpbestemmingsplan Willemspolder fase 1 is de bedrijfsbestemming als een witte vlek ‘uitgespaard’. Indieners zijn van mening dat de als ‘Water’ bestemde gronden ten westen van de 'witte vlek' deel uitmaken van de bedrijfsbestemming en uit het bestemmingsplan moeten worden gehaald. Dat geldt ook voor de grondwallen, die volgens reclamanten ook bij de bedrijfsbestemming horen. Reactie: Het ontwerpbestemmingsplan maakt het ontgronden en herinrichten van de Willemspolder fase 1 in planologisch-juridische zin mogelijk. Voor het ontgronden en herinrichten van de Willemspolder fase 1 wordt geen haven aangelegd. Dit is ook niet noodzakelijk. Voor het bedrijfsterrein De Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een duurzame bouwgrondstoffen hub. Onderdeel van deze duurzame bouwgrondstoffen hub is een haven. Het gebruik van het water voor een haven ten behoeve van het bedrijfsterrein, is door middel van de tijdelijke omgevingsvergunning vergund. Het ruimtebeslag van de tijdelijke vergunde haven valt binnen de bestemming ‘Water’. Daarnaast ligt de tijdelijke haven in de gebiedsaanduiding ‘overige zone – bouwgrondstoffenwinning’ en maakt de tijdelijke haven onderdeel uit van de ontgronding.
Mocht er geen permanente bestemming 'Bedrijf' aan de haven toegekend worden over vijf jaar, dan blijft na ontgronding water aanwezig. Dit heeft geen wezenlijke invloed op de ruimtelijke kwaliteit van het landschapsplan Willemspolder fase 1. De ruimtelijke en maatschappelijke meerwaarde van het herinrichtingsplan na ontgronding blijft in voldoende mate aanwezig'. Bijlage 1 bij de regels van het ontwerpbestemmingsplan bevat het ‘Landschapsplan Willemspolder fase 1’. Hierop is de duurzame bouwgrondstoffen hub met de haven op het landschapsplan weergegeven. Aan het bestemmingsplan is een landschapsplan toegevoegd, exclusief de duurzame bouwgrondstoffen hub met de haven. 2)
Zienswijze over de Geluidzone -industrie Indieners zijn van mening dat ten onrechte een Geluidzone - industrie in het ontwerpbestemmingsplan wordt vastgelegd ten behoeve van de tijdelijke activiteiten op het bedrijfsterrein, aangegeven met een 'witte vlek'. De activiteiten, waarvoor een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan wordt aangevraagd, kunnen volgens indieners geen blijvende geluidseffecten hebben voor dit bestemmingsplan. Daarnaast is volgens indieners ten onrechte een tweede geluidzone in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen, dat gekoppeld is aan een niet meer bestaand bedrijf (scheepsreparatiewerf). Reactie: In het bestemmingplan is een geluidszone opgenomen die rekening houdt met de eventuele toekomstige permante invulling van de bedrijfsbestemming als duurzame bouwgrondstoffen hub. Hiervoor is gekozen ter voorkoming dat gevoelige functies in de nabijheid van het huidige bedrijfsterrein de Binnenwaard mogelijk overlast kunnen ervaren van de tijdelijke bedrijfsactiviteiten. Indien het gemeentebestuur na 5 jaar besluit om geen medewerking te verlenen aan het permanent mogelijk maken van een duurzame bouwgrondstoffen hub, dan kan door de vaststelling van een wijzigingsplan (artikel 12.1.4) de Geluidzone - industrie opgeheven worden. Om deze wijziging mogelijk te maken, is artikel 12.1.4 als volgt gewijzigd:
8
12.1.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6, lid 1 onder a van de Wet op de ruimtelijke ordening bevoegd de in het plan opgenomen aanduiding Geluidzone - industrie op te heffen, indien vijf jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de bedrijfsactiviteiten die voorwerp zijn van de tijdelijke omgevingsvergunning die burgemeester en wethouders bij besluit van ** hebben verleend (Bijlage ** bij de planregels) niet door middel van een bestemmingsplanwijziging (permanent) zijn ingepast. 3)
Het klopt dat de Geluidzone – industrie van de haven gelegen aan de Waalbandijk 1 als vervallen dient te worden beschouwd. Het was de bedoeling om deze geluidszone in het ontwerpbestemmingsplan te schrappen. Abusievelijk is dat niet gebeurd. Deze geluidszone is bij definitieve vaststelling uit het bestemmingsplan verwijderd. 4)
Zienswijze overige zone grondwal Nabij de Binnenwaard laat het ontwerpbestemmingsplan grondwallen toe. Volgens indieners horen deze grondwallen thuis in de omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan. Reactie: Na ontgronding wordt het gebied heringericht als waterrijke natuur met extensieve recreatie als medegebruik. Echter aangrenzend (buiten het plangebied) ligt een bestaand bedrijfsterrein. Dit bedrijfsterrein is nog steeds in gebruik. Het is wenselijk om dit gebruik landschappelijk in te passen en de aanwezige bebouwing en buitenopslag verder aan het zicht te onttrekken. Dit wordt bereikt door de aanleg van de twee grondwallen, die onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan.
Zienswijze artikel 5 enkelbestemming Water Bij artikel 5 'Water' is onder 5.3.1 ook een Omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het toepassen van grond of baggerspecie van buiten het plangebied. Indieners vrezen dat er gebiedsvreemd materiaal of materiaal met verontreinigingen wordt toegepast en verzoeken een bepaling op te nemen dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de toe te passen grond van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken. Reactie: Het uitgangpunt is dat er geen grond van buiten het plangebied wordt aangevoerd. Dit is ook als een van de voorwaarden opgenomen in de ontgrondingsvergunning. Bij onvoorziene omstandigheden kan het echter voorkomen dat er in de toekomst wel grond nodig is van buiten het plangebied. Dat is bijvoorbeeld het geval als er onvoldoende geschikte grond in het plangebied aanwezig is om de gewenste herinrichting te kunnen realiseren. Indien er grond van buiten het plangebied wordt toegepast, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Het Besluit bodemkwaliteit borgt dat alleen grond mag worden toegepast die voldoet aan de landelijk geldende eisen. In aanvulling op de verplichte melding op grond van het Besluit Bodemkwaliteit is aan het bestemmingsplan een aanvullende vergunningsplicht verbonden om te waarborgen dat toepassing verantwoord plaatsvindt. 9
Zienswijze Overige zone - zonneparken Volgens indieners behoort het zonnepark tot de inrichting van de grondstoffen-hub en dient de oppervlakte daarvan bij de bedrijfsbestemming te worden gerekend. Daarbij merken indieners op dat dit zonnepark niet is opgenomen in de Regionale Energiestrategie Rivierenland 2030. Reactie: Het zonneveld kan de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein aan de Nieuweweg 2 van elektriciteit voorzien, maar dat is niet noodzakelijk. De elektriciteit kan ook aan het net geleverd worden. Het in de zienswijze gesuggereerde verband tussen het zonneveld en het bedrijventerrein is daarom niet aanwezig. De gemeente heeft de Regionale Energiestrategie Rivierenland 2030 nader uitgewerkt in haar Klimaatnota 2021 – 2025, zoals in de toelichting nader is uitgewerkt. In de Klimaatnota is aangegeven dat 'zon op water' in principe overal is toegestaan, met dien verstande dat ten hoogste 50% van het wateroppervlakte mag worden bedekt met zonnepanelen, de panelen zo plat mogelijk om het water liggen, ecologische meerwaarde wordt gerealiseerd. Het zonnepark voldoet aan bovenstaande voorwaarden. Deze voorwaarden worden opgenomen in artikel 12.4.2. 5)
Zienswijze nieuwe stedelijke ontwikkeling Op blz. 19 van de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat het winnen van grondstoffen geen activiteit is die wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indieners merken op dat met het ontgronden van vak G een haven met een oppervlakte van 5 ha wordt aangelegd. Indieners denken dat dit wel degelijk is aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Reactie: Een stedelijke ontwikkeling is een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. In het bestemmingsplan wordt niet een van deze ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een stedelijke ontwikkeling is een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. In het bestemmingsplan wordt niet een van deze ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het ontgronden en herinrichten van een gebied wordt daarom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Het ontgronden en herinrichting van een gebied wordt daarom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.
Zienswijze over bijlage 51 Natuurversterkingsplan GO, Willemspolder Zienswijze over bijlage 51 Natuurversterkingsplan GO, Willemspolder; Indieners missen op blz. 3 van het Natuurversterkingsplan de functie ‘aanleg van een haven, ten behoeve van een bedrijf dat valt in de milieucategorie 5.2’. Onduidelijk is of de aanleg van de haven is meegenomen in dit natuurversterkingsplan. Indieners vinden van niet, maar dat dat wel had gemoeten. Verder zijn zij van mening dat indien deze functie wel is meegenomen, uitgegaan is van een milieucategorie 4.2, waardoor er waarschijnlijk uitgegaan is van een te kleine versterkingsopgave. Reactie: Indieners verwijzen naar de aanleg van een haven met een oppervlakte van 5 ha groot. Deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met een tijdelijke omgevingsvergunning en maakt geen onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. 10
Zienswijze toelichting geluid paragraaf 4.3.1. De Wet geluidhinder is volgens indieners niet aan de orde in dit plan. Reactie: De Wet geluidhinder is van toepassing gelet op de opgenomen geluidzone in het plan, zie reactie onder punt 3.1.4 van deze zienswijze over de Geluidzone-industrie.
Zienswijze toelichting geluid paragraaf 4.3.2 en 4.3.3 Indieners onderschrijven de conclusie in paragraaf 4.3.3 niet, gelet op hun zienswijzen over de geluidzone en de grondwallen. Reactie: Verwezen wordt naar de reactie onder ‘3.1.4 zienswijze over de Geluidzone-industrie’ en ‘3.1.5 Zienswijze overige zone grondwal’.
Zienswijze toelichting geluid paragraaf 4.4.2 Indieners verwijzen naar hun opmerkingen bij het akoestisch onderzoek, vanaf blz. 16. Reactie: In de zienswijzen verwijzen indieners naar opmerkingen over het akoestisch onderzoek. Voor het bestemmingsplan en de milieuvergunning zijn verschillende akoestische onderzoeken uitgevoerd. De zienswijze heeft betrekking op het akoestisch onderzoek behorende bij de milieuvergunning en heeft geen betrekking op het ontwerpbestemmingsplan. De reactie wordt meegenomen bij het besluit over de milieuvergunning.
11
3.2 Grondgebruiker 1 en Grondgebruiker 2 in Willemspolder De kern van het bezwaar is dat door de andere inrichting van de Willemspolder de percelen die de insprekers in gebruik hebben in de Willemspolder voor hen in waarde vermindert. Daarbij spelen 4 aspecten een rol. 1. Verandering van flora. Indieners geven aan dat door het ontwikkelen van zogenaamde “nieuwe natuur” de flora in het gebied zal veranderen. Het blijft volgens indieners een voedselrijk gebied, waardoor distels en brandnetels zullen blijven groeien. Hiervan ondervinden indieners door verspreiding toenemende onkruiddruk op hun percelen. 2. Verandering van fauna; Indieners geven aan dat het “nieuwe natuur” gebied de fauna zal doen veranderen. Waterrijke natuur trekt watervogels aan, waardoor er volgens indieners nog meer ganzen in de polder zullen neerstrijken die zich tegoed doen aan het smakelijke gras op de nabij liggende agrarische percelen. Voor indieners betreft dit voedsel voor hun dieren en wintervoorraad. 3. Hydrologische effecten; Het verleggen van de zomerdijk heeft gevolgen voor de hydrologische aspecten in het overblijvende deel van de Willemspolder. Ervaringen in het verleden, na de ontpoldering die in het IJzendoornse deel van de Willemspolder in de jaren 1970-1990 hebben indieners geleerd dat er méér kwel ontstaat. De afvoer van dit water is niet toereikend.
Zowel via de A-watergang bij de Waalbandijk als via het gemaal aan Tielse zijde. Daardoor staat een gedeelte van percelen van indieners langer onder water en kunnen ze later het land op. Er zal minder gras groeien en trekt eveneens weer meer ganzen aan. 4. Afvoer van klei over Waardweg. Bij de ontgronding wordt een grote hoeveelheid klei over de Waardweg afgevoerd naar de steenfabriek van Wienenberger. Daarbij wordt de gehele Waardweg bereden door zwaarbeladen vrachtauto's. De Waardweg is hiervoor niet geschikt. De bereikbaar van percelen van indieners wordt bemoeilijkt. De ontgronding in het westelijk deel van de Willemspolder heeft al laten zien wat voor gevolgen dit heeft voor de Waardweg. Insprekers vinden dat door dit plan de gebruikswaarde van hun percelen in de Willemspolder vermindert en dat is dan ook de reden dat ze bezwaar maken tegen dit plan.” Reactie ad 1 en 2 (verandering van flora en fauna): Na ontgronding van het plangebied wordt het huidige agrarische gebruik gewijzigd naar waterrijke natuur met extensieve recreatie als medegebruik. Het gebruik van agrarische percelen buiten het plangebied kan worden voortgezet. De flora in het plangebied zal wijzigen en ook het gebruik van het gebied wijzigt. Het kan zijn dat bepaalde flora zich ook buiten het plangebied gaat verspreiden. Dit kunnen we niet tegengaan.
Ook van andere percelen kunnen plantenzaden overwaaien naar de percelen van indieners. Verspreiding van inheemse flora wordt niet actief tegengegaan. Voor exoten is dit wel het geval. Initiatiefnemer heeft aangegeven in overleg te willen treden met de aanpalende grondgebruikers van het plangebied om afspraken te maken over het beheer om overlast waar mogelijk te voorkomen. Natuurontwikkeling in de uiterwaarden van de Waal is een beoogde ontwikkeling op basis van het overheidsbeleid, zoals Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Kaderrichtlijn Water. Natuurlijke verspreiding van flora en fauna door deze gebieden zijn gewenste effecten, ten gunste van de biodiversiteit. Verder is niet gebleken dat recent aangelegde en als zodanig ingerichte natuurgebieden de gevreesde schade door onkruiden aan aangrenzende landbouwpercelen zal veroorzaken. In de zienswijze is ook niet aannemelijk gemaakt dat de ontgronding en de voorgeschreven herinrichting de onder de punten 1 en 2 beschreven gevreesde hinder van onkruid en extra vraat van gras door ganzen zich zullen voordoen. 12
Het nieuwe natuurgebied zal inderdaad andere fauna aantrekken. In het kader van de gehele planontwikkeling is er onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de ontwikkeling op natuurwaarden. In dit onderzoek is ook uitvoerig onderzocht wat de natuurontwikkeling voor gevolgen heeft voor de ganzen en het ganzenrustgebied (paragraaf 3.2.3 van de toelichting van het bestemmingsplan). Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling geen significante negatieve gevolgen heeft voor de ganzen en het ganzenrustgebied. Voor een toename van ganzen hoeft op basis van de uitgevoerde onderzoeken niet te worden gevreesd. Op langere termijn wordt eerder stabilisatie of een lichte afname van de populatie voorzien. Het agrarisch gebruik van naburige agrarische percelen kan ongewijzigd worden voorgezet. Indien indieners faunaschade ondervinden, dan is het mogelijk om een tegemoetkoming aan te vragen bij de provincie. Reactie ad 3: De nieuwe zomerkade wordt conform de voorwaarden van Waterschap Rivierenland (WSRL) aangelegd en hierdoor worden de resterende agrarische percelen in het overige deel van de Willemspolder minimaal op gelijkwaardige wijze beschermd als in de huidige situatie het geval is. Hydrologische effecten zijn daarom voor deze agrarische percelen niet te verwachten.
Door de ontpoldering van Willemspolder fase 1 komt netto meer pompcapaciteit beschikbaar bij het gemaal aan het Amsterdam Rijnkanaal voor het resterende deel van de agrarische percelen achter de nieuwe zomerkade. Daardoor kan het water sneller worden afgevoerd. Overigens dient voor deze ontwikkeling ook een watervergunning te worden verleend waarbij Rijkwaterstaat de rivierkundige effecten van de ontwikkeling beoordeeld en het Waterschap Rivierenland de effecten op de waterkering en het grondwater. In deze vergunning kunnen daarvoor mitigerende maatregelen worden voorgeschreven. Reactie ad 4: De ontgronding in het westelijk deel van de Willemspolder wordt niet uitgevoerd door de initiatiefnemer van voorliggend plan, maar door een andere initiatiefnemer. De gemeente is bekend met de situatie rondom De Waardweg. Met de initiatiefnemer van voorliggend plan zijn hierover afspraken gemaakt om soortgelijke problemen in de toekomst te voorkomen. Bij juiste inzet van materieel en het treffen van adequate verkeersmaatregelen, zoals het aanleggen van passeervakken, is de Waardweg geschikt voor het beoogde transport. Voorafgaande aan de transporten wordt een nul-opname van de Waardweg gemaakt. Ook zijn er afspraken gemaakt met de initiatiefnemer over de afwikkeling van schade aan de Waardweg indien deze onverhoopt toch zou ontstaan.
De Ontgrondingenwet biedt een algemeen afwegingskader voor bij de ontgronding betrokken belangen. Deze wet dient evenwel terug te treden voor zover in de bescherming van bij de ontgronding betrokken belangen door specifieke wettelijke regelingen wordt voorzien. De in de zienswijzen naar voren gebrachte mogelijke gevolgen van de uitvoering van de ontgronding i.c. schade aan de Waardweg en andere wegen, het veroorzaken van verkeersonveilige situaties en het belemmeren van de bereikbaarheid van (landbouw)percelen hebben een regeling gevonden in andere wet- en regelgeving, zoals de Wegenwet, de Wegenverkeerswet en het Burgerlijk Wetboek. Deze zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen..
13
3.3 Dorpshuis IJzendoorn “ons Tehuis’ Parkeerplaatsen Indieners zijn blij met de situering van de parkeerplaatsen conform de op de plankaart aangegeven dubbelbestemming natuur-parkeren. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt gesproken over circa 20 parkeerplaatsen terwijl in het vooroverleg met initiatiefnemer sprake was van 40 parkeerplaatsen. Met 40 parkeerplaatsen kan volgens indieners de parkeeroverlast in het dorp adequaat worden teruggedrongen. Daarbij geven indieners aan dat de voorgestelde bestemmingsplankaart voldoende ruimte geeft om een parkeerterrein van deze omvang te realiseren. Indieners verzoeken de toelichting aan te passen en uit te gaan van circa 40 parkeerplaatsen. Reactie: Navraag bij de initiatiefnemer leert dat in een ontwerpschets uit 2018 inderdaad sprake was van circa 40 parkeerplaatsen voor auto’s. In een later ontwerp uit 2021 zijn de raakvlakken uitgewerkt met de dijkversterking en de inrichting rond het dorpshuis en is uitgegaan van parkeermogelijkheid van 20 auto’s en 20 fietsen. De te realiseren parkeerplaatsen zijn bedoeld voor de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt en niet om het parkeerprobleem in de kern IJzendoorn op te lossen. Het is niet bezwaarlijk als de parkeerplaatsen incidenteel worden gebruikt voor bezoekers van het Dorpshuis.
Indien er meer parkeerplaatsen nodig blijken te zijn dan de circa 20 parkeerplaatsen die in de toelichting worden genoemd, dan kunnen deze binnen de functieaanduiding ‘parkeren’ worden gerealiseerd.
3.4 Ambtshalve aanpassingen Toelichting Voorgesteld wordt om de tekst ‘Ook de Waardweg is voorzien … t/m …naar verwachting een besluit over nemen’ in paragraaf 4.9.2.2 in zijn geheel vervangen door: ‘Ook de Waardweg is voorzien van een hoge waardering. Het oostelijk deel van deze weg blijft gehandhaafd, maar het westelijk deel van deze weg wat ligt in het plangebied wordt aan de openbaarheid onttrokken, eveneens de Koepelweg. Dit gedeelte van de Waardweg wordt alleen toegankelijk voor niet gemotoriseerd verkeer. De procedure hiervoor is in voorbereiding’.
Regels Initiatiefnemer is voornemens om rond het drijvende zonneveld drijvende natuur aan te leggen. Dit past niet in het bestemmingsplan. Het realiseren van drijvende natuur rondom het drijvende zonnepark past binnen de doelstelling van het gebied. Voorgesteld wordt om artikel 5.1 en 5.2.2. aan te passen zodat drijvende natuur aangelegd kan worden. -
Artikel 5.1, de nummering van dit artikel klopt niet. Voorgesteld wordt om naast het mogelijk maken van de aanleg van drijvende natuur, ook de nummering van het artikel aan te passen.
-
Artikel 5.1 wordt in zijn geheel vervangen door: Artikel 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen grond zijn bestemd voor: a. waterpartijen, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; 14
b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden die eigen zijn aan waterpartijen, watergangen en bijbehorende oeverzones; c. natuurgebied (inclusief drijvende natuur); d. extensief dagrecreatief medegebruik. -
Artikel 5.2.2 onder a wordt voorgesteld om in zijn geheel te vervangen door: de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2, met dien verstande dat dit niet geldt ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die worden opgericht ten behoeve van drijvende natuur;
Bijlagen -
Bijlage 54 ‘eindverslag en inspraak’ wordt vervangen door een andere versie, bijgevoegd als bijlage 2 bij deze notitie. Abusievelijk is bij het ontwerpbestemmingsplan de verkeerde versie van de reactienota bijgevoegd. In de nieuwe versie zijn de type- en spelfouten eruit gehaald. De inhoud blijft gelijk.
15
4 Ontwerpbesluit Ontgrondingenwet 4.1
Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe Eens met bepalingen vergunning Ontgrondingenwet
Indieners van de zienswijzen zijn het eens met een aantal voorschriften in het ontwerpbesluit Ontgrondingenwet Willemspolder fase 1. Initiatiefnemer is namelijk verplicht:
het grondwaterpeil te monitoren en de metingen op te laten nemen in de Basis Registratie Ondergrond; maatregelen te treffen als blijkt dat de fluctuaties een nadelig effect hebben op de grondwaterstand; bouwkundige vooropnames te doen bij een aantal panden: Waalbandijk 4 en 10, Spijkersestraat 1, Zondagsestraatje 1 en la, Jan van Riemsdijkstraat, Keizerstraat 4, Dorpsstraat 36 en aan de overkant Havenkade 4, Waalbandijk 58a en Strangkade 22; gedurende de ontgronding aan te tonen dat de ontzander voldoende materiaal achterhoudt voor de herinrichting (blz. 10 en 11 van het ontwerpbesluit). De voorwaarde dat er voldoende materiaal voor de eindinrichting aanwezig blijft wordt gesteld vanwege het verbod op aanvoer van aanvulmateriaal van elders.
Reactie: De zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen.
Zienswijze over afhandeling zettingsschade “In de ontwerpvergunning wordt de initiatiefnemer verplicht de huidige bouwkundige toestand van de bebouwing rond de toekomstige plas goed vast te leggen. Deze verplichting geeft echter geen garantie dat bij eventuele schade ook een schadevergoeding volgt. In veel gevallen worden degenen die schade hebben van het kastje naar de muur gestuurd. Het instellen van een schademeldpunt zou een oplossing kunnen zijn, maar de ervaringen bij de zandwinning Over de Maas in Alphen stemmen op dat punt niet gerust. Schades werden daar afgewezen, omdat er geen sprake zou zijn van een causaal verband. Dat gevaar ligt in IJzendoorn ook op de loer, omdat ongeveer tegelijkertijd met de ontzanding een dijkversterking gaat plaatsvinden. Bij de dijkversterking wordt aan de oostkant van IJzendoorn ter hoogte van de bestaande ontzandingsplassen een pipingscherm aangebracht, om de piping die ten gevolge van deze plassen optreedt, tegen te gaan. Door het inbrengen van dit pipingscherm kan ook zettingsschade optreden. Bij eventuele schade is een causaal verband met de ontzanding of de dijkversterking niet of nauwelijks aan te tonen. Indieners vinden dat bewoners die geconfronteerd worden met schade, niet in deze situatie mogen terechtkomen. Indieners zouden het redelijk vinden als alle schade kan worden verhaald op de zandwinner.
Immers door zijn vroegere winactiviteiten treedt er piping op en is het waterschap genoodzaakt om op kosten van de belastingbetaler een pipingscherm aan te leggen. Zettingsschade die daarbij optreedt is indirect te wijten aan de vroegere activiteiten van de zandwinner. Indieners verzoeken om te bevorderen en er op toe te zien dat de schadeafhandeling op juridisch waterdichte wijze wordt geregeld, zodat bewoners die schade hebben deze ook vergoed krijgen zonder dat zij gemangeld worden tussen twee partijen die naar elkaar wijzen.” Reactie: Uit geohydrologisch onderzoek en het uitgevoerde MER, dat onderdeel is van de aanvraag om ontgrondingenvergunning, blijkt dat geen effecten op de grondwaterstand te verwachten zijn als gevolg van de zand- en kleiwinning. Alleen in een situatie met extreem laag water wordt een 16
significant effect berekend op het binnendijks watersysteem. Het betreft in dat geval effecten in de tijdelijke situatie (uitvoeringsfase) uitgaande van een worst case benadering. Hiervoor worden mitigerende maatregelen voorgeschreven in de watervergunning van Rijkswaterstaat, die er op zijn gericht de tijdelijke effecten te voorkomen dan wel te minimaliseren. In de eindsituatie worden geen effecten verwacht, zodat ook geen zettingseffecten op opstallen in de omgeving zullen optreden. Door middel van een verplicht monitoringssysteem worden de werkelijke effecten op het grondwatersysteem middels een langjarige monitoring inzichtelijk gemaakt (met name binnendijks). Mocht onverhoopt toch sprake zijn van schade dan is artikel 26 van de Ontgrondingenwet van toepassing. Op grond van dit artikel zijn GS verplicht wanneer onder meer een indiener van een zienswijze schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe te kennen. Ook uit onderzoek naar de effecten op het grondwatersysteem vanwege de dijkversterkingswerkzaamheden aan de Bandijk blijkt dat zich geen geohydrologische effecten voor zullen doen en dat voor zettingsschade niet behoeft te worden gevreesd.
In de Waterwet is in artikel 7.14 een vergelijkbare schadevergoedingsregeling opgenomen. Dit betekent in de concrete situatie dat, indien de te verrichten dijkversterkingswerkzaamheden leiden tot schade, aan het Waterschap dan wel aan Rijkswaterstaat gevraagd kan worden om de schade te vergoeden. De betrokken bestuursorganen -Rijk, provincie, waterschap- borgen derhalve ieder voor zich en bij een samenloop van werkzaamheden, gezamenlijk een adequate regeling voor schadevergoeding. Momenteel wordt gewerkt aan een aanpak voor het kunnen melden en afhandelen van eventuele schades. Daar waar afstemming nodig is, zal die plaatsvinden tussen partijen. Het uitgangspunt is dat de kans op schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het klopt dat de causaliteit moeilijker is vast te stellen en moeilijker herleidbaar is tot één partij of project in geval van meerdere gelijktijdige activiteiten. Daar waar de activiteiten van derden tegelijk worden uitgevoerd met de werkzaamheden van aanvrager, zullen deze partijen afstemmen hoe hiermee om te gaan. Voor wat betreft schade die het gevolg is van een eerdere ontzanding, is het verschil tussen opname vooraf en achteraf in principe de schade is die veroorzaakt wordt door de recente activiteiten. Het verwijzen naar een eerdere zandwinning is dan niet aan de orde. Er zijn overigens geen actuele schadegevallen bekend door zandwinning in het verleden.
Zienswijze over afgraven vak G ten behoeve van een haven “De Ontgrondingenwet bepaalt dat besluiten op een aanvraag om een ontgrondingsvergunning worden genomen op basis van alle bij de ontgronding betrokken belangen. Planologie is een van die belangen. Indieners geen aan dat de boogde ontgronding en herinrichting strijdig zijn met de vigerende bestemmingsplannen. Maar omdat tegelijk met dit (ontwerp)besluit een nieuw (ontwerp)bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" in procedure is gebracht om de ontgronding en inrichting planologisch mogelijk te maken is volgens indieners verzekerd dat voor het onderhavige project planologische medewerking wordt verleend. Indieners vragen zich af of dit ook geldt voor vak 17
G, de haven met een oppervlakte van 5 ha. Of hieraan planologische medewerking kan worden verleend, staat volgens indieners niet vast. Vak G maakt deel uit van de beoogde Grondstoffen HUB, waarvoor slechts een tijdelijke vergunning wordt gegeven. Indieners vinden dat voordat de haven wordt aangelegd, eerst moet komen vast te staan of de gewenste bedrijfsontwikkeling wel past binnen de randvoorwaarden die de gemeente stelt: oppervlakteneutraal en een gelijkwaardige milieugebruiksruimte als de steenfabriek. De grondstoffen HUB voldoet niet aan deze randvoorwaarden (zie ook onze zienswijze op het bestemmingsplan). Op basis van de stukken voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan komen indieners tot de conclusie dat de bedrijfsoppervlakte niet binnen de 9,8 ha blijft en de milieucategorie wordt opgerekt van 4.1 (steenfabriek) naar 5.2. Indieners vinden dat voorkomen moet worden dat vak G ontgrond wordt, voordat vaststaat of het bedrijf wel aan de planologische randvoorwaarden kan voldoen. Indieners vinden daarom dat de voor het ontgronden van vak G niet zonder meer een ontgrondingsvergunning kan worden verleend. Voor de aanleg van de haven (vak G) wordt land omgezet in water. Dat land maakt deel uit van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone.
Het is daarom verstandig om eerst duidelijk te krijgen of de haven wel past in de randvoorwaarden, voordat met de ontgronding wordt begonnen. Voor alle duidelijkheid: er is geen draagvlak voor de invulling van de Binnenwaard met een bedrijf dat qua oppervlakte en milieugebruiksruimte groter is dan de volgens het huidige bestemmingsplan toegelaten steenfabriek.” Reactie: In de onderhavige toegepaste gecoördineerde procedure volgens de Ontgrondingenwet vindt onder andere de afstemming plaats tussen het bestemmingsplan en de ontgrondingsvergunning. Het bestemmingsplan dat is voorbereid maakt de voorgenomen ontgrondings- en herinrichtingsactiviteit mogelijk. De raad zal binnenkort over de vaststelling van het bestemmingsplan besluiten. De locatie waar de haven is gepland heeft op grond van het ontwerpbestemmingsplan de bestemming ‘Water’ met de gebiedsaanduiding ‘overige zone – bouwgrondstoffenwinning’. Dit betekent dat de aanleg van dit water in overeenstemming is met het ontwerpbestemmingsplan c.q. dat hiervoor planologische medewerking is/wordt verleend. Tijdelijk of permanent gebruik van dit gedeelte van het water als haven, op basis van een te verlenen omgevingsvergunning of te wijzigen bestemmingsplan, staat de verlening van de ontgrondingsvergunning niet in de weg.
Op grond van artikel 11 van de Ontgrondingenwet dient de gemeenteraad van Neder-Betuwe binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de ontgrondingsvergunning de uitgesproken bereidheid om planologische medewerking te verlenen aan de zand- en kleiwinning ook daadwerkelijk te effectueren. Mocht dit onverhoopt anders zijn, met andere woorden zijn de voorgenomen ontgrondingsactiviteiten dan (nog) in strijd met het bestemmingsplan, dan kan van het desbetreffende onderdeel van de ontgrondingsvergunning i.c. de aanleg van de haven, geen gebruik worden gemaakt. Het is namelijk verboden gronden te gebruiken in strijd met de regels van het bestemmingsplan. Voor de in de zienswijze geuite vrees dat de ontgronding plaatsvindt zonder de vereiste planologische zekerheid, bestaat geen grond.
4.2 Grondgebruiker 1 en Grondgebruiker 2 in Willemspolder Voor de inhoud en beantwoording van deze zienswijzen wordt verwezen naar paragraaf 3.2. Deze zienswijzen geven geen aanleiding om het besluit te wijzigen.
18
4.3 Grondgebruiker 3 in Willemspolder Transport over Waardweg Indiener geeft aan dat: “De afvoer van een gedeelte van de aanwezige klei voor de steenfabricage naar de Wienerberger steenfabriek Schipperswaard baart indieners zorgen. Het transport gaat plaatsvinden via de Waardweg. Deze weg gebruiken indieners om hun aanliggende percelen te bereiken. Eerdere afgegeven ontgrondingsvergunningen aan de Wienerberger steenfabrieken hebben geleid tot een totale vernietiging van het westelijke gedeelte van de Waardweg. De Gemeente Neder Betuwe heeft een tijdelijk verkeersbesluit moeten nemen om deze weg af te sluiten. De percelen van indieners liggende aan dit gedeelte zijn moeilijk bereikbaar. Om verdere vernietiging van de resterende Waardweg te voorkomen, dient de gemeente Neder Betuwe de nodige voorwaarden op te laten nemen dat deze Waardweg goed berijdbaar blijft om de percelen van indieners te bereiken.” Reactie: Voor de beantwoording van deze zienswijzen wordt verwezen naar de beantwoording onder paragraaf 3.2, “Reactie ad 4”. Deze zienswijze geeft geen aanleiding om het besluit te wijzigen.
19
5 Ontwerpbesluit Vergunning Wet natuurbescherming 5.1 Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe De indieners begrijpen niet dat er in het kader van de RES voor dit gebied is gekeken naar het plaatsen van windmolens. De activiteit 'zuigen van grond/grind' is volgens de indieners geen bestaande activiteit. Opgemerkt wordt dat de opwekking van duurzame energie buiten de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt gelaten. De indieners vragen welk materiaal binnen het plangebied onderling wordt uitgewisseld. Opgemerkt wordt dat in 2021 een omgevingsvergunning om te kappen is aangevraagd. De indieners vragen of er vooruitlopend op de vergunning wordt gestart met het kappen van bomen en hoe wordt toegezien op de vereiste her plant. Reactie: De vergunningaanvraag ziet niet op windmolens. Het opwekken van duurzame energie vindt plaats door de plaatsing van een drijvend zonneveld op de oostelijk gelegen diepe plas. Waar in de vergunning wordt gesproken over uitwisseling van materiaal wordt bedoeld dat vermarktbare bouwgrondstoffen worden afgevoerd uit het gebied en dat de ontgronding wordt aangevuld met restmateriaal van de winning en ophoogzand uit de Oostplas. Het onderdeel houtopstanden valt niet onder de Wnb gebiedsbescherming, echter is hiernaar wel verwezen omdat dit, net als soortenbescherming, een onderdeel is van de Wnb.
Er is een kapmelding Wnb gedaan, waarvoor een herplantplicht binnen 3 jaar geldt. Ook is een omgevingsvergunning voor het vellen en rooien van houtgewas (kapvergunning) verleend. Er heeft nog geen kap plaatsgevonden. Bepaalde bomen mogen pas worden gekapt als de vergunning en ontheffing Wnb definitief van kracht zijn.
Stikstof De indieners hebben een aantal vragen over de stikstofberekening en de wijze van intern salderen: -
Is de steenfabriek is meegenomen in de verrekening? Op welke wijze wordt rekening gehouden met bemesting van de landbouwgrond en gebruik van landbouwmachines in de huidige situatie. Moeten alle agrarische activiteiten ook gestopt zijn zodra de eerste ontgrondingswerkzaamheden plaatsvinden en hoe wordt hier uitvoering aan gegeven? Op welke wijze is rekening gehouden met begrazing voor natuurbeheer in de eindsituatie? Zijn alle scheepsbewegingen meegenomen? Er is uitgegaan van schepen met een laadvermogen van 2500 ton. Is er sprake van meer scheepvaartbewegingen met kleinere schepen (laadvermogen 600 tot 1300 ton)?
Reactie: In de referentiesituatie is de stikstofuitstoot van de steenfabriek buiten beschouwing gelaten, omdat deze niet over een actuele milieuvergunning beschikt en niet meer in gebruik is. In paragraaf 5.1.2 van het besluit is gemotiveerd op welke wijze de stikstofemissies vanwege het feitelijk gebruik in de referentiesituatie, zijnde het jaar 2000, zijn vastgesteld. In de vergunning is bepaald dat de bouwstoffen-hub als dominante stikstofbron pas in gebruik mag worden genomen als de agrarische activiteiten op de percelen binnen het plangebied daadwerkelijk zijn beëindigd. Gelet op het voornemen van de initiatiefnemer om in het eerste jaar van de ontgronding meteen te starten met de bouwgrondstoffen-HUB dienen dan alle agrarische activiteiten dan ook gestopt te zijn. Per abuis is in de berekening van de beoogde situatie de extensieve begrazing ten behoeve van het toekomstige beheer niet opgenomen. Omdat het beheerplan onderdeel uitmaakt van de vergunning is de emissie van de toekomstige begrazing worden opgenomen in een nieuwe AERIUS-berekening. Dit leidt niet 20
tot een merkbare toename aan stikstofdepositie. De nieuwe berekening is toegevoegd aan het definitieve besluit. 7) In de AERIUS-berekening is rekening gehouden met alle scheepvaartbewegingen tijdens de realisatie en van de bouwgrondstoffen-hub. De inzet van meerdere kleinere schepen met een kleiner laadvermogen heeft geen merkbare negatieve gevolgen op de stikstofemissie.
Verkeersbewegingen Tabel 5 noemt een aantal verkeersbewegingen over het jaar. Maar de berekening ziet alleen op werkdagen dus zijn best veel bewegingen per werkdag. Past dit binnen de geluidnormen? Reactie: De informatie uit Tabel 5 is afkomstig uit paragraaf 2.3.2 ‘Juistheid en consistent gebruik van hoeveelheden en aantallen’ van de aanvulling op het MER. Daar wordt tevens uitgelegd hoe de relatie is tussen de gehanteerde verkeersbewegingen in de geluid- en luchtonderzoeken. Beide onderzoeken gaan namelijk uit van een andere onderzoeksaspect. In het kader van de Wnb is in de natuurtoets beoordeeld in hoeverre geluidsbelasting verstorend kan werken op natuurdoelen in Natura 2000-gebied Rijntakken. In paragraaf 5.2.4 van het besluit is geluidsverstoring nader toegelicht en beoordeeld. Geconcludeerd is dat zowel de verstoring in de aanlegfase, als in de gebruiksfase niet zal leiden tot significante negatieve effecten op natuurwaarden.
Eindsituatie De indieners geven aan dat in de vergunning een eindsituatie met alleen de bouwstoffen HUB op het bedrijventerrein is beschouwd. Zij geven aan dat nog slechts een tijdelijke vergunning is verleend en op voorhand niet vaststaat dat een permanente situatie wordt toegestaan. Reactie: In dit besluit is inderdaad een eindsituatie met alleen de bouwstoffen-HUB op het bedrijventerrein beschouwd. De initiatiefnemer dient daarvoor over alle benodigde vergunningen te beschikken. Zonder een passende bestemming en milieuvergunning mag de bouwstoffen HUB niet in gebruik worden genomen.
Ganzentelling De indieners vragen hoe ganzentellingen plaatsvinden en waarom een ganzentelling in september is betrokken als ganzen met name in de winter in de uiterwaarden voorkomen. Reactie: Voor de functie als foerageergebied en de functie als slaapplaats hebben de tellingen inderdaad betrekking op overwinterende ganzen in de periode 1 november tot 1 april. Tellingen vinden plaats in de winterperiode. In de motivering van het besluit wordt dan ook uitgegaan van een slaapplaatstelling in de periode november/december. De telling in september 2017 is zijdelings betrokken als aanvullende informatie om te onderstrepen dat de aan de overkant gelegen Kaliwaal van veel groter belang is voor slapende ganzen.
Algengroei Pagina 38 beschrijft de mogelijkheid van sterke algengroei door de zonnepanelen op het water. Ook wordt er vermeld dat dit mogelijk gevolgen heeft voor de voedselvoorziening van vogels en dat onderzoek gewenst is. Maar hier blijft het dan verder bij. Geen enkel voorschrift schrijft daadwerkelijk een onderzoek voor als er algengroei plaatsvindt. Dit kan niet de bedoeling zijn van een vogelnatuurgebied. Onderzoek is dan ook noodzakelijk als de voedselvoorziening in gevaar dreigt te raken. 21
Reactie: De locatie waar drijvende zonnepanelen komen is zeer diep en daarmee van geringe betekenis voor foeragerende watervogels. Het centrale deel van de Oostplas is ook geen belangrijk rustgebied voor vogels, terwijl voor sommige soorten zoals fuut, aalscholver en meerkoet nieuw rustgebied kan ontstaan. Omdat significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebied Rijntakken op voorhand kunnen worden uitgesloten, zijn geen nadere voorschriften aan de vergunning verbonden. In voorschrift 15 is wel opgenomen dat er minimaal een jaarlijkse inventarisatie van de vogelsoorten plaatsvindt die in een voortgangsrapportage moet worden opgenomen en aangeleverd. Als uit de rapportage blijkt dat de effecten van de activiteit in negatieve zin afwijken van de aanvraag of deze vergunning, kan het bevoegd gezag aanvullende maatregelen voorschrijven om deze negatieve effecten te mitigeren.
Beëindiging agrarische activiteiten De indieners verzoeken om een vergunningvoorschrift op te nemen waarin geregeld wordt dat het bewerken van landbouwgrond in de uiterwaarden beëindigd moet zijn als de bouwstoffen HUB in werking is, ook als de ontgrondingswerkzaamheden daar nog niet begonnen zijn. Daarbij vragen de indieners zich af of de pachtovereenkomsten met agrariërs in dit kader zijn beëindigd. Reactie: In voorschrift 12 is bepaald dat de bouwstoffen-hub pas in gebruik mag worden genomen als de agrarische activiteiten op de percelen binnen het plangebied daadwerkelijk blijvend zijn beëindigd. Deze bepaling staat los van het feit of de ontgrondingsactiviteiten al dan niet zijn begonnen. Het voorschrift behoeft derhalve geen aanpassing. Het wordt aan de vergunninghouder overgelaten hoe deze de beëindiging van de agrarische activiteiten met de grondgebruikers juridisch regelt.
Voormalige stortplaats en pyrietslakken Figuur 2 beschrijft een voormalige stortplaats en pyrietslakken stortplaats. Wat gaat daarmee gebeuren? Reactie: Zoals in het MER is beschreven wordt de voormalige pyrietslakenstort binnen het bedrijfsterrein afgedekt. De voormalige stortplaats voor bouw en sloopafval aan de oostzijde van het bedrijfsterrein gaat onderdeel uitmaken van het te ontwikkelen hardhoutooibos.
Windmolens In tabel 1 staan de windmolens nog opgenomen. Aangezien deze niet vergund worden, moeten ze van de tekening weggehaald worden. Reactie: In tabel 1 uit bijlage 4 wordt de vermelding ‘windmolens’ verwijderd. De correcte tabel is opgenomen in het definitieve besluit. 8) Eindconclusie met betrekking tot het definitieve besluit De ingediende zienswijzen leiden tot enkele kleine tekstuele verduidelijkingen in het definitieve besluit, daarnaast wordt een nieuwe AERIUS-berekening en onderbouwing van de begrazing in de eindsituatie opgenomen.
22
6 Ontwerpbesluit Wet natuurbescherming, onderdeel soorten 6.1 Diverse inwoners IJzendoorn en Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe Voorschrift 4 De indieners vragen op welke wijze wordt gecontroleerd en gehandhaafd op de verplichting om contact op te nemen met de provincie zodra er een soort wordt aangetroffen waarvoor geen ontheffing is verleend. Reactie: Bij het aantreffen van beschermde soorten moet initiatiefnemer voldoen aan de bepalingen inzake de zorgplicht voldoen aan de geldende bepalingen uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Wanneer niet wordt
voldaan aan deze bepalingen dan kunnen gedeputeerde staten handhavend optreden.
Voorschrift 10 Indieners vragen of er daadwerkelijk constant een deskundige aanwezig is bij de werkzaamheden? Reactie: Nee, dit is alleen van toepassing bij verstorende werkzaamheden met betrekking tot de buizerd, vleermuizen en de bever en het uitvoeren van mitigerende maatregelen, zoals ook is aangegeven in voorschrift 12. Voorschrift 10 is verduidelijkt in het definitief besluit. 9)
Voorschrift 12 en 13. Indieners vragen hoe uitvoering wordt gegeven aan de verplichtingen uit voorschrift 12 en 13 om relevante werkzaamheden vooraf te melden en een logboek bij te houden en wat het nut daarvan is. Reactie: Het ecologisch logboek dient te worden bijgehouden zodat voor de toezichthouder inzichtelijk is op welke manier de mitigerende maatregelen zijn uitgevoerd en of dit gebeurd is conform de ontheffing. De toezichthouder kan het ecologisch logboek bij een tussentijds controlebezoek ter plaatse opvragen en controleren.