CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ontwerp-bestemmingsplan

Beeldvormende avond ('Het Beeld') 30 juni 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Bonegraafseweg ong Dodewaard (bedrijfsverplaatsing Willemsen)’16.106 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

30

geluidsbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer en uit het Bgh voor railverkeer weergegeven. Wegverkeer

Railverkeer

Stedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde

48 dB (art. 82)

55 dB (art. 4.9 lid 1)

63 dB (art. 83 lid 2)

68 dB (art. 4.10)

48 dB (art. 82)

55 dB (art. 4.9 lid 1)

Hoogste toelaatbare geluidsbelasting

53 dB (art. 83 lid 1)

68 dB (art. 4.10)

Hoogste toelaatbare geluidsbelasting

58 dB (art. 83 lid 4)

n.v.t.

Hoogste toelaatbare geluidsbelasting Buiten-stedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde

bij een agrarische bedrijfswoning

De breedte van de zones waarbinnen akoestisch onderzoek noodzakelijk is, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buiten-stedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de volgende tabel. Aantal rijstroken

Zones langs wegen Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 meter

250 meter

3 of 4 rijstroken

350 meter

400 meter

5 of meer rijstroken

350 meter

600 meter

Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 kmregime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig. 4.4.2

Toetsing Met het voorliggende plan wordt de realisatie van twee bedrijfswoningen en onzelfstandige huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk gemaakt in het landelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde bedraagt derhalve 48 dB. De planlocatie ligt binnen de onderzoekszone van de Bonegraafseweg en de Melkdreef. Om te bepalen of de geluid5 belasting door de Bonegraafseweg aanvaardbaar is, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

4.4.3

Onderzoek Uit de berekeningen en toetsing blijkt dat zowel vanwege het verkeer over de Bonegraafseweg als de Melkdreef de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Er hoeft dus geen hogere waarde te worden aangevraagd als bedoeld in de Wet geluidhinder.

5

Bonegraafseweg ong. te Dodewaard Akoestisch onderzoek, Tecmap, kenmerk: 202001731, 1 december 2020 31

4.4.4

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. NSL en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane 3 verslechtering van 1,2 ųg/m . Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuinen akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Besluit gevoelige bestemmingen Op 1 december 2008 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden, Dit besluit beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Gevoelige bestemmingen zijn daarom scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. In het besluit zijn onderzoekszones vastgelegd waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is indien hier gevoelige bestemmingen worden toegevoegd. Goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet worden afgewogen of het aanvaardbaar is om het project op deze plaats te realiseren.

Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstel32

lingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. 4.5.2

Toetsing Het onderhavige plan omvat de realisatie van een nieuw agrarisch bouwvlak inclusief twee bedrijfswoningen en onzelfstandige huisvesting van arbeidsmigranten. De ministeriële regeling NIBM kwantificeert de (N)IBM-grens niet voor deze functie. Dit betekent dat op een andere manier aannemelijk is gemaakt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 6

Er is een toetsing uitgevoerd aan de NIBM-tool . Hierbij is uitgegaan van de aanname dat het plan leidt tot de aantrekking van 110 extra voertuigbewegingen per etmaal. Verder is uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 54,5%. Uit de toetsing blijkt dat het project kan worden aangemerkt als NIBM.

Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. 4.5.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

6

Volentis boomkwekerij NIBM tool luchtkwaliteit, Buro Blauw B.V., kenmerk: 10305-112, 12 november 2020 33

4.6

Bedrijven en milieuzonering

4.6.1

Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging. 4.6.2

Toetsing De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd al een ‘rustig buitengebied’. Dit betekent dat geen afstandstap terug kan worden gedaan. In de eerste plaats toetsen we of de nieuwe functie past in de omgeving. Het plan voorziet in de toevoeging van twee bedrijfswoningen en onzelfstandige huisvesting van arbeidsmigranten. Dit zijn gevoelige functies, wat betekent dat rekening moet worden gehouden met eventuele hinder veroorzakende functies in de omgeving. De veehouderij aan de Bonegraafseweg 30 ligt op een afstand van circa 90 meter van het plangebied. Voor het fokken en houden van dieren geldt op basis van de publicatie ‘bedrijven en milieuzonering een richtafstand van maximaal 50 meter met betrekking tot geluid en een richtafstand van 30 meter met betrekking tot stof. De toekomstige bedrijfswoningen liggen ruim buiten deze richtafstanden. Het aspect geur is onderzocht in paragraaf 4.7 en hier volgen geen belemmeringen uit. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen andere bedrijven waarvoor de realisatie van de woningen een beperking kan vormen. Geconcludeerd dat het plan geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering voor omliggende bedrijven en dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

34

In de tweede plaats moet worden bepaald of de omgeving de nieuwe functie toelaat. Het toekomstige bedrijf kan leiden tot hinder op omliggende hindergevoelige functies. Een boomkwekerij kan worden aangemerkt als een tuinbouw: bedrijfsgebouwen (SBI2008-code 1.011, 012, 013). Dit is een categorie 2 bedrijf met een maximale hinderzone van 30 meter op het aspect geluid. De dichtstbijzijnde gevoelige functie is de bedrijfswoning aan de Bonegraafseweg 30. De afstand tussen het plangebied en deze bedrijfswoning bedraagt circa 127 meter. Dit betekent dat ruim wordt voldaan aan de richtafstand. Geconcludeerd wordt dat het bedrijf geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies in de omgeving van het plangebied. 4.6.3

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.7

Agrarisch geur

4.7.1

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De gemeente Neder-Betuwe heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wgv biedt om, binnen afgesproken bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen. Zij hebben de ‘Geurverordening Neder-Betuwe 2011’ opgesteld. Hierin zijn verschillende gebieden gespecificeerd. Het plangebied valt onder het ‘buitengebied.’ Binnen daartoe aangewezen gebieden is een andere waarde van toepassing dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij. Voor het plangebied geldt derhalve een geurnorm van 8,0 3 ouE/m . Voor de vaste afstanden houdt de gemeente het wettelijk kader aan met een vaste afstand van 50 meter in het buitengebied.

Om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het geurgevoelig object te beschouwen dient gekeken te worden naar de voorgrond- en achtergrondbelasting. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7.” In deze handreiking is een relatie gegeven tussen de voor- en achtergrondbelasting en de geurhinder weergegeven voor een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied. De gemeente Neder-Betuwe ligt in een niet-

35

concentratiegebied. De relaties voor een niet concentratiegebied is opgenomen in onderstaande tabellen. Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Geurgehinderden [%] <5 5 - 10 10 - 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 > 35

Voorgrondgeurbelasting 3 [ouE/m ] <0.5 0,5 – 1,5 1,5 - 3 3 – 4,5 4,5 – 6,5 6,5 – 8,5 8,5 - 11 > 11

Achtergrondgeurbelasting 3 [ouE/m ] < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 - 10 10 - 14 14 - 19 19 - 25 > 25

Milieukwaliteitseisen volgens Handreiking Wgv voor een niet-concentratiegebied

Op het gebied van woon- en leefklimaat zijn geen harde eisen. Wel kan een gemeente een minimale milieukwaliteit eisen. Dit heeft de gemeente niet gedaan. 4.7.2

Toetsing Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied is enkel één veehouderij gelegen. Het betreft de veehouderijen aan de Bonegraafseweg 30 te Dodewaard. De veehouderij aan de Bonegraafseweg 30 ligt op circa 150 meter van het plangebied. Deze veehouderij houdt volgens I-go Veehouderijen 50 schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg (B1) en 72 vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (A6). Beide diercategorieën vallen onder categorieën met een geuremissiefactor. De totale emissie van het bedrijf bedraagt 2.953 ou/s. Gezien de af3 stand tot het plangebied en de toegestane geurnorm van 8,0 ouE/m , is het vanwege deze veehouderij niet aannemelijk dat deze wordt overschreden. Daarmee vormt het dan ook geen belemmering voor de planontwikkeling of visa versa. Voor het woon- en leefklimaat zijn geen harde eisen gesteld. Echter aangezien er maar één veehouderij binnen een straal van 500 meter van het plangebied gelegen is, hoeft de achtergrondbelasting niet nader beschouwd te worden. De voorgrondbelasting wordt bepaald door de veehouderij aan de Bonegraafseweg 30. De emissie van deze omliggende veehouderij is niet dermate hoog dat deze voor een slecht woon- en leefklimaat zal zorgen.

4.7.3

Conclusie Het aspect agrarisch geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

36

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen verschillende bronnen. Dit zijn stationaire bronnen (bijv. een chemische fabriek of een LPG-tankstation), mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen) en relevante buisleidingen (bijv. hoge druk aardgasleidingen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans om slachtoffer te worden op een bepaalde plaats (plaatsgebonden risico) en de kans op een groot ongeval met meerdere slachtoffers binnen een groot invloedsgebied (groepsrisico). Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde.

Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi, Bevb en het Bevt wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen (Bevi), hogedrukaardgasleidingen (Bevb) en transportrouten (Bevt - Basisnet) wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.

4.8.2

Toetsing inventarisatie Het plan omvat de toevoeging van twee nieuwe bedrijfswoningen, een agrarisch bedrijf en onzelfstandige huisvesting van arbeidsmigranten. Dit zijn kwetsbare objecten. Om te inventariseren of er stationaire en mobiele bronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen is de Risicokaart Nederland geraadpleegd.

37

Binnen 1000 m van het plangebied liggen de transportroute rijksweg A15 en de Betuwe route. Verder liggen er geen risicobronnen binnen 1000 m van het plangebied. Het invloedsgebied van een ongeval op het spoor, weg of water kan groter zijn dan 1000 meter. Voor spoor en weg is daarom gekeken naar een afstand tot 4000 m vanaf het plangebied. Binnen 4000 meter van het plangebied ligt de transportroute de Waal.  voor water geldt dat het invloedsgebied van een ongeval maximaal 1070 meter bedraagt. Het plangebied ligt buiten 1070 meter van de transportroute gevaarlijke stoffen over de Waal;  over de A15 worden stoffen vervoerd met een invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied is met circa 1000 meter op grotere afstand van de A15 gelegen;  over de Betuweroute vindt wel transport plaats van stoffen met een invloedsgebied van meer dan 4000m. Het plangebied ligt op circa 1.000 meter van de Betuweroute en daarmee wel binnen het invloedsgebied (of de 1% letaliteitsafstand). Het plangebied ligt echter ruimschoots buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico (de 200 meter zone). Hierdoor kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. 4.8.3

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.9

Gewasbestrijding

4.9.1

Algemeen Bij ruimtelijke plannen in de buurt van de teelt van gewassen (akkerbouw, fruitteelt) moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Dit is een zone, gebaseerd op jurisprudentie van de Raad van State, die moet worden aangehouden tussen gevoelige functies (zoals wonen) en de gronden waarop gewassen worden gehouden waarbij gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt. De zone is bedoeld om voor omliggende functies een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. De nieuwe woonbestemming ligt direct aansluitend aan gronden die in gebruik zijn als fruitboomkwekerij. Er moet derhalve getoetst worden in hoeverre de teelt kan leiden tot overlast en of de bestemmingswijziging negatieve gevolgen heeft voor de exploitatie van de fruitboomkwekerij. Regelgeving Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen woningen. Over het algemeen wordt een afstand van 50 meter aanvaardbaar geacht. Echter, deze afstand is niet in regelgeving vastgelegd. Het blootstellingsrisico is afhankelijk van meerdere factoren zoals gebruikte middelen, gebruikte spuittechniek, windsnelheid en windrichting. Daardoor kan er geen globale (of specifieke) richtlijn worden gegeven die wetenschappelijk kan worden onderbouwd.

Voor elk geval moet een locatiespecifieke afweging plaatsvinden.

38

De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die in het Activiteitenbesluit worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlaktewater. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd. Het is sindsdien verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%, óók als het perceel niet is gelegen aan een watergang. Vanaf de inwerkingtreding kan en dient bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen hiermee rekening te worden gehouden. Een driftreductie van 75% is immers relevant voor de in beginsel aan te houden afstand tot gevoelige objecten.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 m die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit. 4.9.2

Toetsing Met het voorliggende plan worden twee bedrijfswoningen en onzelfstandige huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk gemaakt. Binnen 50 meter van het bouwvlak liggen gronden die gebruikt kunnen worden ten behoeve van de boom- of fruitteelt (zie onderstaande afbeelding). Deze gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer en vallen hiermee onder het eigen bedrijf. Voor de bedrijfswoningen geldt dat het woonen leefklimaat hier niet hoeft te worden getoetst en dat spuitzonering bovendien geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven vormt.

Luchtfoto met bouwvlak (zwarte lijn) en contour van 50 meter (rode lijn) Het eigen bedrijf is wel van invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de huisvesting van arbeidsmigranten. In het voorliggende plan is geregeld dat binnen 50 meter rondom de huisvestingslocatie het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Op deze wijze wordt ter plaatse van de woningen een goed woonen leefklimaat gegarandeerd. 39

4.9.3

Conclusie Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.10

Explosieven

4.10.1

Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. De gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico's op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico's op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden, is weergegeven op een CE-bodembelastingkaart.

4.10.2

Toetsing De gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico's op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico's op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden zijn weergegeven op een CE-bodembelastingkaart. Voorafgaand aan het uitvoeren van bodemingrepen in het plangebied zal detectieonderzoek naar explosieven moeten worden verricht. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning.

4.10.3

Conclusie Het aspect explosieven levert geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.11

Waterhuishouding

4.11.1

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

40

 Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;  Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1 Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie.

De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden; 2 In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden; 3 Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

41

a Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren; b Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding); c Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Voor alle voorzieningen geldt dat er geen afvoer van grondwater/kwelwater mag plaatsvinden.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden. Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. Gemeentelijk Rioleringsplan Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor komende jaren( 2014 tot en met 2018) wordt omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Waterplan 2014-2018 (GRP) Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk.

Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Dit Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018 ('Waterplan II') is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012).

42

Het Waterplan geeft streefbeelden voor het oppervlaktewater in de gemeente. Die kunnen dienen bij de vormgeving van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn de doelstellingen:  Een veerkrachtig, robuust en duurzaam watersysteem;  Een optimaal functionerende waterketen;  Een effectieve en efficiënte waterorganisatie. Vanuit het waterplan hebben beide organisaties de zorg voor waterkwantiteit (het voorkomen van overstroming, het tegengaan van watertekorten) en waterkwaliteit (schoon water en het verminderen van 'overstort' uit de riolering). De nadruk van het waterbeleid in de komende periode ligt op de stedelijke wateropgave. Dat kan door middel van het aanleggen van extra waterbergingen. Daarbij wordt de combinatie met ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente gezocht. Daarnaast worden waterkwaliteitsmaatregelen getroffen in watergangen achter overstortlocaties. 4.11.2

Doorwerking plangebied Huidige situatie Het plangebied is momenteel met uitzondering van de wegen geheel onverhard. Het plangebied wordt aan de noord-, oost en zuidzijde begrensd door A-watergangen en aan de westzijde door een B-watergang. Centraal door het plangebied loopt ook een B-watergang.

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal de B-watergang in het plangebied deels worden ge2 dempt. Het gaat in totaal om een oppervlakte van 625 m . Daarnaast wordt in totaal 2,1 hectare aan verhard oppervlak toegevoegd (verharding en bebouwing). De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. De vuistregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. In het beheergebied van Waterschap Rivierenland geldt een

43

maximaal toelaatbare peilstijging van 0,30 meter t.o.v. het zomerpeil. Op basis van de 2 vuistregel is 3050 m waterberging nodig op zomerpeil niveau (436m³ waterberging x 2,1 hectare = 915m³ : 0,3). Daarnaast moet de te dempen watergang worden gecompenseerd door de realisatie 2 van 625 m oppervlakte water. De toevoeging van het verhard oppervlak en de demping van de watergang worden 2 gecompenseerd door de realisatie van 3.725 m extra oppervlaktewater. Dit wordt gedaan door het verbreden van de watergang aan de west- en zuidzijde van het plangebied en het toevoegen van een nieuwe watergang tussen het oostelijke woonerf en het bedrijfsgebouw (zie landschappelijke inpassing). 4.11.3

Overleg waterschap De watertoets voor dit plan is uitgevoerd via de Digitale Watertoets van waterschap 7 Rivierenland . Uit de toets blijkt de gangbare watertoetsprocedure moet worden gevolgd en dat het plan moet worden voorgelegd aan het waterschap. Pm uitkomsten overleg waterschap

4.11.4

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.12

Ecologie

4.12.1

Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.

7

Watertoets, Waterschap Rivierenland, kenmerk: 20201119-9-24819, 19 november 2020 44

4.12.2

Toetsing Quick scan flora en fauna 8 Voor het plangebied is een quick scan flora en fauna uitgevoerd, om te onderzoeken of het project van invloed is op natuurwaarden en beschermde soorten en of de ontwikkeling niet in strijd is met de provinciale verordening of de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.

Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een amfibie een (winter)rustplaats in deelgebied Bonegraafseweg en nestelen er vogels in beplanting in beide deelgebieden. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de amfibieën die mogelijk een (winter)rustplaats bezetten in het plangebied geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de (winter)rustplaats. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren en vogels af, maar dat leidt niet tot wettelijke consequenties. Stikstofonderzoek Het plangebied ligt op ongeveer 850 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura

8

Quickscan natuurwaardenonderzoek Bonegraafseweg (ongenummerd) te Dodewaard, Natuurbank Overijssel, kenmerk: 3133 versie 1.0, 4 februari 2021 45

2000- gebied “Rijntakken”. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te 9 kunnen stellen is een rapportage stikstofeffecten opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat er op de forse afstand van ca. 850 meter geen factoren zijn die leiden tot een negatief effect op het dichtstbijzijnde, en daarmee maatgevende, Natura 2000gebied. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat in de toegepaste ‘worst-case’ benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Dit geldt voor zowel de realisatie- als gebruiksfase. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig project sprake zal zijn van significant negatieve effecten. 4.12.3

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.13

Archeologie en cultuurhistorie

4.13.1

Archeologie Algemeen In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2022 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

9

Rapportage Beoordeling Stikstofeffecten, VanWestreenen, 2 maart 2021 46

Gemeentelijk/regionaal archeologiebeleid De bescherming van de archeologische waarden is in de gemeente Neder-Betuwe geregeld in het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’. Voor de verschillende archeologische (verwachtings)waarden zijn afzonderlijke bestemmingen opgenomen: Waarde - Archeologie 1 voor de AMK-terreinen, historische kernen en bekende vindplaatsen, Waarde - Archeologie 2 voor de gronden met een hoge archeologische trefkans en Waarde - Archeologie 3 voor de gronden met een gemiddelde archeologische trefkans. Toetsing Ter plaatse van onderhavig plangebied zijn in het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’ geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Dit betekent dat hier sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde en dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan. 4.13.2

Cultuurhistorie Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De gemeente Neder-Betuwe heeft haar beleid geregeld in de Erfgoedverordening uit 2017. Toetsing In het plangebied is geen (monumentale) bebouwing aanwezig. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn in de omgeving van het plangebied bovendien geen behoudenswaardige cultuurhistorische objecten aangegeven. Voor het plangebied is tot slot een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie paragraaf 2.2.3), waarin rekening is gehouden met landschappelijke waardevolle structuren in (de omgeving van) het plangebied. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.14

Leidingen Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; 47

 defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. Toetsing In de omgeving van het plangebied liggen geen leidingen met zones waarbinnen beperkingen gelden. Conclusie Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

48

5 5.1

Juridische planbeschrijving Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2

Bestemmingsplan

5.2.1

Bestemmingen ‘Agrarisch met waarden - 2’ De gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden - 2’ zijn bedoeld voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de betreffende gronden, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen, extensief dagrecreatief medegebruik. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - huisvesting arbeidsmigranten’ is de huisvesting van arbeidsmigranten toegestaan (waarbij maximaal 5 onzelfstandige wooneenheden zijn toegestaan). Ter plaatse van een bouwvlak en de aanduiding ‘opslag’ zijn de gronden ook bestemd voor niet-grondgebonden agrarische productie met bijbehorende voorzieningen en opslag, voor zover deze productie plaatsvindt als neventak van een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op de grondgebonden agrarische productie. Ter plaatse van het bouwvlak zijn verder ook bijbehorende verwerking van agrarische producten en productiegebonden detailhandel en bijbehorende bewoning in een bedrijfswoning toegestaan. Per bouwvlak is ten hoogste één agrarisch bedrijf toegestaan.

Ter plaatse van deze bestemming gelden de volgende bouwregels:  Gebouwen moeten op minimaal 5 meter van de perceelsgrens en binnen het bouwvlak worden gerealiseerd;

49

 Bedrijfsgebouwen zijn toegestaan met een goot- en bouwhoogte van 7, respectievelijk 12 meter. Daarnaast zijn alleen onder voorwaarden kassen en permanente kunststoftunnels toegestaan en mag de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten behoeve van de niet-grondgebonden agrarische productie niet meer bedragen dan 2 500 m . 3  Bedrijfswoningen zijn toegestaan met een inhoud van maximaal 750 m en een goot- en bouwhoogte van maximaal 4 respectievelijk 9 meter.  Bijgebouwen zijn toegestaan met een oppervlakte van maximaal 75 m2 en een goot- en bouwhoogte van 3 respectievelijk 7 meter;  Bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak zijn toegestaan, waarbij een maximum bouwhoogte geldt van:  2,5 meter voor erfafscheidingen;  9 meter voor mestsilo’s, voedersilo's en bio-installaties;  4 meter voor de wand van mestbassins;  15 meter voor vrijstaande antennemasten;  9 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.  Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak zijn toegestaan met een maximum bouwhoogte van:  6 meter voor niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen zoals hagelnetten;  4 meter voor kunststoftunnels en –overkappingen;  6 meter voor molens ten behoeve van de waterhuishouding;  2,5 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor ook een 2 oppervlakte beperking geldt van maximaal 10 m .

Het is bij omgevingsvergunning mogelijk om onder voorwaarden af te wijken van de bouwregels ten aanzien van de afstand tot de perceelsgrens, kassen en permanente kunststoftunnels, bouwgrenzen voor bedrijfsgebouwen, de realisatie van een agrarisch hulpgebouw buiten een bouwvlak, de stalling van dieren en de huisvesting van seizoensarbeiders. 5.2.2

Dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – beheerszone watergang’ De gronden binnen deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor bescherming, beheer en verbetering van watergangen en voorzieningen voor de waterhuishouding. Binnen deze dubbelbestemming mogen enkel bij omgevingsvergunning (onder voorwaarden) bouwwerken worden gebouwd.

5.2.3

Overige regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregel en overgangsrecht en een slotregel. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. De regeling voor de aanduiding ‘vrijwaringszone – weg’ is opgenomen in de algemene aanduidingsregels. Binnen deze aanduiding is onder andere met het oog op veiligheid een omgevingsvergunning noodzakelijk voor het bouwen van bouwwerken. In de overige regels is daarnaast een bepaling inzake parkeren opgenomen. 50

Daarnaast is in de algemene aanduidingsregels een regeling voor de aanduiding ‘milieuzone - teeltvrije zone’ opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.

51

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Het project zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.

6.2

Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

6.3

Zienswijzen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11594867/1