Toelichting
Tekst van het document
Afbeelding 4.4: GR-curves vanwege huidige situatie (blauwe lijn, inclusief plan Walenhoek) en nieuwe situatie (rode lijn)
Uit de GR-grafiekblijkt dat het groepsrisico toeneemt van 0,008 naar 0,01 van de oriëntatiewaarde, door het toevoegen van gebouwen binnen het plangebied “Poort van Ochten”. Het GR bedraagt in de nieuwe situatie dus minder dan 0,1 van de oriëntatiewaarde. Uitgaande van artikel 8 lid 2 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is dan geen uitgebreide verantwoording van het GR nodig (bij een besluit voor
29
bestemmingsplan Poort van Ochten
wijziging van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse activiteit art. 2.12 1a onder 3 Wabo). A15 Ten noorden van de planlocatie is de Rijksweg A15 gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De afstand bedraagt ongeveer 37 m. Ook voor de A15 moet rekening worden gehouden met de PR 10-6-contour en het groepsrisico.
Afbeelding 4.5: Gebouwen Walenhoek en Poort van Ochten ten opzichte van de A15 (groen bolletjes) en de PR 10-8 contour (groene lijn) en enkele effectcontouren
Gelet op bovenstaande afbeelding en de resultaten van de risicoberekeningen blijkt dat: het bouwvlak van het plangebied van “Poort van Ochten” niet ligt binnen de vastgestelde PR 10-6 contour en het (plas)brandaandachtsgebied; dit bouwvlak wel ligt binnen de 100% letaalzone van een worst-case “KOUDE BLEVE”-scenario (deels), de berekende PR 10-7 contour (deels), de berekende PR 10-8 contour, de 200 meter zone, het explosieaandachtsgebied, het gifwolkaandachtsgebied en de maximale 1% letaalzone van de A15.
30
bestemmingsplan Poort van Ochten
Afbeelding 4.6: GR-curves vanwege huidige situatie (blauwe lijn, inclusief plan Walenhoek) en nieuwe situaties (groene lijn (5% buitenshuis) en rode lijn (100% buitenshuis))
Uit de GR-grafiek blijkt dat het GR door het toevoegen van plan “Poort van Ochten” toeneemt van 0,051 tot 0,353 * de oriëntatiewaarde (bij 200 personen in kantoren met 5% buitenshuis) of tot 0,355 * de oriëntatiewaarde (bij 200 personen in kantoren met 100% buitenshuis). In dat geval is het GR groter dan 0,1 * de oriëntatiewaarde en neemt het GR ook meer dan 10% toe. Uitgaande van het Bevt is dan wel een uitgebreide verantwoording van het GR nodig (bij een besluit voor wijziging van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse activiteit art. 2.12 1a onder 3 Wabo). Provinciale weg N233
Afbeelding 4.7: Gebouwen Walenhoek en Poort van Ochten ten opzichte van de N233 (groene bolletjes) en de PR 10-7 contour (blauwe lijn) en de PR 10-8 contour (groene lijn). De 100% letaalzone van een worst-case “Koude-BLEVE”-scenario komt ongeveer overeen met de PR 10-7 contour (blauwe lijn).
Gelet op de lay-out in relatie tot relevante risico- en effectcontouren: ligt het bouwvlak van het plangebied niet binnen een PR 10-6 contour; ligt dit bouwvlak wel binnen de 100% letaalzone van een worst-case “KOUDE BLEVE”-scenario (deels), de berekende PR 10-7 contour (deels), de berekende PR 10-8 contour (deels) en de 200 meter zone.
31
bestemmingsplan Poort van Ochten
Afbeelding 4.8: GR-curves vanwege huidige situatie, inclusief plan Walenhoek (blauwe lijn) en nieuwe situatie (rode lijn)
Uit de GR-grafiek blijkt dat het GR toeneemt van 0,01 tot 0,018 van de oriëntatiewaarde door het toevoegen van gebouwen binnen het plangebied. In dat geval is het GR kleiner dan 0,1 * de oriëntatiewaarde. Uitgaande van het Bevt is dan geen uitgebreide verantwoording van het GR nodig (bij een besluit voor wijziging van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse activiteit art. 2.12 1a onder 3 Wabo). Buisleiding N-574 Van deze buisleiding zijn de volgende leidinggegevens bekend: PR10-6 contour: voor deze leiding wordt een PR 10-6 contour van 0 meter opgegeven (de contour ligt niet buiten de leiding). De hogedruk aardgasleiding ligt op voldoende afstand tot het plangebied, zodat voldaan wordt aan de normen voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico: het invloedsgebied (de 1% letaliteitsafstand) van de leiding bedraagt 70 meter en ligt daarmee niet over het plangebied. Een nadere beschouwing van het groepsrisico kan in beginsel achterwege blijven. Risicovolle inrichtingen In de omgeving liggen twee inrichtingen die mogelijk binnen de invloedssfeer van de Poort van Ochten liggen. Het bedrijf Van Soest, Meezendreef 5, Kesteren (ammoniakkoelinstallatie), valt onder het Bevi. Het bedrijf Fruitmastersgroep U.S. (ammoniakkoelinstallatie > 1500 kg NH3), valt onder het Bevi.
Gelet op de aard en omvang van de aanwezige activiteiten bij de twee inrichtingen en de ligging op ruim 200 meter vanaf het plangebied worden geen onevenredige belemmeringen verwacht voor het plangebied. 4.6.3
Verantwoording groepsrisico
De voorgaande resultaten wijzen uit dat het groepsrisico bij de vervoersmodaliteit: de Rijksweg A15, groter is dan 0,1 * de oriëntatiewaarde en ook het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt. Uitgaande van deze resultaten dient er in ieder geval een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is in dat kader gevraagd om een aanvullend advies te geven over het bestemmingsplan, zie Bijlage 4. Onderstaand is een nadere verantwoording opgenomen. In de Handreiking verantwoordingsplicht
32
bestemmingsplan Poort van Ochten
groepsrisico (VROM, 2007) zijn de criteria aangegeven die bij de beoordeling betrokken moeten worden. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen procedures in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) of de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). In de volgende tabel wordt hiervan een beknopt overzicht gegeven.
Afbeelding 4.9: Wettelijke onderdelen van de verantwoordingsplicht (Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico)
Ad 1 en 2 Personendichtheid en omvang risico Zoals aangegeven, is als gevolg van de ontwikkeling nabij het plangebied een stijging van het groepsrisico te zien. Het groepsrisico neemt toe van 0,051 tot 0,353 * de oriëntatiewaarde (bij 200 personen in kantoren met 5% buitenshuis) of tot 0,355 * de oriëntatiewaarde (bij 200 personen in kantoren met 100% buitenshuis). Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Hierdoor is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Ad 3. Maatregelen aan de bron Bij de bron zijn niet direct maatregelen te treffen door de ontwikkelaar van het plan. Ad 4. Ruimtelijke maatregelen De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid adviseert: Het verder van de bron (Rijksweg A15) af plaatsen van bouwwerken met een hoge bezettingsgraad per vierkante meter, zoals bijvoorbeeld: kantoren. De grootste populatie (hoeveelheid personen), aanwezig in de kantoorruimten, zijn op dit moment op het noordelijk deel van het bouwvlak gesitueerd. Dit is het gedeelte dat het meest dicht bij de risicobron is gelegen. Door bouwwerken met een lage bezettingsgraad meer richting de risicobron te verplaatsen, verminderd de populatie binnen het
33
bestemmingsplan Poort van Ochten
effectgebied. Tevens wordt geadviseerd om met de terreininrichting afstand te creëren, bijvoorbeeld: wadi, parkeerplaatsen dichter bij de bron te plaatsen. Het verlagen van het aantal personen die aanwezig zijn in de kantoorruimten. Op dit moment is uitgegaan van kantoorruimten met een b.v.o. van 6000 m2 op het noordelijk deel van het bouwvlak en 200 personen (1 persoon per 30 m2 en alleen overdag aanwezig). Deze aspecten dragen bij aan de eerder genoemde toename van het groepsrisico. Een plaatsing van kantoorruimten zuidelijker op het bouwvlak of vermindering van aantal personen zal resulteren in een lager groepsrisico. Het aanbrengen van meer afstand of verder verlagen van het aantal personen is binnen het voorgestelde plan niet wenselijk wegens het voornemen om het terrein zichtbaar te maken vanaf de rijksweg. Dit vanwege de gewenste beeldkwaliteit en de hogere bouwhoogte aan deze zijde en daarmee logische invulling met kantoorachtige functies. Binnen het plangebied kan wel met de invulling rekening gehouden worden met de vluchtroutes. Van belang is om daarbij te zorgen voor een vluchtroute van de risicobron af. Op basis van de huidige plannen is dit goed mogelijk. Ad 5.
Voorbereiden, bestrijden en beperken van de omvang Scenario-omschrijving: Rijksweg A15 Het maatgevend scenario op deze transportader is een koude BLEVE (tankwagen LPG) welke wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld botsing. LPG komt vrij en ontsteekt direct, daarbij ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Bij een calamiteit op de Rijksweg A15 zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Een BLEVE is van korte duur. Daardoor ligt bij dit scenario de nadruk op redden/evacueren, uitbreiding voorkomen en blussen van secundaire branden. De mogelijkheden bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn identiek aan die van het spoortracé de Betuweroute. Scenario-omschrijving: Spoortracé de Betuweroute, het spoortraject Meteren – Aansl. Ressen = Bemmel Het maatgevend scenario op deze transportas is een toxische wolk. Door een ongeval op het spoor breekt bij een ketelwagen gevuld met tot vloeistof verdicht de aansluiting van de afsluiter af. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van het Chloor vrijkomt. Alle vrijgekomen Chloor verdampt direct als zwaar gas, er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt.
Het effect is een gaswolk dat bij lage concentraties kan worden geroken. Afhankelijk van de blootstellingstijd kan bij hogere concentraties snel vergiftiging optreden. Hierdoor kunnen personen in de omgeving van het incident slachtoffer worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving, maar ook van de weersomstandigheden. De inzet van de brandweer vindt voornamelijk plaats bij de bron. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen bestreden worden door de brandweer. Op dit moment zijn er nog geen aanwezige bluswatervoorzieningen aanwezig in/rondom het plangebied. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen wordt de situering van brandkranen/geboorde putten verder beoordeeld. Geadviseerd wordt de volgende, voor een deel al benoemde, mogelijkheden: Plaats de verschillende kantoren/gebouwen met de hoogste populatie zover mogelijk van de bron af. Houd met de indeling rekening dat vanuit deze gebouwen van de bron af gevlucht moet kunnen worden. Objecten loodrecht op de bron plaatsen (indien mogelijk): door objecten loodrecht op de bron te plaatsen, met de kortste zijde aan de kant van de risicobron, wordt het grootste deel van de gevels beschermd tegen de frontale effecten van een drukgolf. Overweeg het toepassen van bouwkundige maatregelen voor bouwwerken die zich het dichtste bij de
34
bestemmingsplan Poort van Ochten
bron bevinden zoals het toepassen van: 1. brand- en hitte werende beglazing alsmede scherfwerend. 2. een dikke gevel: een dikkere gevel kan bescherming bieden tegen een explosie. Het bedekken van de muur met cortenstaal kan een gevel ook explosiebestendig maken. 3. stevige wanden: wanden voorzien van blastproof wallpaper kunnen het risico op verwondingen door rondvliegend puin beperken. 4. door een aarden wal aan te brengen tussen de risicobron en de risico-ontvanger wordt de risico-ontvanger bij een explosie afgeschermd van rondvliegende scherven/puin en wordt de drukgolf afgebogen. Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt waar mogelijk rekening gehouden met deze adviezen. Ad 6. Zelfredzaamheid Geadviseerd wordt: Breng duidelijke vluchtroutes met voldoende vluchtcapaciteit aan van de bron af, zodat mensen het gebied makkelijker kunnen verlaten. Het vrij- en onderhouden van vluchtwegen, zodat deze te allen tijde bereikbaarheid en inzetbaar zijn. Het scenario gifwolk en explosie evenals de ontvluchting/ontruiming opnemen in het bedrijfsnoodplan en deze beoefenen. Het eenvoudig en snel handmatig kunnen afschakelen van het ventilatiesysteem. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Binnen het plangebied zullen geen, en/of minder zelfredzame personen aanwezig zijn. Minder zelfredzame personen kunnen vluchten onder begeleiding.
Het snel vluchten van de verschillende risicobronnen af is, voor de binnen het plangebied aanwezige personen, goed mogelijk. Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt waar mogelijk rekening gehouden met deze adviezen. Ad 7. Alternatieven Alternatieve wijzen van inrichting van het plangebied leiden niet tot een relevante verandering van het groepsrisico, ten opzichte van het nu beoogde plan. Het groepsrisico ter plaatse van het plangebied, ten gevolge van de transportroutes, is in de huidige situatie relatief laag en zal in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Daarbij is reeds opgemerkt dat een herindeling op het perceel leidt tot het beperken van het risico, maar uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk is. Ad 8. Mogelijkheden en maatregelen Goede voorlichting en bouw conform het Bouwbesluit. Toepassing van mechanische ventilatie wordt meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Ad 9. Voorschriften Niet van toepassing. 4.6.4
Conclusie
Ondanks maatregelen ter verhoging van de veiligheid kunnen risico’s nooit voor 100% worden weggenomen. Ook na het nemen van veiligheidsverhogende maatregelen zal een restrisico blijven bestaan. Het bevoegd gezag acht, met behulp van de uitgevoerde verantwoordingsplicht voor het groepsrisico en het opgevraagde advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid, het restrisico aanvaardbaar. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
35
bestemmingsplan Poort van Ochten
4.7
Waterhuishouding
4.7.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2022-2027. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1.
2. 3.
Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. b.
c.
(Grond) waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3
36
bestemmingsplan Poort van Ochten
berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen. Gemeentelijke rioleringsplan 2019-2023 Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor de komende jaren is omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe (GRP) 2019 - 2023. In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren.
Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Waterplan Het waterbeleid maakt geïntegreerd onderdeel uit van het GRP 2019 - 2023. Gemeente en Waterschap streven voor stedelijk gebied naar een robuust watersysteem waardoor overstroming alleen optreedt bij extreme situaties. Dit betekent dat er watersysteemmaatregelen moeten worden getroffen. Dit kan door extra ruimte voor oppervlaktewater in het bestaande watersysteem te creëren of door het realiseren van extra waterpartijen. Om de doelstellingen van het rijk (2050) te halen moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen die nu gerealiseerd worden klimaatbestendig en water robuust zijn. Als ze dat niet zijn komt de rekening voor aanpassingen bij toekomstige inwoners of de gemeente voor herinrichting van de openbare ruimte. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar worden afgestemd en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Klimaatbestendig inrichten heeft niet enkel betrekking op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maar betreft ook de (herinrichting van) bestaande openbare ruimte.
Een klimaatbestendig oppervlaktewatersysteem betekent een robuust watersysteem van belang dat zowel extreme droge als natte situaties aan kan (regenwater-, droogte- en hittebestendig). In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn afspraken gemaakt over wateroverlast en watertekort. In het NBW zijn werknormen opgenomen ten aanzien van het noodzakelijke beschermingsniveau. Om nu en in de toekomst aan deze beschermingsniveaus te voldoen is de realisatie van aanvullende waterberging noodzakelijk. Deze opgave wordt bepaald aan de hand van modelleringen (hydrologische berekening van het oppervlaktewatersysteem). 4.7.2
Doorwerking plangebied
Uit de watertoets blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken, informeren en adviseren over de waterhuishoudkundige aspecten van het plan. Het waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. Deze uitgangspuntennotitie, zie bijlage 5 is onderdeel van de watertoetsprocedure. De belangrijkste aspecten met betrekking tot water zijn navolgend beschreven. Watercompensatie
37
bestemmingsplan Poort van Ochten
Als gevolg van voorliggend initiatief zijn er enkele waterhuishoudkundige aspecten van belang. De toekomstige invulling zal een toename van het verhard oppervlak tot gevolg hebben, zie navolgende tabel voor een indicatieve berekening. Huidige oppervlakte openwater
1217
m²
Toekomstige oppervlakte openwater 766
m²
Benodigde berging T=10+10%:
418
m³
Bergingscapaciteit totaal T=10+10%: 0,0
m³
Benodigde berging T=100+10%:
637
m³
Bergingscapaciteit totaal T=100+10%:
0,0
m³
gedempt openwater 1 op 1 gecompenseerd -418,3
m³ berging meer dan benodigd
-637,0
m³ berging meer dan benodigd
De toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd. Ook komt een deel van het huidige oppervlakte openwater te vervallen. Dit betreffen B-watergangen en C-watergangen, zie navolgende kaart. De compensatieopgave bestaat dus uit enerzijds 418 m³ voor de te realiseren extra verharding en daarnaast de oppervlakte open water die vanwege de ontwikkeling wordt gedempt. Hiervoor is ook een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.
Afbeelding 4.3: Vastgestelde legger wateren, Waterschap Rivierenland
Rioolwaterpersleiding Net buiten het plangebied ligt een rioolwaterpersleiding van het waterschap. Op of rondom de gronden waar een rioolpersleiding ligt, mag in principe niet worden gebouwd. De leiding en beschermingszone liggen buiten het plangebied, Waterkwaliteit Met betrekking tot de riolering wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd. Hierbij wordt het hemelwater van de dakoppervlakten direct op de omliggende watergangen afgevoerd, het hemelwater op de verharde terreindelen op de hemelwaterafvoer en het vuilwater op de vuilwaterafvoer.
38
bestemmingsplan Poort van Ochten
4.7.3
Conclusie
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.8
Ecologie
4.8.1
Regelgeving
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.
De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn gedeputeerde staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. 4.8.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Ecologisch onderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 7 (Beknopte natuurtoets) bij deze toelichting. Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is op basis van het uitgevoerde veldbezoek (d.d. 5 januari 2021) en het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing van de Wnb voor soorten is niet nodig. In verband met de soortbescherming van de Wnb is het wel nodig om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Het plan leidt niet tot negatieve effecten op het GNN of GO en is daarom niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid uit de Omgevingsverordening Gelderland. Stikstof
39
bestemmingsplan Poort van Ochten
De effecten met betrekking tot stikstof zijn berekend. De memo die naar aanleiding van deze berekening is opgesteld, is opgenomen als Bijlage 8 (Stikstofberekening) bij deze toelichting. De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie, vanwege de effecten van dit plan. De referentiesituatie komt overeen met de feitelijke aanwezige planologisch legale situatie. 4.8.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9
Archeologie & cultuurhistorie
4.9.1
Regelgeving
In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2023.
Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
4.9.2.1 Archeologie Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Voor het plangebied gelden verschillende verwachtingswaarden. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuwe ontwikkeling en daarmee ingrepen in de bodem. Het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is van kracht voor het plangebied. Hieruit valt op te maken dat voor het plangebied een lage archeologische trefkans (groen) wordt verwacht. In het Parapluplan Archeologie is ervoor gekozen om voor de gronden met een lage archeologische trefkans geen archeologische dubbelbestemming(en) meer op te nemen. Archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven. 4.9.2.2 Cultuurhistorie In en om het plangebied zijn geen beschermde gebouwde (rijks- of gemeentelijke) monumenten aanwezig,
40
bestemmingsplan Poort van Ochten
4.9.3
Conclusie
De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.10 Leidingen 4.10.1
Regelgeving
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.10.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen die in onderhavig bestemmingsplan moeten worden opgenomen.
4.11 Explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor hoeveelheden Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit het rapport 'Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe' (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente Neder-Betuwe verdacht is op het voorkomen van artillerie-, mortier- en raketbeschietingen, waaronder dus ook het voorliggende plangebied. Door de geplande werkzaamheden kunnen deze mogelijk ter plaatse aanwezige explosieven een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet dus worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn. Geadviseerd wordt om bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem, in het kader van de arbowetgeving, hiermee rekening te houden. 4.11.1
Planspecifiek
Omdat de locatie op basis van het Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven, wordt voor de aanvraag voor een omgevingsvergunning een detectierapport conform de WSCS-OCE uitgevoerd. Op basis van deze rapportage kan degene die werkzaamheden in de bodem, hiermee rekening houden in het kader van de arbowetgeving.
4.12 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapporate (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
41
bestemmingsplan Poort van Ochten
op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn: als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan behelst de ontwikkeling van hoogwaardige kantoorruimte en bedrijfsruimte . In totaal gaat het om een uitbreiding van circa 1,55 ha, met een bruto vloeroppervlak van maximaal 10.500 m2 . Het plan blijft (ver) onder de drempel van een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m² of meer uit bijlage D 11.2. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten wordt in hoofdstuk 2 van voorliggend bestemmingsplan ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in voorliggend bestemmingsplan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig. Conclusie Uit het voorgaande is gebleken dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
42
bestemmingsplan Poort van Ochten
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen
In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd: Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
43
bestemmingsplan Poort van Ochten
Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels 5.3.2
Bestemmingen
Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de verschillende bestemmingen. Bedrijf Binnen de bestemming "Bedrijf" zijn hoogwaardige kantoorruimte en bedrijfsruimte toegestaan zoals bedoeld in lid 3.1 van de regels van voorliggend plan. Met een bouwvlak en maatvoeringsaanduiding is nader gedefinieerd waar en en welke mate bedrijfsvoering mogelijk is. Het bebouwen en gebruiken van de gronden is verder uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat er een door bevoegd gezag goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan is overlegd en er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid (beiden voorwaardelijk verplicht). Groen De gronden binnen deze bestemming betreffen het openbaar terrein binnen het plangebied dat bedoeld is voor de aanleg van groen en water. De bouw van gebouwen en bouwwerken zijn uitgesloten met uitzonder van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor openbaar nut zoals verkeersgeleiding en wegverlichting. Verkeer – snelweg De gronden binnen deze bestemming betreffen het openbaar terrein binnen het plangebied dat bedoeld is voor de aanleg van wegen, infrastructuur en water(voorzieningen). De bouw van gebouwen en bouwwerken zijn uitgesloten met uitzonder van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor openbaar nut zoals verkeersgeleiding en wegverlichting.
5.4
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene aanduidingsregels Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. Ter plaatse van de aanduiding "Vrijwaringszone - weg", voor zover niet behorend tot gronden met de bestemming Verkeer, mogen vanwege verkeersveiligheid niet zonder meer bouwwerken worden gebouwd.
44
bestemmingsplan Poort van Ochten
Overige regels In artikel 9 de verplichting opgenomen dat voldaan wordt aan het actuele parkeerbeleid van de gemeente.
5.5
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
45
bestemmingsplan Poort van Ochten
46
bestemmingsplan Poort van Ochten
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Inleiding
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. 6.1.2
Conclusie
De gemeente heeft de gronden in eigendom. De kosten voor realisatie van het openbaar gebied, het bouwrijp maken van de kavels en de procedurele kosten zullen worden opgenomen in de exploitatie en worden opgenomen in de verkoopprijs van de kavels. Daarmee zijn de kosten voor de planontwikkeling anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet aan de orde. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
47
bestemmingsplan Poort van Ochten
48
bestemmingsplan Poort van Ochten
Hoofdstuk 7 7.1
Procedure
Overleg en inspraak
De gemeente heeft op basis van het Inspraakdocument Poort van Ochten, een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden. Dit is vastgelegd het eindverslag omgevingsdialoog Poort van Ochten (Bijlage 6). In het kader van de omgevingsdialoog is, naast de inspraak die is geboden aan omwonenden, ook met potentiële gebruikers van de bedrijfskavel(s) overleg geweest. Hiervoor zijn diverse partijen uitgenodigd om te reflecteren op het initiatief. Uit de reacties die wij daaruit mondeling hebben gekregen, hebben we de planopzet beperkt verruimd, in die zin, dat reguliere bedrijvigheid wordt toegestaan en dat er ook mogelijkheden zijn om 1 groter bedrijfsgebouw te ontwikkelen, in plaats van 3 afzonderlijke gebouwen. Daarbij geldt te allen tijde als randvoorwaarde dat er sprake moet zijn van een goede beeldkwaliteit . Daarnaast heeft de gemeente, conform ex artikel 3.1.1. van het Bro, met het Waterschap en de provincie over dit plan overleg gevoerd.
7.2
Ontwerpfase
Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties moet worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving).
49