Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 15 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
3134598100 (38248)
350 meter ten westen van het plangebied Toponiem: De Prinsenhof te Kesteren
Romeinse tijd : - fragment van een kalksteen object, - cultuurlagen Late Middeleeuwen : - fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk - fragmenten van steengoed - fragmenten van ijzeren objecten, - cultuurlagen - fragmenten van maalstenen - fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk - fragment van een metalen sleutel
3144714100 (42528)
350 meter ten westen van het plangebied Toponiem: Rijnbandijk te Kesteren
Vroege Middeleeuwen - Late Middeleeuwen : - fragment van een keramische kogelpot
3144852100 (42574)
350 meter ten zuidwesten van het plangebied Toponiem: Begraafplaats te Kesteren
Romeinse tijd : - botmateriaal - 3 fragmenten van terra sigillata kommen/schalen - fragment van een ruwwandige (kook)pot - fragment van een terra sigillata bord/schotel - fragment van een geverfde beker - fragment van een geverfd bord - 4 fragmenten van gladwandige kruiken - fragment van een ruwwandig bord
4582627100
350 meter ten zuiden van het plangebied Toponiem: De Oogsthof te Kesteren
RECENT : - 2 kuilen,
2918271100 (38247)
400 meter ten zuiden van het plangebied
Late Middeleeuwen : - fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 15 van 31
Toponiem: Nedereindsestraat - Fruitstraat te Kesteren
- fragmenten van steengoed - fragmenten van keramische objecten, Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2097903100 (14272))
2935670100 (41065)
400 meter ten zuiden van het plangebied Toponiem: Nedereindsestraat - Fruitstraat te Kesteren
IJzertijd : - handgevormd aardewerk - botmateriaal - fragment van een vuursteen object, - stenen brokken - kuil, afvalkuil Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2097903100 (14272))
2944742100 (42577)
400 meter ten zuidwesten van het plangebied Toponiem: Begraafplaats te Kesteren
Romeinse tijd : - fragment van een keramische kook/voorraadpot - 2 fragmenten van terra sigillata borden/schotels - crematieresten - 2 fragmenten van gladwandige kruiken
3118405100 (30123)
400 meter ten westen van het plangebied Toponiem: Prinsenhof te Kesteren
Romeinse tijd : - fragmenten van terra sigillata - fragmenten van gedraaid aardewerk - botmateriaal - 3 fragmenten van ijzeren messen - 168 graven, crematie - metalen munt, - 2 fragmenten van metalen ringen - fragmenten van dakpannen - crematieresten Late Middeleeuwen : - greppels/sloten
3141328100 (41063)
400 meter ten zuiden van het plangebied Toponiem: Nedereindsestraat - Fruitstraat te Kesteren
Bronstijd : - botmateriaal - fragmenten van Hilversum-Drakenstein-Laren-aardewerk - fragmenten van vuursteen objecten, - stenen brokken Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2097903100 (14272))
3144860100 (42576)
400 meter ten zuiden van het plangebied Toponiem: Nedereindsestraat - Fruitstraat te Kesteren
IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - fragmenten van terra sigillata - fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk - 5 graven, crematie - fragmenten van terra sigillata kommen/schalen - fragmenten van ruwwandige kommen/schalen - 10 fragmenten van terra sigillata borden/schotels - crematieresten - fragment van een geverfde beker - 2 fragmenten van geverfde borden - fragmenten van geverfd aardewerk - fragmenten van gladwandige kruiken - 3 fragmenten van ruwwandige borden - fragmenten van ijzeren spijkers Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2097903100 (14272))
2944750100 (42579)
500 meter ten westen van het plangebied Toponiem: Prinsenhof te Kesteren
Romeinse tijd : - fragment van een gladwandige kruik
3054091100 (56565)
500 meter ten zuidwesten van het plangebied Toponiem: KesterenNedereindsestraat te Kesteren
Romeinse tijd - Vroege Middeleeuwen : - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk - fragment van huttenleem/verbrande leem
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 16 van 31
2.7
Korte bewoningsgeschiedenis van het gebied rond Kesteren
In deze paragraaf wordt een korte bespreking van de bewoningsgeschiedenis van het rivierengebied gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 2. Voor een uitgebreide bespreking van de bewoningsgeschiedenis van het gebied binnen de gemeente Lingewaal en omgeving wordt verwezen naar de rapportage behorende bij de archeologische beleidskaart voor het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe.20 Het huidige landschap van het rivierengebied vindt zijn oorsprong in de laatste ijstijd. Deze koude periode eindigde ongeveer 10.000 jaar geleden. Door het ontbreken van vegetatie en de beschikbaarheid van zand uit de nabijgelegen rivierdalen kon op grote schaal verstuiving plaatsvinden van zand uit deze dalen op de nabijgelegen hoger gelegen terrassen. Deze rivierduinen bevinden zich in het hele rivierengebied in de ondergrond aan de noordoostzijde van de dieper gelegen rivierterrassen uit het Pleistoceen. Deze terrassen werden gevormd door zich insnijdende vlechtende rivieren. Tijdens het Holoceen kregen de rivieren onder invloed van het stijgende grondwaterniveau, toenemen van vegetatie en een meer gelijkmatige afvoer een meanderend karakter.
In het oostelijk deel van het rivierengebied sneden de rivieren zich lange tijd nog dieper in de bestaande jonge terrassen en werd alleen tijdens bijzonder hoog water klei afgezet op de hogere omliggende terrassen. Door snelle stijging van de zeespiegel kwamen de meanderende rivieren steeds hoger op hun eigen afzettingen te liggen en kon zo steeds vaker de hoogste terrassen overstromen. De oudst bekende nederzettingen van het deel van het rivierengebied binnen de gemeente NederBetuwe dateren uit het Mesolithicum. Deze zijn voornamelijk te vinden op rivierduinen en grote stroomruggen. De relatief hooggelegen stroomruggen liepen meestal niet onder water tijdens overstromingen, en waren vanwege hun goed doorlatende en meestal kalkrijke gronden het meest geschikt voor landbouw. Daar kwam bij dat de rivieren de enige verkeersaders vormden. Rond 5000 jaar geleden konden de rivieren zich in dit deel van het rivierengebied over het hele pleistocene terras stromen en werden uiteindelijk zelfs delen van de hoogste rivierduinen langzaam afgedekt met rivierklei.21 De stroomgordels of meandergordels, maar zeker ook langdurig actieve crevassen, vormden tegen het einde van hun actieve periode hoger gelegen plaatsen in het overwegend natte rivierengebied. Op basis van hun ouderdom zijn deze hogere linten in het landschap vanaf de IJzertijd uitstekende plaatsen voor bewoning geweest.
Dit leidt tot een verhoogde verwachting op bewoningssporen vanaf die periode. Aan de randen van de oeverwal van de stroomruggen van Westerveld en Herveld zijn al een aantal nederzettingen aangetroffen. Tijdens de Romeinse tijd vormde de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk (de limes). Aan het eind van de Romeinse tijd nam de bevolkingsdichtheid af. Dit hangt samen met het verval van het Romeinse rijk, en misschien ook met een toename van het aantal overstromingen als gevolg van een drastische wijziging in de ligging van de belangrijkste rivierarmen (ontstaan van Lek, Waal, Gelderse IJssel). Het ontstaan van de Rijn ten noorden van het gebied heeft ongetwijfeld geleid tot ontvolking van de Betuwe al tijdens de Romeinse tijd. Tot in de Vroege-Middeleeuwen zijn weinig sporen van bewoning aangetroffen in deze omgeving.
20 21
Schuurman & De Roode, 2009 Berendsen, 2005
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 17 van 31
Pas in de loop van de Vroege-Middeleeuwen (vooral de Karolingische tijd, 650-900 n. Chr.) nam het aantal langdurig bezette nederzettingen weer flink toe. De Karolingische nederzettingen zijn vooral te vinden op de hoger gelegen stroomruggen, waardoor ze vaak een langgerekt patroon vormen. Rond 1200 n. Chr. begon men met het aanleggen van dijken om zo de dorpen te beschermen tegen overstromingen, vaak eerst in de vorm van dwarsdijken en in latere fases parallel langs de huidige rivieren. De Tielsestraat (voorheen Pottemsche straat) vormt vanaf de Late-Middeleeuwen een ontginningsas in het gebied en de meeste bewoning uit die periode concentreert zich hier dan ook langs. 2.8
Beschrijving van het historisch kaartmateriaal
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal22
Tabel VI.
22
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale kaart (Minuutplan)
1827
Gemeente Kesteren, sectie A, Blad 01
1:2.500
Onbebouwd en (grotendeels) in gebruik als boomgaard.
Voorloper Stationsstraat (Hoge Ensche Straat en Steeg) langs zuidzijde. Dijk ten noordwesten. Bebouwde erven ten noorden, zuidoosten en zuidwesten
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1871
412
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen
Kerk, pastorie en school op circa 150 m ten westen, direct onderaan zuidzijde dijk. Ten zuiden van de voorloper van de Stationsstraat enkele erven met bebouwing en boomgaarden.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1899
412
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen
Stationsstraat wordt ten oosten doorbroken door spoorweg die van Amersfoort naar Kesteren liep. Ten zuidoosten ligt het station. Ten zuiden ligt de spoorweg naar Elst/Nijmegen.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1909
412
1:50:000
In het noordwesten ligt een deel van een woonerf.
Ten noorden en oosten zijn enkele gebouwen gekomen. Stukken boomgaard maken plaats voor woonerven.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1966
412
1:50:000
Woonerf in het noordwesten is weg. In het uiterst zuiden is bebouwing gekomen.
Voorganger van de hoofdstraat ontstaat ten westen. Bebouwing langs de Spoorstraat. Stratenpatroon meer zoals huidige situatie. Toename van wegenpatronen en woonpercelen
Topografische kaart
1977
33 B
1:25.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Verdere toename van woonpercelen en wegen.
Topografische kaart
1985
33 B
1:25.000
Huidige situatie.
Merendeels huidige situatie.
www.topotijdreis.nl / www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 18 van 31
Op kaartmateriaal uit het begin van de 19e eeuw is te zien dat de kerk van Kesteren aan de voet van de dijk staat, met tussen de kerk en de dijk de school. Direct ten zuiden van de kerk stond de pastorie. Hier omheen was sprake van relatief dichte bebouwing langs de verschillende wegen. Het plangebied ligt in een gebied dat dun bebouwd was, aan de rand van de bebouwingskern. Het plangebied was onbebouwd en in gebruik als boomgaard. Langs de zuidzijde was een voorloper van de huidige Stationsstraat aanwezig (De Hoge Ensche Straat en De Steeg), ten westen lag een voorloper van de Hoofdstraat (De Steeg). Het plangebied lag op de splitsing van deze beide wegen (zie figuren 11 en 12). Aan het einde van de 19e eeuw wordt ten oosten van het plangebied de spoorweg aangelegd. Deze doorsnijd de Spoorstraat, die afbuigt naar het zuiden. Rondom het plangebied ontstaan steeds meer erven, waarvan in het noordwesten een deel in het plangebied gelegen is. Deze situatie bleef grotendeels ongewijzigd tot halverwege de 20e eeuw. De woonerf in het noordwesten is verdwenen en in het zuiden van het plangebied is bebouwing gekomen, net als aan de rest van de Spoortstraat. Vanaf 1966 werd het wegenpatroon gewijzigd tot de huidige situatie en nam de bebouwing in Kesteren toe (zie figuren 13, 14 en 15).
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied In een straal van 50 m zijn er geen rijks- en gemeentemonumenten. Op circa 100 - 130 m ten oosten van het plangebied zijn drie gemeentemonumenten, waaronder een Woonhuis De Schenkhof uit 1816 en 1900. De kerk, gelegen op 150m ten westen van het plangebied, is geregistreerd als rijksmonument, waarbij als bouwjaar voor de toren 1300 is aangegeven en voor de overige bouwdelen 1625. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.23 Bij het raadplegen van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed blijkt dat het oostelijk deel van Kesteren onderdeel was van de Betuwelinie. De Betuwestelling was een Nederlandse verdedigingslinie en lag tussen de Grebbelinie en de Peel-Raamstelling. Een verdedigingslinie is een ongeveer lineair stelsel van doorgaande, aaneengeschakelde of anderszins samenhangende verdedigingswerken, veelal voorzien van hindernissen zoals inundaties, prikkeldraadversperringen, mijnenvelden en tankhindernissen. Verdedigingslinies komen voor in heel Nederland en zijn vaak aangelegd in samenhang met natuurlijke barrières zoals rivieren en kanalen of lager gelegen drassige of te inunderen terreindelen.
De ligging ervan is bepaald door de ligging van het te verdedigen gebied, de positie en (verwachte) aanvalsroute van de vijand en de mogelijkheden van het landschap. Linies bestaan over het algemeen uit meerdere, achter elkaar gelegen onderdelen om diepte te geven aan de verdediging en zijn vaak over langere perioden in gebruik geweest, waarbij oorlog of oorlogsdreiging vaak aanleiding vormde voor aanpassing volgens de laatste inzichten. De in de Tweede Wereldoorlog opgeworpen linies betreffen vaak door zowel de Nederlanders als de Duitsers hergebruikte oudere linies zoals de Grebbelinie of de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Ook werden volledig nieuwe linies aangelegd zoals de Duitse Atlantikwall of de Nederlandse Peel-Raamstelling. Naast het gebouwde erfgoed zoals bunkers en tankversperringen kunnen archeologische resten worden verwacht zoals de resten van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, versperringen, barakken e.d. Volgens de IKME zou het plangebied niet bij horen de Betuwelinie horen, echter is dat niet met 100% zekerheid te zeggen en moet er altijd rekening gehouden worden met eventuele resten uit de Tweede Wereldoorlog. 23
Indicatieve kaart Militair Erfgoed
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 19 van 31
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 20 van 31
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 21 van 31
2.9
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)
Laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In het pakket komafzettingen met mogelijk ingeschakelde veenlagen
Laat-Neolithicum (Landbouwers)
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In het pakket oeverwalachtige afzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van Herveld.
Bronstijd - MiddenIJzertijd (landbouwers)
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In het pakket oeverwalachtige afzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van Herveld.
Late-IJzertijd – Romeinse tijd (landbouwers)
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In het pakket oeverwalachtige afzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van de Mars-Oude Rijn
Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de afzettingen van de Herveld stroomgordel en in eventueel aanwezige afdekkende overstromingssedimenten
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Aan en direct onder maaiveld
Op basis van de landschappelijke ligging, ter plaatse van de beddinggordel van Herveld, kunnen archeologische resten worden verwacht daterend vanaf het Neolithicum. Oudere resten zullen vermoedelijk zijn geërodeerd. Vanwege de ligging op de oeverwal, direct ten noorden van een restgeul, zal het plangebied een gunstige nederzettingslocatie hebben gevormd. Dit blijkt ook uit het grote aantal bekende archeologische waarden dat binnen het onderzoeksgebied aanwezig is. Deze bekende archeologische waarden dateren met name uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen, maar ook uit de Bronstijd en de IJzertijd zijn archeologische waarden bekend in de omgeving van het plangebied. De kans op aanwezigheid van archeologische waarden uit deze periodes wordt dan ook hoog geacht. Ook voor de Nieuwe tijd wordt de kans op archeologische resten hoog geacht, vanwege de ligging ten opzichte van de historische kern. Voor het Neolithicum wordt de kans op archeologische resten middelhoog geacht, vanwege het ontbreken van bekende archeologische waarden uit deze periode in het onderzoeksgebied.
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 22 van 31
Voor de perioden vanaf het Laat-Neolithicum wordt de archeologische verwachting middelhoog geacht, conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Neder-Betuwe. Archeologische resten uit de perioden Laat-Neolithicum t/m Midden-IJzertijd worden verwacht in het pakket oeverwalachtige afzettingen die gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van Herveld. Archeologische resten uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd worden verwacht in het pakket oeverwalachtige afzettingen die gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van de Mars-Oude Rijn. Voor de perioden Laat-Neolithicum Romeinse tijd kunnen er in de archeologische laag nederzettingssporen, grafvelden en/of rituele plaatsen gevonden worden. Voor de periode Middeleeuwen tot aan Nieuwe tijd kunnen er sporen van een (boeren)erf gevonden worden. Archeologische resten zullen vooral bestaan uit fragmenten aardewerk, maar er kunnen ook natuursteen, vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen worden aangetroffen. Binnen het onderzoeksgebied zijn al diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd. Vrijwel direct ten westen van het plangebied zijn tijdens een booronderzoek een aantal fragmenten Late Middeleeuwen aardewerk aangetroffen.
Het navolgende proefsleuvenonderzoek leverde twee greppels en twee kuilen op, daterend uit de periode 900 – 1300 n. Chr. Gezien de aard van deze sporen en relatief geringe spoor- en vondsdichtheid, wordt verwacht dat het plangebied gelegen is in de extensief gebruikte randzone of off-site van een nederzettingsterrein. Geen behoudenswaardige vindplaats. Historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied in ieder geval vanaf het einde van de 19e eeuw in agrarisch gebruik was als boomgaard. Pas eind jaren ’60 van de 20 e eeuw ontstond in het zuiden van het plangebied bebouwing. Deze zou de bodem eventueel verstoord hebben. In het overige deel van het plangebied heeft geen bebouwing gestaan en is de mogelijkheid dat de bodem hier nog intact is. De archeologische resten worden direct vanaf het maaiveld verwacht, maar oudere resten kunnen ook op grotere diepte voorkomen, tot in de top van de afzettingen van de stroomgordel van Herveld. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is grotendeels bebouwd. Ter plaatse van de bebouwing zal het bodemprofiel deels verstoord zijn geraakt.
Doordat de bouwdossiers niet beschikbaar waren, zijn geen gedetailleerde gegevens betreffende deze verstoringen voor handen. Op basis van de gegevens die wel beschikbaar zijn, wordt verwacht dat het archeologisch niveau ter plaatse van de bestaande bebouwing, tussen de funderingen en kleine kelder(s), mogelijk nog (groten)deels intact zal zijn.
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 23 van 31
2.10 Conclusie bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied oever- en beddingafzettingen van de Herveldstroomgordel worden verwacht Deze stroomgordel is actief geweest vanaf het Midden-Neolithicum tot in de Midden-IJzertijd. Het plangebied heeft een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf het Midden-Neolithicum. Resten uit de actieve periode van de rivier (Midden-Neolithicum – MiddenIJzertijd worden, voor zover niet geërodeerd, verwacht in het pakket oeverafzettingen. Resten uit de periode daarna (Late IJzertijd – Nieuwe tijd) worden verwacht in de top van de oeverafzettingen, onder een moderne bouwvoor en een subrecent opgebracht puinpakket. Om de archeologische verwachting te toetsen, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Omdat archeologische resten met name worden verwacht in de top van het pakket oeverafzettingen, in de vorm van een archeologische laag of vondsstrooiing met een hoge vondstdicht en gezien de beperkte oppervlakte van het plangebied, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Het booronderzoek kan zich beperken tot het deel van het plangebied dat daadwerkelijk wordt verstoord, namelijk het deel waar de nieuwbouw wordt gerealiseerd. De toekomstige parkeerplaats hoeft dus niet te worden onderzocht.
Het opgeboorde materiaal dient in het veld bodemkundig te worden beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen dienen te worden versneden/verbrokkeld, om daarmee te kunnen beoordelen of er archeologische indicatoren voorkomen.
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 24 van 31
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats. Het inventariserend veldonderzoek beperkt zich tot het deel van het plangebied dat daadwerkelijk verstoord gaat worden, namelijk het deel waar de uitbreiding van de supermarkt wordt gerealiseerd. Het deel waar de parkeerplaats wordt aangelegd, wordt niet onderzocht. Het veldonderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
3.2
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (binnen een deel van het plangebied) verstoord, en indien verstoord tot hoe diep gaat deze verstoring? Zijn, daar waar het bodemprofiel intact is, archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats? Zo ja, wat is de aard en diepteligging ervan? Zijn er archeologische lagen aangetroffen (cultuur- en afvallagen c.q. ophogingslagen)? Zo ja, wat is de aard, diepteligging en minimale en maximale dikte ervan? In welke mate stemmen de resultaten overeen met de verwachtingen? Indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 1 oktober 2020 door mevr. H.J. Gerritsen, BSc (Archeoloog) en dhr. drs. A.J. Wullink (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In het plangebied staan twee gebouwen. Verder was het plangebied vrij toegankelijk. In het plangebied zijn gelijkmatig verspreid 6 boringen gezet (zie figuur 18). De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 12 cm) tot 200 cm – 250 cm -mv. Bij een enkele boring is er vanaf 100 cm -mv met een guts doorgezet. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 24 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In Bijlage 4 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven.
24
Bosch, 2005
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 25 van 31
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen (verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek). Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel is de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht versneden en verbrokkeld en vervolgens geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. (karterende fase van het inventariserend veldonderzoek). 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 4 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. Tabel VIII.
Algemene bodemopbouw noordelijke deel plangebied (boring 1 t/m 3)
Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot gemiddeld 30 - 50
Grijsbruin gekleurde, uiterst fijn, matig siltige zand, kalkloos, onderin kleibrokken, bakstenenbrokken en puinverharding, kalkloos
Recent opgebrachte puinverharding met baksteenbrokken
Tussen gemiddeld 50 en 100
Donker bruingrijs tot donker zwartgrijs gekleurde, uiterst fijn, uiterst – sterk siltig, zwak grindig zand, houtskool en baksteen spikkels, kalkarm
A-horizont, geroerde oorspronkelijke bouwvoor/ oude cultuurlaag met keramieken vondst.
Tussen gemiddeld 60 en 130
Donker grijsbruin gekleurde, sterk siltige klei met roestvlekken, boring 3 bestaat uit sterk zandige klei, naar onderen toe zanderiger met fosfaatvlekken, zandlaagjes, kalkrijk
Oeverafzettingen, gley-zone, oude cultuurlaag
Vanaf gemiddeld 130 tot 200/250 (einde boring)
Lichtgrijsbruin tot grijs(beige) gekleurde, uiterst fijn, zwak tot uiterst siltig, grof zand, roest- en fosfaatvlekken, verspoelde houtskool brokjes, kalkrijk
Gleyzone, roest- en fosfaatvlekken, oogt wat rommelig, net boven beddingzand, beetje kleilaagjes, mogelijk middeleeuwse cultuurlaag
Tabel IX.
Algemene bodemopbouw zuidelijke deel plangebied (boring 4 t/m 6)
Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot gemiddeld 30
Grijs gekleurde uiterst fijne, zwak tot sterk siltig zand, kalkloos
Opgebrachte cunetzand/stabilisatiezand met enkele pruinbrokken.
Tussen gemiddeld 50 en 90
Donkergrijs tot donker zwartgrijs gekleurde, sterk tot uiterst siltige klei, houtskool- en baksteenspikkels, mogelijke resten verbrand leem, kalkrijk
Oude cultuurlaag, mogelijk oude A-horizont
Bij boring 6 gaat de kleilaag door tot een diepte van 170 cm. Grijsbruin tot beigegrijs en oranjegrijs gekleurde, matig tot uiterst siltige klei, roestvlekken, schelpenresten, kalkrijk
Tussen de 130 en 150 cm -mv is de klei gerijpt, teken van oude cultuurlaag.
Tussen gemiddeld 90/170 en 200
Grijsbeige tot donker bruingrijs gekleurde, uiterst fijn, matig tot sterk siltige zand, sterk roestig met fosfaatvlekken, hier en daar wat kleilagen, verteerde planten en naar beneden toe steeds zandiger, kalkrijk
Gereduceerd grondwater
Vanaf gemiddeld 200
Uiterst fijn, zwak tot matig silitige, sterk grindige zand, kalkloos
Grondwater, grofgrind, beddingafzetting, mogelijk oude stroomgordel
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 26 van 31
De boringen zijn tot minimaal 150 – 250 cm -mv diepte gezet. In alle boringen is in de basis beddingzand aangetroffen. Dit is het beddingzand van de Herveld-stroomgordel. De top van het zand is aangetroffen op dieptes variërend van 150 tot 200 cm -mv. Boven op deze beddingzanden liggen oeverafzettingen, bestaande uit zandige klei. In de oeverafzettingen zijn fosfaat- en roestvlekken (gley) aanwezig. Bovenop de zandige oeverafzettingen ligt een stugge sterk siltige kleilaag. Deze kleilaag is afkomstig van de stroomgordel van Herveld. In de zuidelijke boringen zijn beddingafzettingen (zand) met daarop een pakket oeverafzettingen (zand met kleilaagjes dat naar boven toe overgaat in siltige klei met zandlaagjes) van de Herveld-stroomgordel aangetroffen, met in de top een cultuurlaag en een bouwvoor. Deze opbouw is niet terug gekomen in de noordelijk gelegen boringen (boringen 1 t/m 3). De top van deze laag bevindt zich variërend op 20 – 30 cm -mv en heeft een gemiddelde dikte van 50 – 70 cm. In de top van beide rivierafzettingen is een oude cultuurlaag aangetroffen met houtskool en baksteen spikkels/resten. In boringen 1 t/m 3 is boven op de kleilaag een uiterst fijn, sterk siltige zandlaag aangetroffen. In boring 1 is in deze laag een Pingsdorf-scherf aangetroffen, wat betekend dat het hier om een oude bouwvoor/cultuur laag gaat. In boring 3 zijn twee vondsten gedaan.
Deze bevonden zich in de kleilaag op een diepte tussen de 40 en 90 cm -mv (zie tabel X). In boringen 4 t/m 6 zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, wel zijn in boring 6 was een gerijpte laag zichtbaar tussen 130 en 150 cm -mv. Deze laag wijst er op dat de klei is ontwaterd, maar hoeft het niet perse gebruikt te zijn voor bewoning. Deze laag is niet humeus of kalkrijk en er zijn geen indicatoren aangetroffen. De bodem in deze boring was intact. Het noordelijke deel van het plangebied had een dikke puinlaag van 60 - 70 cm dik. In boring 3 werd geen puinlaag aangetroffen. In boring 4 t/m 6 bestond de bovenste 20 – 30 cm uit opgebrachte stabilisatie/cunet zand met enkele puinbrokken erin. Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn in drie van de zes boringen archeologische indicatoren aangetroffen (zie Tabel X). De aangetroffen archeologische vondsten zijn voorgelegd aan de heer P.J.L. Wemerman materiaalspecialist van Econsultancy. Tabel X.
Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren
Boring nr.
Vondstnr. 2
Diepte/Traject in cm -mv
Datering
Indicator
1
1
80 - 100 cm -mv
900 – 1200 n. Chr.
Pingsdorf, hard en ruw, mogelijk verf aan de buitenkant.
3
2
20 - 40 cm -mv
1550 – 1700 n. Chr.
Witbakkend, loodglazuur aan binnen en buitenkant
3
3
40 - 90 cm -mv
1400 – 1600 n. Chr.
Roodbakkend, verweerd, lang aan oppervlakte gelegen, verploegt, mestaardewerk.
Bovenstaande indicatoren zijn aangetroffen in de A-horizont. Deze indicatoren kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats uit de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe Tijd. Tevens zijn houtskool- en baksteenresten en fosfaatvlekken aangetroffen. Ook dat wijst op de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De archeologische vondsten zullen conform de specifieke eisen van het depot worden aangeleverd aan het provinciaal depot van de provincie Gelderland.
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 27 van 31
3.4
Conclusie veldonderzoek
De aangetroffen bodemopbouw komt overeen met de verwachting. In het plangebied zijn oever- op beddingafzettingen van de Herveld-stroomgordel aangetroffen. Deze worden afgedekt door een modern puinpakket. In de top van de oeverafzettingen is een bouwvoor aangetroffen met daarin verweerd aardewerk uit de Nieuwe tijd. Hieronder is een cultuurlaag aangetroffen met Pingsdorfaardewerk uit de Late Middeleeuwen. In de oeverafzettingen onder de cultuurlaag zijn ook fosfaatvlekken waargenomen. Geconcludeerd wordt dat in het plangebied, binnen 1 m -mv, een vindplaats uit de Late Middeleeuwen aanwezig is. Deze vindplaats wordt aangetast door de voorgenomen werkzaamheden.
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 28 van 31
4 4.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Uit het bureauondezoek blijkt dat het plangebied, door de ligging op de Herveld-stroomgordel, een hoge archeologische verwachting heeft voor de periode Neolithicum – Nieuwe tijd. Archeologische vondsten in de omgeving wijzen op de mogelijk aanwezigheid van vindplaatsen uit de Bronstijd en de Late middeleeuwen/Nieuwe tijd. Het verkennend/karterend booronderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied, ter plaatse van de nieuwbouw, oever- op beddingafzettingen van de Herveld-stroomgordel aanwezig zijn, met daarop een moderne puin verhardingslaag. In de top van de oeverafzettingen is een bouwvoor met daarin aardewerk uit de Nieuwe tijd aanwezig. Hieronder is een cultuurlaag met aardewerk uit de Late Middeleeuwen aangetroffen, met daaronder fosfaatvlekken. Geconcludeerd wordt, dat er in het plangebied, ter plaatse van de nieuwbouw, sprake is van een vindplaats uit de Late Middeleeuwen. Deze vindplaats wordt bedreigd door de voorgenomen bouwwerkzaamheden. De verwachting voor het overige deel van het plangebied, de aan te leggen parkeerplaats, blijft op basis van het bureauonderzoek hoog. 4.2
Advies
Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbelbestemming ‘waarde – archeologische verwachting 1’ met bijbehorende planregels te handhaven. Dit bekent dat voorafgaand aan toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden die de vrijstellingsgrenzen (groter dan 100m2 en dieper dan 30 cm -mv) overschrijden, eerst aanvullend onderzoek moet worden uitgevoerd. Concreet zal dit betekenen dat voor de nieuwbouw wel vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd, maar voor de aanleg van de parkeerplaats niet. Het vervolgonderzoek kan uitgevoerd worden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, waarderende fase, door middel van proefsleuven. Het onderzoek dient plaats te vinden na de sloop van de bovengrondse delen van de bebouwing en het verwijderen van de straatklinkers, maar voorafgaand aan het verwijderen van kelders en funderingen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden, dan tevens goedgekeurd dient te worden door het bevoegd gezag.
Ten behoeve van het opstellen van dit PvE, en het bepalen van de locaties waar de proefsleuven gegraven dienen te worden, dient het bouwdossier ingezien te worden, zodat de sleuven optimaal geplaatst kunnen worden ten opzichte van de bestaande funderingen en kelders Als in de (nabije) toekomst in het noordelijke deel van het plangebied, de aan te leggen parkeerplaats, toch diepere (> 30 cm -mv) vergunningplichtige werkzaamheden uitgevoerd moeten worden, dan moet ook dit deel van het plangebied verder onderzocht worden. Ons advies is om dit deel dan meteen door middel van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek te onderzoeken. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Neder-Betuwe), die vervolgens besluit of en in welke vorm vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd.
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 29 van 31
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Cohen, K.M., E. Stouthamer, W.Z. Hoek, H.J.A. Berendsen, en H.F.J. Kempen, 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Arnhem: Provincie Gelderland. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik en A.H. Geurts, 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Universiteit Utrecht. Ginkel, A. van, 2007: Inventarisatie van verdedigingswerken in de gemeente Neder-Betuwe: De Betuwelinie. Gemeente Neder-Betuwe, Afdeling Grondgebied. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E.
Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Schuurman, E.I. & Roode, F. de, 2009: Archeologische monumentenzorg in de gemeente NederBetuwe. RAAP-rapport 1665. Stichting voor Bodemkartering, 1972: Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 39 Oost/Rhenen. Wolferen, W.R. van, 2014: Verkennend en nader bodemonderzoek. Stationsstraat 1 en 3 te Kesteren. AT Milieuadvies rapport nummer AT14118.
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 30 van 31
BRONNEN AHN; internetsite, november 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, november 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Atlas van Gelderland, internetsite, november 2020. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/ REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Default Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, november 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, november 2020. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, november 2020. http://www.dinoloket.nl/ Gelders Archief; internetsite, november 2020. https://www.geldersarchief.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, november 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, november 2020. http://www.topotijdreis.nl/ SIKB; internetsite, november 2020. https://www.sikb.nl
Rapport 4614.005 versie 1
Pagina 31 van 31
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de geomorfologische kaart van Nederland
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Legenda Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Legenda Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 7.
Rapport 4614.005 versie 1
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met het AHN als achtergrond
Figuur 8.
Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidsadvieskaart gemeente Neder-Betuwe
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidsadvieskaart gemeente Neder-Betuwe Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 9.
Holocene stroomgordels en afgedekt Pleistoceen
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied ten opzichte van de Holocene beddinggordels en het afgedekt Pleistoceen niveau (Digitaal basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta) Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zanddiepte + deklaag) 2010 van de provincie Gelderland
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de zandbanenkaart (zanddiepte) 2010 van de provincie Gelderland (bron: http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_zandbanen) Legenda Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1827 (Minuutplan)
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1827 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1871 (Bonneblad)
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1871 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1899 (Bonneblad)
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1899 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1909 (Bonneblad)
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1909 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 15.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 16.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 17.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1985
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1985 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Figuur 18.
Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto
Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) – Stationsstraat 5 en Hoofdstraat (ong.) Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda
Rapport 4614.005 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 4614.005 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 4614.005 versie 1
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 4614.005 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 4614.005 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 4614.005 versie 1
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.