Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Poort van Ochten ontwerp
bestemmingsplan Toelichting
Poort van Ochten ontwerp
bestemmingsplan Poort van Ochten
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel van het plan 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldende plannen 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
9 9 9
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
13 13 17 18 20
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Bedrijven en Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Externe veiligheid 4.7 Waterhuishouding 4.8 Ecologie 4.9 Archeologie & cultuurhistorie 4.10 Leidingen 4.11 Explosieven 4.12 Milieueffectrapportage
21 21 22 23 23 24 26 36 39 40 41 41 41
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Inleidende regels 5.3 Bestemmingsregels 5.4 Algemene regels 5.5 Overgangs- en slotregels
43 43 43 43 44 45
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid
47 47
Hoofdstuk 7 Procedure 7.1 Overleg en inspraak 7.2 Ontwerpfase
49 49 49
3
bestemmingsplan Poort van Ochten
4
bestemmingsplan Poort van Ochten
Toelichting
5
bestemmingsplan Poort van Ochten
6
bestemmingsplan Poort van Ochten
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel van het plan
Gemeente Neder-Betuwe ontwikkelt de Poort van Ochten ten behoeve van een kantoor- / werklocatie, in het bijzonder gericht op de (lokale) marktvraag naar hoogwaardige kantoorruimte en bedrijfsruimte. De gemeenteraad heeft in juli 2020 een gebiedsvisie vastgesteld. De gebiedsvisie is bedoeld om de juiste ontwikkelingsrichting te kunnen bepalen. Daarbij betrekt de gemeente graag de direct omwonenden/betrokkenen alsook de geïnteresseerde bedrijven. Ter voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure is daarom het Inspraakdocument Poort van Ochten opgesteld en ter inzage gelegd, zie ook het eindverslag omgevingsdialoog Poort van Ochten (Bijlage 6). Voorliggend initiatief voorziet in het planologisch toekennen van een bedrijfsfunctie aan de locatie, zodat de ontwikkeling van Poort van Ochten tot werklocatie in gang kan worden gezet. De exacte uitwerking van de gebouwen en de landschappelijke inpassing krijgen haar definitieve vorm in een later stadium, binnen de kwalitatieve kaders die zijn opgesteld voor het gebied. Om deze reden is een zekere flexibiliteit behouden in voorliggend plan. De realisatie van bedrijfsgebouwen en het bijbehorend parkeren binnen het plangebied is strijdig met het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' uit 2013.
Omdat de beoogde ontwikkeling op grond van het vigerende bestemmingsplan niet is toegestaan, wordt het voorliggende bestemmingsplan in procedure gebracht.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt ten noorden van Ochten ingeklemd tussen de A15 in het noorden, de N233 in het oosten, de Cuneraweg in het zuiden en de Walenhoekseweg in het westen.
7
bestemmingsplan Poort van Ochten
Afbeelding 1.1: plangebied ten opzichte van Ochten
1.3
Geldende plannen
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' uit 2013. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerende plan. Daarnaast gelden er diverse parapluplannen.
Afbeelding 1.2: geldende regeling(en) ter plaatse van het plangebied
Binnen het plangebied gelden de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer - Snelweg'. Ten behoeve van het eventueel voorkomen van archeologische waarden geldt binnen delen van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Verder ligt over een groot deel van plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone - spoor' en de aanduiding 'vrijwaringszone - weg'. Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Het oprichten van bedrijven is niet toegestaan binnen de ter plaatse geldende bestemmingen. Daarmee is voorliggend initiatief in strijd met het vigerende bestemmingplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld'.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
8
bestemmingsplan Poort van Ochten
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied bestaat uit een geasfalteerde carpoolplaats met kleine overkapping voor fietsen en een graslandperceel om de carpoolplaats. Bijna het gehele plangebied wordt omgeven door een sloot.
Afbeelding 2.1: ligging plangebied
2.2
Toekomstige situatie
Dit bestemmingsplan voorziet in het mogelijk maken van een 'hoogwaardige kantoor-/werklocatie' in het plangebied: een vestigingsplek voor (in beginsel lokale) bedrijvigheid en kantoren met een hoogwaardige uitstraling. Geen platte distributiedozen, maar bedrijfs- en kantoorgebouwen die de ligging en functie van het gebied (de belangrijkste entree van de kern Ochten aan de A15) recht doen. De toekomstige kantoor-/werklocatie heeft een totaal oppervlakte van ca. 1,55 ha (bruto). De locatie ligt bij de belangrijkste (meest gebruikte) entree van Ochten, aan de A15. Dit is van belang bij de ontwikkeling naar een kantoor-/werklocatie: een dergelijke functie wil een gezicht hebben aan de A15. Een nieuwe invulling is daarom in meerdere opzichten van grote invloed op de eerste indruk voor de bezoeker van Ochten / Neder-Betuwe. Vanuit stedenbouwkundige oogpunt spelen de herkenbaarheid van de ontwikkeling en de bebouwing een belangrijke rol. De mate van herkenbaarheid is ook cruciaal voor de inpasbaarheid: als de invulling te veel afwijkt van de eigenheid van het gebied, wordt dit snel als verstorend ervaren. Er ontstaat dan een gebrek aan structuur met een veelheid aan (architectonische) vormen die elkaar beconcurreren. De omgeving wordt bovendien overheerst door het kunstmatig aangelegd landschap van A15 en
9
bestemmingsplan Poort van Ochten
Betuwelijn. Deze kunstmatigheid staat het toe dat een behoorlijk programma met voor Ochten ruime hoogten en schaal mogelijk wordt gemaakt in aansluiting ook op bedrijventerrein Walenhoek, dat aan beide zijden wordt uitgebreid en waardoor het bestaande gebied, gericht op de A15 wordt opgewaardeerd. Nadere stedenbouwkundige uitwerking In afwijking van de Gebiedsvisie Poort van Ochten en het Inspraakdocument Poort van Ochten zijn enkele stedenbouwkundige- en programmatische kaders aangepast of verder uitgewerkt in het document Kwaliteitscriteria Poort van Ochten (Bijlage 2). Dit mede naar aanleiding van de input van direct omwonenden/betrokkenen alsook de geïnteresseerde bedrijven. Enkele belangrijke inhoudelijke aanpassingen betreffen: er kan sprake zijn van één gebouw of meerdere gebouwen; er geldt geen kapverplichting gelet op de grote diversiteit aan gebouwen in de omgeving; de maximale bruto vloeroppervlakte is enigszins verruimd tot 10.500 m2 omwille van voldoende flexibiliteit; de maximale bouwhoogtes zijn aangepast, waarbij de verplichting van een hoofdgebouw en bijgebouw komt te vervallen; de toegestane functies die passen binnen het concept van hoogwaardige kantoorruimte en bedrijfsruimte zijn verder uitgewerkt. Op onderstaande afbeelding is dit samengevat en nader verklaard.
Afbeelding 2.2: stedenbouwkundige uitwerking
Voor een eensluidend beeld van een toekomstige ontwikkeling aan de zijde van de A15 wordt de rooilijn van de reeds aanwezige gebouwen en de in voorbereiding zijnde uitbreiding van Walenhoek overgenomen. Deze rooilijn vormt de noordelijk grens van het bouwvlak. Van deze rooilijn kan gedeeltelijk afgeweken worden indien er overwegende bezwaren optreden ten aanzien van de ligging van een leidingtracé of indien er sprake is van een betere stedenbouwkundige inpassing (zie de rode stippellijn op de hiervoor opgenomen afbeelding). Accentenzone ter versterking beeldkwaliteit Ter bevordering van de beeldkwaliteit is een zone geduid waar ruimtelijke accenten mogelijk zijn. Deze is een afgeleide van de accenten (aanwezig en gepland) langs de A15. De zone is circa 40 meter diep,
10
bestemmingsplan Poort van Ochten
gemeten uit de rooilijn. Bebouwing is alleen binnen het bouwvlak toegestaan. De bouwvolumes en bouwhoogtes van de toekomstige (bedrijfs)bebouwing sluiten aan op omliggende bebouwing, zodat er een eenheid ontstaat in de bebouwingsstructuur. Korrelgrootte en ritmiek Ter versterking van de ritmiek van de gebouwen langs de A15 is de bestaande en geplande korrelgrootte van de gebouwen onderzocht. Voor het oostelijk deel wordt een minimale hoogte toegeschreven aan de gebouwen. Dit hoogteaccent beëindigd de gebouwenreeks en maakt het mogelijk om in het geval van één gebouw in de noordelijke zone toch de ritmiek van de gebouwenreeks te ervaren. De minimale hoogte in de oostelijke zone bedraagt minimaal één bouwlaag meer dan de rest van het gebouw. Representatieve zijden De gevels van toekomstige bebouwing ter hoogte van de accentenzone zijn de representatieve zijden van toekomstige gebouwen. Dit wil zeggen dat grote, blinde gevels en logistieke functies hier niet zijn toegestaan. Uitstraling randen De bestaande en westelijk geplande gebouwen worden allen aan de noordzijde omzoomd door een groene zone, waarin waterberging een plek heeft gekregen. Om dit beeld door te zetten wordt het plangebied tussen het bouwvlak en noordelijke plangrens bestemd voor groen en water. Een smalle rijbaan is, als gewenst mogelijk. Bij de planuitwerking zal een inrichtingsplan worden opgesteld.
Voor de oostelijk en zuidelijke rand geldt een ander uitgangspunt. Hier wordt het bedrijventerrein met een bomenrij afgezoomd en wordt het buitenterrein gecombineerd met een groene inrichting. Als nodig kan ook in deze zone voorzien worden in waterberging. Buitenopslag is in zijn geheel niet toegestaan.
11
bestemmingsplan Poort van Ochten
12
bestemmingsplan Poort van Ochten
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in, en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.
In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het daarbij om 'omgevings-inclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgeving-inclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De NOVI geeft dus weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten worden gesteld bij de inrichting van Nederland en hoe keuzes worden gemaakt in de uitvoering daarvan.
Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dit in samenhang plaatsvindt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en wordt gezorgd voor een duurzame verbinding van alle delen
13
bestemmingsplan Poort van Ochten
van Nederland en met de landen er omheen. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland. Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een van de gebieden die zijn aangewezen als gebieden met een nationaal ruimtelijk belang zoals genoemd in de SVIR. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Sinds augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Hiervoor is een nieuwe handreiking opgesteld. De Ladder is geen op zichzelf staand instrument, maar is onderdeel van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De betreffende minister zorgt ervoor dat decentrale overheden over de juiste instrumenten beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Onderdeel hiervan is het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is verankerd in artikel 3.1.6.
Lid 2 Bro en luidt als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." De Ladder is alleen van toepassing op een plan dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Is dit het geval dan is een beschrijving van de behoefte nodig. Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is een uitgebreidere motivering vereist waarin wordt ingegaan op de vraag waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Een Laddertoets is uitgevoerd voor de locatie, zie bijlage 1. De belangrijkste conclusies worden onderstaand nader toegelicht. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voorziet het plan in de toevoeging van een bedrijfsgebouw of een bedrijventerrein, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m Door de toevoeging van 'in beginsel' bij iedere ondergrens, lijkt de Afdeling duidelijk te willen maken dat geen sprake is van 'harde' ondergrenzen.
14
bestemmingsplan Poort van Ochten
Het onderhavig voornemen voorziet in de mogelijkheid om maximaal circa 10.500 m2 bruto vloeroppervlak aan bedrijfsgebouwen te realiseren. Gelet op deze omvang is het plan aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied is onderdeel van het 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' uit 2013. Voor het gebied gelden de bestemmingen 'Verkeer - Snelweg' en 'Groen'. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan wordt met het nieuwe bestemmingsplan meer bebouwing mogelijk gemaakt. Er is aldus sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen.
Bij de bepaling van het ruimtelijk verzorgingsgebied is in het kader van de 'Poort van Ochten' gekeken naar de volgende functies: kantoren; reguliere bedrijfsruimte, met een hoogwaardige uitstraling (met name aan de zijde A15, bijvoorbeeld: showroom, handel, opslag, experience centre). De markt voor kantoren en bedrijven in Ochten is hoofdzakelijk lokaal gericht. De ontwikkellocatie Poort van Ochten spreekt door zijn bereikbaarheid en zichtbaarheid aan de A15 echter een ruimer publiek aan. De inschatting is daarom dat het ruimtelijk verzorgingsgebied op een straal van circa 8 kilometer rond het plangebied ligt. Hiermee voorziet de locatie in een lichte bovenlokale behoefte aan kantoren en bedrijvigheid. In de verdere behoefteraming wordt rekening gehouden met bereikbaarheid (natuurlijke belemmeringen en wegennetwerk) en mogelijkheden voor bedrijvigheid in de eigen omgeving van kernen. Naast grote delen van de gemeente Neder-Betuwe vallen ook enkele grote plaatsen als Rhenen, Druten en delen van Tiel en Wageningen in het verzorgingsgebied. De ligging aan de snelweg heeft mogelijk een wat groter verzorgingsgebied tot gevolg, maar als gekeken wordt langs de A15 as dan ligt het zwaartepunt naar het westen vooral op (grootschalige) logistiek rond Tiel en Zaltbommel. De A2-as is hier bovendien een sterke economische 'magneet'.
Richting het oosten zijn Nijmegen en Arnhem al snel de economische zwaartepunten van de (markt)regio. Het ruimtelijk verzorgingsgebied bestaat primair uit gemeente Neder-Betuwe, ook deels Rhenen en Druten. Is er behoefte? De Ladder vraagt om een beschrijving van de behoefte binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende 10 jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Om de vraag te bepalen is er gebruik gemaakt van de behoefteraming van Ecorys voor de provincie Gelderland (Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland,2019). Op basis daarvan is het marktaandeel van Neder-Betuwe en het ruimtelijk verzorgingsgebied buiten de gemeente aan bedrijventerrein en kantoorruimte bepaald. Om het (plan)aanbod te bepalen is er onder andere gebruik gemaakt van het IBIS-bestand van de provincie Gelderland. Onderstaand zijn de kwantitatieve en de kwalitatieve behoefte beschreven. Kwantitatieve behoefte
15
bestemmingsplan Poort van Ochten
De ruimtelijke ontwikkeling voorziet voornamelijk in reguliere bedrijfsruimte. Binnen het verzorgingsgebied bestaat een grote kwantitatieve behoefte (13 tot 15,5 hectare) aan reguliere bedrijfsruimte. Tevens bestaat voor de hoogwaardige bedrijfsruimte een beperkte vraag van 0,5 ha. Het voornemen leidt derhalve niet tot onevenredige leegstand. Daarnaast kan nog worden aangedragen dat de leegstand in het ruimtelijk verzorgingsgebied ver onder het frictieniveau ligt. Dit duidt op een tekort aan bedrijfsruimte. De omvang van de leegstaande panden is tevens onvoldoende om te voorzien in reële alternatieven voor het beoogde initiatief. Kwalitatieve behoefte Naast de kwantitatieve behoefte dient er te worden gekeken naar de kwalitatieve behoefte van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De locatie 'Poort van Ochten' is op kwalitatieve basis zeer geschikt voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Het gebied is door haar ligging aan de A15 aan te wijzen als zichtlocatie en is zeer goed ontsloten. Een dergelijke locatie is dan ook niet te vinden in binnenstedelijk gebied in het verzorgingsgebied. De ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een werklocatie met een grote ruimtelijke kwaliteit. Als entree van Ochten vraagt de locatie hier ook om. Binnen het verzorgingsgebied zijn er geen vrije locaties met een dergelijk kwalitatief potentieel.
Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." De ontwikkeling van Poort van Ochten ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Daarom moet worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De bedrijfsruimtemarkt is krap in het ruimtelijk verzorgingsgebied, alsook in de regio Rivierenland. Er is weinig geschikte plancapaciteit en de leegstand van bedrijfsgebouwen en uit te geven kavels is ook zeer beperkt. Binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling zijn geen binnenstedelijke locaties beschikbaar met een omvang en uitstraling als de locatie Poort van Ochten. Bovendien sluit de beoogde ontwikkeling aan op het bestaande bedrijventerrein Walenhoek. Deze locatie is volledig uitgegeven/verhuurd en heeft zich al bewezen als passende locatie voor lokale (tot regionale) toonaangevende bedrijvigheid. 3.1.4
Conclusie
Aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan. Het plan dat voorziet in de realisatie van reguliere bedrijfsruimte met een hoogwaardige uitstraling en kantoren, voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en de aspecten van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voorliggende Ladderonderbouwing heeft de actuele en verwachte vraag (reguliere bedrijfsruimte, kantoren en aanvullende hoogwaardige bedrijfsruimte) en het harde aanbod van bedrijventerreinen inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er in de regio totaal minimaal een kwantitatieve behoefte van 13 hectare aan nieuwe bedrijfsruimte t/m 2030 aanwezig is. Naast deze kwantitatieve behoefte heeft het gebied een hoogwaardige kwaliteit en is door haar ligging aan de A15 aan te wijzen als zichtlocatie en is daarmee zeer goed ontsloten. Een dergelijke locatie is dan ook niet te vinden in binnenstedelijk gebied. Er is weinig geschikte plancapaciteit en de leegstand van bedrijfsgebouwen en uit te geven kavels is ook zeer beperkt. Binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling zijn geen binnenstedelijke locaties beschikbaar met een omvang en uitstraling als de locatie Poort van Ochten.
16
bestemmingsplan Poort van Ochten
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Algemeen
Op 14 januari 2014 stelde het college van Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de bijbehorende Omgevingsverordening vast. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels. Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie in hun vergadering van 9 juli 2014 vastgesteld. De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beide op 18 oktober 2014 in werking getreden. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten en meermaals geactualiseerd. 3.2.2
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: 1. 2.
een duurzame economische structuur; het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
Ruimte in kleinere kernen en vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd. De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat voor: sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken; een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan. Als leidend principe hanteert de provincie de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik.
Dit houdt in dat in bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moet worden aangegeven hoe met de ladder is omgegaan, zie ook 3.1.3. De provincie hanteert voor de bepaling van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro. 3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan heeft geen betrekking op gebieden die in de Omgevingsvisie en -verordening zijn aangewezen als beschermingswaardig of waar specifieke provinciale doelen zijn gesteld. Alleen artikel 2.38 (instructieregel bestemmingsplan Intrekgebied) is van toepassing. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Intrekgebied maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Het bestemmingsplan maakt dit niet mogelijk. De verordening schrijft verder voor dat in het bestemmingsplan dat nieuwe activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maakt, een toelichting wordt opgenomen met een beschrijving van de maatregelen of
17
bestemmingsplan Poort van Ochten
voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Daarbij moeten de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte worden betrokken. Bij de planontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein is een adaptieve vormgeving van essentieel belang. Hierbij is aandacht voor zaken als wateroverlast, droogte en hitte. Uitgangspunt is dat alle nieuwe bebouwing afgekoppeld is en dat het (hemel)water opgevangen wordt op het bedrijventerrein zelf. Hiervoor zullen de bestaande watergangen/sloten worden verbreed en extra oppervlaktewater worden gerealiseerd. Parkeervoorzieningen worden met een open verharding uitgevoerd waardoor ook hier water kan infiltreren. Daarnaast zal getracht worden meer schaduwplekken te creëeren, door aanplant van bomen. Waar dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij parkeergelegenheid, wordt de mogelijkheid gecreëerd voor het realiseren van overkappingen waardoor multifunctioneel gebruik mogelijk wordt (parkeren, zonnepanelen, schaduw). Relevant voor onderhavig bestemmingsplan zijn de regionale afspraken voor de programmering van bedrijventerreinen. In juni 2010 hebben Provinciale Staten van Gelderland de Structuurvisie Bedrijventerreinen en werklocaties vastgesteld.
Als uitwerking van de structuurvisie hebben de regio's een Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) opgesteld. Zie ook verder 3.2.4. 3.2.4
Regionaal Programma Werklocaties 2019-2024
De gemeenten van Regio Rivierenland hebben in juni 2016 het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) Regio Rivierenland 2016-2020 vastgesteld. De regio is vervolgens aan de slag gegaan met een nieuw RPB, het Regionaal Programma Werklocaties Rivierenland 2019-2024 (afgekort RPW). Het nieuwe programma heeft een bijgesteld doel in vergelijking tot het RPB 2016: voldoende aanbod van bedrijventerreinen van de juiste kwaliteit hebben, waarbij de toekomstige marktbehoefte (volgens model WLO II) het uitgangspunt is. Provincie Gelderland heeft verder verzocht om de naam van het programma te wijzigen van Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) in Regionaal Programma Werklocaties (RPW), in lijn met de aangepaste provinciale omgevingsverordening. Regio Rivierenland wil met het RPW 2019 nu en in de komende jaren kunnen voldoen aan de te verwachten (kwantitatieve en kwalitatieve) marktvraag, overaanbod voorkomen maar ook flexibiliteit hebben om in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen in een dynamische markt. Het RPW 2019 biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten en provincie Gelderland. Het RPW is: Het regionale afsprakenkader voor planning en programmering van bedrijventerreinen tussen Regio Rivierenland en provincie Gelderland.
De vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van toekomstbestendige bedrijventerreinen, economische ontwikkeling en ruimtelijk beleid. Het toetsingskader voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de regio. Dit is in lijn met de provinciale verordening (december 2018, artikel 1.2): nieuwe planontwikkeling wordt slechts toegestaan wanneer regionale afspraken zijn vastgesteld in de regionale programmering. Planspecifiek Het Regionaal Acquisitie Platform (RAP) Rivierenland stelt dat voldaan is aan de gemaakte regionale afspraken zoals afgesproken in het RPW voor een beoogde statuswijziging van een oranje locatie: 1. 2. 3.
Plan voorziet in aantoonbare behoefte (Laddertoets doorlopen). Locatie is bekend en stuit niet op (grote) RO-bezwaren. Plan is regionaal afgestemd.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie
Op 24 februari 2022 heeft de gemeente Neder-Betuwe de nieuwe Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie bestaat uit 10 speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. Daarin is te lezen waar de gemeente op in willen zetten en welke waarden behouden moeten blijven.
18
bestemmingsplan Poort van Ochten
Vanuit de speerpunten en de bijbehorende opgaven is een richtinggevende kaart opgesteld. Op deze kaart staat aangegeven in welk gebied een bepaalde ontwikkeling wenselijk is. Voor een aantal speerpunten zijn zoekgebieden en mogelijke ontwikkelrichting opgenomen. De zoekgebieden zijn wel specifiek aangegeven, voor de overige ontwikkelingen zijn ze richtinggevend en indicatief op de kaart aangegeven. Planspecifiek Voor de ontwikkeling en vestiging van bedrijven is - voor zover het deze ontwikkeling betreft - het volgende opgenomen: We werken aan een aantrekkelijk vestigings- en ondernemersklimaat met het doel een breed scala aan bedrijven en ondernemingen te kunnen behouden en ontwikkelen. We bieden in de eerste plaats ruimte aan lokale bedrijven. Tevens stemt de gemeente de lokale bedrijventerreinontwikkeling in regionaal verband af via het regionaal programma werklocaties (RPW). We streven naar diversiteit en veelzijdigheid in lokale werkgelegenheid. We concentreren (nieuwe) bedrijventerreinen langs hoofdinfrastructuur (A15) zodat sprake is van een goede ontsluiting en we hebben aandacht voor toekomstbestendigheid van bestaande bedrijfslocaties. De voorgenomen ontwikkeling maakt op de waardenkaart onderdeel uit van de zone 'A15 en Betuweroute'. Er gelden de volgende waarden en zaken waar rekening mee gehouden moet worden.
Op de richtinggevende kaart is het plangebied aangemerkt als 'Gepland bedrijven'.
19
bestemmingsplan Poort van Ochten
Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Neder-Betuwe, uitsnede richtinggevende kaart
3.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.
20
bestemmingsplan Poort van Ochten
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
4.1
Verkeer & parkeren
4.1.1
Verkeer
4.1.1.1 Regelgeving De gemeenteraad heeft op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vastgesteld. Dit geeft de visie weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen: Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2025. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is. Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen. Ruimtelijke ontwikkelingen hebben effect op de verkeersafwikkelingen en kunnen effect hebben op de leefbaarheid. De gemeente vindt het daarom belangrijk dat er sprake is van een samenhang tussen de drie pijlers van het NBVVP (leefbaarheid, bereikbaarheid en verkeersveiligheid). Deze samenhang is in het uitgangspunt ‘Verkeer op de juiste plaats’ tot uiting gebracht: een beperkt aantal doorgaande wegen zorgt voor de verwerking van het verkeer en in de overige gebieden staat de kwaliteit van de leefomgeving en verkeersveiligheid centraal.
4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan Met de beoogde ontwikkeling wordt 1,55 ha hoogwaardige kantoorruimte en bedrijfsruimte mogelijk gemaakt. Het gebied wordt op dezelfde wijze ontsloten als de huidige carpoolvoorziening. Deze voorziening wordt in stand gehouden. Het effect op de verkeersaantrekkende werking en de verkeersafwikkeling op de doorgaande wegen (waaronder Walenhoekseweg en Cuneraweg) is gelet op de kleinschaligheid van het plan beperkt. Met behulp van de rekentool “Parkeren en verkeersgeneratie van de CROW” is de verkeersgeneratie van het plan bepaald. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor hoogwaardige bedrijventerreinen, en kantoren zonder baliefuncties. Voor hoogwaardige bedrijventerreinen moet er rekening worden gehouden met 208 verkeersbewegingen per hectare per dag. Een deel hiervan is aan te merken als vrachtverkeer. De onderverdeling hiervan is tevens opgenomen in de CROW publicatie 381. Voor kantoren moet er rekening worden gehouden met 9,6 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. Dit levert de volgende totalen op: Licht verkeer: 418 mvt per dag, Middelzwaar vrachtverkeer: 12 mvt per dag, Zwaar vrachtverkeer: 14 mvt per dag. De Walenhoekseweg en Cuneraweg zijn wegen die de verkeersgeneratie afwikkelen. Deze wegen beschikken over voldoende capaciteit om de toename als gevolg van het plan op te kunnen vangen.
Het initiatief is daarmee uitvoerbaar binnen het gemeentelijke 'Verkeer- en Vervoerplan’. 4.1.2
Parkeren
4.1.2.1 Regelgeving In 2017 heeft de gemeenteraad de beleidsnota Nota Parkeernormen Neder-Betuwe vastgesteld. Deze nota beoogt het vastleggen van de parkeernormen in de gemeente Neder-Betuwe en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Aan de hand van de parkeernormen kan de parkeerbehoefte van toekomstige ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen berekend worden. Het parkeerbeleid heeft tot doel de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Neder-Betuwe te waarborgen. Voor dit doel is het van belang om in bestemmingsplannen parkeernormen vast te stellen.
21
bestemmingsplan Poort van Ochten
4.1.2.2 Doorwerking bestemmingsplan Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe het aspect 'parkeren' ten aanzien van bouwen en gebruik geregeld. De parkeernorm is 2,8 per 100 m² BVO voor zelfstandige kantoren of een kantoorverzamelpand, zonder baliefunctie en 3,8 per 100 m² voor kantoren met baliefunctie. Het maximale BVO per gebouw (en daardoor ook de maximale bebouwingshoogte) is afhankelijk van het aantal parkeerplaatsen dat kan worden gerealiseerd. Indien een parkeergarage wordt gerealiseerd, of indien er op maaiveld of halfverdiept onder het gebouw wordt geparkeerd, kunnen de gebouwen hoger worden dan wanneer het parkeren enkel op maaiveld wordt opgelost. De bestaande carpoolvoorziening blijft overigens in stand of komt op een gelijkwaardige wijze terug in het plan. In het bestemmingsplan is een vergelijkbare regeling als in het Parapluplan Parkeren vastgelegd, ten behoeve van het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid.
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd voor de locatie, zie bijlage 2. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Geadviseerd wordt om een nader onderzoek te laten instellen naar de aard en de omvang van de geconstateerde sterke verontreiniging met PAK, ter plaatse van boring 13. Een sterke PAK-verontreiniging kan, afhankelijk van de omvang, een milieuhygiënische belemmering vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Echter, op basis van de huidige gegevens wordt de omvang van de sterke PAK-verontreiniging beperkt van omvang verwacht en is in de exploitatie rekening gehouden met de eventueel daarmee gemoeide saneringskosten. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/ puin conform de NEN 5707/5897 wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
22
bestemmingsplan Poort van Ochten
Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 4.2.3
Conclusie
De bodem is geschikt of geschikt te maken voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect bodem vormt in redelijkheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een plan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid. Op grond van de Wet geluidhinder dient een gemeente in bepaalde situaties een zone vast te stellen rond een industrieterrein. De gemeente is hiertoe verplicht indien er op een industrieterrein volgens een vast te stellen bestemmingsplan of een herziening daarvan inrichtingen zijn toegelaten die door het Inrichtingenen vergunningenbesluit milieubeheer zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Het vaststellen van een dergelijke zone betekent, dat buiten deze zone de geluidbelasting vanwege het industrieterrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). In het onderhavige bestemmingsplan is de vestiging van geluidzoneringplichtige inrichtingen uitgesloten. De gemeente is dan ook niet verplicht om een zone vast te stellen rondom het plangebied. Ook op de omliggende bedrijventerreinen zijn geen geluidzoneringplichtige inrichtingen toegestaan. Met de ontwikkeling van de locatie is geen sprake van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. In de paragraaf 4.4 wordt geconcludeerd dat er voldaan wordt aan de richtafstanden ten opzichte van gevoelige functies, zoals woningen. Dit geldt ook voor het aspect geluid.
4.4
Bedrijven en Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek moeten uitwijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten door middel van een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van
23
bestemmingsplan Poort van Ochten
het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Tabel 4.1: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. 4.4.2
Doorvertaling in bestemmingsplan
In het plangebied zelf worden geen gevoelige functies gerealiseerd. Daarmee ondervindt het initiatief geen negatieve effecten als gevolg van de ligging vanwege het naastgelegen bedrijventerrein Walenhoek. Binnen het plangebied zijn in de toekomstige situatie bedrijven tot aan milieucategorie 3.2 toegestaan. De publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' hanteert voor deze milieucategorie een maximale richtafstand van 100 m voor omgevingstype rustige woonwijk/buitengebied en 50 meter voor omgevingstype gemengd gebied . De dichtstbijzijnde woning ligt op ruim 150 m afstand. Enige milieuhinder afkomstig van de nieuwe bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied op gevoelige objecten uit de omgeving is daarmee op voorhand uit te sluiten. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1
24
bestemmingsplan Poort van Ochten
augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2
Onderzoek
Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Voor kleine ontwikkelingen is een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een project dat 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1 leidt de voorgenomen ontwikkeling tot 454 motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Uit de berekeningen met de NIBM-rekentool (zie navolgende afbeelding) blijkt dat de toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Afbeelding 4.1: berekening NIBM-tool
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 730665 (aan de A15 ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen: NO2 (stikstofdioxide)
PM10 (Fijn stof)
25
PM2,5(Zeer Fijn Stof)
bestemmingsplan Poort van Ochten
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)
18,6 µg/m³
16,7 µg/m³
9,3 µg/m³
Grenswaarde concentratie (µg/m3)
40 µg/m³
40 µg/m³
25 µg/m³
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. 4.5.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de
26
bestemmingsplan Poort van Ochten
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).
Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt.
De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit. 4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Gemeentelijk beleid Het voorliggend initiatief betreft geen nieuwvestiging van een Bevi-inrichting in het plangebied. Tevens betreft het geen bijzonder kwetsbaar object. Ten aanzien van de toetsing van het initiatief aan de 200 m zones van aangewezen basisnetroutes weg en spoor (o.a. A15 en Betuweroute) wordt verwezen naar onderstaande alinea's. Risicokaart Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart.
27
bestemmingsplan Poort van Ochten
Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart
Op basis van de risicokaart worden in de omgeving van het bedrijf de volgende risicobronnen onderkend: het transport van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute; het transport van gevaarlijke stoffen over de A15; het transport van aardgas door de buisleiding N-574 het transport van gevaarlijke stoffen over de provinciale weg N233 het gebruik van een grote ammoniakkoelinstallatie (zijnde een Bevi activiteit) bij het bedrijf Van Soest en Fruitmasters groep U.A. In navolgende alinea's wordt ingegaan op de risico's. Door de ODR zijn risicoberekeningen uitgevoerd, zie Bijlage 3. De resultaten van deze berekeningen zijn hieronder weergegeven. Naast het uitvoeren van (groeps)risicoberekeningen is hieronder ook een beschouwing van de risico’s gegeven. Betuweroute Ten noorden van de locatie ligt het tracé van de Betuweroute. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats waardoor rekening moet worden gehouden met de PR 10-6-contour en het groepsrisico.
28
bestemmingsplan Poort van Ochten
Afbeelding 4.3: Gebouwen Walenhoek en Poort van Ochten ten opzichte van de Betuweroute (groene bolletjes).
Gelet op bovenstaande afbeelding en de resultaten van de risicoberekeningen blijkt dat: het bouwvlak van plangebied niet ligt binnen de vastgestelde PR 10-6 contour, de berekende PR 10-7 contour en het brandaandachtsgebied en de “KOUDE BLEVE”-effectzones van de Betuweroute; dit bouwvlak wel ligt binnen de berekende PR 10-8 contour, de 200 meter zone, het explosieaandachtsgebied, het gifwolkaandachtsgebied en de maximale 1% letaalzone van de Betuweroute.